Depressief

On 27 maart 2013, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 maart 2013:

In Nederland slikken ruim 900.000 mensen een antidepressivum. Dat is erg veel. In achterstandswijken wordt door mensen zelfs gemiddeld méér geslikt dan elders: 117 (Nederland = 100), lees: 17 procent boven het gemiddelde. Het stond te lezen in NRC Handelsblad van afgelopen week. Het gaat om onderzoek van het CBS waarbij de gegevens van de basisadministraties van achttien steden werden gekoppeld aan die van apothekers. Het verschil, aldus journaliste Frederiek Weeda, verbaast de onderzoekers allerminst. “In achterstandsbuurten wonen meer depressieve mensen.” Hoezo? “Bekend is dat bewoners van achterstandswijken gemiddeld lager opgeleid, ongezonder en armer zijn dan mensen in andere wijken.”  Logisch. Tot zover niets opvallends. Het onderzoek bevestigt eerder wat we al vermoeden: in de grote steden van de Randstad zijn veel mensen arm, laag opgeleid en ongezond. Daar moet je niet wezen.

Opmerkelijk worden de uitkomsten pas als wordt vastgesteld dat er in de steden buiten de Randstad gemiddeld juist méér wordt geslikt dan in bijvoorbeeld Rotterdam of Amsterdam. Sterker, in Amsterdam en Rotterdam wordt zelfs minder geslikt dan het landelijke gemiddelde. Huh? In de Amsterdamse Bijlmermeer ligt het gebruik liefst 31 procent onder het landelijke gemiddelde. Rara, hoe kan dat? Het moet daar in die grote steden toch het allerergste zijn? Krijgen patiënten daar niet te weinig hulp? Weten ze van het bestaan van antidepressiva wel onvoldoende af? Rust er daar onder die allochtonen in de Bijlmer niet nog een taboe op? Kortom, het moet daar in het Westen toch veel erger zijn gesteld met de geestelijke gezondheid dan in Leeuwarden of Maastricht?  Nee, concluderen de onderzoekers, het is juist omgekeerd. In de grote steden van de Randstad is de hulpverlening professioneler dan in de provincie, huisartsen en psychiaters hebben daar betere methoden om depressieve mensen te helpen. In de grote stad ben je als patiënt dus beter af. Verhelderend.

Tagged with:
 

Stedelijke sociale zorg

On 12 maart 2013, in innovatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Samuel Sarphati’ (2013) van Lydia Hagoort:

‘De blauwe dood’ stond voor de cholera. Deze ziekte, waaraan mensen binnen enkele uren kwamen te overlijden, brak in 1817 uit in de Ganges delta en verspreidde zich over Zuidoost Azië en het Midden-Oosten. Een tweede uitbraak volgde in 1826, die dit keer ook Europa bereikte, het eerste Moskou, dat in 1830 werd getroffen. Via Sint Petersburg sloeg de ziekte over naar Polen en Duitsland. Schepen uit die landen mochten vanaf 1831 Nederlandse havens niet meer binnenvaren. Ofschoon men over de oorzaken van de ziekte in het duister tastte, werden in elke stad toch maatregelen getroffen. In Amsterdam had de door de regenten ingestelde plaatselijke choleracommissie hospitalen ingericht, wijkbureaus bemenst, brochures onder artsen verspreid, apothekers geïnstrueerd en een boekhouding opgezet om alle gevallen te registreren. De kinderen van wie de ouders kwamen te overlijden zouden worden opgevangen in het pas opgeleverde Paleis van Justitie aan de Prinsengracht. Januari 1832 was de hele stad op de komst van de ‘blauwe dood’ voorbereid. Het valt allemaal te lezen in de nieuwe biografie van Samuel Sarphati, geschreven door Lydia Hagoort.

Juli 1832 viel in Amsterdam het eerste slachtoffer. Eind oktober leek het ergste voorbij. In maart 1833 werd de balans opgemaakt: 1496 slachtoffers. De meeste doden waren te betreuren in wijk 6A, de Oude Schans in de Jodenbuurt. Waarom schrijf ik dit? Hagoort spreekt van een ongekende saamhorigheid in de stad, waarbij op grote schaal geld en voedsel werden ingezameld voor de stedelijke paupers, de troep in de straten werd opgeruimd en vele rijke Amsterdammers voor het eerst van hun leven in de volkswijken kwamen. Meer mensen gingen zich daardoor verantwoordelijk voelen voor het lot van hun minderbedeelde stadgenoten. De passage maakt duidelijk dat de contrasten tussen rijk en arm in Amsterdam rond 1830 vele malen groter waren dan nu en dat de ruimtelijke segregatie tussen bevolkingsgroepen heel ver ging. Tegelijk valt eruit op te maken dat de sociale en medische zorg in een stad als Amsterdam al vroeg groeide en dat de organisatiegraad, als het moest, buitengewoon hoog was. Twintig jaar later zou John Snow in Londen – de grootste metropool – de oorzaak vinden van de uitbraak van de cholera: een virus dat zich verspreidt via vervuild water. Vervolgens kwamen er stedelijke drinkwaterleidingen en (gescheiden) riolering. Dankzij Jacob van Lennep behoorde Amsterdam tot de eerste steden ter wereld waar deze werden aangelegd. In 1866 zou Nederland worden getroffen door de ergste cholera-epidemie ooit in haar bestaan: van de 23.000 doden viel er slechts een fractie in de hoofdstad te betreuren.

Tagged with:
 

Rumours and idle talk

On 7 juni 2012, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Moskou op 26 mei 2012:

Het was wel wennen voor de Russen. Het middagdeel van de derde ronde van de Moscow Competition bestond uit vier rondetafelgesprekken. Experts, deelnemers en publiek verdeelden zich over vier ruimten die met schotten waren afgezet in de balzaal van het Intercontinental. De gesprekken waren in scene gezet omdat wij minder presentaties en juist meer dialoog wilden. Het werd: de deelnemers konden vragen stellen, de experts gaven antwoord. Ik nam deel aan de rondetafel over sociaal-economische vraagstukken. De ontwerpers verkozen echter, op één na, de andere workshops. Die gingen over ecologie, governance en infrastructuur. Typerend weer hoe het belangrijkste thema in de stadsontwikkeling door ingenieurs over het hoofd wordt gezien. Hoe mensen leven en hun geld verdienen is ook zo lastig weergeven op kaarten, zeker als je liefst tekent op een grote schaal. Rapporteur van Russische zijde, Slava Glazychev, maakte het ogenschijnlijk achteraf ook niet relevanter. Hij sprak van bescheiden vragen van westerlingen over detailkwesties, van het feit dat Russen van mening verschilden over cijfers en statistieken, en verder was het vooral “rumours and idle talk” geweest.

Eerst vroegen we naar de sociale ongelijkheid. De inkomens van de rijkste tien procent bleken veertig keer hoger dan die van de armste tien procent. Verschillen waren in Moskou het grootst. Rijk en arm zijn in de stad echter nog niet ruimtelijk gescheiden, al wonen de superrijken inmiddels buiten de stad en leeft iedereen binnen de stad in afgesloten complexen. Het aandeel industrie is nog maar twintig procent van de totale werkgelegenheid. Vanwege de onveiligheid komen er steeds minder toeristen, al is de trend de laatste jaren weer gekeerd. De hotels zijn echter overwegend vier en vijf sterren, terwijl er juist vraag is naar drie sterren. Men twijfelde over het werkelijke aantal inwoners. Is dit wel 11 miljoen? De laatste volkstelling kwam niet verder dan 8,3 miljoen. Het aandeel ouderen is nu al vierentwintig procent. De oudjes wonen verspreid over de stad. In de binnenstad wonen nog maar 700.000 mensen; dat aantal wordt steeds minder. Er is een tekort aan scholen en voorzieningen, bovendien is de binnenstad te duur. Men schat de tijdelijke bevolking van Moskou op 4 miljoen. Deze migranten leven in de periferie, want die is goedkoper. De aantrekkingskracht van Moskou wordt hierdoor wel ondermijnd. De autoriteiten willen 30 procent van de binnenstedelijke industriële zones behouden voor bedrijvigheid, maar de vraag is of dat wel nodig is. De levensverwachting is in Moskou vijf keer hoger dan elders dankzij de goede gezondheidszorg. Ook het opleidingsniveau is er het allerhoogste. Oudere mensen willen daarom Moskou niet verlaten. Over daklozen bestaan geen cijfers. De lokale belastingen komen voor 45 procent uit de hoofdkantoren van de grote olie- en gasbedrijven, de persoonlijke inkomensbelasting is in Moskou laag. Er zijn geen problemen met de voedselvoorziening, al is de Moskouse regio niet meer, zoals in de Sovjetperiode, de grootste voedselproducent. Op de datsja’s wordt geen groente of fruit verbouwd, want dat herinnert de bewoners aan de Sovjetperiode. Detailkwesties? Rumours? Idle talk? Persoonlijk vond ik de informatie een goudmijn.

Tagged with:
 

Dalende criminaliteit

On 14 maart 2012, in demografie, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 26 januari 2012:

De aanleiding is het schrijven van een artikel over criminaliteit. Daartoe bewaarde ik onder andere een merkwaardig krantenartikel van Dirk Vlasboom over monogamie. Wat de relatie tussen beide is? Een aantal antropologen stelde onlangs vast dat monogamie aan een ware opmars bezig is in de wereld. Tegelijk daalt het mondiale misdaadcijfer. “Doordat monogamie de competitie binnen de seksen onderdrukt en het maatschappelijk riskante reservoir aan ongetrouwde mannen met een lage status beperkt, vermindert het ontsporingen als verkrachting, moord, overvallen, beroving en huishoudelijk geweld.” Monogamie vermindert ook de competitie om jonge bruiden en zorgt voor verkleining van het leeftijdsverschil tussen echtelieden, verlaging van het geboortecijfer en minder ongelijkheid tussen de seksen. Monogamie bevordert bovendien besparingen, meer investering in minder kinderen en economische productiviteit. Nog zo’n opvallend gegeven: “Uit criminologisch onderzoek in de VS en West-Europa blijkt dat een huwelijk de kans dat een man een moord pleegt ongeveer halveert.”  Partnerloze mannen die kansloos zijn op de huwelijksmarkt, zijn het grote gevaar.

De vraag is nu waardoor het komt dat monogamie wereldwijd aan zo’n opmars bezig is. Volgens de antropologen Joseph Henrich en Robert Boyd en de ecoloog Richerton groeide polygamie zo’n 10.000 jaar geleden, in de tijd dat de landbouw ontstond. Menselijke gemeenschappen werden toen groter en daarmee nam de ongelijkheid in welstand en status toe; sommige heersers beschikten over harems. Monogamie werd pas weer praktijk toen regio’s gingen verstedelijken, het eerste gebeurde dit in de Griekse polis, later in de rest van Europa. In Japan werd polygamie pas in 1880 verboden, in China in 1953, in India in 1955 en in Nepal in 1963. Hoe meer de wereld verstedelijkt, hoe monogamer zij wordt. Het gevolg van die ontwikkeling is dat de criminaliteit nog verder zal dalen. Verstedelijking is dus goed in vele opzichten. Wie had het laatst over een dreigend vrouwenoverschot in grote steden?

Tagged with:
 

Adapt!

On 13 maart 2012, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Een van de workshops afgelopen vrijdagmorgen tijdens het Integrating Cities congres in Amsterdam ging over ‘urban planning: a solution for integrating policies?’ Deelnemers kwamen uit Toulouse, Nantes, Espoo, Valencia, Rhoon, Amsterdam en Den Haag, iets meer vrouwen dan mannen, iets meer blank dan gekleurd. Als onderwerp had ik de Bijlmer gekozen, of liever: Bijlmer part III. Welke volgende transformatie komt er op de Bijlmer af en hoe gaan we dat aanpakken? Maar voordat we op die vragen konden ingaan stonden we stil bij het oorspronkelijke ontwerp, de goede bedoelingen van de ontwerpers, de overdaad aan sociale woningen, de komst van de Surinaamse bevolking, de vliegtuigramp in 1992, de grootschalige herstructurering, wooncarrieres, de verkoop van woningen, sociale stijging, de lage vastgoedwaarde, het relatieve isolement en de kantorenbouw aan de andere kant van het spoor plus de recente leegstand. Voor de volgende transformatie van de Bijlmer, concludeerden we, was een inspirerend langetermijnperspectief nodig, maar in een stedenbouwkundige excercitie had geen van de aanwezigen veel vertrouwen.

Het dilemma van ruimtelijke planning, vond men, is dat hij oplossingen verzint die zelden in de praktijk goed uitwerken. Niemand kan voorspellen hoe mensen in de toekomst zullen leven of hoe de stad over veertig, vijftig jaar zal worden gebruikt. De opmerkingen deden me denken aan het fundamentele dilemma dat Richard Sennett in zijn nieuwste boek schetst aan de hand van een voorbeeld. In ‘Together’ vertelt hij over de werkplaats van zijn cellobouwer in Londen. Die moest verhuizen. Een jonge architect maakte een mooi, tot in detail doordacht ontwerp. Op de openingsdag zag alles er nog netjes en opgeruimd uit, maar acht maanden later lag niets meer op zijn plaats. “These changes have happened in bits and pieces, from month to month, as people adapted the clear architectural design to their more complicated bodily gestures at work.” Wat voor een werkplaats geldt, geldt ook voor een buurt of stadsdeel. Zo’n buurt moet bovenal flexibel zijn en prettig informeel en zich gemakkelijk aanpassen aan het dagelijks gebruik, hij moet zich voegen naar de bewegingen van mensen. Nee, nog beter, laat mensen zelf hun leefomgeving meebepalen en probeer niet, hoe goedbedoeld ook, alles vast te leggen in een vooraf doordacht, tot in detail geregeld ontwerp.

Tagged with:
 

Maakbaar

On 12 maart 2012, in sociaal, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op 9 maart 2012:

 

Ze gaf het onmiddellijk toe: “I’m an academic,” haar inzichten waren nu eenmaal niet direct op ervaringen in de praktijk gestoeld. Afgelopen vrijdag sprak de Amerikaanse sociologe Saskia Sassen in Felix Meritis tijdens het ‘Integrating Cities’ congres, gewijd aan het integratievraagstuk in de Europese steden. De titel van haar lezing luidde: ‘Beneath the hatred and racisms, there is structural convergence’. Hoewel in aanleg negatief geformuleerd, was haar boodschap inderdaad hoopgevend. Er werd, vond ze, enorme vooruitgang geboekt in het zoeken naar toenadering tussen migranten en autochtone gemeenschappen in steden waar ook ter wereld. Dat was een veel positievere boodschap dan die waarmee de Tilburgse hoogleraar Paul Scheffer de zaal en de Nederlandse pers een dag eerder had bestookt. Uit zijn vergelijkende studie van de positie van migrantengemeenschappen in Amsterdam en Rotterdam had juist weer die verontrusting gesproken en opnieuw een waarschuwing aan het adres van Nederlandse politici. De academicus Sassen trok zich er niets van aan.

Ten eerste merkte de hoogleraar van Columbia University in New York op, dat de afstand tussen steden en staten sterk groeiende is. Steden blijken veel beter in staat het integratievraagstuk op te lossen, staten allerminst. “Citizenship is made.” Steden blijken over talrijke tactieken (niet methodes) te beschikken om met verschillen om te gaan. Verrassend waren haar opmerkingen over die andere ‘cross-border space’, al die veiligheidsregimes, bedoeld om burgers in steden te beschermen. Ze beschermen niet alleen de ‘citizens’, maar gelukkig ook de migranten. Zelfs de contraterrorisme-regimes in steden helpen mee om integratie mogelijk te maken. Voor ongelijkheid geldt hetzelfde: ook die wordt gemaakt. Aan de hand van een langjarige statistiek liet Sassen zien dat in de twintigste eeuw de klassetegenstellingen tot aan de Tweede Wereldoorlog nog erg groot waren en dat ze na 1987 weer terug zijn op dat oude ongelijke niveau. De periode tussen 1942 en 1987 is die van nivellering, van de opkomst van de middenklasse, maar lijkt achteraf, historisch gezien, uitzonderlijk. Kijkt men naar de inkomensverschillen in de afgelopen hoogconjunctuur, dan is die periode juist weer uitzonderlijk. De hoogste inkomensgroepen groeien in die periode skyhigh, terwijl voor grote groepen in de samenleving geen spoor van vooruitgang te bespeuren valt. Nog zo’n cijfer: tussen 1006 en 2010 werden in de USA liefst 14,2 miljoen mensen hun woning uitgezet. Sassen eindigde met een foto van een Chinees kunstwerk waarop alle glanzende torens van Shanghai op een vuilnisbelt waren gegooid. Beneath the hatred…

Tagged with:
 

Integrating Cities

On 8 maart 2012, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Vandaag begint de vierde en laatste conferentie van Eurocities over ‘Integrating Cities’. Twee dagen lang buigen beleidsmakers uit een groot aantal Europese steden zich in Amsterdam over het grootstedelijke integratievraagstuk. Zelf organiseer ik een workshop op de vrijdagmorgen. Die zal gaan over wat stedelijke planning kan betekenen. Met ‘Together’ van Richard Sennett onder de arm zal ik de koepelzaal van Felix Meritis betreden. Veel goeds heb ik overigens niet te melden, want stedelijke planning maakt vooral kapot. Maar uitgebreid aan het woord komen zal ik ook niet; het is immers een workshop, we gaan gewoon aan het werk. Misschien lees ik alleen voor uit ‘Together’. Bijvoorbeeld over het Hull House in Chicago, opgericht door Jane Addams en door de jonge Sennett regelmatig bezocht toen hij nog in de sociale woningbouw van Cabrini Green woonde. Voor de arme migranten die naar Chicago kwamen was Hull House een effectieve manier om te integreren. “In her own thinking, Addams recast the social question as what we now call multi-culturalism. To her, multi-culturalism posed a problem; the word in itself does not suggest how to live together.” Hull House bood iets anders. Het wilde oplossingen aanreiken voor mensen die vreemden waren voor elkaar en die wilden samenleven in een voor hen onbekende stad.

Hull House was een gemeenschapscentrum, in 1889 gesticht, in het midden van een dichtbebouwde sloppenwijk van West-Chicago. Je kon er cursussen volgen – of niet. Taalcursussen bijvoorbeeld. Maar ook lessen in opvoeden, winkelen, boekhouden enzovoort. “Ordinary experience, not policy formulas, is what counts, she thought, in social relations.” In plaats van de mensen solidair en strijdvaardig te maken, prefereerde Addams een soort losse anarchie. “Hull House emphasized loose rather than rigid exchanges, and made a virtue of informality.” Addams wist dat eerst de sociale weefsels moesten worden hersteld. Dit kon alleen door alledaagse ervaringen met elkaar te delen. De aanpak van Addams, aldus Sennett, vertrekt vanuit de gedachte dat eerst de basis op orde moet zijn, maar hij loopt het risico dat hij blijft steken in een prettig soort saamhorigheidsgevoel. Het gevoel moet ook ergens toe leiden. Waarop Sennett de figuur van Robert Owen opvoert. Owen introduceerde de workshop als een praktische en idealistische vorm van samenwerken: de coöperatieve vereniging. “The workshops celebrated by Robert Owen seemed the key to unlocking mutuality,” al geloofden tijdgenoten niet dat die coöperatievorm houdbaar was. De workshop, die gaan wij vrijdagmorgen beproeven.

Tagged with: