Coevolution

On 14 juli 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Noord op 11 juli 2014:

AESOP staat voor Association of European Schools Of Planning. Hun jaarcongres was dit keer in Utrecht. Er namen zo’n duizend wetenschappers uit heel Europa aan deel. Thema: ‘From Control To Coevolution’. Planning gaat niet meer top-down, maar vereist samenwerking tussen vele partijen. Zoiets. Tijdens de derde dag waren er een een achttal Mobile Tracks georganiseerd door en in Nederlandse steden. Een van die steden was Amsterdam. Koen Raats, Rick Vermeulen en ondergetekende ontvingen als vertegenwoordigers van de Universiteit van Amsterdam ruim honderd deelnemers afgelopen vrijdag in de hoofdstad, om precies te zijn op de noordelijke IJ-oevers. De reis door Amsterdam Noord begon op de NDSM, gevolgd door een wandeling naar de Buiksloterham, we eindigden bij de Tolhuistuin. Op elk van de drie locaties stonden telkens drie mensen gereed: een planner, een gebruiker en een wetenschapper. Na een korte introductie konden de AESOP-leden vragen aan hen stellen. Zo ontstond een levendige gedachtenwisseling over planning, deels theoretisch, deels praktisch, vaak heel persoonlijk, steeds vanuit sterk verschillende perspectieven.

Soms waren de vragen feitelijk, maar de meeste vragen gingen over de gevolgde werkwijze, geen ging over het waarom. Wat de Europese wetenschappers vooral bezighield was de wijze waarop in Amsterdam tussen al die partijen, in al dat overleg, telkens weer overeenstemming werd bereikt, hoe plannen voortdurend veranderden, geld werd gevonden, begrip werd opgebracht, voortgang geboekt, kortom hoe telkens weer de flexibiliteit werd gevonden en de harmonie bewaard. Hoe zat het met het risicomanagement? Was dat er niet? Steeds werd gerefereerd aan de Nederlandse planningscultuur die zo sterk ontwikkeld is en die de soepele samenwerking tussen al die partijen in al die wisselende omstandigheden kennelijk mogelijk maakt. Een hoogleraar uit Cyprus vond de werkwijze Zuid-Europese trekjes krijgen. Anderen vonden de gang van zaken waarbij de gemeente samen met de bewoners de straat ontwierp een regelrechte luxe. Een planner uit Griekenland wist het zeker. Helemaal op het einde van de dag, op de binnenplaats van A-Labs op Overhoeks, vatte ze het samen: jullie in Amsterdam hebben de grond in handen. Vanuit die sterke positie kunnen jullie het je veroorloven co-evolutie te bedrijven, anders was dit heus niet mogelijk geweest. Het was niet: From Control to Coevolution, maar: Control ànd Coevolution. Zoiets, zei ze, is alleen in Amsterdam mogelijk.

Tagged with:
 

Extremistan

On 2 juli 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2010) van Nassim Nicholas Taleb:

Typische luchthavenlectuur. Maar wat een lectuur! Las eindelijk Taleb’s ‘The Black Swan’. Verplichte leesvoer voor planologen. De Libanese schrijver, bekend van ‘Fooled by Randomness’ (2004), publiceerde een boek over het verschijnsel van de willekeurige gebeurtenissen die ons leven op zijn kop zetten. Telkens weer doen we alsof de toekomst geen verrassingen kent. Maar niets is minder waar. De toekomst wordt alleen maar onzekerder. Dat komt door de snel toenemende complexiteit. Mediocristan maakt plaats voor Extremistan. Lang dachten de mensen dat zwanen wit waren. Totdat er ineens een zwarte zwaan bleek te bestaan. Achteraf praten we de zwarte zwaan goed, maar vooraf hadden we geen idee. Telkens zoeken we bevestiging voor de gebeurtenissen die we verwachten, of maken we verhalen die de toevallige verschijnselen weer in een zinvol verband moeten plaatsen. Verhalen en verklaringen achteraf zijn in die zin verraderlijk. Want daardoor zijn we teveel op het ons bekende, althans op het door ons verwachte gericht. Anders gezegd, we denken en willen dat de wereld minder toeval kent dan er in werkelijkheid bestaat. We willen de vele ‘zwarte zwanen’ eenvoudig niet zien. Onze blindheid voor toeval maakt ons kwetsbaar. Echter, dat de toekomst steeds onzekerder wordt begint bij sommigen duidelijk te worden. De noodzaak van ‘resilience’, adaptief vermogen, maatwerk, bottom-up, creativiteit wordt steeds meer ingezien.

We zouden fundamentele onzekerheid als uitgangspunt moeten nemen in ons werk en moeten leren begrijpen dat er positieve en negatieve zwarte zwanen zijn. De eerste bouwen zich doorgaans geleidelijk op, de tweede doen zich abrupt voor. Alles draait om ‘schaalbaarheid’ van de verschijnselen. Is het verschijnsel schaalbaar, dan is het besmettelijk. En besmettelijkheid kan grote gevolgen hebben. Denk aan welvaart, roem, inkomen, stedelijke bevolking, oorlog, bedrijfsomvang, financiële markten. “Mediocristan is where we must endure the tyranny of the collective, the routine, the obvious, and the predicted; Extremistan is where we are subjected to the tyranny of the singular, the accidental, the unseen, and the unpredicted.” Om beter toegerust te zijn op het onbekende zouden we ons oordeel langer moeten uitstellen, veel meer moeten durven experimenteren, praktijkervaring benutten, empirisch zijn. Taleb stelt dat theorievorming steeds minder werkt, voorspellen verliest haar betekenis, filosofie wordt irrelevant. Zelf noemt hij zich ‘sceptisch empiricus’. Hij wantrouwt verklaringen en verhalen. Of toch niet? Taleb: “There may be a way to use a narrative – but for a good purpose. Only a diamond can cut a diamond; we can use our ability to convince with a story that conveys the right message – what storytellers seem to do.”

Tagged with:
 

Dit zijn wij

On 25 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 21 juni 2014:

Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boek over verhalen. Een samenvatting ervan verscheen in Sir Edmund, de bijlage van De Volkskrant, afgelopen weekeinde. In ‘Vertel. Over de kracht van verhalen’ doet ze precies wat ze in de titel belooft: schrijven over de kracht van verhalen. Daarmee sluit ze aan bij de narratieve stroming die ook in de wetenschap van de planologie tegenwoordig opgeld doet (althans rond mijn leerstoel) en die bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam de afgelopen tien jaar in de praktijk van de stadsontwikkeling veelvuldig werd beproefd. Want waaruit bestaat die kracht? Een samenvatting: verhalen brengen lijn in de gebeurtenissen, ze geven je greep op hoe het verder moet, ze vergroten je vermogen je te verplaatsen in andere rollen, ze verlichten je in een situatie van onzekerheid, ze maken de toekomst minder bedreigend, ze zijn voor iedereen te volgen, ze tonen de dilemma’s van het bestaan, ze geven richtlijnen over goed en kwaad, ze kunnen telkens opnieuw worden ingezet, ze maken duidelijk hoe je iets moet doen, ze helpen je bij de zoektocht naar identiteit, ze stomen je klaar voor een nieuwe toekomst, ze openen nieuwe perspectieven, ze maken het mogelijk om gedachten en associaties met elkaar te delen, ze geven een warm gevoel van verbondenheid.

Een sterk verhaal geeft het gevoel van: dit zijn wij, aldus Brinkgreve. In situaties van grote onzekerheid kunnen verhalen dus grote diensten bewijzen. Ook in de ruimtelijke ordening. De toekomst is immers per definitie ongewis. Het narratieve gehalte in de stadsontwikkeling en de ruimtelijke ordening is tot nu toe echter pover ontwikkeld. De planologie is heel instrumenteel geworden en ook totaal gejuridificeerd. Alleen mediation lijkt nog te kunnen helpen. Maar beter dan mediation is het herontdekken en weer losmaken van een narratieve werkwijze, ook al is dat in een technocratische omgeving buitengewoon ingewikkeld. Niemand houdt daar van verhalenvertellers. En voor je het weet zijn het weer de verleidelijke ontwerpen van de starchitects die de planners moeten redden. Dat liever niet. Zeker, ze verlichten je even, maar daarna ruik je onraad. Ze geven je bovendien weinig richtlijnen over goed en kwaad. Ze geven ook zelden een warm gevoel van verbondenheid. En ze tonen al helemaal niet de dilemma’s van het bestaan. Integendeel, ze walsen vaak met hun schone schijn over de dilemma’s heen. Vandaag neem ik na precies tien jaar afscheid van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam. Zou Brinkgreve niet een masterclass aan de Amsterdamse planologen kunnen geven?

Tagged with:
 

Followers!

On 17 oktober 2013, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The End of Leadership’ (2012) van Barbara Kellerman:

Moet een paper schrijven over leiderschap in de Nederlandse ruimtelijke ordening voor een Brits wetenschappelijk congres. Daartoe lees ik onder andere een recent werk van Barbara Kellerman, Harvard University, getiteld ‘The End of Leadership’. Zelden kreeg ik een mooiere inhoudsopgave onder ogen. Die ene bladzijde aan het begin van het boek maakt precies duidelijk wat er met leiderschap aan de hand is: ‘lessening power’, ‘leveling the playing field’, ‘losing control’. Het gevolg: ‘downgrading leaders’ en ‘upgrading followers’. Kellerman eindigt met niet minder dan een paradigmawisseling van een overspannen leiderschapsindustrie, maar tegelijk een historisch laag vertrouwen in instituties met hun leiders. “Politics is roiling, innovation is accelerating, competition is intensifying, and globalization is expanding. The world of the second decade of the twenty-first century is networked and interdependent and transnational – with leaders weaker and followers stronger, or at least less pliable.” Haar oplossing? Meer aandacht voor de followers.

Waarom zoveel aandacht voor followers? Waarom leiderschap problematiseren? Kellerman: “We hunger ourselves to have power, authority, and influence and, simultaneously, we long ourselves to be led wisely and well.” Echter, tegelijkertijd accepteren we leiders steeds minder. Kellerman wijt deze paradox voor een niet gering deel aan het internet. Dat maakt ons mondiger. Ze laat zien dat dit ook in China en Rusland gebeurt. “At the moment in history when the leader is so obviously weakened, or tarnished, or in some other way relatively disabled; and when what happens in the world at large is so obviously consequential; and when so many followers are not in the least inclined actually to follow, the traditional view of ‘the leader’’, the suggestion that ‘the leader’ is all-important is simply passé.” Denk niet dat dit voor ruimtelijke ordening niet geldt. Ook daar moeten planners nu precies weten wat al die followers willen.

Tagged with:
 

Gehoord op de Zuidas in Amsterdam op 21 maart 2013:

Afgelopen week de deelnemers van de nieuwe leergang ‘Triomf van de stad’ van Wim Derksen toegesproken op de Amsterdamse Zuidas, al jaren de duurste grond van Nederland. Onderwerp: stad en cultuur. Het begon onschuldig met een uitleg over festivals en evenementen en hoe je je eigen stad daarmee impulsen kunt geven door betere benutting van de openbare ruimte, de infrastructuur, de hotels, de culturele voorzieningen. Alles heel praktisch en organisch, licht en ook goed toe te passen in Utrecht, Vlaardingen, Almere en Zoetermeer. Een deelnemer merkte op dat zoiets kennelijk in Amsterdam gemakkelijker gaat dan elders in Nederland. Zeker, er is hier meer van alles, je hoeft niet zo te duwen en te trekken, de dingen gaan in Amsterdam bijna vanzelf. Het deed Derksen denken aan het ogenschijnlijke gemak waarmee de Amsterdamse marathon groeit en nu al die van Rotterdam in aantallen deelnemers overtreft. Dat klopt. Daarover ging mijn tweede, meer theoretische gedeelte van de cursus. Maar dat deel viel bij de cursisten in minder goede aarde.

Volgens Geoffrey West en anderen zijn grote steden efficiënter dan kleine steden. In ‘Growth, Innovation, Scaling and the Pace of Life in Cities’ (2006) stellen de wetenschappers vast dat steden niet anders functioneren dan andere levende organismen. Verdubbelt een stad in omvang, dan heeft hij maar 85% meer energie nodig, net als dieren. Je vindt in grote steden dan ook naar verhouding meer winkels, meer tankstations, meer banken, meer supermarkten, meer voorzieningen, meer cultuur, meer dan je op grond van hun omvang zou mogen verwachten. Grote steden zijn niet alleen duurzamer, ze bieden de mensen gemiddeld ook meer van alles. Dat komt doordat grote steden productiever zijn dan kleine. Mensen lopen er harder, denken er sneller, er is meer interactie. De taak van planning, aldus West, is om interactie te maximaliseren en daarbij de hinder te minimaliseren. Dat betekent grote compacte metropolen bouwen en de congestie binnen die reusachtige steden bevorderen op de plekken waar de grondwaarde het hoogste is. Zo’n metropool zal worden beloond met veel voorzieningen ter plekke. In relatief kleine steden zal de overheid echter zwaar aan moeten die voorzieningen moeten trekken, ze opzettelijk plannen en er veel publiek geld tegenaan moeten gooien.  Dat is niet duurzaam en zonde van de energie en het geld.

Open source, bottom-up

On 2 oktober 2012, in planningtheorie, politiek, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De rationele optimist’ (2010) van Matt Ridley:

Erg veel vertrouwen in politieke leiders heeft de rasoptimist Matt Ridley niet. Ridley is natuurkundige en was jarenlang redacteur van The Economist. Twee jaar geleden publiceerde hij ‘De rationele optimist’. Dat boek gaat over vooruitgang. In zijn beschrijving van de welvaartsgroei door de eeuwen heen was het telkens de overheid die op de rem trapte en die het maar niet begreep. In zijn ogen is de overheid een plunderaar, of tenminste een parasiet. Zijn optimisme schuilt vooral in het idee dat de overheid de vooruitgang niet kan stoppen. “Het zal moeilijk zijn om het vuur van de vernieuwing te doven, omdat het zo’n evolutionair, bottom-up verschijnsel is in zo’n genetwerkte wereld.” Zijn boek draagt bij aan het idee dat we eigenlijk maar helemaal van de overheid af moeten, althans van het top-down model in de organisatie van onze samenleving. Hoe gefragmenteerder en verdeelder de overheid is, hoe beter. “Zolang menselijke uitwisseling en specialisering ergens zullen gedijen, zal de cultuur zich ontwikkelen ongeacht of er leiders zijn die dat bevorderen of belemmeren, en het gevolg is dat de welvaart zich verspreidt, de technologie vooruitgang boekt, de armoede afneemt, ziektes op hun retour gaan, kennis bloeit, het milieu erop vooruitgaat en de wildernis zich uitbreidt.”

Vooruitgang door vernieuwing is wat ons het meeste zou moeten bezighouden. “Verreweg het gevaarlijkste, en zelfs het meest onduurzame wat de mensheid zichzelf zou kunnen aandoen, is de vernieuwingskraan dichtdraaien.” Zelden las ik zo’n hartstochtelijk pleidooi voor een bottom-up beweging en voor het laten ontstaan van een spontane orde. Angst voor monopolies of voor corruptie heeft Ridley niet. “De bottom-up wereld zal het grote thema van deze eeuw zijn.” Zijn voorspelling is deze: “Grote ondernemingen, politieke partijen en overheidsbureaucratieën zullen afbrokkelen en uiteenvallen zoals eerder gebeurde met centrale planinstanties. (…) Of ze nu particulier of genationaliseerd zijn, monolithische monsters zijn nog nooit zo kwetsbaar geweest voor de bestorming door lilliputters.” Is het werkelijk? Welkom in de wereld van de open source.

Tagged with:
 

Jazz of marsmuziek?

On 15 juni 2012, in planningtheorie, politiek, technologie, by Zef Hemel

Gehoord op 14 juni 2012 in Amsterdam:

Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut, hield gisteravond een lezing over ‘Stedelijke Vernieuwing in de improvisatiemaatschappij’. Hij deed dat tijdens de jaarvergadering van het algemeen bestuur van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing bij Stadgenoot in de Sarphatistraat in Amsterdam. Voor zijn lezing putte hij rijkelijk uit zijn recent verschenen boek (‘De improvisatiemaatschappij’, 2011). Wat hij vooral deed was een diagnose stellen van onze tijd, die hij als ‘een ander type wereld’ typeerde. Die wereld was niet meer solide, wel complex, in hoge mate netwerkachtig, richtingloos. Hij sprak van ‘complexiteit zonder richting’. Veel mensen ervaren haar als chaotisch en verwarrend. Enerzijds lijkt zij overgereguleerd, anderzijds moeten mensen juist meer zelfredzaam zijn. Toch kent die nieuwe wereld meer structuur – een hogere organisatiegraad – dan wij denken. Boutellier vergeleek haar met een zwerm spreeuwen. Hij sprak van ‘small worlds in a big society’. Aan de basis van deze complexe wereld zonder richting legde hij het internet, dat informatie, contacten, personen van over de hele wereld samenbrengt in een klein doosje: een computer op zakformaat die iedereen bij zich draagt.

Boutellier sprak niet over steden, wel over instituties. Geen wonder, want de hele zaal zat vol met vertegenwoordigers van bekende instituties. Die reorganiseren zich suf, om alle veranderingen bij te benen. Helpen doet het allemaal niet. Stuk voor stuk verkeren ze in een permanente crisis. Zelfs de rechterlijke macht staat op zijn grondvesten te schudden. Boutellier adviseerde de instituties om terug te keren naar hun kern en zich af te vragen waartoe ze op aarde zijn. Het deed me denken aan de kerntakendiscussie van jaren geleden. Maar bij Boutellier paste het in de behulpzame metafoor van de jazzimprovisatie. Wat we het beste kunnen doen in deze verwarrende situatie, zei hij, is leren improviseren, ons sterker richten op de buitenwereld, ons eigen instrument goed bespelen, een helder thema kiezen, niet teveel kaders stellen, experimenten toelaten, lichte vormen van leiderschap introduceren, dialoog, fysiek contact, plezier beleven aan het samenspel met anderen. Zijn voorstel riep als vanzelf bij de zaal het verleidelijke alternatief op van de sterke staat die volgens Singaporees model een duidelijke koers bepaalt en iedereen daarin meeneemt. Bernard Wientjes. Maxime Verhagen. Een sterke man. Een heldere lijn. Niet links, niet rechts, maar recht door zee. Boutellier leek er verlegen mee. Jazz of marsmuziek? Het wereldwijde web mag het zeggen.

African Queen, Rosy Dimple

On 25 mei 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 mei 2012:

Afgelopen dinsdagmiddag plantten vele enthousiaste vrijwilligers honderden zomerbloeiers in de spoorberm bij station Bullewijk in Amsterdam Zuidoost. Een mooie foto van Klaas Fopma stond afgelopen woensdagavond in Het Parool. De strook waar het om gaat bevindt zich aan de rand van Amstel III, het grote kantorengebied aan de spoorlijn naar Utrecht. Initiatiefnemer is Saskia Beers, ondernemer en eigenaar van Glamourmanifest. Met haar onderneming wil ze – van huis uit architecte – de transformatie van de leegstaande kantoren in het werkgebied een impuls geven. De leliebollen – met namen als African Queen, Rosy Dimple, Pearl Loraine – waren afkomstig van Lily Company uit Andijk en de stichting Seed Valley in Noord-Holland Noord. De grond werd vooraf licht geprepareerd door de gemeente; daarna konden de vrijwilligers hun gang gaan. Het vrolijke plantfestijn werd afgesloten met het drinken van champagne. Komende zomer zullen de bermen langs het spoor fraai in bloei staan met lelies uit Noord-Holland. Op deze manier is op een bijna guerilla-achtige wijze inhoud gegeven aan wat mensen straks kunnen verwachten van Floriade 2022, als de Nederlandse Tuinbouwraad dit najaar tenminste kiest voor Amsterdam als toekomstige locatie. Het betreft een unieke samenwerking tussen ondernemers uit de Nederlandse tuinbouwsector en prettig gestoorde stedelingen. Stad en land weer verenigd.

Wat Beers doet is natuurlijk gewoon ondernemen. Ze makelt tussen ontwikkelaars, gebruikers en pandeigenaren om transformatie in leeg vastgoed op gang te brengen. Daaraan hoopt ze een centje te verdienen. De wijze waarop ze dat doet grenst echter aan kunst, want niet alleen de spontane plantactie van afgelopen dinsdag, maar ook het voordragen van gedichten door poetry pusher Justin Samgar tijdens Nationale Gedichtendag met megafoon voor de ingang van metrostation Bullewijk en het verspreiden van liefst honderd goudgekleurde tuinkabouters over het kantorengebied (“Handje nodig hier?”) waren eerder ook al haar initiatief. Steeds laat ze haar artistieke acties vergezeld  gaan van het drinken van champagne, want zakendoen is ook een beetje feestvieren. Vandaar Glamourmanifest. Beers laat zien hoe de nieuwe planning in zijn werk gaat: verbinden en ondernemen, maar ook inspireren, mensen aan het denken zetten en activeren. Beers werkt daarin nauw samen met de gemeente. Haar werk is door en door sociaal. Ze gebruikt de openbare ruimte om veranderingen op gang te brengen. Haar doel met Zuidoost is het maken van een mooi gemengd woon-werkgebied. Ze kan goed improviseren. Allemaal kenmerken van de nieuwe open planning. Volgen dus die vrouw!

Wu-Wei

On 18 april 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Retracking America’ (1971) van John Friedmann:

Donderdag 19 april opent in Rotterdam de Internationale Architectuur Biënnale. Thema: ‘Making City’. De stad wordt dit keer echt gemaakt. Het deed me denken aan ‘The Tao of Transactive Planning’, opgenomen in ‘Retracking America’ (1971) van de Amerikaan John Friedmann. Friedmann schrijft daarin dat hij zich een incident herinnert waarbij een planner zijn geduld verloor omdat iets wat hij bedacht had niet werd uitgevoerd. “His model of the planning process was simplistic. The planner plans; the client buys the plans and uses all the means at his disposal to see them carried out.” Volgens Friedmann gaat goede planning heel anders in zijn werk. “The Tao says: All things go through their own transformations.” Waarop hij een meer complex model van planning introduceert, dat hij aanduidt als ‘transactive planning’. “The Taoist philosophy of wu-wei – doing nothing – would seem to be more appropriate to this model than controlled impatience.” Veel krachten in de stadsontwikkeling verlopen automatisch, die kennen hun eigen dynamiek. Soms ontbreekt de dynamiek, of verloopt de verandering te snel. De planner kan er vaak niet veel aan doen. “Both planner and client must respect the laws of transformation and be mindful of their limited abilities to control the flow of events.” Beter is het soms om helemaal niets te doen.

Behartigenswaardig vond ik ook een ander citaat: “Tao invariably does nothing, yet there is nothing that is not done.” Het lijkt er vaak op, verklaart Friedmann, alsof de planner niets doet; echter, hij leert en al lerende vergaart hij nieuwe kennis. Hierdoor veranderen wel de perspectieven, en in het verlengde daarvan verandert het gedrag. Het mag dus lijken alsof er helemaal niets gebeurt, toch verandert alles wel degelijk. “Persons change, institutions change, the environment for action changes.The ideas of the learner take root, are themselves transformed, and pass into action, affecting the behavior of society.” Toen ik het tijdens mijn planologische studie las, begreep ik het niet. Een planner moet toch maken, creëren? Nu, na dertig jaar praktijkervaring, kan ik de betekenis ervan doorgronden. Wat Friedmann schrijft is pure wijsheid, een groot planoloog waardig. ‘Making City’ is vaak gewoon niets doen, wachten, geduld oefenen, leren, perspectief veranderen, meebewegen, de tijd zijn werk laten doen.

Tagged with:
 

Hervormen

On 27 maart 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the urban revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Hoe mobieler mensen, goederen, geld en kennis worden, hoe meer locatie ertoe doet. We denken nog te weinig ruimtelijk, te weinig in steden. De Amerikaanse strateeg Jeb Brugmann schreef hierover een indrukwekkend boek. De financiële crisis van 2008, schrijft hij in ‘Welcome to the urban revolution’, is veroorzaakt door het in elkaar storten van “an American city model building boom’’. De crisis gaat dus over onze steden. Geen econoom die daaraan denkt. Ons model van stadsontwikkeling is ondeugdelijk gebleken. “We have been building cities everywhere like industrial commodities, measuring them in undifferentiated square footage, while marketing them with names that stimulate our memories of citysystems and their community life.” Om de wereld van de ondergang te redden moeten we heel andere steden gaan bouwen dan die volgens het gangbare ‘corporate city’-model. Maar hoe? Hier introduceert Brugmann het begrip ‘urbanism’. ‘Urbanism’ is een stedelijke strategie die actieve participatie toelaat van burgers en bedrijven en die streeft naar werkelijk duurzame groei. Zo’n strategie vereist dat natie-staten een flinke stap terugdoen en niet langer voorschrijven hoe steden moeten opereren. ‘Urbanism’ veronderstelt daarentegen dat lokale bedrijven actief gaan deelnemen aan de ontwikkeling van hun stad en zich niet langer afzijdig houden. Het is ook in hun belang dat steden creatief en duurzaam worden. “Embuing corporate city model building with a process of cocreation with communities, users, and local urbanists is one of the most important challenges and opportunities of urban practice in the final phase.”

Wat vereist dit van stadsbesturen? Besluitvorming zou niet langer achter de gesloten deuren van het stadhuis moeten plaatsvinden, in college, raad en voorbereid door de bureaucratie. De macht zou moeten worden gedeeld met burgers, ondernemingen en gemeenschappen. Het dominante stedelijke regime zou juist deelname van allen moeten stimuleren en private actie ondersteunen. Het moet weliswaar doelgericht zijn, maar ook gebaseerd op inspiratie en ondersteuning van anderen. Het juiste regime is stabiel, maar ook open en relatief informeel. “In a very important sense, a regime is empowering.” Strategische allianties zijn volgens Brugmann niet genoeg. Om te overleven en zich snel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden zullen steden zich zo snel mogelijk regimes eigen moeten maken die fundamenteel op cocreatie zijn gericht. Volgens Brugmann is er geen tijd te verliezen. Hervormen dus!

Tagged with: