Een buitengewoon moeilijk spel

On 27 december 2013, in boeken, onderwijs, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Avonturen van Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll:

Ze wilde een boekje schrijven waarin kinderen wordt uitgelegd hoe planologie in zijn werk gaat. Ook tijdens haar master Stedenbouw begreep ze nog steeds niet precies het hoe en het wat. Ik zei haar dat zo’n boek al bestond. Het heet ‘Alice in Wonderland’ en is geschreven door Lewis Carroll. Mijn dochters lees ik voor uit een mooie vertaling van Nicolaas Matsier. Het gaat me vooral om hoofdstuk 8, ‘het croquetveld van de koningin’. Dat croquetveld betreedt Alice bij de ingang van de tuin waar drie tuinlieden juist bezig zijn de rozenstruik rood te schilderen. Dat vindt Alice maar vreemd. De lieden, ernaar gevraagd, antwoorden dat ze dit menen te moeten doen omdat de koningin om een rode rozenboom gevraagd had. Staat die er niet, dan gaat hun kop eraf, althans dat vrezen ze. Ik bedoel maar.

Waar het me werkelijk om gaat is het croquetspel zelf. Als planoloog voel je je als Alice die de bal moet slaan. “Nog nooit in haar leven, dacht Alice, had ze zo’n raar croquetveld gezien: het was één en al kuil en greppel; de ballen waren levende egels, de hamers levende flamingo’s, en de soldaten moesten zich dubbelvouwen en op handen en voeten staan om de poortjes te vormen.” Alice vond het moeilijk om de flamingo’s te hanteren, want die bleken allesbehalve te luisteren. Ook de opgerolde egels kropen telkens weg. “Afgezien van dit alles was er meestal een kuil of greppel precies op de plek waar ze de egel heen wilde slaan; en aangezien de dubbelgevouwen soldaten voortdurend opstonden om naar andere gedeelten van het terrein te wandelen, kwam Alice al gauw tot de conclusie dat het een buitengewoon moeilijk spel was.” De moeilijkheidsgraad van het spel werd nog verhoogd doordat alle spelers speelden zonder hun beurt af te wachten, daarbij aan één stuk door ruzie maakten en om de egels vochten. En dan de koningin. Die riep zowat eens per minuut: ‘Zijn hoofd eraf! of ‘Haar hoofd eraf!’ Kijk, dat is nou planologie.

Tagged with:
 

Perfect World

On 25 december 2013, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De grote utopie. Russische Avantgarde 1915-1932’ (1992):Onderweg naar het Stedelijk Museum hadden we het over het streven naar perfectie. Of een planoloog daar naar moet streven. Mijn gespreksgenoot vond van wel. Mijn stelling was: liever niet. Perfectie past niet bij een stad, die moet niet kloppend gemaakt worden. Een planner kan zelfs beter opzettelijk fouten maken dan een perfect stedelijk systeem nastreven. Enzovoort. Toen zagen we de werken van Kazimir Malevich. Vooral zijn Suprematistische schilderijen spraken tot onze verbeelding. Was zijn Zwart Vierkant (1915) werkelijk perfect? Mijn gast vond van wel, ik twijfelde. Eenmaal weer thuis las ik de catalogus van het Stedelijk Museum uit 1992, ‘De grote utopie’. In een van de eerste artikelen vergelijkt Vasily Rakitin de werken van Tatlin met die van Malevich. Over de laatste schrijft hij dat deze uitsluitend dacht in absolute termen – Malevich, schreef hij, was de profeet.

Rakitin vond dat Malevich met zijn verlangen in ‘zijn’ Suprematisme alle ‘ismen’ te verenigen de moderne kunst parodieerde. “This was due to his desire not just to do everything better but to get it absolutely right.” Dat is inderdaad de definitie van een perfectionist. “He (Malevich) was a natural systematist and wanted to turn everything into his own – in his opinion infallible perfect – world.” De perfectie van Malevich kon alleen bestaan in zijn eigen wereld, niet in die van anderen. Om alles helemaal goed te krijgen, vond hij, moest men telkens weer van voren af aan beginnen om te zien of het wel klopte. Kan het duidelijker? De schilder, aldus Rakitin, was een romanticus, een polemist, een zuivere individualist, zeker geen teamworker. “One had to be at the forefront and only follow him, Malevich, on the road towards a new harmony.” Godzijdank was hij geen stedenbouwer, want stel je voor. Maar wat een fantastische kunstenaar! Gaat dat zien!

Tagged with:
 

Planning is everything

On 27 september 2013, in planningtheorie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Wij zijn ons brein’ (2010) van Dick Swaab:

Gisteren college gegeven op de UvA over ‘good governance’, dat wil zeggen over het sturingsvermogen van stedelijke regio’s. Kaarten van de governancestructuren van metropolen als Londen en Parijs liet ik de studenten zien. Ze oogden op het scherm in de collegezaal als enorme hersenen, met cellen en kwabben, een welhaast glutineuze massa. Ik voelde me even als een arts, die de studenten wijst op bloedpropjes en afwijkingen. Maar vooral wilde ik de studenten laten zien dat al die overheidslagen, stadsdelen, raden, gemeenschappelijke regelingen, ingewikkelde afstemmings-overleggen, de vele buurtcomités, de plannen en visies – met al die ambtenaren – samen tot een ongelooflijke coördinatie in staat zijn, waardoor een grote stad kan evolueren. Eigenlijk is die hele ingewikkelde governancestructuur van grote steden niet anders dan een groot brein – een buitengewoon efficiënte machine met talrijke parallelle schakelingen, iets dat onze grote bewondering zou moeten opwekken. Om aan te geven hoe belangrijk deze complexe governance voor steden is lardeerde ik het college met de gedenkwaardige uitspraak van Sir Winston Churchill: ‘Plans are worthless, planning is everything’.

In ‘Wij zijn ons brein’ vergelijkt neurobioloog Dick Swaab de hersenen van mensen met het ondergrondse complex van kamers vol met apparatuur in het hartje van Londen van waaruit Winston Churchill dag en nacht met zijn oorlogskabinet en een grote staf vanaf 1940 de oorlog tegen Duitsland leidde. “Stafkamers behangen met kaarten, waar alle informatie op verschillende wijze gecodeerd of ongecodeerd via een heel netwerk van lijnen van over de hele wereld binnenkwam. Er wordt gefocust op de belangrijkste informatie van dat moment, die wordt gecontroleerd, op waarde geschat, verwerkt en opgeslagen. Hiermee zijn de verschillende afdelingen goed gecoördineerd bezig. Er wordt op basis van deze geselecteerde informatie een conceptplan opgesteld, uitgewerkt en getoetst, waarbij alle beschikbare informatie wordt meegewogen. Voortdurend wordt er over het conceptplan overleg gevoerd met talrijke specialisten, intern of zo nodig zelfs extern via een directe lijn met Amerika. Na het wegen van alle opinies en informatie leidt dat dan tot de uitvoering van een definitief plan of tot het afzien van iedere actie.” Governance raakt de kern van de planning. Complexiteit van governance is een grote kwaliteit. Swaab: “Iets complexers dan die fantastische machine lijkt er niet te bestaan.” Wie het mes wil zetten in de governancestructuren van stedelijke regio’s door deze te vereenvoudigen of er door ‘dubbelingen’ uit te verwijderen maakt snel een grote vergissing.

Tagged with:
 

De Nieuwe Wibaut

On 12 juli 2013, in kunst, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 12 juli 2013:

Wat kunnen planologen van kunstcritici leren? Neem Julian Spalding. Deze belangrijke Britse kunstcriticus leverde deze week een opmerkelijk scherp commentaar op de inrichting van het nieuwe Rijksmuseum. Hij vond de gekozen opstelling ‘veilig, ouderwets’, uitgaande van de ‘oude museumkundige scheidslijnen’, niet gericht op het interesseren en inspireren van een nieuw publiek. Spalding schreef zelfs dat hij het ronduit wonderlijk en teleurstellend vond dat de afdeling moderne kunst, die mensen van tegenwoordig het meeste interesseert, was weggestopt in twee zolderkamers en dat die van de middeleeuwen zo pontificaal bij de entree was tentoongesteld. Mensen, aldus de criticus, weten niets van de middeleeuwen. Er was helemaal niet vanuit de bezoekers gedacht. “Musea moeten niet beginnen met wat hun curatoren weten, maar met wat hun publiek weet.” En dus ook: “Als een museum wil beginnen met het verleden, dan moet het beginnen met wat mensen weten van dat verleden.” In zijn voorbeelden liet Spalding telkens zien dat hij de museumbezoekers in hun reacties op de kunstwerken nauwkeurig observeert en daaruit lessen trekt. Over het bezoek aan het museum schrijft hij als was het ‘een verhaal’, ‘een reis’ die mensen moeten maken en waarbij kennis en vermaak hand in hand dienen te gaan. “De trieste waarheid is dat de mensen die het Rijksmuseum leiden helemaal niet aan hun publiek hebben gedacht.”

Van mensen als Spalding kunnen planologen leren dat zij de mensen niet moeten vergeten. De burgers – ook de nieuwkomers en de jongste generaties – moeten voor de toekomst worden geïnteresseerd. Planologen moeten niet beginnen met wat zij zelf zo goed weten, maar met wat hun bewoners weten. Ze zouden niet de schijnwerper moeten richten op de verre horizon, maar moeten beginnen dicht bij huis, in de nabije toekomst, die mensen heel goed begrijpen. Veeleer dan ontwerpen of wettelijke regelingen zouden hun plannen verhalen moeten zijn, of reizen naar de toekomst. En ze zouden mensen moeten observeren, hoe die de stad in al zijn facetten dagelijks gebruiken en daaruit lering trekken. De trieste waarheid is dat de stedenbouwkundigen en planologen dikwijls helemaal niet aan burgers hebben gedacht. Daardoor missen ze kansen om een groot en steeds veranderend publiek uit te dagen tot het leveren van uitzonderlijke prestaties. Prestaties die ‘hun publiek’ heel goed kan leveren en die ook nodig zijn om grote, aantrekkelijke en duurzame steden te bouwen. De les? Ook in het vak van de ruimtelijke ordening is sprake van een ernstig communicatieprobleem. Daarom: De Nieuwe Wibaut.

Tagged with:
 

Fluviologie

On 31 mei 2013, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De ontspannen versus de jachtige metropool’ (2013) van Luuk Boelens:

 

Op 18 april 2013 hield de Rotterdamse planoloog Luuk Boelens zijn intreerede aan de Universiteit Gent, afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning. De kersverse hoogleraar planning pleitte daar voor een ‘horizontale ruimtelijke planning’– door hem ‘fluviologie’ genoemd. Dat is een planning die ‘dwars door verschillende vraagstukken en schaalniveaus heen’ denkt, waarin ruimtelijke complexiteit ‘een koesterbeeld’ is, waarbij de planoloog  ‘actief midden in de complexe netwerksamenleving zelf’ opereert, hij stuurt niet aan maar werkt samen, hij ontbeert aangewezen doelen, is “gefocust op een meer ontspannen alternatief ‘voorbij het plan’ en voorbij ‘de beperkende padafhankelijkheden van de overheid, op weg naar dynamische en uitermate veranderlijke allianties met toonaangevende actoren in het bedrijfsleven, de burgers en de publieke sector,” zijn perspectief vereist ‘meer ontspannen, poststructuralistische, horizontale kennisvelden.’ Het bijbehorende ruimtelijk beeld is ontspannen, uiteengelegd, diffuus, op doorstroming gericht.

Tegenover de horizontale planning stelde Boelens een ‘verticale planning’. Die stuurt andere partijen aan, probeert de complexe werkelijkheid te ‘simplificeren’, streeft orde en zekerheid na en werkt vanuit plannen en vooropgezette doelen, bedrijft ruimtelijke planning ‘als een klok’. De dialectiek van Boelens voert hem tot het ‘ontmaskeren’ van het idee fixe van een ‘door de overheid geplande compacte stadmodel’ dat al die ‘verticale planologen’ nog omarmen. Liefst drie ‘mythes’ prikt hij door: het wereldsteden syndroom, het congestiemonster en de gedachte dat horizontaliteit tot aantasting en onduurzaamheid leidt. Allemaal volgens hem onjuist en het resultaat van elkaar kritiekloos ‘nablaten’. Wat te denken? De strijdvaardigheid van Boelens is bewonderenswaardig. Er is een duidelijke vijand die moet worden verslagen. Er is veel domheid in de wereld die moet worden bestreden. Er is één waarheid, dus waarom ziet men niet het licht? Zijn betoog herinnerde me aan de vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha die ridder wilde zijn in een wereld die niet meer in ridderlijkheid geloofde, het lijkt mij een manier van redeneren die in tegenspraak is met een ontspannen, op samenwerking gerichte, ‘horizontale’ attitude.

Tagged with:
 

Een elegante verklaring

On 24 mei 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Dit verklaart alles’ (2013) van John Brockman (red.):

Wat een aardig boek! In ‘Dit verklaart alles’ zijn 156 bijdragen gebundeld van wetenschappers die een elegant wetenschappelijk inzichten in korte teksten delen. Initiatiefnemer is John Brockman, uitgever en redacteur van Edge.org. Edge is een club van Amerikaanse wetenschappers. Op de website worden speculatieve wetenschappelijke ideeën verkend en gepubliceerd. Jaarlijks verschijnt er een boek. Dit jaar werd wetenschappers gevraagd hun meest elegante, mooie of diepzinnige verklaringen in te zenden. Een selectie ervan is nu in boekvorm verschenen. Zelf heb ik er ook een geschreven (‘Hoe steden groeien’). Ze omvatten filosofie, wiskunde, economie, gedragswetenschap, geschiedenis en taalwetenschap, “met als gemeenschappelijk kenmerk dat men met een simpel en niet voor de hand liggend idee komt als verklaring voor een complexe serie verschijnselen.” De Nederlandse uitgever Maven Publishers bracht een vertaling uit.

Mijn favoriete verklaring in het boek? Ik denk die van PZ Myers, als bioloog verbonden aan University of Minnesota Morris. Zijn elegante verklaring ontleende hij aan John Tyler Bonner. Bonner bracht hem bij D’Arcy Wentworth Thompson, auteur van het klassieke ‘On Growth and Form.’ Daar vond hij zijn favoriete aforisme voor een wetenschappelijke kijk op het heelal: “Alles is zoals het is, omdat het zo geworden is.” Volgens Myers is het een subtiele manier om aan te geven hoe belangrijk voortgang en geschiedenis zijn voor het begrijpen waarom alles is zoals het is. “Je kunt wetenschappelijke concepten eenvoudigweg niet begrijpen op basis van een benadering waarbij je de onderdelen ontleedt in een statische momentopname van hun huidige toestand.” Anders gezegd, om te begrijpen hoe iets werkt, moet je eerst begrijpen hoe het zo geworden is. Dat is, dunkt mij, zeker ook relevant voor planologen. Planologen moeten historici raadplegen. Vandaag ga ik het zelf beproeven in een lezing over de Noord-Zuidlijn: een geschiedenis van liefst vijftig jaar. Nee, een mooi inzicht. Fraai, elegant en diepzinnig.

Tagged with:
 

River Urbanism

On 15 maart 2013, in duurzaamheid, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Anarchist Gardener’ (2012):

De ‘Ruin Academy’ is een platform waar alle kennis samenkomt met betrekking tot de ‘Derde Generatie Steden’ – de ruïnes van de industriële stad. Het staat te lezen in een publicatie die ik meenam van mijn laatste reis naar Taipei, Taiwan. De ‘Anarchist Gardener’ verscheen in het kader van de Hong Kong & Shenzhen Bi-city Biennale of Urbanism and Architecture. Auteur is Marco Casagrande. Het platform, zo begrijp ik, is bewust niet op professionele kennis georiënteerd. De kennis wordt juist van onderop verzameld. “We focus on local knowledge, people and stories.” Gewone burgers van Taipei komen aan het woord. Zij vertellen over hun stad en wat er zou moeten gebeuren. “What comes to the academic control, we will give up in order to let nature step into our ruin.” Hoe dat in zijn werk gaat? “In a simple participatory planning way the sociologists and anthropologists are on the files doing research and getting connected to the site-specific realities. They are then reporting real time to the architects, artists and urban designers who can react on this information through design and art.”

Volgens Casagrande zijn de universiteiten verzwakt door het steeds zwaarder worden van de afzonderlijke disciplines, er is nauwelijks contact tussen de vakgebieden en de faculteiten. Hetzelfde geldt voor de diensten en stadsdelen van de gemeenten en de steden. “This industrial focusing and academic protectionism is against the idea of a university and the idea of the city government as a parliamentary acting body based on discussions.” Buiten de universiteit en de gemeente om heeft hij daarom ‘rondetafels’ georganiseerd waar gewone mensen samenkomen. Zoals de taxichauffeurs, de straatverkopers en de vissers van Taipei, die verdreven werden door de muur die door de Kwo Min Tang werd opgetrokken rond de rivier om de stad te beschermen tegen het water – in zijn ogen een ‘fast-food’ oplossing. Uit hun persoonlijke verhalen ontwikkelde hij een nieuwe vorm van stedenbouw: ‘River Urbanism’, gebaseerd op de kennis en wijsheid van de vissers van Taipei. De verhalen zijn meedogenloos en ontroerend. Een mooi staaltje participatieve planning.

Tagged with:
 

Het verlangen naar verhalen

On 1 maart 2013, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 18 september 2009:

Brian Boyd, de biograaf van Nabokov, schreef een boek over de oorsprong van verhalen. In ‘On the Origin of Stories’ zoekt hij naar de bron van fictie. Een recensie van de hand van Kester Freriks erover las ik in NRC Handelsblad. Niet feiten, maar verzonnen verhalen drijven de mens, is Boyd’s stelling. Verhalen hebben iets te maken met de gretige, sociale interesse van mensen. Wij zijn nieuwsgierig naar de gedragspatronen van anderen; we willen ervan leren. Verhalen dus als overlevingsstrategie. Sterker, verhalen creëren saamhorigheid en geven mensen greep op hun omgeving. Boyd illustreert dit Darwinistische idee aan de hand van het oerverhaal van Odysseus van Homerus. Odysseus, aldus recensent Kester Freriks, is een meesterlijk strateeg en geboren verhalenverteller. “Het is dankzij zijn geloof in fictie, in fantasie, dat hij overleeft.” Immers, met listen en verhalen weet Odysseus alle beproevingen te doorstaan en terug te keren naar Ithaka. Freriks: “De plot van een verhaal leert ons trefzeker te handelen, de juiste keuzes te maken. En daardoor onszelf in een competitieve wereld in stand te houden.”

In ‘De stad als brein’ (2012) – mijn intreerede – heb ik gewezen op de bepalende rol die het narratieve in de nieuwe ruimtelijke planning zou moeten spelen. Echter, de planning die wij kennen is nog vooral op feiten en statistieken gebaseerd, ze is rationeel, juridisch en wordt verbeeld in ingenieursontwerpen met droge, veelal technische toelichtingen. De toekomst die niemand kan voorspellen wordt technisch maakbaar geacht en onder het mom van onvermijdbaar, noodzakelijk of tenminste plausibel met ‘feitelijke prognoses’ onderbouwd. Zouden we plannen vervangen door spannende toekomstverhalen, dan zouden ze vele malen effectiever kunnen zijn. Dat het verhalende in de ruimtelijke planning ontbreekt wijst op het technocratische, gesloten karakter ervan. Een meer democratische open planning houdt in dat plannen over een spannend plot moeten beschikken, dat ze meer fictie dan feitelijkheid uitstralen, dat ze ons beproeven, samenbrengen en leren trefzeker te handelen: dat ze ons, kortom, terugvoeren naar Ithaka.

Tagged with:
 

Derde gouden eeuw

On 31 januari 2013, in boeken, geschiedenis, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Nederland stedenland’ (2012) van Ed Taverne e.a.:

Het laatste essay in de recent verschenen bundel NWO-studies ‘Nederland stedenland’ is van de hand van Ton Kreukels, emeritus-hoogleraar planologie aan de Universiteit Utrecht. Daarin geeft hij een historische analyse van de Nederlandse stad in ‘drie gouden eeuwen’. De eerste van de drie gouden eeuw is bekend, die wordt gedragen door ‘de stad in de Republiek’. De tweede gouden eeuw valt samen met de industriële revolutie. De derde gouden eeuw beleven wij op dit moment. Kreukels laat haar beginnen in 1960, met de opkomst van de verzorgingsstaat. Pas relatief laat overigens zouden de steden hiervan profiteren. Volgens Kreukels had de ‘stadsreparatie’ niet eerder dan begin van de jaren negentig succes en pas in 2010 zijn volgens hem de grote steden weer helemaal terug op het toneel. Vooral Amsterdam oefent sindsdien een grote aantrekkingskracht uit. Maar het heersende regime is nog altijd het verzorgingsregime waarin de overheid domineert en die in zijn dominantie “de betekenis en effectiviteit van de fijnmazige stelsel van georganiseerde belangen” in de weg zit. Langzaam wordt deze onbalans gecorrigeerd. “Dit proces is nog steeds volop aan de gang, zonder dat er in de praktijk en in de politieke doctrines een nieuw evenwicht lijkt gevonden in de verhouding tussen de maatschappij, de profit- en de non-profitsector en de overheid.” Dat is een heel andere zienswijze dan die van de Britse historicus Tony Judt in ‘’Ill Fares the Land’!

Kreukels ziet de derde gouden eeuw nog lang niet ten einde lopen. Wel heeft het Rijk voor hem afgedaan. Die heeft gebrekkige kennis, moet bezuinigen en is veroordeeld tot herstel van de marktwerking. Nee, het gebeurt nu in de steden. “In die zin ligt er in de steden nog een groot potentieel aan handelingsvermogen in de micro- en mesosfeer, waarvan in de komende tijd kan worden geprofiteerd: de derde gouden eeuw.” Wel vindt hij dat de ‘corporate actors’ daar te makkelijk hun multinationale belangen kunnen behartigen, evenals de talloze professionale adviseurs en advocacy planners. De lokale overheid moet juist macht delen met al die andere, kleinere spelers, zeker in Amsterdam. Hij hoopt daarom op een ‘tegenoffensief van schaalverkleining’. In die zin lijkt hij verwant aan David Harvey en toont hij zich een planoloog die groot geworden is in de jaren zeventig. Nee, het is een mooi essay. Eigenlijk te beknopt nog. Werkelijk boeiend.

Tagged with:
 

Springen om boven te komen

On 21 maart 2012, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verhalen uit Gaasperdam’ (2010) van de Dienst Ruimtelijke Ordening:

We spraken over Gaasperdam, Amsterdam Zuidoost. Toeval of niet, in m’n boekenkast dook de bescheiden publicatie op, getiteld ‘Verhalen uit Gaasperdam’, uit 2010. De bundel is geschreven door Femke Haccou, Dick Bruijne, Flora Nycolaas en Amber Maessen, allen medewerker van de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam. De bundel verzamelt ervaringen, opgedaan tijdens zes maanden experimenteel werken in het gebied, van april tot september 2010. Tijdens dit zogenaamde A-lab werd open planning bedreven. "De werkwijze van de A-labs draait om het luisteren naar mensen. We hebben dit gedaan door te schouwen in het gebied, gespreksbijeenkomsten te organiseren en gerichte interviews te houden." Van de uitkomsten werden maquettes gemaakt. Gespreksthema’s dienden zich aan: ouderen en groen; priveruimte en ontmoetingsruimte; veiligheid, gezondheid en jongeren. Een van de ontwerpen heet ‘seniorenparadijs’, een ander ‘verheven dreven’, weer een ander ‘De Grote Levensloop’. "We stelden deze onderwerpen niet van tevoren vast, maar we hebben ons laten leiden door wat we tegenkwamen." De werkwijze was intuitief. In de bundel komen tal van mensen aan het woord, de gekozen vorm is verhalend.

Op het eind van de publicatie blikken de planners terug op de gehanteerde werkwijze. "De manier van werken wijkt af van de gangbare manier. Het is geen project met een vastgelegd traject of einddoel. De resultaten zijn onvoorspelbaar. Het moeilijke aan deze aanpak is dat er een oneindig aantal wegen is die je in kunt slaan. Het is een duik in het diepe. Het is van belang om op het juiste moment te trechteren. Deels gebeurt dit trechteren willekeurig en toevallig. Het is afhankelijk van wat een gesprekspartner inbrengt." Er werden geen presentaties gegeven, er werd niet gezonden, wel werden er vragen gesteld en mensen geholpen om zelf te tekenen. Stel mensen op hun gemak door in hun eigen omgeving te werken, is het devies. "Dit kan een informele sfeer opleveren en het toont je echte interesse in het gebied aan." De maquettes hielpen om het gebied in de vingers te krijgen. "Deze manier van werken dwingt je om de verhalen te plaatsen in een concrete ruimtelijke situatie." De planners zijn achteraf positief. "Het is niet makkelijk, je springt en hoopt op een bepaalde manier weer boven te komen." Is dit wat Hans Boutellier bedoelt met improvisatiemaatschappij?

Tagged with: