Twee New Yorkse vrouwen

On 20 november 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:

Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.

Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.

Tagged with:
 

‘It is a shambles’

On 14 mei 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 12 mei 2012:

Van Jane Jacobs is de uitspraak: “Macro-economics – large-scale economics – is the branch of learning entrusted with the theory and practice of understanding and fostering national and international economies. It is a shambles.” Economische groei, aldus Jacobs in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1985), wordt niet door naties gemaakt, maar in steden. Macro-economen willen dat maar niet begrijpen. Ik moest eraan denken toen ik afgelopen zaterdag over de voorgenomen bezuinigingen van de gemeente Amsterdam in Het Parool las. De enige stedelijke economie die nog goed draait in dit land laat zich de maat nemen door Den Haag en conformeert zich aan andere steden die economisch veel slechter presteren, ze neemt zich voor tenminste evenveel te bezuinigen als de anderen. Met zichtbaar genoegen haalt journalist Karman de Rotterdamse wethouder financiën aan, die 2500 ambtenaren ontslaat en stevig bezuinigt op de gemeentelijke begroting. Over Amsterdam zou ze in De Telegraaf hebben gezegd dat die gemeente niet genoeg bezuinigt omdat de gemeenteraad er te tam is. “In Amsterdam heerst toch een andere politieke cultuur.” Volgens Karmans heeft de raad deze week de kans ‘zich te revancheren’. Alsof het een kampioenschap bezuinigen betreft. Alsof – om Jane Jacobs te parafraseren – de economische situatie in Rotterdam niet fundamenteel afwijkt van die in Amsterdam.

Als het gras te hoog wordt, knippen jullie het af. En gras dat slecht groeit, wordt juist bemest.” Die uitspraak deed diezelfde zaterdag Walter Lewin, hoogleraar kernfysica aan MIT in Boston, in NRC Handelsblad. Een ‘center of excellence’ is in Nederland niet mogelijk, stelt hij vast. “Men vindt dat een vies woord. Alles moet hier hetzelfde niveau hebben. Dat is jullie probleem. (…) Iedereen moet bij jullie gelijk zijn en gelijke kansen krijgen. Dan zet je in op de middelmaat.” Wat voor universiteiten geldt, geldt in Nederland ook voor steden. Wij staan niet toe dat sommige steden zich onderscheiden, dat de ene stad economisch beter presteert dan de andere. Zodra een stad het beter doet dan de andere, wordt hij geschoren. Het zit in onze cultuur. Het is een belangrijke reden waarom de open Nederlandse economie niet uit het dal zal klimmen zonder actieve hulp van buiten. Zelf kan, nee wil ze het niet. Daarom nog eenmaal Jane Jacobs: “The feedback seems to operate on the premise that people who relinquish the civilized art of maintaining creative cities are not to be entrusted with the risks of developing further. (…) Societies and civilizations in which the cities stagnate don’t develop and flourish further. They deteriorate.”

Tagged with:
 

Heldenstatus

On 29 maart 2012, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the Urban Revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Het laatste hoofdstuk van Jeb Brugmann’s ‘Welcome to the Urban Revolution’ is getiteld ‘Cocreating the Citysystem: toward a World of Urban Regimes’. We zijn hier aangeland bij de oplossingsgerichte strategieën voor het vraagstuk van de snelle mondiale verstedelijking in tijden van crisis. Tal van voorbeelden komen in het boek voorbij. Nederlandse steden schitteren door afwezigheid. Welke steden noemt Brugmann dan wel? Zijn voorbeelden zijn Silicon Valley, Chicago, Curitiba, Bangalore, Toronto. Zijn grote held is David Crombie, de burgemeester van Toronto die dertig jaar de Canadese stad bestuurde, van de jaren ‘60 tot de jaren ‘90. Hij was het die Jane Jacobs als adviseur van de stad aan zich bond. In zijn tijd was de volle omvang van het stedelijke vraagstuk nog niet duidelijk. Maar zijn benadering sneed wel hout. “A city must know its purpose in a world that demands so much from it. To fullfill that purpose, the city must suck from its own roots.’’ Crombie was ervan overtuigd dat een stad niet andere steden moet imiteren en ook geen wereldklassestatus moet nastreven. Toen Toronto door de Verenigde Naties als voorbeeld werd aangemerkt, raakte de stad uit zijn doen, ze werd arrogant. “Toronto ended up in a golden funk.” Crombie zag wat Boston deed en wat Detroit naliet, en besloot het allemaal heel anders te doen.

Wat deed burgemeester Crombie dan wel? Hij koos de stadsbuurt als eenheid van planning en daagde elke buurt uit zich te organiseren en te vernieuwen. Daarop besloten de burgers van Toronto hun wapens thuis te laten en te gaan samenwerken. Voor de burgervader bleef de rol over van mediator; Crombie genoot van die rol. “Mediation is not about compromise. You have to find out what the new space is. You have to spend time finding out where you’re going. When you see the new space emerge, then you help others to see it.” Brugmann noemt Crombie zowel strateeg als activist, een echte leider. Voor de burgemeester waren de ruimtelijke ordening en de sociale ordening één ondeelbaar geheel. Laat Amsterdam dus Toronto vooral niet imiteren en ook niet de wereldstedenstatus ambiëren, maar teruggaan naar haar wortels en haar eigen weg bewandelen. Welk ‘urban regime’ past bij Amsterdam?

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Te mooi om waar te zijn

On 24 januari 2012, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Town Planning in the Netherlands since 1800’ (2011) van Cor Wagenaar:

Vlak voor de kerst verscheen een meer dan zeshonderd pagina’s tellend boek over twee eeuwen Nederlandse stedenbouw: 1800-heden. Auteur Cor Wagenaar is historicus, hij doceert aan de TU Delft. Het fraai uitgegeven overzichtswerk getuigt van grote ambitie en noeste arbeid. Eerlijk gezegd komt het niet vaak voor dat de discipline zo’n groot overzichtswerk krijgt toegespeeld van een eminent historicus. En dan nog wel geschreven voor een internationaal publiek. ‘Rule and Order’ van Andreas Faludi (1994) was volgens mij de laatst serieuze poging daartoe, want van ‘Ruimtelijke Ordening’ van Van der Cammen en De Klerk (2003) bestaat bij mijn weten alleen een Nederlandstalige editie. De ondertitel van het nieuwe boek luidt: “Responses to Enlightenment Ideas and Geopolitical Realities.” De ruimtelijke ontwerpdiscipline wordt in de context geplaatst van politiek, economie en cultuur. Hier herkennen we de Groningse school van Taverne. Het hele boek gelezen heb ik nog niet. Wel de index. De meest genoemde geografische aanduiding in het boek is Amsterdam, op de voet gevolgd door Rotterdam, vervolgens is er lange tijd niets, eerst daarna komen Duitsland, Berlijn, dan Engeland en Frankrijk. De twee grote steden zetten dus de toon. Bij het namenregister is de dominantie nog opvallender. Bovenaan prijkt H.P. Berlage, gevolgd door J.J.P. Oud, een trap lager staan C.van Eesteren en M.Granpré Molière, gevolgd door Werner Hegemann en Camillo Sitte; pas daarna is het S.J. van Embden, die zelfs Le Corbusier nog de loef afsteekt. Niet het modernisme, maar de traditie wint het bij Wagenaar, dat is het nieuwe historische beeld.

Ronduit vleiend vond ik het einde van het boekwerk, waar Wagenaar over de nieuwe structuurvisie van Amsterdam reflecteert. Hij vergelijkt de visie met niet minder dan het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934. De visiekaart staat over liefst twee bladzijden afgedrukt. Wagenaar: “Accepted by the municipality in 2011, it is a brilliant reminder of Van Eesteren’s general expansion plan of 1934.” De kartografie herinnert hem aan de hoogtijdagen van de planning (de jaren dertig), in de opzet blijken de lessen van Jane Jacobs te zijn geleerd, landschap en infrastructuur worden principieel regionaal benaderd, de stad wordt voorbereid op een olie- en gasloos tijdperk, de ambitie is om jong talent aan te trekken en het internationale milieu van de Zuidas wordt stevig neergezet. In alle opzichten, schrijft hij, draagt de Amsterdamse visie duurzaamheid uit. Tegelijk klinkt er argwaan in zijn lovende commentaar. Wagenaar is bang dat dit alles plaatsvindt in een context die de economie vooropstelt en dat de schoonheid van de visie eerder voortkomt uit citymarketing dan uit de inhoud van het beleid. “While they make full use of the tremendous advertizing potential of urban imagery, they largely lack the means to actually implement the – invariably beautiful – visions they conjure up.” Eigenlijk vertrouwt hij het zaakje niet. Ook al is de visie nog zo mooi, Amsterdam zal hem, Wagenaar, eerst moeten overtuigen.

Tagged with:
 

Athens of America

On 12 januari 2012, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) van Jane Jacobs:

Fenway Cultural District in Boston bevat de grootste concentratie culturele instellingen van Groot-Boston. Het culturele kwartier ligt tamelijk ver buiten het historische centrum, ten zuiden van Back Bay Fens, naast het door Olmsted midden negentiende eeuw ingerichte park. Eigenlijk begint het al met de openbare bibliotheek uit 1852 van McKim aan Copley Square. Als je vervolgens Huntington Avenue – ‘Avenue of the Arts’ – afloopt kom je ze allemaal tegen: Boston Symphony, Huntington Theater Company, het ‘Theater District’, het conservatorium, Museum of Fine Arts. Ben je bij de laatste dan ben je al ver buiten het bereik van het oude centrum; je moet de Green Line nemen om weer in de oude stad te komen; lopen is te ver. Onwillekeurig moest ik denken aan het Museumpleinkwartier: ook zo’n negentiende eeuwse concentratie van musea en culturele instellingen buiten het historische centrum, gekoppeld aan het Vondelpark en natuurlijk aan het Museumplein zelf. In een van de laatste nummers van Plan Amsterdam analyseert stedenbouwkundige Maurits de Hoog deze en andere Amsterdamse ‘culturele clusters’ en hoe ze in hun omgeving zijn opgenomen. Hij telt in totaal negen clusters, alle heel verschillend, de meeste gelukkig nog altijd in de binnenstad. In Boston is dat anders, daar heeft men midden negentiende eeuw juist alle culturele instellingen naar buiten verplaatst. Hieraan dankte de stad destijds zijn reputatie van ‘Athens of America’. Echter, het gevolg was dat de binnenstad van Boston langzaam doodbloedde. Het werd een saai Central Business District, later, in de twintigste eeuw, ook nog eens doorsneden door een autosnelweg, die pas onlangs onder de grond is gewerkt.

Jane Jacobs noemt Boston in ‘The Death and Life of Great American Cities’ de eerste Amerikaanse stad die voor zichzelf een cultureel district bouwde. Een ‘Committee of Institutes’ bedacht in 1859 een ‘Cultural Conservation’ -kwartier ver buiten de binnenstad, waar naar het voorbeeld van het oude Athene uitsluitend culturele instellingen zich mochten vestigen. De bouw ervan, merkt Jane Jacobs op, viel merkwaardigerwijze juist samen met de geleidelijke culturele neergang van de stad. “Whether the deliberate segregation and decontamination of numerous cultural institutions from the ordinary city and ordinary life was part of the cause of Boston’s cultural decline, or whether it was simply a symptom and seal of a decadence already inevitable from other causes, I do not know. One thing is sure: Boston’s downtown has suffered miserably from lack of good mixtures in its primary uses, particularly good mixing in of night uses and of live (not museum-piece and once-upon-a-time) cultural uses.” Waarom de culturele instellingen in de stad clusteren? Dat is meestal dood in de pot. Het worden dan toeristische eilanden. Voor een levendige cultuur moet je ze juist mengen en spreiden. Jacobs vermoedt dat het te maken had met de financiering: de elite wil cultuur alleen financieren wanneer deze niet kan worden ‘besmet door andere functies. Haar advies is echter dit vooral niet te doen. Bouw geen ‘museumparken’, maak geen culturele concentraties, maar verdeel ze juist over de stad. Het heeft even geduurd. Pas onlangs is Boston begonnen nieuwe musea (ICA, Children’s Museum) aan de zuidkant van de binnenstad te bouwen.

Tagged with:
 

Etruskische lessen

On 22 december 2011, in cultuur, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Pierson Museum te Amsterdam:

In het Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam ging ik deze week de Etrusken bewonderen. Het betreft het ene deel van de dubbeltentoonstelling ‘Vrouwen met aanzien, mannen met macht.’ Het andere deel is in Leiden te zien. Intrigerend materiaal van een oud volk in het hart van Italië, in Toscane tussen Florence en Rome. Ik zag een grafkamer in een necropolis en het gereconstrueerd dak van een huis, en verder heel veel spullen. Van Etruskische steden echter geen spoor. Wel repte de introductiefilm over steden, of eigenlijk over een vereniging van Etruskische stadstaten. Maar het commentaar luidde dat dit losse verbond van steden, vaak op rotsen gebouwd, te zwak was om echt macht uit te oefenen, alsof macht gelijk staat met grote cultuur. De hoogstaande Etruskische beschaving werd vooral toegeschreven aan de zeevaart en de handel, niet aan de steden zelf. Waarom toch altijd die zeevaart? Waarom die nadruk op handel? Vreemd.

Je hoeft ‘The Economy of Cities’ (1969) van Jane Jacobs er maar op na te slaan om te beseffen dat juist de Etruskische steden de bron waren van alle welvaart en hoogstaande cultuur. “When Rome was still only an in consequential little settlement occupied by herdsmen (who were possibly also raiders) on a hill protected by ravines – the hill that was to become the Palatine – looking across at another hill occupied by the Sabines, the Etruscans had a dozen flourishing cities in Etruria to the north.” De drie oudste steden lagen aan de kust, de jongere – negen stuks – landinwaarts. Deze steden, aldus Jacobs, waren de eerste afzetmarkten van Rome. Hoe waren ze dat geworden? Door importvervanging. Zeker, ze hadden het kostbare metaal eerst moeten invoeren uit steden als Urartu in Klein-Azië, en dat is handel, maar al snel waren ze het metaal zelf gaan maken, met ertsen die ze aantroffen in de buurt van hun steden. “When the Etruscans shifted imports, their cities must have become expanding markets for materials they had previously bought either in much lesser amounts or not at all.” In de tentoonstelling was dit fraai te zien; ergens stond een amfora, maar die bleek Grieks, niet Etruskisch! En inderdaad, eens in de periferie van het Etruskische stedenstelsel groeide stilletjes Rome. Het stadje importeerde nog spullen uit Etrurië. De stad zou uiteindelijk de Etruskische steden gaan overvleugelen. Waarom? Niet vanwege macht of handel. Nee, omdat ook Rome uiteindelijk beter bleek in de kunst van importvervanging.

Tagged with:
 

Met dank aan New York

On 21 december 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 januari 2011:

Afgelopen jaar bestond Samsonite precies honderd jaar. Het Amerikaanse bedrijf vierde zijn eeuwfeest met de uitgave van een goudkleurige Cosmopolite-koffer. Ik las een korte bedrijfsgeschiedenis in Het Parool eerder dit jaar en op de website FundingUniverse staat over het bedrijf meer te lezen. Opnieuw een mooi voorbeeld van hoe intens een bedrijf met steden is verweven. Samsonite werd door de 28-jarige Jesse Schwayder opgericht in Denver, Colorado. Zijn eerste koffers waren van hout, zijn bedrijf was niet meer dan een buurtwinkel, een ruimte van 50 bij 150 voet die hij huurde in de binnenstad. Het vak had Schwayder geleerd in New York, waar hij had gewerkt bij de Seward Trunk and Bag Company. Een kwestie van kopiëren dus. Maar Schwayder deed het net even anders dan hij had geleerd in New York: “He realized that he was facing stiff competition from deep-pocketed luggage manufacturers. So, rather than trying to compete with other luggage companies on price, he would differentiate his products by quality and charge as high a price as the market would bear.” Zijn eerste koffer noemde hij ‘Samson’, vernoemd naar de sterke Bijbelse figuur. Zijn afzetmarkt was toen nog lokaal. Acht jaar later veroverde hij de stedelijke markten aan de oostkust van de VS. Voor het eerst stonden zijn koffers te koop in Macy’s, New York. In 1924 opende hij een hypermoderne fabriek in Zuid-Denver. Koffers werden er nu geproduceerd aan de lopende band. Tijdens de Grote Depressie daalde echter de omzet en schakelde de fabriek over op de productie van kentekenplaten, voederbakken voor honden enzovoort. Samsonite werd later, in de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog, zelfs ingeschakeld voor de wapenindustrie. Desondanks bleef Schwayder zijn kofferproducten innoveren. Synthetische materialen deden nu hun intrede. Specialiseren was het motto – het bedrijf maakte bijvoorbeeld koffers voor muziekinstrumenten. Vanaf 1956 ging het zijn producten exporteren naar Europa, Canada en Japan. De eerste Europese fabriek werd in 1966 gevestigd in Oudenaarde, België. In 1965 kreeg het bedrijf zijn naam: Samsonite. Het verkocht en produceerde nu ook LEGO. In de jaren ‘70 ging het naar de beurs, het was een multinational geworden: “it had 1,000 locations around the world, 8,000 different products, more than 65,000 employees.”

Ziedaar hoe Samsonite de wereld veroverde vanuit Denver, Colorado. Met dank aan New York. Jane Jacobs schreef erover in ‘The Economy of Cities’ (1969): “New cities do not arise by spontaneous generation. The spark of city economic life is passed on from older cities to younger.” Zo was het ook met New York zelf. “New York, far from having sprung from the Erie Canal (a mere artifact of New York), is more likely the great-great-great-great-grandcity of Urartu, say, by a descent that traces back through London, Venice, Constantinople, Rome, and Vetulonia or Tarquinii, oldest of the Etruscan cities.” Het jonge Denver, een stad nu even groot als Rotterdam, is dus dank verschuldigd aan New York. En misschien wel aan meer steden in de wereld. Zouden de oude Etruskische steden ook koffers hebben geproduceerd?

Tagged with:
 

Ralph Flanders

On 22 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Terug naar Boston. Nogmaals de vraag: waardoor presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Eerder meldde ik dat Ed Glaeser in zijn magistrale ‘Triumph of the City’ de aanwezigheid, van oudsher, van universiteiten en kennisinstellingen in Boston verklaarde uit de studie van de bijbel door de protestantse kolonisten. Zo ontwikkelde zich aan de kust van Massachusetts een traditie van leren, studeren en investeren in menselijk kapitaal. De afwezigheid van grondstoffen en de gelijkenis van de producten die de stad maakte met die welke het moederland produceerde, hielpen mee in deze langjarige stedelijke oriëntatie. Glaeser stelt vast dat Boston in de twintigste eeuw wegkwijnde toen de industrialisatie niet om kennis bleek te vragen, maar om grondstoffen, transport en goedkope arbeidskrachten. Sinds kennis, talent en innovatie wèl weer bepalend zijn voor economisch succes, kan Boston’s economie vanaf de jaren zeventig weer groeien. Wat heet, Boston doet het op dit moment tien keer beter dan Amsterdam.

Jane Jacobs schrijft de opleving van Boston toe aan de persoon van Ralph Flanders. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ gebruikt de Amerikaanse urbaniste de figuur van Flanders om duidelijk te maken hoe belangrijk het is om voor een stad de juiste diagnose te stellen. Alle diagnoses voor de ziekte van Boston waren destijds verkeerd geweest. Ralph Flanders echter wist het wèl: Boston kwijnde weg omdat de stad te weinig kleine bedrijfjes voortbracht. Er was weliswaar veel talent in de stad, maar de afgestudeerden gingen allemaal werken bij Du Pont en Eastman Kodak. Flanders overtuigde een aantal gefortuneerde stedelingen ervan om een fonds te vormen waaruit kleine bedrijfjes in Boston startkapitaal konden lenen. De eerste venture capitalists deden zo hun intrede. Flanders deed wat elke stad tegenwoordig zou moeten doen: eigen talent vasthouden en met kleine leningen op weg helpen. ”Upon this base, upon its many subsequent ramifications and breakaways, and upon the multiplying suppliers of materials, instruments, tools and services that served the new enterprises and thus were supported by them and by one another, the Boston regional economy was stunningly rejuvenated.” Dus wat Amsterdam zou moeten doen? Afstappen van alle gateway-verhalen, daarentegen investeren in het opkweken van heel veel nieuwe, kleine, lokale bedrijfjes.

Tagged with:
 

Deadly interplay

On 15 september 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 12 september 2011:

De Volkskrant becijferde afgelopen week de totale kosten die de Verenigde Staten maken voor de aanslag op de Twin Towers in New York, nu tien jaar geleden. Het blijkt om ruim drieduizend miljard dollar te gaan. Aan gebouwen en mensenlevens is de USA 55 miljard dollar kwijt, aan de economische gevolgen 123 miljard dollar, aan de oorlogen in Irak en Afghanistan 1649 miljard dollar, aan veteranenzorg nog eens 589 miljard en aan toekomstige oorlogsvoering 277 miljard. Kan een land, ook al is het groot en machtig, zulke gigantische kosten dragen?

Opnieuw moest ik denken aan het werk van de onlangs overleden Jane Jacobs. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) schreef deze wijze Amerikaanse urbaniste over waarom regeringen van landen en hun economen zo weinig van economie begrijpen. Kern van haar betoog is: economen gaan uit van de natie-staat, terwijl de werkelijke economische eenheden de stedelijke regio’s zijn. Een land is niet anders dan een optelsom van steden. Landen hebben zelfs de neiging om hun steden op te eten. Door hun machtspolitiek organiseren zij telkens weer ‘transactions of decline’, dat wil zeggen, zij heffen belastingen op steden die de werkelijke welvaartsmachines zijn, maar investeren dat geld elders: in het platteland, in defensie, in mainports, in subsidies en pensioenen. In de Sovjet Unie heeft dit afromen van steden catastrofaal uitgepakt. Voor Amerika dreigt hetzelfde te gebeuren, evenals in Europa. “The United States, for its part, has been milking its cities and city regions even more prodigiously, a feat possible because, being more numerous, more highly developed and richer, American cities have had more to yield than Soviet cities.” Dat pakt vroeger of later desastreus uit. Volgens Jacobs is dit ook de belangrijkste reden dat landen en imperia uiteindelijk bezwijken. “Unfortunately, given the deadly interplay between nations and their cities, we human beings are doomed to spurts of economic development only – sporadically and relatively brief episodes, now here, now there, followed by stagnation and deterioration.” De drieduizend miljard dollar zijn, kortom, onttrokken aan de Amerikaanse steden. Knap als ze dat weten te overleven.

Tagged with: