Stoppen met citymarketing

On 15 januari 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Creative Destruction of New York City’ (2017) van Alessandro Busà:

Bij Oxford University Press verscheen afgelopen jaar een gedegen boek dat de balans opmaakt van vijftien jaar ‘drastisch herbestemmen en re-branden’ van New York. Auteur: Alessandro Busà. Busà is een jonge Duitse wetenschapper uit Berlijn die in 2006 New York binnenkwam op een J-1 visum omdat hij daar een onbetaalde baan kon krijgen. En dat in een van de duurste steden op aarde. Hij leek wel gek. In het voorwoord beschrijft hij hoe hij van kamer naar kamer zwierf, telkens verdreven door pandjesbazen die hogere huren eisten. Na het afronden van zijn studie in Berlijn keerde hij in 2010 naar new York terug. Inmiddels bleek de stad onbetaalbaar geworden. “Don’t get me wrong: living in New York is absolutely fantastic.” Maar wat een spanning en hoe moeilijk om je droom te verwezenlijken in deze meest ongelijke stad op aarde, wil hij maar zeggen. De rest van het boek is een lange aanklacht tegen voormalige burgemeester Michael Bloomberg. Ook de twee eerdere burgemeesters hebben de stad uitgeleverd aan het grootkapitaal. Volgens Busà zijn burgemeesters er niet om hun stad te branden en te verkopen, maar armen te helpen en ongelijkheid te bestrijden. Zelfs de huidige linkse burgemeester De Blasio krijgt er stevig van langs. Tot nog toe heeft hij niets gedaan om het ongunstige tij te keren.

Belangrijkste instrument in de stadspolitiek van NYC was en is ‘rezoning’. Busà beschrijft nauwkeurig hoe dat in zijn werk gaat. Het gemeentebestuur ontwikkelt een nieuw bestemmingsplan voor een buurt waarin beduidend meer programma past en waar dikwijls verder in de hoogte mag worden gebouwd. Ontwikkelaars grijpen die mogelijkheid aan om goedkope oude panden af te breken en nieuwe dure hoogbouw te introduceren. Gevolg: hele snelle gentrificatie en waardestijgingen van het bestaande vastgoed. Amanda Burden, directeur van de NYC Planning Commission, is in de ogen van Busà de hoofdschuldige. Zelfs in Harlem rond 125th Street zijn de prijzen skyhigh gestegen. Alleen al in 2015 werden in New York 50.000 bouwvergunningen afgegeven, het hoogste aantal sinds de jaren ‘60. Busà noemt het “a game that is based on the physical, social, and symbolic re-engineering of low-income communities across the board, to encourage high-end residential and commercial investment and the influx of new, more affluent city consumers.” Er wonen nu 8,537,673 inwoners in New York. In 2010 waren dat er nog 8,175,133. In vijf jaar tijd kwam er een stad van 350.000 inwoners bij. “The city has not witnessed such a robust pace of growth in over a half-century,” lees ik op de website van de gemeente. En geef toe, wie zou er niet graag in New York willen wonen? Vergeet citymarketing en bouw meer sociale woningen. Dat is de boodschap van Busà.

Tagged with:
 

Emancipatie van de periferie

On 10 januari 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 16 oktober 2017:

Afbeeldingsresultaat voor map uber new york inverse

Taxi-pickups in NYC. Bron: Inverse.com

Uber verovert New York. En hoe! Op Manhattan rijden de auto’s alleen nog stapvoets, het aantal Uber taxi’s is al even omvangrijk als de vertrouwde gele taxi’s. Er is geen doorkomen meer aan. Lyft en Juno zijn geduchte concurrenten van Uber. De explosieve groei van het autodelen in de Big Apple leidt tot verstopte straten. Het oude tolsysteem werkt niet meer. Toch is autodelen volgens sommigen niet de oorzaak van de plotselinge congestie. Uit een recent onderzoek zou blijken dat de verstoppingen vooral verband houden met de snelle bevolkingsgroei van New York, dus met het economische succes van de metropool en met de verdere expansie. Daarnaast is dubbel parkeren een hardnekkig probleem, ook door de vele pakketdiensten, waardoor het verkeer in de relatief nauwe straten snel vastloopt. Nee, Uber zou juist zegenrijk werk doen met name in de buitenwijken van de metropool. Daar is het openbaar vervoer gebrekkig, buiten de Green Cabs komt er geen taxi (95% van de gele taxi’s rijdt uitsluitend op Manhattan), en soms is het gevaarlijk op straat voor vrouwen. Ook ‘s nachts vervullen de autodeelsystemen een belangrijke functie. Voor de inwoners van de randen komt Uber als geroepen, die zijn blij met de komst van de app, die veilig en goedkoop vervoer regelt tussen hun woning in de verre suburb en het werk in het centrum.

Maar wordt er echt niet  meer met auto’s gereden door de komst van Uber en andere autodeelsystemen? Veel deelauto’s rijden immers leeg rond. En gaat dit niet ten koste van het openbaar vervoer? Emily Badger zocht het uit voor The New York Times. Op 16 oktober 2017 schreef ze dat het U.C. Davis Institute of Transportation Studies onderzoek had gedaan naar reisgedrag. Men had 2.000 inwoners van New York, Chicago en Los Angeles gevraagd naar hun vervoerkeuze, waaronder inwoners van de suburbs. Conclusie: 49 tot 61 procent van alle ritten met Uber zouden niet gemaakt zijn als er geen app was geweest, of misschien wel, maar dan met openbaar vervoer, te voet of op de fiets. De onderzoekers brengen deze uitkomst in verband met het dalende gebruik van het openbaar vervoer in steden als New York, Washington en San Francisco in de afgelopen drie jaar.  Badger concludeert: misschien is autodelen efficiënt en aantrekkelijk voor individuele passagiers, maar bij elkaar opgeteld lijken al die ritten toch echt te leiden tot beduidend meer autoverkeer en dus meer congestie. Alleen als stedelingen massaal afscheid zouden nemen van hun privé auto en de openbaar vervoerbedrijven goede afspraken zouden maken met de autodeelbedrijven, kan het autogebruik in steden dalen in plaats van stijgen. Anders wacht ons enorme congestie en een slechter openbaar vervoer. Amsterdam is gewaarschuwd.

Tagged with:
 

Arrogant?

On 7 januari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 januari 2017:

De toekomst van de stad

In een groot interview met Lex Boon in Het Parool van afgelopen zaterdag noemde de Rijksbouwmeester Floris Alkemade Amsterdam arrogant. “Ik ga geen steden arrogant noemen, maar ik vrees dat het wel het meest juiste woord is.” Dat er buiten Amsterdam geen ontwikkeling zou zijn, zo zei hij vanaf de achterbank van zijn dienstauto, is niet juist. Zo’n gedachte getuigt van arrogantie. Is Amsterdam arrogant? Ziet de hoofdstad de rest van het land niet staan? Alkemade onderbouwt het niet. Het is eerder dit. Alle grote metropolen worden door hun omgeving als arrogant gezien. In 2013 werd New York door de Amerikanen uitgeroepen tot meest arrogante stad by far (MailOnline 21 augustus 2013). Parijs werd in 2013 uitgeroepen tot hoofdstad van de arrogantie door de Financial Times. De Franse metropool zou te weinig op de buitenwereld  zijn gericht (Atlantico 2 februari 2013). Ook Londen wordt door vrijwel alle Britten als arrogant getypeerd. De Schotse Sunday Herhald vond dat de tien miljoen Londenaren binnen de ringweg M25 in een aparte stadstaat leefden en de rest van het Koninkrijk beschouwden als ‘de provincie’ (15 augustus 2013). SNP-leider Gordon Wilson noemde Londen zelfs een ‘kankergezwel’. In alle gevallen wordt naar de grootstedelijke elite gewezen, de geconcentreerde welvaart en het feit dat de inwoners van grote steden zich als wereldburgers beschouwen, niet als inwoners van het land. En ja hoor: er zou teveel publiek geld naar deze arrogante steden gaan.

De rest van het interview met Alkemade, die de belangrijkste adviseur is van de Nederlandse regering op het gebied van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gaat over de snelle groei van Amsterdam en waarom die niet zou deugen. Let op de toon. Alkemade: “Als je twee miljoen inwoners kunt vinden die graag in Amsterdam willen wonen, ga gerust je gang.” Hoe arrogant is dat? En let op de belangrijkste passage in het interview: als Alkemade wordt gewezen op de extreme prijzen die Amsterdammers voor een woning moeten betalen, ziet hij dit als de motor van toenemende segregatie. Amsterdam, met andere woorden, moet vooral níet groeien. Nee, op hulp van het Rijk hoeft de hoofdstad niet te rekenen. “In die zin hebben we het geluk dat we in Nederland niet één grote centralistische metropool hebben zoals Londen of Parijs, waarbij je als je niet in het centrum woont in een tweederangs periferie of banlieu belandt.” Het is een cliché, een populistische argumentatie die zo oud is als er steden zijn. De ruimtelijke ordening in ons land is er groot mee geworden. Conclusie: als het aan Den Haag ligt gaan we toe naar een nieuwe ronde van ruimtelijke deconcentratie. En kijk, zelfsturende auto’s ziet Alkemade als een belofte, dus nog meer blik en asfalt erbij; zelfs de Randstad vindt hij te klein. Zijn visie is niet duurzaam en ook niet profijtelijk. Het is precies waar ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ voor vreesde. De ruimtelijke concentratie die wijlen Dirk Frieling wilde komt er in ieder geval niet.

Tagged with:
 

Like a thunderclap

On 22 september 2017, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Review of Books van 17 augustus 2017:

Afbeeldingsresultaat voor Michael greenberg tenants under siege

Verontrustende berichten uit New York. In ‘The NY Review of Books’ van afgelopen maand verscheen een lang artikel van Michael Greenberg over de nijpende situatie op de New Yorkse woningmarkt. In ‘Tenants Under Siege’ concentreerde Greenberg zich op de huurders in Brooklyn die de snel stijgende huurprijzen niet meer kunnen betalen. New York kookt over en dreigt ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Duizenden mensen leven al op straat. In 2015 lukte het de stad om 38.000 daklozen onder te brengen in hotelkamers of provisorische woningen, maar sindsdien is het aantal dak- en thuislozen toch weer gestegen. De verlopen motels zijn trouwens alle gesitueerd in de verste uithoeken van de immense metropool, onder viaducten en bij industrieterreinen. Volgens Greenberg bestaat 75 procent van de daklozen uit gezinnen met kinderen en ten minste een derde van de volwassenen heeft gewoon een baan. Uw kinderoppas, loodgieter of bewaker kan iemand zonder huis zijn, schrijft hij dreigend. Burgemeester de Blasio doet er alles aan om betaalbare woningen te vinden, maar echt lukken doet het niet.

New York telt op dit moment 990.000 huurappartementen. Daarin leven 2,6 miljoen mensen. Driekwart van deze goedkope voorraad werd vóór 1947 gebouwd. Meestal gaat het om torens en U-vormige woningblokken. Ze vormen ineens een kostbaar bezit, vergelijkbaar met parken en de metro. Ze worden door de stad met scherpe regulering beschermd. Toch kalft dit kostbare bezit snel af. Wanneer de huur namelijk boven de grens van 2700 dollar komt, mag de eigenaar van het appartement de nieuwe huurder de marktprijs vragen; dit kan tot duizenden dollars oplopen. Ook rezoning van buurten kan tot flinke prijsstijgingen leiden. Sinds 2007 werden 172.000 goedkope appartementen gedereguleerd. In de Upper West Side van Manhattan verdween liefst 25 procent van de goedkope woningen tussen 2007 en 2014. Greenberg: “The aggressive entry of hypercapitalized investors into the working- and lower-middle-class real estate market has struck Central Brooklyn – and the South Bronx, and East Harlem, and Washington Heights, and practically every New York neighborhood with a concentration of rent-stabilized buildings – like a thunderclap in the span of just a few years.” En Greenberg weet zeker dat de woningcrisis nog zal verergeren. In wat voor een stad willen we leven?, vraagt hij zijn inwoners. En hoe gaan we om met die enorme stroom kapitaal die de vastgoedwereld op dit moment richt op de meest succesvolle plekken op aarde: onze grote steden?

Tagged with:
 

Feest zonder einde

On 25 augustus 2017, in kunst, muziek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Woorden zonder muziek’ (2015) van Philip Glass:

Afbeeldingsresultaat voor words without music

Heerlijk leesvoer tijdens de vakantie: de autobiografie van de Amerikaanse componist Philip Glass. Opgegroeid in Baltimore als zoon van een eigenaar van een platenzaak, besluit de jonge Philip tot een studie in Chicago. Daar ontdekt hij de grote stad. Al snel kiest hij voor het conservatorium en laat hij zijn studie in de sociale wetenschappen ver achter zich. Zijn keus valt op het roemruchte Juilliard in New York. Zo betrekt hij, net als veel andere jonge kunstenaars, eind jaren zestig een eenvoudige loft op Manhattan. Daar ontmoet hij alle grote kunstenaars op aarde. Alles, schrijft hij, heeft hij daarna te danken aan die ene stad. En aan Parijs, waar hij een korte tijd zijn studie vervolgt. New York echter zit in zijn muziek. “De grootste invloed op mijn muziek was, achteraf gezien, het energiesysteem dat New York heet.” Veel van zijn mooiste muziekstukken komen regelrecht uit de onderbuik van die stad. Maar dan heeft hij het wel over het New York van de jaren zeventig, kort voordat AIDS toesloeg en de hele kunstenaars-scene in één veeg wegmaaide. Volgens Glass is het artistieke New York die klap nooit meer te boven gekomen.

Glass beschrijft New York als een echte 24/7-stad. Parijs, schrijft hij, gaat ‘s nachts slapen, maar New York slaapt nooit. Daarom is hij er naartoe gegaan. Om zich onder te dompelen in de experimentele muziek die daar in het nachtleven floreerde. Dus toen hij zijn eigen muziek voor het eerst in Europa speelde, werd dat met stomme verbazing aangehoord en als volstrekt nieuw ontvangen. Europese steden kenden zoiets niet. “De muziek die ik in die vroege jaren speelde en schreef en die ik in Europa introduceerde, was typisch New Yorkse muziek zoals ik die altijd voor ogen had gehad. Ik wilde dat mijn klassieke muziek net zo karakteristiek zou zijn als die van Zappa in het Fillmore East, en ik denk dat mij dat ook is gelukt.” Volgens hem was hij in de Big Apple in die jaren getuige van een ‘enorme explosie’ in de werelden van de kunst, het theater, de dans en de muziek, die allemaal uitgerekend dáár samenkwamen. Hij beschrijft het als een feest waar geen einde aan kwam. Maar door toedoen van AIDS kwam er uiteindelijk dus wel degelijk een einde aan. Zijn autobiografie leest als een regelrechte lofzang op New York. Het boek verraadt de academische achtergrond van Glass. Alleen een sociale wetenschapper kan zoiets zo helder noteren.

Tagged with:
 

In de steden broeit iets

On 12 november 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Unwinding’ (2013) van George Packer:

Afbeeldingsresultaat voor the unwinding packer

George Packer, journalist bij The New Yorker, schreef drie jaar geleden een boek over dertig jaar Amerikaans verval. Ik las het in één adem uit. Drie Amerikaanse burgers volgde hij op de voet vanaf 1978 tot 2012: de ondernemer Dean Price in Rockingham County, North Carolina; de zwarte ongehuwde moeder Tammy Thomas in Youngstown, Ohio; en de Democratische politicus Jeff Connaughton in Washington DC. Tussendoor maakt hij uitstapjes naar zonnig Tampa, Florida, verlicht Silicon Valley, California, en verdorven Wall Street, New York. Zo ontvouwt zich in meer dan vierhonderd bladzijden een drama van wereldformaat: de keiharde de-industrialisatie, de opmars van het grootbedrijf, de leegloop van het platteland, de financialisering van de economie, de ondergang van de middenklasse, de verarming van de suburbs, de groeiende economische ongelijkheid, het verval van politieke normen, alles uitmondend in de financiële crisis van 2008. Ze noemen het globalisering. Treurigmakend boek. Ik begrijp de woede en frustratie, die zit op het platteland en in de buitenwijken. De mensen daar hielpen Trump en Poetin aan de macht. Het is een regelrechte contrarevolutie.

Het boek deed sterk denken aan ‘Expulsions’ (2014) van de Amerikaanse sociologe Saskia Sassen. Ook dat recente boek schetst een omvattend beeld van verarming, verlies en verdrijving, samenvallend met processen van verrijking onder slechts twintig procent van de westerse bevolking. In Azië komt weliswaar een middenklasse op, maar volgens Sassen zal deze qua omvang uiteindelijk toch relatief beperkt blijven. Ook daar ziet ze vormen van onderdrukking en verlies. Ze wijst op de verwoestende werking die groeiende complexiteit heeft op de planeet aarde en wijst op de militarisering van de staat als dominante reactie. Volgens haar heeft niemand hier meer greep op. Achter ons ligt een periode van maatschappelijk opbouw en groeiende samenhang, voor ons ligt een periode van afbraak, uitstoting en oorlog. Weet u waar me haar boek aan deed denken? Aan ‘Het einde van de rode mens’ (2013) van Svetlana Alexijevitsj. Net als de Sovjet-Unie in 1989 stort het Westen nu in. Zoiets. Toch zien Sassen en ook Packer nog lichtpuntjes. De emancipatie van minderheden in de grote steden zet door, mensen daar komen in verweer, Occupy was een begin, in de steden broeit iets.

Tagged with:
 

Historische camouflage

On 21 september 2016, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De opstand der horden’ (1937) van José Ortega y Gasset:

 

Van de hand van de Spaanse filosoof Ortega y Gasset verscheen in 1937 een boek dat indertijd werd bestempeld als visionair, maar dat achteraf beschouwd een historische denkfout bevatte. De Spanjaard schetste een beeld van een wereld, gedomineerd door de moderne massa-mens. Die had de bourgeoisie van zijn voetstuk gestoten. Die massamens ontwaarde hij vooral in grote steden. Daar was de volte, en in de volte openbaarde zich de lompe, redeloze mensenmassa, een menigte waarin de individualiteit en pluriformiteit ten onder moest gaan. “Wanneer wij in de grote steden die ontzaglijke opeenhopingen van menselijke wezens beschouwen, die gaan en komen in haar straten of tezamen lopen bij feesten en politieke betogingen, dan zet zich in mij deze gedachte als een obsessie vast: Kan heden ten dage een man van twintig zich een levensplan vormen met persoonlijke trekken en dat derhalve verwerkelijkt moet worden door middel van zijn eigen, onafhankelijke ondernemingsgeest en door zijn eigen, persoonlijke inspanningen?” Het antwoord was natuurlijk ja, maar Ortega y Gasset meende juist van niet. Zoveel mensen op een kluitje kon, net als in een propvolle gevangenis, alleen maar tot gedwongen uniformiteit leiden. Raakte heel Europa verstedelijkt? Nee toch! “Hiermede zou Europa in een termietenhoop veranderen.”

Wie het boek anno 2016 opnieuw leest, raakt onder de indruk van de angst van de schrijver voor de metropool. Samenballing werd dus als het probleem gezien. Ortega: “(…) De enkelingen die deze menigten vormden bestonden vroeger wel, maar niet als massa. Verstrooid over de wereld, in kleine groepen of afzonderlijk, leidden zij, ogenschijnlijk, een uiteenlopend, gescheiden en afzonderlijk bestaan. (…) Nu echter verschijnen zij plotseling als een opeenhoping, en onze ogen zien overal menigten.” De Spaanse denker wees Moskou en New York aan als plaatsen waar je de ondergang van de beschaving kon voorvoelen, “net als in een reusachtige armzalige bestaan van het laat-Romeinse Rijk.” Beide steden noemde hij ‘verschijnselen van historische camouflage’. Daarmee bedoelde hij dat Moskou modern en revolutionair leek, maar eigenlijk achterlijk was; en New York was een naïeve stad van technologie die een eeuwenoude beschaving node miste. “Zijn beklemmingen, onenigheden en conflicten zullen nu komen.” Hij miste heerschappij en gehoorzaamheid in deze steden. Vrouwen en arbeiders waren te vrijgevochten. Twee jaar later echter zou het onheil niet uit de stad komen, maar van het Europese platteland. Zij die achter Hitler en Stalin aanliepen woonden overwegend in de provincie, in een omgeving die cineast Michael Haneke zo treffend heeft verbeeld in ‘Das Weisse Band’ (2009).

Tagged with:
 

Een betere wereld

On 7 september 2016, in boeken, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Uitblinkers’ (2008) van Malcolm Gladwell:

Afbeeldingsresultaat voor outliers gladwell

Waarom hebben sommige mensen meer succes dan andere? De Canadese wetenschapsjournalist Malcolm Gladwell schreef er acht jaar geleden een interessant boek over. Deze zomer heb ik het eindelijk gelezen. Talent alleen, aldus Gladwell, is niet genoeg. Je moet ook veel oefenen. Zelfs het allergrootste talent heeft tenminste 10.000 uur geoefend voordat hij succesvol werd. En dan nog is succes niet verzekerd. In ‘Uitblinkers’ maakt hij onderscheid tussen kansen en erfenis. Kansen op succes vergroot je door je in een omgeving te bewegen die daarvoor gunstig is, want alleen lukt het je niet. Erfenis is iets wat je van huis uit mee krijgt of tekort komt, het gaat om diepe wortels, vaak niet eens opgemerkt, die je voetstoots aanneemt, maar die bepalend blijken voor het behalen van succes in je leven. Het is iets cultureels. Gladwell: “Om een betere wereld te maken moeten we de lappendeken van geluk, toeval en willekeurig voordeel die nu bepalend zijn voor succes vervangen door een maatschappij die kansen biedt aan iedereen.” Mooie gedachte. Geen Ayn Rand in dit boek. Verre daarvan. Uitblinkers volgens Gladwell “zijn het product van van geschiedenis en gemeenschap, van kans en erfenis.” En zo is het.

De ruimtelijke component blijft bij Gladwell wel grotendeels impliciet. Zo merkt hij op dat alle grote internetondernemers van de wereld rond 1955 zijn geboren, wat inderdaad opvallend is, maar het feit dat ze allemaal in San Francisco groot werden laat hij grotendeels buiten beschouwing. En zijn voorbeeld van het immense succes van textielondernemers als Louis Borgenicht en andere joodse immigranten begin twintigste eeuw brengt hij amper in verband met New York. Wel merkt hij op dat de kledinghandel destijds de grootste en economisch meest bruisende industrie in deze metropool was. “Wie in de jaren negentig van de negentiende eeuw naar New York City kwam en een achtergrond had in kleding en naaiwerk of Schnittwaren Handlung, had fenomenaal geluk. Het was hetzelfde als in 1986 opduiken in Silicon Valley met tienduizend uur aan computerprogrammeren achter de kiezen.” Het juiste tijdstip vindt Gladwell kennelijk belangrijker dan de juiste plek. Dat is de zwakte van zijn boek. Het is juist omgekeerd. Grote steden bieden de beste kansen, op elk moment, voor iedereen. En om in een metropool als New York de top te bereiken moet je inderdaad keihard werken – zeker 10.000 uur. Maar geluk, toeval en willekeurig voordeel liggen er achter elke straathoek verborgen. Een betere wereld begint bij grote steden.

Tagged with:
 

Choosing your city

On 21 augustus 2016, in muziek, by Zef Hemel

Heard in the Amsterdam Stadsschouwburg on 20 August 2016:

There he was, Philip Glass (1937), the great American composer and pianist, speaking about his autobiography, ‘’Words without Music’, and also playing a piece of his work (‘Choosing Life’ from ‘’The Hours’) on the piano, in the Stadsschouwburg in Amsterdam. Harpist Lavinia Meijer and pianist Feico Deutekom played three more pieces. Melchior Huurdeman did the interviewing. Both speakers were introduced by Tracy Metz, director of the John Adams Institute and initiator of this unique event. Glass talked about New York. How he moved from Baltimore, where his father owned a recordshop, to the Big Apple, in order to study music. That was 1969. New York, he stressed, was still an affordable place at that time. Thousands of young artists moved to the big city every year. In order to earn a living young Glass needed a job for three days a week, not more. A hundred dollars a month was sufficient to survive. He became taxidriver, construction worker, you name it; he even helped Richard Serra build his large sculpture for the Stedelijk Museum in Amsterdam. The rest of the time he studied music at Juilliard.

While studying he started composing and playing for small audiences. A great time to experiment. No responsibilities. Lots of talented people, lots of opportunities. Though his minimal music was a new sound not well understood by many, he became a successful composer in short time. Only ten years later, in 1976, his opera ‘Einstein on the Beach’ was performed in the Metropolitan Opera House. Glass seemed still to be overwhelmed, after all those years, by his unexpected stardom. Just read ‘Outliers’ (2008) of Malcolm Gladwell and you’ll understand: 10.000 hours of hard work and training plus a lot of luck is needed to become an outlier. Glass worked hard and New York is a lucky place. Not that the city is a garantee for success, but sure it helps. Plus: If I can make it in New York, I can make it anywhere. But then in the interview Glass raised the point that what New York lacked, at least at that time, was expert technical knowledge for composers. So he moved to Paris, where Nadia Boulanger (1887-1979) was teaching at the conservatory. In Paris he also met the Indian sitarist Ravi Shankar. That means these two cities were very important in his life: Paris and New York. And if you listen to his music, you’ll hear New York, and a bit of Paris.

Tagged with:
 

Back-to-the-city movement

On 19 mei 2016, in wonen, by Zef Hemel

Read in ‘The New York Nobody Knows’ (2013) of William Helmreich:

On 12 May 2016 Richard Florida wrote an article in Citylab on a new report of the NYU’s Furman Center for Real Estate and Urban Policy on gentrification in the Big Apple. The researchers divided 55 New York City neighborhoods into three categories: gentrifying, non-gentrifying, and higher-income. Gentrification is happening in 15 neighborhoods (27 percent), 7 are non-gentrifying, and 33 neighborhoods are higher-income already since 1990. The gentrifying neighborhoods were all in Upper Manhattan and in Brooklyn (Williamsburg/Greenpoint). Rent increase in Brooklyn is “a whopping 78 percent”, in West-Harlem and the Lower Eastside more than 50 percent, in Morningside Heights 30 percent. Florida: “Gentrification in New York City is the outcome of a series of economic and demographic trends that have transformed the city more broadly – notably, the surge in more educated, affluent, younger, and single people headed back to the city.” Average households income are rising. Young, educated people all seem to concentrate. The population of New York City as a total is rising again too, also in the non-gentrifying and higher-income neighborhoods. So, do gentrifiers displace the poor? No. In reality poor ànd rich, they all have to deal with steeply rising rent burdens.

The article, sent to me by Lars Boering, managing director of World Press Photo, reminded me of the chapter on gentrification in a great book written by William Helmreich. In ‘The New York Nobody Knows’ (2013), this professor of Sociology at the Graduate Center of CUNY, explored the city by walking 6000 miles through its streets, thus reaching out for every corner and alley. His conclusion is: “When all is said and done, gentrification is a complex issue. It has swept through many parts of the city and has been helped along by many interests. It is changing the face of New York and will shape its future for decades. By observing it on the ground, it becomes possible to see these complexities from different angles, many of the positive, some not necessarily so.” In the Netherlands people think gentrification is dubious. Dutch opinionmakers better be envious, walk 6000 miles in New York City, or read ‘’The New York Nobody Knows’. There’s reason to be far more positive.