Geen master minds

On 21 januari 2015, in participatie, planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in het KIT op 15 januari 2015:

 

Peter Sloot, hoogleraar Computational science aan de Universiteit van Amsterdam, gaf voor het Center for Urban Studies, te gast bij de Amsterdam Graduate School for Metropolitan Solutions, een boeiende lezing over ‘Urban complexity’. Zijn lezing, die hij twee jaar geleden al eens gegeven had in de Amsterdamlezingencyclus van de UvA, viel uitgerekend samen met de opening van het ‘Jaar van de Ruimte 2015’ een eindje verderop, in de Beurs van Berlage. Sloot maakte duidelijk dat steden, net als markten, organismen en pandemieën, complexe adaptieve systemen zijn die worden gekenmerkt door non-lineaire relaties. Op steden zijn daardoor ‘urban scaling laws’ van toepassing. Bij een verdubbeling van de omvang van een stad stijgt bijvoorbeeld de productiviteit met 15 procent; het aantal patenten neemt met een vergelijkbaar percentage toe; hetzelfde geldt voor de misdaad en het aantal aids-gevallen. Maar het wonen is lineair, evenals werkgelegenheid. En infrastructuur is sublineair: je hebt er naar verhouding minder van nodig als de stad groter wordt. De schaalbaarheid van steden opent een heel nieuw veld van onderzoek. Complexe systemen betekent: er bestaan geen blauwdrukken, er zijn geen ‘master minds’ in het spel, steden organiseren zichzelf, het is een kwestie van evolutie en adaptatie. Kortom, planners moeten nederig zijn.

In de discussie na afloop viel de naam van Michael Batty, hoogleraar planologie aan University College London. Zijn onlangs verschenen boek ‘The New Science of Cities’ sloot naadloos aan op het betoog van Sloot. Met mathematische modellen, is diens stelling, kunnen dynamische patronen in steden worden nagebootst. Mits betrouwbare data voorhanden zijn. In veertien hoofdstukken, verdeeld over drie delen, verbindt Batty netwerkanalyses uit diverse sociale disciplines met theorieën van grootheden als Lewis Mumford, Kevin Lynch, Patrick Geddes en Jane Jacobs. Vooral deel III is voor planologen interessant. Want wat blijkt? Participatieve planning, dus planning in kleine stapjes, van onderop, samen met bewoners en direct betrokkenen, levert de beste resultaten op. Dergelijke planning reageert het snelst op veranderingen, past zich het beste aan aan gewijzigde omstandigheden en vangt abrupte schokken op. Topdown planning is veel kwetsbaarder. Ook netwerkanalyses wijzen top-down planning dus van de hand. Sloot beaamde het. Het was niet anders. Planners moeten anders gaan werken. Bescheidener.

Tagged with:
 

Poor forecasters

On 11 november 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in The New Yorker van 5 december 2005:

Een oudje misschien. Maar nog steeds geldig en ook voor planologen buitengewoon relevant. In ‘Expert Political Judgment: How Good is It? How Can We Know?’ laat de Amerikaanse psycholoog Philip Tetlock overtuigend zien dat experts de toekomst minder goed voorspellen dan leken. Hoewel de boodschap niet fijn is, kreeg het boek destijds toch een bespreking in The New Yorker. In ‘Everybody is an expert’ vertelt Louis Menand hoe Tetlock tweehonderdvierentachtig mensen vroeg om voorspellingen te doen. Uiteindelijk verzamelde hij ruim 82.000 voorspellingen. De experts bleken niet betere voorspellers dan de amateurs, nee ze scoorden significant slechter. Bijvoorbeeld in het geval waarin uit drie mogelijke toekomsten kon worden gekozen. De experts kwamen niet verder dan vijftig procent goed, de amateurs scoorden beter. Menand: "Human beings who spend their lives studying the state of the world, in other words, are poorer forecasters than dart-throwing monkeys, who should have distributed their picks evenly over the three choices."

Hoe dit kan? Menand geeft een aantal verklaringen. Experts zijn te gespecialiseerd en kunnen het geheel niet meer overzien. Ze zijn ‘egels’. Die weten één groot ding. Door hun specialistische kennis blaken ze van zelfvertrouwen en kennen weinig twijfel. Ze komen vaak aanzetten met plausibele details, merkwaardige feiten, waarmee ze ons – niet-experts – proberen te overtuigen. Vooral economen lijden hieraan. Echter, amateurs overzien de wereld niet slechter, eerder beter, en kunnen ook scherpere inschattingen maken. Amateurs zijn ‘vossen’: ze weten van alles een klein beetje. Toevlucht zoeken in statistieken – ook gedetailleerde, achter de voordeur – helpt niet. Toch is dit precies wat experts steevast doen. Nu weer zoeken ze hun toevlucht in ‘Big Data’. Achteraf zullen ze ook nooit toegeven dat ze foute inschattingen hebben gemaakt. Hun werk is voorspellen, de media willen alleen dàt van hen en daarop worden ze afgerekend. We kunnen beter gewone burgers raadplegen. Ondertussen tasten wij omtrent de toekomst volkomen in het duister.

Tagged with:
 

Egel of vos?

On 25 augustus 2014, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Hedgehog and the Fox’ (1953) van Isaiah Berlin:

Mooi essay van Isaiah Berlin over ‘War and Peace’ van Lev Tolstoi. ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ Dat betekent, er zijn mensen die denken vanuit één groot systeem en leven vanuit één visie, terwijl andere mensen vele doelen tegelijk nastreven, vaak onderling niet verbonden, althans niet gerelateerd aan één moreel of esthetisch principe. De Britse filosoof Berlin ziet Tolstoi als een vos, maar een met de stille ambitie om tegelijk ook een egel te zijn. In zijn ‘Oorlog en vrede’ schetst de grote Russische schrijver een wereldbeeld waarin niemand greep heeft op de loop der gebeurtenissen, theorieën, wetten en abstracties gelden hier niet, alles is chaos, alles draait om een veelheid van concrete zaken die uitsluitend te relateren zijn aan individuele behoeften. "It aims to show that men are never in control of events and indeed that the more they seek to control them, the more futile they become." Zelfs, of bij uitstek, de grote Napoleon heeft bij Tolstoy geen vat op de gebeurtenissen. Tegelijk voert Tolstoi de Russische generaal Kutuzov op als een held die zijn eenvoudige instinct gebruikt, geduldig afwacht, niet ijdel is, en meebeweegt met de golven van de geschiedenis. Tolstoi gaat uit van "the unplanned and unplannable character of all great events."

Waarom is dit essay relevant voor planologen? Ook planologen kunnen beter vossen zijn, dan egels. Een planoloog – "official specialist in managing human affairs" – kan zich beter niet spiegelen aan een Dante of een Marx, wel aan een Montaigne, Erasmus, Goethe, Balzac of Joyce. Pluralisme past hem beter dan monisme. De gedachte dat de toekomst uitgestippeld kan worden of te plannen is, is ronduit suspect. Tolstoy acht het zelfs onmogelijk "that individuals can, by the use of their own resources, understand and control the course of events." Is Tolstoi daarmee een pessimist? Berlin denkt van wel. Zelf denk ik van niet. Realist dan? Nee, een planoloog is, net als Tolstoy, zowel vos als egel tegelijk. Hij ziet de betrekkelijkheid van wetenschap, visie en kennis; tegelijk verlangt hij naar eenheid. Berlin: "Like Moses, he must halt at the borders of the Promised Land; without it his journey is meaningless; but he cannot enter it; yet he knows that it exists; and can tell us, as no one else has ever told us, all that is not – above all, not anything that art, or science or civilization or rational criticism, can achieve."

Tagged with:
 

Gliding into disorder

On 21 augustus 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2008) van Nassim Nicholas Taleb:

Beter nog dat Thomas Piketty’s ‘Capital in the 21st century’ vind ik ‘The Black Swan’ van Nassim Nicholas Taleb. Eerder al schreef ik over de wereld van Extremistan die wij volgens deze Libanees-Amerikaanse wiskundige binnentreden. Het is een gevaarlijke en oneerlijke wereld, met extremen die wij niet meer kunnen beheersen. Schaalbare verschijnselen kennen steeds hogere pieken en een hele lange staart. Voordelen zijn hier cumulatief. Anders gezegd, de duivel schijt op de grote hoop. En het midden valt steeds meer weg. Dat geldt voor taal, boeken, informatie, geld, bedrijven, vliegvelden, steden. "The bigger get bigger and the small stay small, or get relatively smaller." Oorzaak? De steeds omvattender netwerken, de groeiende wederzijdse afhankelijkheid, de toenemende complexiteit.

Het goede nieuws is dat in de staart van alles kan gebeuren. Eerst was iets nog klein, even later kan het heel groot zijn. En omgekeerd. "Nobody is truly established. The little guy is very subversive." Het slechte nieuws: "We are gliding into disorder, but not necessarily bad disorder." Dat is gek, want de wereld lijkt juist meer onder controle dan ooit. Maar als een Zwarte Zwaan – ‘the perfectly unexpected event’ – eenmaal toeslaat, zal deze een grotere impact hebben dan ooit tevoren. Alles hangt af van de lengte van de staart. In de financiële sector ontbreekt deze staart bijvoorbeeld; de ramp van 2008 is daar bijna niet te overzien. ‘Too big to fail’ betekende hier: de oude reuzen die faalden moeten moeizaam overeind worden gehouden ten koste van heel veel overheidsgeld. En er is niets geleerd. Erger: economen, aldus Taleb, begrijpen er nog altijd niets van. Hun held is Carl Friedrich Gauss. Nu ja, met uitzondering van Thomas Piketty dan. En steden? De grote steden worden groter, de kleine kleiner. Maar die hebben tenminste een hele lange staart.

Tagged with:
 

People-oriented planning

On 3 juli 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn nr.2 2014:

Patsy Healey is Brits planoloog, emeritus-hoogleraar planning aan Newcastle University en auteur van ‘Making Better Places. The Planning Project in the Twenty-First Century’ (2010). Ik ontmoette haar in 2005, toen ze in Amsterdam was voor onderzoek in verband met het schrijven aan haar boek. Amsterdam is een van de steden die prominent in ‘Making Better Places’ figureren. In het tweede nummer van Rooilijn van dit jaar – het tijdschrift van de planologen van de Universiteit van Amsterdam – verscheen zowaar een interview met de ‘grand dame’, opgetekend door Thijs Koolmees, Marije Koudstaal en Stan Majoor. In ‘Puzzling towards people-oriented planning’ vertelt ze over de nieuwste ontwikkelingen in de ruimtelijke planning die ze als professional ontwaart sinds het verschijnen van haar theoretische boek: deze ruimtelijke planning wordt, althans in Europa, steeds lokaler, speelt zich hoofdzakelijk af op stedelijk niveau, en houdt meer en meer rekening met de wensen en ideeën van gewone mensen.

Healey ziet overigens tegenstrijdige ontwikkelingen. De Britse regering predikt weliswaar ‘The Big Society’ en ‘localism‘, maar centraliseert ondertussen bijna alles. "This is because it does not know any other way to act." In werkelijkheid ontwaart ze een implosie van het politieke systeem op nationaal niveau, waarbij rijksambtenaren kennis en vaardigheden verliezen, terwijl steden steeds krachtiger worden en de institutionele leegte vullen. Maar ook stedelijke autoriteiten hebben volgens haar de neiging te centraliseren en door bezuinigingsdrang hun kennis overboord te zetten. Healey: "If you look at the big local authorities, they are so trapped in all the procedures they have to follow that it is very hard to loosen up from all of that, in order to take initiatives like we did." Blijft over de lokale gemeenschap. Gewone mensen, stelt Healey, denken op verschillende schalen, beschikken over veelsoortige kennis, kunnen door samen te werken heel veel bereiken. Ze noemt het opvallend dat zoveel op hele kleine schaal geregeld kan worden en dat er zo weinig buurtoverstijgende coördinatie nodig is. Op buurtniveau begint dus de nieuwe planning. Een representatieve democratie moet je natuurlijk niet weggooien, zegt ze, maar alleen maar eens in de vier jaar je stem uitbrengen is volgens haar de bottom line. "I think it is about building another kind of democracy."

Planning als co-evolutie

On 20 maart 2014, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Out of Control’ (1994) van Kevin Kelly:

In 1994 schreef Wired-redacteur Kevin Kelly een fantastisch boek over de nieuwe biologie van machines, sociale systemen (steden) en economische stelsels. Wat al die systemen gemeen hebben? Complexiteit. Of je nu ruimtelijke planning bedrijft, een economie wil laten groeien of smart cities bouwt, iedereen heeft met complexiteit te maken. Daarom is het boek voor elke planner een aanrader. Complexiteit, schreef Kelly twintig jaar geleden, neemt toe. Individualisme lijkt te groeien, maar is niet de trend. "The co in coevolution is the mark of the future. In spite of complaints about the steady demise of interpersonal relationships, the lives of modern people are increasingly more codependent than ever. All politics these days means global politics and global politics means copolitics." Als wereldgemeenschap worden we steeds afhankelijker van elkaar en moeten we steeds meer samenwerken. Dat doen we niet omdat we elkaar zo aardig vinden, maar uit pure noodzaak. Allianties, coalities en samenwerkingsverbanden schieten als paddenstoelen uit de grond. Politieke partijen die elkaar op standpunten blijven bevechten, hebben het nog altijd niet begrepen. "In true coevolutionary fashion, coevolution breeds coevolution."

Wat als straks iedereen met iedereen samenwerkt? Co-evolutie, schreef Kelly, brengt de dingen naar een bijna absurde toestand van stabiele instabiliteit. Controle bestaat niet meer, geheimhouding werkt contraproductief, openheid is geboden en alleen transparantie laat de complexe systemen verder groeien. "In the Network Era – that age we have just entered – dense communication is creating artificial worlds ripe for emergent coevolution, spontaneous self-organization, and win-win cooperation. In this Era, openess wins, central control is lost, and stability is a state of perpetual almost-falling ensured by constant error." In die instabiele toestand van totale wederzijdse afhankelijkheid en bijna-ongelukken bevinden wij ons op dit moment. Instituties spreken van een crisis, maar instituties bestaan bij de gratie van stabiliteit. Allen daarbuiten weten beter. En het einde van deze groei in complexiteit en instabiliteit is nog lang niet in zicht. Planologen moeten zich snel heroriënteren. “The future of control: Partnership, Co-control, Cyborgian control. What it all means is that the creator must share control, and his destiny, with his creations.”

Tagged with:
 

Technologische tuinen

On 7 maart 2014, in participatie, planningtheorie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 18 januari 2014:

 


"Providing the right platform is something all it takes." Met die zin begon een opmerkelijk artikel in een Special Report van The Economist, gewijd aan Tech Startups. Het artikel beschreef de toekomstige economie, die vooral zal bestaan uit fysieke en virtuele platforms. Het platform is het ‘operating system’ waarvan veel mensen gebruik kunnen maken met een bepaald doel. Sinds we vertrouwd zijn geraakt met IT-software zijn we steeds meer in termen van platforms gaan denken. Inmiddels weten we dat alle complexe systemen vanuit platforms werken, zowel biologische als economische systemen. "The core building blocks are kept stable so that the other parts can evolve more rapidly by combining and recombining them and adding new ones." Onze wereld wordt steeds complexer. IT dringt in alle geledingen door. We gaan naar een ‘platformisering’ van de samenleving.

Hoe ziet zo’n wereld eruit? "The bottom, where economies of scale rule, is made up of just a few powerful platforms; the top, where creativity and agility are at a premium, is becoming ever more fragmented. There is not much in between." Zo gaat onze samenleving er ook steeds meer uitzien: als een omgekeerde piramide. Horizontalisering is onvermijdelijk, een combinatie van hele grote platforms aan de ene kant en een grote variatie van miniproductiewijzen aan de andere kant, dat is ons voorland. Alle onderdelen van de economie gaan lijken op zulke ‘technologische tuinen’ waar duizenden bloemen bloeien en waar slechts enkele zeer groot zullen worden. Ook steden gaan op deze manier functioneren: ze organiseren zich rond platforms waar snel in grote gemeenschappen wordt geleerd. Sommigen noemen dit een ‘bottom-up’-beweging. In de Amsterdamse leergang De Nieuwe Wibaut spreken we van prototypes van nieuwe open werkwijzen, want ook de ruimtelijke planning moet eraan geloven. The Economist: "Currently governments resemble a vending machine offering a limited set of choices. They would work much better as a platform for a thriving bazaar of government services, offering basic building blocks that others can use."

Tagged with:
 

Gelezen in Volkskrant Magazine van 7 december 2013:

In 1999 verscheen de eerste Iens Independent Index van Amsterdam. De gids was een handzaam boekje met 850 Amsterdamse restaurants waarin punten werden toegekend voor de keuken, het interieur, de bediening, enzovoort. De gids baseerde zich op de eetervaringen van zestig mensen die Iens Boswijk daarvoor speciaal had geronseld. In 2000 begon Iens een online-website in Amsterdam en in Rotterdam, later in meer steden. Ditmaal betrof het een interactief systeem dat tien- tot vijftienduizend recensies per maand verwerkte. Sindsdien kan iedereen meepraten over de kwaliteit van restaurants in zijn of haar eigen stad. Wel worden alle recensies eerst gelezen en gecheckt. Tien procent valt af omdat ze niet fair zijn. Dat lijkt veel, maar is het niet. De werkwijze is ook minder arbeidsintensief dan zelf recensies schrijven. Maar het ging Iens niet alleen om efficiency. Iens: “Het ging mij om de massa. Hoe meer recensies, hoe beter het beeld is dat je krijgt.” Door de enorme hoeveelheid ontwikkelde Iens gewoon betere kritieken. Tegelijk democratiseerde ze de restaurantkritiek.

En de professionals? “Het idee dat iedereen een mening heeft, vonden koks in het begin eng.” Pas later beseften de koks dat het publiek genereus was en dat veel restaurants en ook doodgewone café’s hoog scoorden. Smaken verschillen, keukens verschillen, criteria verschillen, reacties lokken reacties uit, keukens passen zich aan, resultaat: er ontwikkelt zich een gevarieerde eetcultuur in de stad. Echter, sommige koks, zoals Ron Blaauw, volhardden in hun protest. Iens nu: “Ik wil ook koks ruimte geven.” Ze mogen voortaan direct reageren op recensies. “Het gaat er mij om dat jij blij uit eten gaat en dat de kok de gasten krijgt waar hij op zit te wachten.” De moraal van dit verhaal? Vervang koks door stedenbouwkundigen en restaurants door wijken en buurten en je krijgt een proces dat leidt tot een betere stadsontwikkeling: interactief, adaptief, pluriform, democratisch, met meer kwaliteit. Hoe simpel kan het zijn.

Tagged with:
 

Een buitengewoon moeilijk spel

On 27 december 2013, in boeken, onderwijs, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Avonturen van Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll:

Ze wilde een boekje schrijven waarin kinderen wordt uitgelegd hoe planologie in zijn werk gaat. Ook tijdens haar master Stedenbouw begreep ze nog steeds niet precies het hoe en het wat. Ik zei haar dat zo’n boek al bestond. Het heet ‘Alice in Wonderland’ en is geschreven door Lewis Carroll. Mijn dochters lees ik voor uit een mooie vertaling van Nicolaas Matsier. Het gaat me vooral om hoofdstuk 8, ‘het croquetveld van de koningin’. Dat croquetveld betreedt Alice bij de ingang van de tuin waar drie tuinlieden juist bezig zijn de rozenstruik rood te schilderen. Dat vindt Alice maar vreemd. De lieden, ernaar gevraagd, antwoorden dat ze dit menen te moeten doen omdat de koningin om een rode rozenboom gevraagd had. Staat die er niet, dan gaat hun kop eraf, althans dat vrezen ze. Ik bedoel maar.

Waar het me werkelijk om gaat is het croquetspel zelf. Als planoloog voel je je als Alice die de bal moet slaan. “Nog nooit in haar leven, dacht Alice, had ze zo’n raar croquetveld gezien: het was één en al kuil en greppel; de ballen waren levende egels, de hamers levende flamingo’s, en de soldaten moesten zich dubbelvouwen en op handen en voeten staan om de poortjes te vormen.” Alice vond het moeilijk om de flamingo’s te hanteren, want die bleken allesbehalve te luisteren. Ook de opgerolde egels kropen telkens weg. “Afgezien van dit alles was er meestal een kuil of greppel precies op de plek waar ze de egel heen wilde slaan; en aangezien de dubbelgevouwen soldaten voortdurend opstonden om naar andere gedeelten van het terrein te wandelen, kwam Alice al gauw tot de conclusie dat het een buitengewoon moeilijk spel was.” De moeilijkheidsgraad van het spel werd nog verhoogd doordat alle spelers speelden zonder hun beurt af te wachten, daarbij aan één stuk door ruzie maakten en om de egels vochten. En dan de koningin. Die riep zowat eens per minuut: ‘Zijn hoofd eraf! of ‘Haar hoofd eraf!’ Kijk, dat is nou planologie.

Tagged with:
 

Perfect World

On 25 december 2013, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De grote utopie. Russische Avantgarde 1915-1932’ (1992):Onderweg naar het Stedelijk Museum hadden we het over het streven naar perfectie. Of een planoloog daar naar moet streven. Mijn gespreksgenoot vond van wel. Mijn stelling was: liever niet. Perfectie past niet bij een stad, die moet niet kloppend gemaakt worden. Een planner kan zelfs beter opzettelijk fouten maken dan een perfect stedelijk systeem nastreven. Enzovoort. Toen zagen we de werken van Kazimir Malevich. Vooral zijn Suprematistische schilderijen spraken tot onze verbeelding. Was zijn Zwart Vierkant (1915) werkelijk perfect? Mijn gast vond van wel, ik twijfelde. Eenmaal weer thuis las ik de catalogus van het Stedelijk Museum uit 1992, ‘De grote utopie’. In een van de eerste artikelen vergelijkt Vasily Rakitin de werken van Tatlin met die van Malevich. Over de laatste schrijft hij dat deze uitsluitend dacht in absolute termen – Malevich, schreef hij, was de profeet.

Rakitin vond dat Malevich met zijn verlangen in ‘zijn’ Suprematisme alle ‘ismen’ te verenigen de moderne kunst parodieerde. “This was due to his desire not just to do everything better but to get it absolutely right.” Dat is inderdaad de definitie van een perfectionist. “He (Malevich) was a natural systematist and wanted to turn everything into his own – in his opinion infallible perfect – world.” De perfectie van Malevich kon alleen bestaan in zijn eigen wereld, niet in die van anderen. Om alles helemaal goed te krijgen, vond hij, moest men telkens weer van voren af aan beginnen om te zien of het wel klopte. Kan het duidelijker? De schilder, aldus Rakitin, was een romanticus, een polemist, een zuivere individualist, zeker geen teamworker. “One had to be at the forefront and only follow him, Malevich, on the road towards a new harmony.” Godzijdank was hij geen stedenbouwer, want stel je voor. Maar wat een fantastische kunstenaar! Gaat dat zien!

Tagged with: