Gehoord op Roeterseiland Campus, Amsterdam, op 5 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor map jane and finch toronto

 

Toronto is een hyperdiverse stad. Tuna Tasan-Kok, zelf afkomstig uit Ankara, Turkije, was de Canadese stad gaan onderzoeken omdat Europese steden qua bevolkingssamenstelling steeds veelkleuriger worden en niet goed weten hoe daarmee om te gaan. Hoe doet men dat in Toronto? De planoloog Tasan-Kok is sinds kort hoogleraar Planologie aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar hyperdiverse planning. Ze vertelde erover in het bachelor-programma Cities in Transition aan de Universiteit van Amsterdam. Bijna de helft van de twee miljoen inwoners omvattende stad, aldus Tasan-Kok, is in het buitenland geboren. Van de andere helft heeft vrijwel iedereen wortels in een vreemd land. Iedere inwoners is als het ware een nieuwkomer. De complexiteit van deze hyperdiversiteit wordt door de stad niet als probleem gezien, maar is juist uitgangspunt van de planning. Dit houdt in dat alle twee miljoen inwoners toegang hebben tot de voorzieningen, voor elke bevolkingsgroep zijn fysieke ruimtes geregeld en iedereen krijgt in principe dezelfde mogelijkheden. Wat het eerste betreft gaat het niet alleen om toegang tot informatie, maar ook tot consultatie en zelfs delegatie van bevoegdheden. In de stad vindt men duizenden street agents die bemiddelen tussen de overheid en lokale gemeenschappen. Ze liet goed zien hoe ver dit gaat en hoe complex deze omgang met diversiteit is. Toch is er ook in Toronto nog sprake van racisme en discriminatie. “Toronto prides itself on its diversity. It’s even the city’s motto, Diversity Our Strength. But Torontonians know that’s just public relations spin, a goal we’ve never really tried to actually achieve.” Lees het onderzoek van David Hulchanski, hoogleraar Housing ande Community Development aan de University of Toronto.

In haar gastcollege zoomde Tasan-Kok in op twee wijken: Regent Park en Jane-Finch. De eerste bleek een achterstandsbuurt in het peperdure centrum, de tweede het afvoerputje van de stad in de noordwestelijke suburbs. Ze vertelde dat Regent Park vele malen onderhanden is genomen, maar dat elke poging tot stadsvernieuwing was gestrand. Uiteindelijk hebben marktpartijen met nieuwe planningsinstrumenten de wijk aan de praat gekregen. De dichtheid is flink opgevoerd, er zijn nieuwe groepen komen wonen zonder dat de zittende bewoners werden verjaagd en de openbare ruimte is opgeknapt. Sommigen spreken afkeurend van gentrificatie, maar Tasan-Kok vindt de ingrepen verdedigbaar. In het geval van Jane-Finch was alles veel lastiger. Geen marktpartij wilde in deze door drugs en geweld geplaagde hoogbouwwijk investeren. Hier hebben de planners het zelf gedaan, gebruik makend van het sterk ontwikkelde gemeenschapsgevoel. In de leegstaande winkels in de malls hebben ze voorzieningen gemaakt ten dienste van de verschillende bevolkingsgroepen. Fysieke en sociale programma’s werden op elkaar afgestemd. Al die verschillende leefstijlen, houdingen en activiteiten accepteren, aldus Tasan-Kok, is beslist niet makkelijk. Haar bewondering voor de planners van Toronto stak ze niet onder stoelen of banken. Terecht.

Tagged with:
 

Vraatzuchtig monster

On 11 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010) van Auke van der Woud:

Afbeeldingsresultaat voor koninkrijk vol sloppen

Tussen 1870 en 1900 groeiden de steden in het westen van Nederland ineens als kool. Amsterdam, aldus historicus Auke van der Woud in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010), kreeg in drie jaar tijd, tussen 1880-1883, liefst 100.000 nieuwe inwoners erbij. De instabiliteit van die instroom was overigens wel groot, want tegelijk vertrokken er 70.000. Een positief saldo dus van 10.000 nieuwe Amsterdammers elk jaar. Nederland volgde in dat opzicht industriële grootmachten als Engeland en Duitsland. In die tijd ontstond het beeld van de grote stad als een gezwel dat op zijn landelijke omgeving parasiteert. De trek naar de stad werd zelfs rechtstreeks in verband gebracht met de landbouwcrisis. Volgens Van der Woud hadden die twee tendensen maar zeer gedeeltelijk met elkaar te maken gehad, maar het beeld was geboren en het bleek onweerstaanbaar: steden waren hongerige octopussen die het platteland verslinden en globalisering werd als de zondebok gezien. Allerlei marxistische en socialistische theorieën circuleerden die steden gingen zien als puur economische verschijnselen. Kritische intellectuelen keerden zich tegen de grote stad. De bezorgdheid over de stedengroei en de nieuwe stedelijke samenleving was volgens Van der Woud overigens typisch Europees, want in Amerika waren weinig critici te vinden die de grote stad als een tumor beschouwden.

Van der Woud wijst erop dat de wetenschappelijke onderbouwing van de parasiterende grootstad met name geleverd werd door Darwins evolutietheorie. Steden werden, net als planten en dieren, als organismen gezien die zich ontwikkelden tot een steeds hogere complexiteit.  Er was sprake van een ‘survival of the fittest’.  Volgens negentiende eeuwse geografen en economen kostte die stedelijke groei veel energie: energie die steden, net als bomen en planten, via infrastructuur uit hun omgeving naar zich toe zogen. Het beeld van de grootstad als vraatzuchtige monster was geboren. Maar Van der Woud stelt in zijn boek daar een heel ander beeld tegenover. Dat beeld is in de eerste plaats cultureel, niet economisch. De grootstad, schreef hij, was voor veel mensen in de eerste plaats een zintuiglijke ervaring en juist daarin school een grote aantrekkingskracht. “Grote stad, wereldtentoonstelling van snoep, machines, schrijfpapier, geplukte eenden, meikaas, glaswerk, strohoeden, kamizolen, rubberen slangen, taarten en lakense jassen.” Eind negentiende eeuw was de metropool de plaats waar de moderne beschaving werd geboren. Wonen in een stad, dikwijls klein, benauwd en vierhoogachter, was voor de meeste mensen een geschenk uit de hemel.

Tagged with:
 

Overal groei

On 22 juni 2017, in migratie, by Zef Hemel

Gehoord in Museum Het Schip in Amsterdam op 18 juni 2017:

Twee bijzondere bijeenkomsten bijgewoond in Amsterdam. De ene ging over bevolkingskrimp op het Europese platteland, de tweede over recente migratie naar Europese steden. De eerste speelde zich af in het Paleis op de Dam en werd bijgewoond door de Koninklijke familie, de tweede – vier dagen later – vond plaats in museum Het Schip in de Spaarndammerbuurt en maakte deel uit van het International Social Housing Festival. Tijdens de eerste werd een terugkeer naar het platteland bepleit, ja er werd zelfs een rurale renaissance in het vooruitzicht gesteld, de tweede pleitte voor een gastvrije stad voor buitenlanders en internationale vluchtelingen omdat de stroom migranten naar steden ook de komende jaren zal aanhouden. Wel gek om die twee bewegingen naast elkaar te zien. Migratie, zo luidde het afgelopen zondagmiddag, hoort nu eenmaal bij stedelijke ontwikkeling en dus is het belangrijk hoe steden die aanhoudende groei opvangen. Terwijl we vier dagen eerder in het geval van de platteland van bevolkingskrimp niet mochten spreken: plattelandsgemeenten waren “in een transitiefase”. Daar in het Paleis werd weliswaar toegegeven dat jongeren het platteland verlaten, maar die zouden terugkeren als de plattelandsgemeenten zich hun lot meer zouden aantrekken. Over buitenlandse migranten hoorde ik niets. Kennelijk zijn we ver voorbij de crisis. Overal ziet men weer groei.

Tijdens het International Social Housing Festival introduceerde Michelle Provoost van het Rotterdamse onderzoeksbureau Crimson die zondag vier steden die bijzondere migratie-geschiedenissen kennen: Prato in Italië, Aarhus in Denemarken. Londen en Wenen. Het voorbeeld van Prato ging over Chinese migranten in de kledingindustrie, Aarhus over de opvang van Syriërs, Londen over migranten uit de hele wereld, Wenen over de invasie uit Oost-Europa en de Balkan. Opvallend was dat elk van de sprekers liet zien dat opvang en integratie vooral in het informele en ongeplande plaatsvinden, niet in de gereguleerde systeemwereld van instanties en overheden. In Londen ging het om oude, vieze hoofdstraten waar migranten de straathandel nieuw leven inblazen, in Prato de vergeten publieke ruimte waar kunstenaars en migranten nieuwe ontmoetingsplekken creëren, in Aarhus de leegstaande openbare gebouwen, in Wenen de private huursector. Vooral Prato was illustratief. De Italiaanse autoriteiten, aldus Massimo Bressan, dachten de Chinese migranten te kunnen exploiteren, maar die bedachten hun eigen strategie. Chinezen kopen daar nu massaal vastgoed op en omzeilen daarmee de programma’s van de autoriteiten. Onmacht en onvermogen om met migratie om te gaan lijken overal groot. Onmacht, aldus Provoost, tekent ook de kabinetsformatie in Nederland, die is vastgelopen op uitgerekend de migratie.

Tagged with:
 

Grootstedelijke migratie toen en nu

On 8 maart 2017, in demografie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Amsterdam, op 7 maart 2017:

 Figure-1-Major-international-migration-flows-around-the-1680s-Sourcesvan-Lottum

Bron: Van Lottum, Across the North Sea, 2007

Opvallend is het diverse beeld van de herkomstgebieden van migranten die in 2012 in Amsterdam verbleven. Turkije en Marokko zijn allang niet meer dominant. Op dit moment is 34,7 procent van de Amsterdamse bevolking van niet-westerse origine, nog eens 14,9 procent is westers-allochtoon. Leo Lucassen, directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, vergeleek in zijn Amsterdamlezing afgelopen dinsdag de migratie van tegenwoordig met de migratie naar Amsterdam in de Gouden Eeuw. Veel verschil is er niet. Toen kwamen veel migranten uit Europa, tegenwoordig komen ze óók uit de rest van de wereld. Migratie, zeker in Amsterdam, vergeleek hij met ademhalen. Wil een stad groeien en zich ontwikkelen, dan moeten mensen gemakkelijk in- en uit- kunnen stromen. Dat heeft Amsterdam volgens Lucassen altijd goed gedaan. Maar sinds de opkomst van de natie-staat in de negentiende eeuw is het veel moeilijker geworden. Vooral na de Eerste Wereldoorlog zijn paspoorten en reisdocumenten verplicht gesteld. Staten eisen van hun inzittenden assimilatie: je bent Nederlander of je bent het niet. Vroeger was dat anders. Elke stad had zijn eigen regeling, die vaak afhing van de economische behoeften van dat moment. Welk land heeft in de ogen van Lucassen het beste migratiebeleid? Hij moest goed nadenken. Nee, Canada niet. Volgens hem is dat de Europese Unie met zijn vrije interne verkeer.

Lucassen toonde de herkomstgebieden van migranten in Londen en Amsterdam in de periode 1600-1800 (foto). Londen rekruteerde zijn migranten overwegend uit het achterland. Maar Amsterdam trok vreemdelingen aan uit een veel grotere wereld. Wat tegenwoordig ook anders is, zei hij, is de stedelijke sterfte. Die was in de zeventiende eeuw heel groot, waardoor een stad, wilde ze qua bevolking op peil blijven, niet buiten migratie kon. Ook de dekolonisatie waar wij nu nog altijd mee kampen, kende de zeventiende eeuwer niet. De opkomst van de verzorgingsstaat in de twintigste eeuw heeft het allemaal bovendien niet makkelijker gemaakt en ook het regime van de Mensenrechten sinds het Verdrag van Genève, 1951, heeft asielprocedures in het leven geroepen. Een belangrijk verschil is ten slotte de voortschrijdende democratie. In de zeventiende eeuw, vertelde Lucassen, was Amsterdam nog lang niet zo democratisch als nu. Omgang met migranten was destijds een openbare ordeprobleem, maar tegenwoordig is het een hot issue tijdens de verkiezingen. Fijntjes wees hij erop dat de verschillen tussen rijk en arm en tussen de verschillende herkomstgebieden in Amsterdam in de zeventiende eeuw vele malen groter waren dan nu. Maar de beschaving is flink voortgeschreden en met verschillen, hoe klein ze tegenwoordig ook zijn, kunnen we daardoor steeds moeilijker omgaan.

Tagged with:
 

Medusa

On 30 april 2015, in internationaal, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Ends of the Earth’ (1996) van Robert Kaplan:

 

De spannendste kaart van het Middellandse Zeegebied stond afgedrukt in NRC Handelsblad van 21 april 2015. Nauwkeurig waren daarop de routes weergegeven die de Afrikaanse migranten afleggen richting Europa. Het bleek te gaan om een netwerk van steden, met als eindhaltes: Londen, Amsterdam, Frankfurt, Brussel en Parijs. Zeg maar, een fuik. Steden die op de route liggen en belangrijke knooppunten vormen: Malaga, Almeria, Marseille, Rome, Athene, Istanbul, Sofia. De kaart verscheen daags na een bootramp voor de kust van Libië. Uit het bijschrift begreep ik dat dagelijks 293 mensen de oversteek naar Europa wagen; afgelopen jaar waren dat er in totaal zo’n 220.000. Hun aantal zal dit jaar groeien naar een getal ergens tussen de 500.000 en 1 miljoen bootvluchtelingen. Hoe komt dat? “Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er wereldwijd meer dan 50 miljoen mensen op de vlucht.” Het stond er, als een feit. Conflicten en oorlogen, verklaarde de krant, liggen aan de basis van de groeiende mensenstromen.

Was het niet de Amerikaanse journalist Robert Kaplan die al twintig jaar geleden een luguber scenario schetste van wat ons te wachten staat (en ons nu dus overkomt)? In ‘Reis naar de einden der aarde’ (1996) beschreef hij zijn ‘onsentimentele reis’ dwars door West-Afrika, het Nijldal, de Kaukasus, Iran, Centraal-Azië, India en Indochina. Wat hij zag? Enorme slums, bidonvilles, favellas, sloppenwijken, zeg maar: reusachtige geïmproviseerde steden van afval, blik en lompen. In zijn rugzak zat een brief van een vriend, een diplomaat, die schreef: “De grootste bedreiging voor ons waardensysteem komt uit Afrika. Hoe kunnen we blijven geloven in universele beginselen terwijl Afrika wegzinkt tot een niveau dat beter door Dante dan door ontwikkelingseconomen beschreven wordt? Onze houding ten aanzien van ras en etniciteit komt in eigen land in de verdrukking als het hele Afrikaanse continent één grote ‘Schipbreuk van de Medusa wordt’. Zo is het. In die krottenwijken broeit het, al jaren. Daar begint alle onrust. “Op grond van zijn Afrikaanse ervaringen concludeert Kaplan dat schaarste, overbevolking en epidemieën de sociale orde van onze planeet dreigen te vernietigen. Leiden sociale desintegratie en ineenstorting van het staatsgezag nu al niet tot massamoorden en vluchtelingenstromen, ook in onze richting?” Dat was twintig jaar geleden. Goede, activerende stadsontwikkeling heeft men sindsdien nagelaten. Gevolg: bootvluchtelingen. Brengt Habitat III (Quito 2016) wèl uitkomst? Als ik Europa was, zou ik daarin investeren.

Tagged with:
 

Miami Virtue

On 20 januari 2015, in internationaal, literatuur, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Back to Blood’ (2012) van Tom Wolfe:

Tijdens de feestdagen eindelijk gelezen: ‘Back to Blood’ van Tom Wolfe. Heerlijk boek. De roman gaat over Miami, Florida, een metropool van 5 miljoen inwoners in het verre zuiden van de VS, of zoals de burgemeester van Miami, Dio, het zegt: “Miami is the only city, as far as I can tell – in the world – whose population is more than fifty percent recent immigrants (….) and that’s a hell of a thing, when you think about it’.” Hoofdpersoon Nestor Camacho is een Cubaan, net als zoveel andere inwoners van Miami – allemaal gevlucht voor het regime van Castro. Maar er is ook een grote Haïtiaanse gemeenschap, een Afro-Amerikaanse gemeenschap en zo meer. “We got to make Miami – not a melting-pot, because that’s not gonna happen, not in our lifetimes. We can’t melt’em down…. but we can weld’em down.” Daarmee bedoelde de burgemeester dat iedere bloedgroep, elk ras, elke nationaliteit in de stad zijn eigen wijk krijgt en het gevoel moet hebben op gelijke voet met de anderen te staan. In de roman blijkt dat dit tribale evenwicht lang niet bestaat. De Anglo’s zijn stinkend rijk, terwijl de immigranten straatarm zijn. En wie ècht rijk is, dat zijn de Rusissche oligarchen. Welkom in Miami anno 2012.

Wolfe, inmiddels 81 jaar oud, schreef een soortgelijk plot vijftig jaar geleden, toen gesitueerd in New York. Op zijn zevenenzeventigste was hij vier jaar geleden vanuit Manhattan voor het eerst naar Florida gereisd, waar hij de raciale politiek van Florida van nabij had gadegeslagen. Hij was geschokt teruggekeerd. Hoewel de roman weinig nieuws bevat, is het geval Camacho – een Cubaanse politieagent die een zwarte drugscrimineel aftuigt en beschimpt en vervolgens via een registratie van het gevecht op YouTube wordt aangeklaagd in een waar volksgericht – buitengewoon actueel. In Ferguson – een voorstad van St Louis – zijn weer rellen uitgebroken en zelfs in het New York van Tom Wolfe zijn de agenten boos op hun burgemeester, die hen afviel in een soortgelijk geval. De affaire Camacho staat voor een integratieproblematiek die door de nog steeds groeiende migratie naar de VS vanuit het zuiden en het westen (Azië) op de grenzen van het mogelijke stuit. Ik was amper in ‘Back to Blood’ begonnen of president van Obama zocht toenadering tot het Cubaanse regime. Wat een geluk. Na vijftig jaar worden de betrekkingen eindelijk versoepeld. Mijn gedachten dwaalden onmiddellijk naar Miami. Hoe zou het daar nu zijn?

Tagged with:
 

Wild tuig

On 30 november 2011, in onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Review of Books van 23 november 2011:

Opnieuw geeft Oscar Garschagen in NRC Handelsblad inzage in het leven van de gemiddelde arbeidsmigrant in de grote steden aan de Chinese oostkust. De migranten van het platteland die daar in groten getale werken, schrijft hij, mogen hun kinderen er niet op school doen. Daardoor leven veel kinderen nog op het platteland bij hun grootouders en moeten daar naar school. Hun vader en moeder zien ze slechts een à twee keer per jaar. “Communistisch China is een standenmaatschappij, een gespleten samenleving, waarin het geboorteregistratiesysteem (hukou) dat in de jaren vijftig door Mao Zedong werd ingevoerd een van de voornaamste breuklijnen veroorzaakt.” Over dit hukou-systeem schreef afgelopen zomer ook The Economist al uitgebreid, door mij opgetekend in mijn blog  over The Rat Tribe, (http://bit.ly/vKAmMN). Garschagen noteert acht miljoen rechteloze arbeidsmigranten in Peking, zeven miljoen in Shenzen en nog eens negen miljoen in Guangzhou. Daar komt bij dat het onderwijs in deze metropolen moderner, meer op het individu gericht is, dan op het platteland. De vier oudste en grootste economische zones hebben indertijd hun eigen schoolsystemen mogen ontwikkelen, die zij overigens zelf financieren. Terwijl het doorsnee onderwijs in China klassikaal is, gericht op feitenkennis en standaardexamens, is er in het onderwijs in deze metropolen meer ruimte voor Engelse taal, muziek, gymnastiek en kalligrafie. Iedere zaterdag protesteren de ouders voor het openbreken van het systeem. Tevergeefs. De autoriteiten vrezen een enorme toeloop naar de scholen, die zullen bezwijken onder de aantallen nieuwkomers. Inwoners van Peking, Guangzhou, Shenzen en Sjanghai noemen de migrantenkinderen ook wel ‘wild tuig’. De mensen die Garschagen spreekt denken dat het nog wel twintig jaar zal duren voordat het hukou-systeem wordt afgeschaft.

In The New York Review of Books van deze maand las ik een bespreking van het nieuwste boek van Ezra Vogel over Deng Xiaoping, waarin de auteur – de dissidente wetenschapper Fang Lizhi – het onderwijsstelsel dat Deng Xiaoping introduceerde uitgebreid hekelt. Weliswaar heropende Deng de universiteiten na de Culturele Revolutie onder Mao, dat wil niet zeggen dat hij pro-onderwijs was. Fang Lizhi noemt het hukou-systeem als bewijs voor zijn stelling. Veel kinderen zijn daardoor uitgesloten van onderwijs. Hij beschuldigt Vogel ervan hieraan geen aandacht te besteden. “Deng Xiaoping, the alleged ‘education reformer’, enforced this household registry system, and its consequences for education, to his dying day.” Overigens gaat het systeem niet terug op Mao, maar op de Japanse bezetter die de migratie naar de steden hoe dan ook wilde voorkomen, bang als ze was voor opstanden. De paradox is dat die opstanden nu dreigen juist vanwege het hukou-systeem. Het Chinese voorbeeld laat overigens mooi zien dat steden liefst hun eigen onderwijssysteem ontwikkelen en dat dat ook profijtelijk is. Natuurlijk is er veel te zeggen voor landelijke uniformiteit, maar het inspelen op de regionale economie daagt steden uit hun eigen koers te varen als het gaat om het opleiden van hun beroepsbevolking.

Tagged with:
 

The rat tribe

On 19 oktober 2011, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 25 juni 2011:

Veel opwinding in de kranten de afgelopen week over de groeivoorspelling van de Nederlandse bevolking door CBS en PBL. Een bevolkingstoename van de Randstad met nog eens 700.000 inwoners over vijftien jaar werd door de Volkskrant zelfs betiteld als een ‘razendsnelle’ groei. De krimp elders die ermee verband hield werd als een zo mogelijk nog groter probleem aangemerkt. Twee problemen dus. Ach arme. Laten we het liever hebben over China. China, met een bevolking van bijna 1,4 miljard zielen, staat aan de vooravond van een geleidelijke vergrijzing van de hele bevolking. De economische motor van het immense land werd tot nu toe aangedreven door een trek van bewoners van het platteland naar de grote steden. Die trek stagneert. En daarmee zal de economische groei afzwakken. The Economist zag afgelopen zomer het gevaar: “If China is not to stagnate, it will have to make a bigger effort to persuade rural dwellers to keep coming to the cities as its population ages ever more rapidly.” (In Nederland redeneren wij precies andersom: bij ons mogen de grote steden vooral niet te groot worden. Stel je voor dat we economisch zouden groeien!)

Bestaande systemen beletten de Chinezen om van het platteland naar de steden te verhuizen. Een zo’n systeem is hukou. Dit door de communisten ingevoerde systeem geldt zowel voor stedelingen als voor dorpelingen, al hebben de laatsten er de meeste last van. Officieel wordt er in China nog altijd collectieve landbouw bedreven. De boeren treden op als autonome landbouwproducenten, maar hun grond pachten ze van het collectief. Het collectief heeft alleen nog macht om de grond te herverdelen. Als een dorpscomité besluit dat een familie niet meer actief is, kan het de grond confisqueren. Families die naar de stad verhuizen verliezen zo hun grond en kunnen ook niet hun grond verkopen om hun verhuizing te bekostigen. Officieel is het systeem afgeschaft, maar de provinciale partijleiders handelen er niet naar, gehecht als ze zijn aan collectivisme. “Thoroughgoing land reform, of the sort that would enable farmers to cash in on the value of their farmland and establish permanent and prosperous lives in cities (and at the same time encourage larger-scale farming), thus remain struck.” Ook dipiao staat migratie in de weg. Bij dipiao, ingevoerd in 2005, worden dorpelingen gedwongen in flats te gaan wonen, om zo grond vrij te spelen voor de bouw van ‘een nieuw socialistisch platteland’. Twee miljoen boeren verloren de afgelopen vijf jaar hierdoor hun land. The Economist: “The new strategy often means the farmers are crammed into apartments with no backyards to raise chickens or store tools, and they face a longer journey to their fields.” Het Britse blad besluit met een voorbeeld uit Peking, waar de autoriteiten de migrantenpopulatie – eenderde van de totale stedelijke bevolking – verhindert om woningen en auto’s te kopen. Op deze manier hoopt men de prijsstijgingen te dempen. Uit veiligheidsoverwegingen sluit men bovendien de kelderappartementen, waar uitgerekend de migranten – “known as the rat tribe” – dikwijls leven. “China says it wants urbanization, and it certainly needs it. But even as some obstables are removed, new ones spring up.” Zou The Economist ook de belemmeringen in Nederland voor de trek naar de grote steden eens kunnen aangeven?

Tagged with:
 

Preken voor eigen parochie

On 5 oktober 2011, in politiek, ruimtelijke ordening, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De engel van Amsterdam’ (1993) van Geert Mak:

Op het idee gebracht door een ‘preek’ van Coen Teulings, de directeur van het Centraal Planbureau, lees ik nogmaals het gedenkwaardige essay van Geert Mak over de Amsterdamse Scheldestraat. Teulings sprak zijn preek bij het 225-jarig bestaan van de Kleine Komedie in Amsterdam. De tekst stond afgelopen zaterdag afgedrukt in NRC Handelsblad. Volgens Teulings was het niet Geert Wilders, maar waren het intellectuelen als Mak en Scheffer die de angst hebben gevoed voor de ander. “Voor Geert Mak was de Scheldestraat de flessenhals van Amsterdam, of misschien beter, de waterscheiding tussen arm en rijk. Op Zuid het chique Buitenveldert en Amstelveen. En op Noord, over de brug van het Amstelkanaal, lag de Pijp. Daar begon Sodom en Gomorra. De Scheldestraat als het laatste bastion van welvaart en voorspoed. En bij de brug de frontlinie met een nieuw Amsterdams Harlem. Krakers, zwartwerkers, simulanten, illegalen, jeugdgangs, en criminelen.” Er trokken volgens Mak ‘donkere wolken’ samen boven de Pijp. Maar zo slecht als hij voorspelde is het rond de Scheldestraat niet geworden. Teulings: “Gaat u mee terug naar de Scheldestraat. Het aantal terrasjes en saladebars is sinds 1991 alleen maar toegenomen. Maar dat geldt ook aan de gene zijde van het Amstelkanaal. Tussen de donkere wolk uit 1991 zijn er wat opklaringen gekomen.” Conclusie: Wij intellectuelen zijn de bron van overbodige angsten.

Ik verplaats mij naar 1991. Gaat u mee? Amsterdam telde toen 50.000 woningzoekenden, 70.000 werklozen, een bevolking waarvan meer dan eenderde van een uitkering leefde en waarvan ruim een kwart van niet-Nederlandse afkomst was. Mak zag drie grote problemen op steden als Amsterdam afkomen: het milieuvraagstuk, “de nieuwe geboortegolf onder de nieuwkomers die de grote steden op ongekende wijze van karakter zal doen veranderen”, en asielzoekers op de vlucht voor de ellende in Afrika en Oost-Europa. Naar zijn mening zou het milieuvraagstuk in de 21ste eeuw pas echt omvangrijk worden, ook voorzag hij dat de nieuwe migranten zouden samentrekken in de goedkope naoorlogse woonwijken en dat ze allemaal werk en inkomen nodig zouden hebben. “Een onoverkomelijk probleem hoeft dat niet te zijn, als er de komende jaren maar zeer veel energie in zaken als woningbouw, buurtonderhoud, scholing en onderwijs wordt gestoken.” Wat het derde probleem betreft dacht hij aan strak politietoezicht als iets onontkoombaars. Mak begreep in 1991 niet waarom de toenmalige regering alleen maar bezig was met bezuinigen (sic!), terwijl er zulke grote vraagstukken om een oplossing vroegen. “Toch hangt er een omslag in de lucht, een politieke omslag, en misschien ook wel een maatschappelijke.” Mak rook Paars I en II. Vanaf 1994 werden er inderdaad omvangrijke publieke middelen geïnvesteerd in de grote steden door de nieuwe  regeringsploeg van Wim Kok. En ziedaar, het wonder geschiedde. Anno 2011 is de zon in Amsterdam inderdaad door de wolken heengebroken. Dank zij gerichte investeringen, dank zij krachtig overheidsbeleid.

Tagged with:
 

Stad van aankomst

On 28 september 2011, in stadsvernieuwing, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De trek naar de stad’ (2010) van Doug Saunders:

Morgen neemt Paul Scheffer afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Hij vertrekt naar Tilburg. In de PS bijlage van Het Parool van afgelopen zaterdag 24 september stond een interview met de vertrekkende hoogleraar. De afgelopen acht jaar bezette Scheffer de zogenaamde Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. Die leerstoel richt zich op grootstedelijke vraagstukken. Scheffer: “Over diversiteit hoeven we ons met 150 nationaliteiten geen zorgen te maken. Wat hebben we nodig aan gemeenschappelijkheid om het samen uit te houden? Dat is de vraag die mij de afgelopen acht jaar het meest heeft beziggehouden.” Zijn antwoord: een naturalisatieceremonie in de burgerzaal van het Paleis op de Dam, meer kennis van de eigen geschiedenis. In zijn onderzoek stuitte hij op het gegeven dat de Amsterdamse (en ook Rotterdamse) criminaliteit tussen 1994 en 2007 met veertien procent is gedaald. Een goed teken. Ook stelt hij vast dat in Amsterdam zich een middenklasse vormt van mensen met een migrantenachtergrond. Het gaat dus veel beter. “Mijn stelling is dat de begrippen autochtoon en allochtoon van binnenuit zijn opgevreten. In grote delen van Nederland roept dat weerstand op, maar ik denk dat Amsterdam klaar is om die begrippen vaarwel te zeggen.” En over Amsterdam in 2025 merkt hij op: “Ik ben hoopvol dat het tegen die tijd een volwaardige migrantenstad is met minder segregatie en een versterkte middenklass van nakomelingen van niet-westerse immigranten.”

Het interview herinnerde me aan het fantastische boek ‘Arrival City’ van de Canadese journalist Doug Saunders. Onder de Nederlandse titel ‘De trek naar de stad’ verscheen het vorig jaar in een vertaling bij De Bezige Bij. Saunders schetst erin hoe in dertig steden in zestien landen migranten zich een bestaan proberen te creëren in een voor hen onbekende omgeving. Doorgaans betreft het de stedelijke periferie. Saunders reisde en schreef het boek in drie jaar tijd. Voorwerk werd verricht door een grote groep vrijwilligers in de verschillende steden. Zijn columns in The Globe and Mail gebruikte hij om zijn gedachten te ordenen. Amsterdam is een van de steden. Vol bewondering schrijft hij over de stedelijke herstructurering van Slotervaart. “Eerder had Slotervaart er goed uitgezien vanuit een helikopter en vanuit het standpunt van een planoloog in het centrum. In een radicale ommezwaai besloot Amsterdam Slotervaart er aantrekkelijk uit te laten zien voor een nieuwkomer uit een dorp. De bewoners werden veel dichter naar elkaar toegebracht, niet alleen omdat ze dat wilden – en vanuit overwegingen van veiligheid en gemak en vanuit zakelijke motieven wilden ze dat dolgraag – maar ook vanuit de overtuiging dat een grotere bevolkingsdichtheid de sociale cohesie en de welvaart ten goede komt.” Deze fysieke benadering spreekt Saunders aan. “Door vorm en gedaante van de buurt te bepalen – en te zorgen dat de buurt minder geordend, gepland en voorbestemd wordt – zal dit niet alleen een sterkere fysieke en economische band met de rest van de stad scheppen, maar ook een aantal andere fundamentele problemen van de mislukking van de stad van aankomst oplossen.” Titel en inhoud van Saunders boek – ‘Arrival City’ – en het boek dat Scheffer schreef – ‘Het land van aankomst’ – vertonen treffende gelijkenissen.

Tagged with: