Een wereld te winnen

On 20 juni 2017, in benchmarks, by Zef Hemel

Gehoord bij Mori Memorial Foundation in Tokio op 23 mei 2017:

Afbeeldingsresultaat voor global power city index mori

Professor Hiroo Ishikawa ontving ons op de veertigste verdieping van het imposante Roppongi Hills. Op de vloer was een reusachtige maquette van het centrum van Tokio nagebouwd. Het gebied reikte van de baai tot aan Shinjuku. Ernaast lag, op dezelfde schaal, het schiereiland Manhattan. In één oogopslag werd duidelijk dat het centrum van New York slechts een fractie vormt van het veelkernige centrum van de Japanse megastad. We spraken over de ‘Global Power City Index 2016’ van de Mori Memorial Foundation. Het Institute for Urban Strategies van deze stichting – spin-off van een van de rijkste ontwikkelaars van Japan – doet al jaren onderzoek naar Global Cities. Men bestudeert 42 steden en doet dat op grondige wijze. Elke stad scoort op 70 indicatoren.In de index van afgelopen jaar staat Johannesburg op de laatste plaats. New York staat op plaats 2, na Londen en vóór Tokio. Tokio is Parijs voorbijgestreefd, die nu op plek vier is beland. Amsterdam staat op plaats 8, net boven Berlijn, maar onder Hong Kong. Die relatief hoge plek op de lijst van wereldsteden heeft de Nederlandse hoofdstad vooral te danken aan de luchthaven. Zonder Schiphol was Amsterdam of Nederland überhaupt niet op de ranglijst geweest.

Naast internationale bereikbaarheid (netwerk, vluchten, landingsbanen, punctualiteit) scoort Amsterdam relatief hoog op culturele aantrekkelijkheid. De uitstekende culturele voorzieningen en de schitterende binnenstad dragen hier uiteraard aan bij. Ook qua stadions, hotels en in mindere mate winkels doet de stad het niet slecht. Maar op alle andere vlakken doet Amsterdam het eigenlijk beduidend minder dan veel andere wereldsteden: onderwijs en onderzoek, economie, leefbaarheid, en zelfs duurzaamheid. Een megastad als Tokio biedt op al deze terreinen beduidend meer, ja zelfs als het om leefbaarheid en duurzaamheid gaat. Stedelijke omvang zegt dus weinig. En juist de Japanse steden (Osaka, Fukuoka, Tokio) scoren hoog op leefbaarheid. De auto heeft er geen ruimte gekregen. In het oog springend vond ik ook het belang van de culinaire infrastructuur in de benchmark van de Mori Memorial Foundation. Lekker eten in uitstekende restaurants, het maakt veel uit en blijkt buitengewoon belangrijk voor de score van een wereldstad. Die culinaire reputatie heeft weer invloed op economie, onderwijs en onderzoek, cultuur en leefbaarheid. En op culinair gebied scoort Amsterdam matig (plaats 28). Een eetcultuur is hier nauwelijks ontwikkeld. In Tokio is dat heel anders. Uitgerekend daarop valt nog een wereld te winnen.

Tagged with:
 

Groen Tokio

On 16 juni 2017, in duurzaamheid, hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in: ‘Low City, High City’ (1983) van Edward Seidensticker:

 

Van het totale oppervlak van Tokio – met meer dan 35 miljoen inwoners de grootste stad op aarde – heeft officieel slechts 5 procent de bestemming groen. In Amsterdam is dat meer dan 30 procent, Helsinki zelfs 40 procent. Toch staat Tokio van oudsher bekend als een groene stad, ook onder de Japanse steden. Hoe kan dat? Edward Seidensticker schreef in zijn standaardwerk over Tokio dat nog in 1903 Tokio in reisgidsen werd beschreven als een rustige, semi-rurale en een overwegend groene stad. Niet dat de straten opzettelijk waren beplant of dat er veel parken te vinden waren. Wel viel het bezoekers op hoeveel wilgen langs de waterlopen stonden en hoe rond tempels en schrijnen als kleine oases van verstild groen verkoeling boden. Nee, lange tijd vonden de bestuurders de aanleg van parken ook niet nodig; dat was een westerse inventie die niet paste bij een Japanse stad als Tokio. Vrijwel alle bomen en planten van Tokio stonden en staan in potten of achter muren, direct langs de huizen, afgewend van het drukke straatgewoel. En auto’s mogen in Tokio niet op straat worden geparkeerd, waardoor alle beetjes groen maximaal zichtbaar zijn. Pas in Ginza werden opzettelijk bomen in de straatprofielen geplant. En Ueno werd alleen dankzij een Hollandse arts gevrijwaard van bebouwing. Daar en in Asakusa komen in het voorjaar de Japanners massaal de kersenbloesem bewonderen. Ueno Park is eigenlijk nog het meest klassieke park dat in heel Tokio te vinden is.

Tot zover Seidensticker. In Tokio hoorde ik dat de metropolitane overheid een nieuwe eis heeft gesteld aan alle nieuwe bebouwing. Hoogbouw moeten voortaan van een groen dak worden voorzien. Dit om opwarming en hitte-eilanden te voorkomen. Nu Tokio zo snel verdicht en hoogbouw in het centrum massaal zijn intrede doet, worden bovendien bonussen gegeven aan ontwikkelaars die delen van hun bouwgrond vrijwaren van beton en die in de plaats daarvan kleine groene parkjes in buurten aanleggen. We hebben er een aantal bezocht. Op veel plaatsen in het enorme centrumgebied ziet men nu goed verzorgde parkjes in de buurt van hoogbouw verschijnen. In Roppongi Hills zijn alle daken met groen bekleed. Je zou ook het water in de lage stad terugwensen. Tijdens ons seminar eind mei op Keio University was het Jinnai Hidenobu van Hosei University die zich hiervoor sterk maakte. Water kan de temperatuur van het oververhitte Tokio in de zomer doen dalen. Het was een mooie en sterke bijdrage. Kom echter niet aanzetten met verhalen over een grijs en grauw Tokio met veel te weinig groen. Ook met slechts vijf procent groen kan men een heel aantrekkelijke stad bouwen.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘Fiber City Tokyo 2050’ van Hidetoshi Ohno:

Gerelateerde afbeelding

Komende donderdag is er een besloten bijeenkomst over bevolkingskrimp in het Paleis op de Dam in Amsterdam. Interessant. Ik zal er ook zijn. Eerder al schreef ik over de krimpende randen van Tokio. De Japanse bevolking als totaal krimpt al een hele tijd. Nu bereikt de Japanse bevolkingskrimp ook de randen van hoofdstad Tokio. De bevolking in het centrum verjongt, die in de buitenwijken wordt snel ouder.Vanaf 2020 zal zelfs de allergrootste megastad op aarde licht gaan krimpen. De Japanse architect Hidetoshi Ohno heeft daarom vanuit Tokyo University een strategie ontwikkeld om met die bevolkingskrimp in de randen van Tokio duurzaam om te gaan. In ‘Fiber City’ noemt hij vier strategieën die vezels en netwerken als uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen nemen: straten en netwerken van openbaar vervoer. In plaats van de aandacht te richten op vlakken en volumes, zouden de planners zich meer moeten richten op de leven brengende vezels van de stad en daar het toekomstige leven omheen organiseren. Ouderen zijn sterk afhankelijk van openbaar vervoer en hebben baat bij de nabijheid van stations, water, winkels en vitaal straatleven. Huizen dicht bij stations en winkels kunnen daarom blijven, maar de rest moet worden afgebroken en door groen vervangen. Fiber City accepteert krimp als toekomstbeeld, rekent af met het modernisme en richt de stedelijke ontwikkeling op een steeds ouder wordende bevolking.

Een van de strategieën is om het centrale wegenstelsel binnen de ‘loop’ te vergroenen en geschikt te maken voor wandelen en fietsen in plaats van autoverkeer. Bij ernstige calamiteiten kan dit groene wegenstelsel dienen voor hulpdiensten die bij rampen snel in het centrum moeten acteren. Een tweede strategie richt zich op lelijke en vergeten vezels en wil deze opknappen, schoonpoetsen, tot nieuw leven wekken. Een derde strategie – Groene Vingers – probeert de uitgestrekte suburbane gebieden te reorganiseren door sterke ruimtelijke concentratie rond spoorwegstations na te streven, terwijl woningen op afstand daarvan worden afgebroken en vervangen door vegetatie: het plan streeft hier een stelselmatige vergroening van de randen van Tokio na door middel van nieuwe parken, landbouwgrond en campusontwikkeling. Door hier zes procent van de grond aan het bebouwde oppervlak te onttrekken zal de grondprijs in de rest van de metropool stijgen. Met die opbrengsten kan volgens de planners de vergroening elders worden gefinancierd. Je kunt ervan zeggen wat je wilt, maar zo’n nationale krimpstrategie zouden wij voor heel Nederland – qua oppervlak slechts driemaal Tokio – ook eens moeten ontwikkelen.

Tagged with:
 

Rondje Randstad XXL

On 13 juni 2017, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in De Telegraaf van 7 juni 2017:

 

Hyperloop One heet het bedrijf. Het wil 6275 kilometer hyperloop aanleggen door heel Europa, te beginnen met Nederland. In Flevoland moet een testbaan voor het ultrasnelle vervoermiddel komen. Demissionair minister van Infrastructuur Mw. Melanie Schultz van Haegen wil al binnen een maand hierover een beslissing nemen. Dat klinkt kordaat, nee visionair. Het onderwerp is ook sexy. Maar lag er niet een testbaan van de magneetzweefbaan bij Lathen net over de grens in Duitsland die eind jaren negentig door Nederlandse politici ook al uitgebreid werd getest? De firma Siemens zou de hele Randstad ermee ontsluiten. Iedereen sprak al over het ‘Rondje Randstad’. Het kwam er niet. Op 22 september 2006 vielen 23 doden waarna de testbaan ijlings werd gesloten. Nooit meer iets van de Maglev gehoord. Ondertussen bouwen de Japanners een snelle Maglev-verbinding tussen Tokio en Nagoya die in 2027 gereed moet zijn. Het tracé loopt dwars door de bergen en voert door eindeloze tunnels. Maximale snelheid: 505 kilometer per uur. De reistijd tussen de twee steden zal worden teruggebracht naar 40 minuten. Kosten: 50 miljard euro.

Gaat Nederland de Japanners overtreffen? En welke steden zou zo’n hyperloop dan moeten verbinden? In een persbericht las ik over Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Den Bosch, Arnhem en Lelystad als kandidaat-steden. Ergens trof ik ook een kaartje. Een ‘Rondje Randstad’ XXL dus. Maar: hoezo Arnhem? hoezo Lelystad? Veel verkeer tussen deze stadjes is er niet. Arnhem heeft net een duur HSL-station gekregen zonder HSL. Tussen Amsterdam en Rotterdam hebben we al een kostbare hogesnelheidsverbinding. Gaan we die dan beconcurreren? Of gaat Den Haag een hyperloop beloven aan Brabant en moet er een lus via provinciehoofdstad Den Bosch worden getrokken? Dat wordt dan een duur Haags cadeau. Nee, op termijn, las ik, denkt de minister aan een hyperloopverbinding tussen Lelystad en Schiphol. Hiermee zou ‘één luchthaven, verdeeld over twee steden’ worden bereikt. Hyperloop in politiek Den Haag heeft dus niets te maken met de ontwikkeling van Nederlandse steden, maar alles met overstappen op Schiphol. Het is gewoon weer het oude mainportdenken. Ondertussen heeft de Shinkansen tussen Tokio en Nagoya zijn maximale capaciteit bereikt. Die Maglev is daar dringend nodig. Maar ja, Tokio en Nagoya zijn echte metropolen. Moeten wij niet eens echte steden gaan bouwen, met goed openbaar vervoer?

Tagged with:
 

Hoe ongelijk is Tokio? deel II

On 12 juni 2017, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Why inequality is different in Japan’ (2015) van Yuriko Koike:

Income of Japan's Prefectures

Inkomensniveau per provincie in Japan (bron: GeoCurrents 2011)

Wat wilde ik eigenlijk bewijzen met mijn blog over de geringe ongelijkheid van Tokio? Dat was de pertinente vraag die mij via Twitter bereikte. En waarom ik Saskia Sassen daarbij als bron gebruikte. Die bron was immers al vijfentwintig jaar oud. Dat ik de autoriteit van Sassen op dit gebied hoog aansla was kennelijk niet voldoende. Mijn antwoord is eenvoudig. Ik wilde laten zien dat de megastad Tokio minder ongelijk is dan Londen of New York of zelfs ‘de metropool Nederland’. Omvang zegt niets over polarisatie. Zeker, Tokio telt met 461.000 miljonairs de meeste rijken van alle steden op aarde (zie kaart), maar qua miljardairs spannen New York en Londen de kroon. Belangrijker is het ontbreken van criminaliteit en de afwezigheid van achterbuurten of getto’s in Tokio en het straatbeeld dat gedomineerd wordt door een welvarende middenklasse. Tokio oogt verrassend egalitair, welvarend en eerlijk, veel eerlijker en fatsoenlijker dan Nederland. Ik wilde dus weten of mijn indruk klopte. Het eerste boek dat me te binnen schoot was ‘The Global City’ (1991) van Saskia Sassen. Sassen, schreef ik, was gespitst op sociale polarisatie toen zij haar grondige studie naar het fenomeen van de postindustriële wereldstad verrichtte. Maar in Tokio vond ze weinig aanwijzingen. Gelukkig ontdekte ze het probleem van de uitgebuite dagloners. En Japanse vrouwen verdienen minder dan mannen. (En op het Japanse platteland is meer armoede).

Een recente studie is die van Yuriko Koike, lid van het Japanse parlement, geschreven voor het World Economic Forum in 2015. In ‘Why inequality is different in Japan’ legt Koike uit waarom de Japanse samenleving veel minder ongelijk is dan alle andere ontwikkelde landen. Japan kent een zeer hoge inkomstenbelasting voor de rijken (45%) en de belasting op het schenken van erfenissen en vermogens is nog hoger (55%). Dit maakt het moeilijk voor Japanners om vermogen op te bouwen. Binnen drie generaties verliest een Japanse familie weer zijn opgebouwde bezit.  Extreme rijkdom bestaat niet in Japan. Vandaar dat een groeiend aantal rijke Japanners zijn heil zoekt in Singapore of Australië. Trouwens, het tentoonspreiden van rijkdom door bezit en leefstijl past niet in de Japanse cultuur. Zelfs de rijksten leiden een bestaan dat eenvoudig is en voor de buitenwereld niet opvalt. Geen dure jachten, luxueuze villa’s, eigen vliegtuigen, ook miljonairs reizen gewoon met het openbaar vervoer en lunchen met collega’s in een eethuisje om de hoek. Echter, ‘Abenomics’ ligt wel degelijk onder vuur omdat het financieel-economische beleid van premier Abe de grote industriële conglomeraten bevoordeelt door lagere winstbelastingen. Vandaar dat Piketty’s ‘Capital in the Twenty-First Century’ grif over de toonbank gaat in Japanse boekhandels. Tokio is meer egalitair dan Nederland en ook in dat opzicht een voorbeeld voor onze vaderlandse Metropool.

Tagged with:
 

Hoe ongelijk is Tokio?

On 10 juni 2017, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Global City’ (1991) van Saskia Sassen:

Afbeeldingsresultaat voor sanya tokyo slum

Hoe ongelijk is Tokio? Die vraag stelde ik mij na afloop van m’n laatste reis naar Japan. De stad oogt zo welvarend. Ik sloeg Saskia Sassen’s ‘The Global City’ er eens op na. Het boek is weliswaar al 25 jaar oud, maar de gespitstheid op polarisatievraagstukken in steden maakt Sassen tot een bijna tijdloze bron van studie. Postindustriële steden als de drie genoemde, schreef ze, blinken uit in maatschappelijke ongelijkheid, in extreme tegenstellingen tussen rijk en arm. Sassen was een van de eersten die vaststelden dat de middenklasse op zijn retour is en dat dit uitgerekend in wereldsteden scherp te zien is. Hoe zat dat eigenlijk in Tokio? In ‘The Social Order of the Global City’ maakt ze onderscheid tussen werkgelegenheid en inkomen enerzijds en klasse en ruimtelijke polarisatie anderzijds.  In Tokio, schreef ze, verdienden professionals beduidend beter dan elders in Japan, de hoogste salarissen werden betaald in de financiële sector. De verschillen tussen mannen en vrouwen bleken ook groot. Part-time werk – ongewoon in Japan – was bovendien sterk in opmars: in 1983 hadden al 58% van alle in Tokio gevestigde bedrijven deeltijdbanen. Tot zover werk en inkomen.

Wat ruimtelijke polarisatie betreft merkte Sassen op dat de politiek in Tokio altijd sterk gericht is geweest op het in goede banen leiden van het drukke forensenverkeer. Sinds de jaren ‘80 echter raakt de aandacht hier verschoven naar gentrificatieprocessen in centrale delen van de stad. Echter, in Tokio deed dit verschijnsel zich veel minder extreem voor dan in Londen of New York. Ze wijt dat aan de Japanse cultuur, die bescheidenheid in leefstijl voorschrijft en ook aan de overmaat aan eenvoudige woningen. Trouwens, het aandeel huizenbezit neemt af in de totale voorraad en het gemiddelde vloeroppervlak van een Tokiose woning wordt al jaren kleiner. Waarop ze besluit: “The familiar outcomes are increasingly evident in Tokyo as well: the emergence of fashionable residential and commercial districts along with growing poverty, including homelessness, particularly among older residents displaced by gentrification.” Het zijn buurten als Taito, Toshima, Sanya en Kita, net buiten het centrum, die bevolking verliezen en waar de armoede zich concentreert. Dagloners in de bouw waren volgens haar het slechtste af. Die werden door de Japanse maffia (yakusa) regelrecht uitgebuit. Lees haar persoonlijke verslag op bladzijde 298 er maar op na. En toen vond ik Edward Fowler, ‘San’ya Blues’ (1998). “Located near a former outcaste neighborhood, on what was once a public execution ground, San’ya shows a hidden face of Japan and contradicts the common assumption of economic and social homogeneity.” Lezen!

Tagged with:
 

Hoe de randen van Tokio krimpen

On 8 juni 2017, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ (2010) van Junichiro Okata en Akito Murayama:

Afbeeldingsresultaat voor declining population tokyo

bron: The Asahi Shimbun, January 9, 2012

Afgelopen maand werkbezoek gebracht aan Tokio. Ditmaal om deel te nemen aan een seminar, georganiseerd door Darko Radovic, hoogleraar Architectuur en Stedenbouwkundig Ontwerpen aan Keio University. Radovic had een boeiend programma samengesteld rond twee bijzondere wereldsteden: Amsterdam+Tokio. Beide – hoewel heel verschillend van formaat en karakter – ondervinden de druk van de globalisering en proberen daar lokale antwoorden op te vinden. Sprekers gingen in op die strategische en tactische responsen. Voor Tokio waren dat onder andere Kengo Kuma, Hiroto Kobayashi, Darko Radovic en Jinnai Hidenobu, voor Amsterdam spraken Pieter Klomp, Paul Chorus, Mirjana Milanovic en ikzelf. Voor het gemak vatte ik in mijn lezing Amsterdam op als de Metropool Nederland, waardoor ik een zeer uiteengelegd stedelijk veld van 17 miljoen inwoners kon vergelijken met een compacte, duurzame megastad van 37 miljoen.

Meest opmerkelijke trend in de Aziatische megastad is dat Centraal Tokio sinds 1996 sterk in inwonertal groeit. Dat is decennialang anders geweest. Toen vluchtten gezinnen de stad uit, net als bij ons, naar buiten. Nu is de trend precies omgekeerd. Ditmaal gaat het vooral om eenpersoonshuishoudens die het grootstedelijke centrum opzoeken. Meer dan de helft van de nieuwe woningen betreft hier studio’s en appartementen in nieuwe, dikwijls zeer grote gebouwencomplexen. Het immer rusteloze Tokio verandert opnieuw snel van karakter: overal ziet men ineens torens en schijven verrijzen, terwijl het ‘oude’ Tokio nog werd gekenmerkt door VINEX-achtige structuren van overwegend laagbouw in uitgestrekte buitenwijken. Veel appartementen in het centrum tellen overigens niet meer dan één kamer, mensen schikken hier in, het gemiddelde vloeroppervlak van woningen in Tokio daalt zienderogen. Deze sterke verdichting roept allerlei nieuwe problemen op. Extra capaciteit van het openbaar vervoer is nodig, maar ook mooiere parken en betere fietsvoorzieningen. Ondertussen verdunnen de randen. Daar is de auto aan de winnende hand, die met een nieuwe rondweg door de Japanse staat op haar wenken wordt bediend. In 2020 is de National Capital Region Central Loop Road gereed. In Nederland gebeurt precies hetzelfde: Amsterdam en omgeving groeien en verdichten, terwijl de rest van Nederland verdunt en krimpt. Tokio juicht deze ontwikkeling toe. Bij een ouder wordende bevolking, stelt de stad, past een compacter stedelijk patroon, kleinere woningen, goed openbaar vervoer en uitstekende voorzieningen. Laat de periferie maar krimpen.

Tagged with:
 

Geen planning

On 1 februari 2017, in duurzaamheid, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ (2010) van Junichiro Okata en Akito Murayama:

 

Tot 1950 bestonden de uitbreidingen van Tokio, Japan, overwegend uit eengezinswoningen gebouwd in een zeer lage dichtheid, hoofdzakelijk bedoeld voor migranten van het platteland – aankomende middenklasse gezinnen. De woningen hadden vaak geen toilet, bezaten alleen een pomp voor grondwaterwinning. Deze eenvoudige behuizing strekte zich eindeloos uit langs diverse spoorlijnen die zich vanaf 1920 vanuit het stadscentrum ontwikkelden. Het heersende planningsysteem was op dat moment Duits, maar de wil om te handhaven was zwak. De razendsnelle suburbanisatie werd nog aangewakkerd door de grote aardbeving van 1923. Wat ik niet wist, is dat er in de twintigste eeuw ook in Japan plannen waren gesmeed om de groei van de hoofdstad met een groengordel te beteugelen. Het Tokyo Regional Greenbelt Plan dateert van eind jaren ‘30 en werd door aankoop van grond door de gemeente geëffectueerd. Na de Tweede Wereldoorlog verpachtte deze de grond bovendien aan boeren voor rijstteelt. Het plan werd in 1958 naar het voorbeeld van Londen nog aangevuld met voorstellen voor de bouw van nieuwe steden, maar die betroffen visies zonder middelen. Er kwam dus niets van terecht. Tokio groeide gewoon door.

In ‘’Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ speculeren Junichiro Okata en Akito Murayama over wat er zou zijn gebeurd als de Japanse planningsmachine in de twintigste eeuw professioneler was geweest. Hun opzienbarende idee is dat de huidige problemen in Tokio dan veel groter zouden zijn en ook dat Tokio dan niet zou zijn uitgegroeid tot de grootste megastad ter wereld. Waarom? Omdat de vele migranten die in de twintigste eeuw naar Tokio kwamen in dat geval zeker in illegale en informele nederzettingen zouden zijn beland, met minder dan minimale voorzieningen. Juist door de zwakke ruimtelijke planning kon Tokio organisch blijven groeien zonder dat de overheid limieten stelde en voorzagen de spoorwegmaatschappijen niet alleen in een goede ontsluiting en infrastructuur, maar ook in de benodigde basisvoorzieningen rond hun nieuwe stations. Al vanaf 1927 begint men met de aanleg van metro in de stad. Hierdoor is het autogebruik in Tokio slechts 9 procent (1998). Liefst 73 procent van de forensen maakt gebruik van het openbaar vervoer. Dankzij het ontbreken van goede ruimtelijke planning.

Tagged with:
 

Ark van Noach

On 30 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Shogun’s City at the Twenty-First Century’ (1998) door Roman Cybriwsky:

 

Ook Tokio gaat de hoogte in. De grootste stad op aarde (35 miljoen inwoners) ligt in een delta en is in de twintigste eeuw langs spoorlijnen extreem naar buiten uitgedijd, met overwegend lage bebouwing die inmiddels reikt tot aan de voet van de bergen. Op dit moment kruipt echter alles en iedereen weer naar binnen, naar het centrum toe. Inwoners accepteren de lange reistijden niet langer, ze willen dichter bij hun werk wonen. Dan maar minder vierkante meters en flink gestapeld. In Tokio bezochten we Roppongi Hills, een nieuwe typologie van hoogbouw, ontwikkeld door de Mori Building Company in de buurt van de uitgaanswijk Roppongi. Voor Tokio is hoogbouw een relatief nieuw fenomeen. Minoru Mori, de oprichter van Mori, was een van de eersten die torens in de Japanse hoofdstad bouwde: Mori Biru 1  stamt al uit 1955. De zoon van een rijsthandelaar die op hogere leeftijd een zeer succesvol ontwikkelaar werd, heeft inmiddels 80 Mori Biru’s op zijn naam staan, alle in de buurt van Toranomon, de CBD van Tokio. Zijn nieuwste creatie is Roppongi Hills, een enorme toren met een gemengd programma van wonen en werken dat gereedkwam in 2003 in een armere buurt van houten huizen rond een aantal Amerikaanse kazernes. Het masterplan is van de hand van het Amerikaanse Kohn Pedersen Fox Associates.

We gingen kijken en schoten met een lift naar de veertigste verdieping na eerst het dure winkelcentrum aan de voet van de kolos te hebben doorkruist. Kosten noch moeite zijn hier gespaard. Het Mori museum met de privé kunstcollectie van Minuro Mori sloegen we over. Ik moest denken aan het artikel in The Guardian van 18 mei 2015 waarin de 17 jaar worden beschreven die Mori nodig had om de grond onder de toren te verwerven. Vierhonderd grondeigenaren kregen een appartement in de toren aangeboden, slechts 161 accepteerden het aanbod; de rest moest tegen exorbitante prijzen door de ontwikkelaar worden uitgekocht. Een kwart van het complex bestaat nu uit parkachtige semi-openbare ruimte; op alle daken zijn groentetuinen aangelegd – op één dak ligt zelfs een rijstveld (foto); afval wordt hergebruikt, regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, een eigen, op gas gestookte energiecentrale reduceert de uitstoot van emissies met 27 procent, zonnepanelen genereren elektriciteit voor de verlichting. Het gebouw zou gegarandeerd aardbevingsbestendig zijn. Is dit de toekomst van Tokio? Wonen, werken en recreëren in hoogbouw, alles zeer dicht opeengepakt, in grote hoogbouwcomplexen die bijna zelfvoorzienend zijn, die bestand zijn tegen tsunami’s, branden en aardbevingen – onheil dat in de toekomst zeker komen gaat. Roppongi Hills is ontworpen als een Ark van Noach. Helaas alleen voor de happy few. Al onze Hollandse vooroordelen moeten overboord.

Tagged with:
 

Up with the People

On 20 januari 2017, in bestuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Japan Restored’ (2015) van Clyde Prestowitz:

Afbeeldingsresultaat voor japan restored clyde prestowitz

Op de terugvlucht van Tokio naar Amsterdam las ik ‘Japan Restored’ van Clyde Prestowitz. Prestowitz is oprichter van de Economic Strategy Institute in Washington DC en adviseert regeringen, vakbonden en multinationals over concurrentiekracht en globalisering. In ‘Japan Restored’ geeft hij zijn visie op de toekomst van Japan en schetst hij hoe deze derde economie van de wereld uit de hardnekkige crisis kan komen waarin deze nu al meer dan twintig jaar verkeert. Zijn stelling: Abenomics is niet genoeg. Abenomics, een economische politiek die vernoemd is naar de Japanse premier Shinzo Abe, staat voor 1. geldcreatie op grote schaal, 2. fiscale stimulansen en massieve infrastructuur-investeringen, 3. deregulering met name van de Japanse landbouwsector. Door al deze maatregelen zou het inflatiecijfer rond de 2 procent uit moeten komen en de Japanse productie substantieel moeten groeien. Prestowitz betwijfelt echter of dergelijke economische maatregelen voldoende zullen zijn. Helemaal op het eind van zijn boek doet hij uit de doeken wat dan wel nodig is om Japan uit het slop te trekken. Dat hoofdstuk heet: ‘Up with the People, Down with the Bureaucrats’. Het gaat over nieuwe vormen van governance.

Tijdens de snelle modernisatie van Japan in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw heeft Japan voor een Frans besturingsmodel gekozen met een sterke hiërarchische en bureaucratische inslag – een centralistisch staatsmodel dat na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse bezetter nog werd versterkt en waarin vrijwel alle beleid vanuit hoofdstad Tokio werd bepaald. Volgens Prestowitz moet het land daar zo snel mogelijk vanaf. Dat gebeurt inmiddels ook. Een Japanse staatscommissie adviseerde onlangs om de steden meer bevoegdheden te geven en vooral meer fiscale en budgettaire ruimte te bieden. Sterker, het land heeft onlangs een complete decentralisatie doorgevoerd. Prestowitz noemt het voorbeeld van Osaka, dat de decentralisatie als het ware heeft afgedwongen door zich niet langer iets van hoofdstad Tokio aan te trekken en dat al sterk van onderop wordt bestuurd, waar innovatie sterk wordt aangewakkerd, waardoor Osaka een stad is geworden die steeds meer de trekken krijgt van een noordelijk Singapore. Met Osaka als gids, verspreidde het virus van decentralisatie zich over heel Japan. Het resultaat is een ingrijpende staatkundige herziening waarbij de 47 provincies onlangs zijn omgevormd tot 15 kantons met elk een eigen gouverneur, eigen fiscaal regime en eigen wetgeving. De angst dat sommige regio’s hierdoor rijker zullen worden dan andere hield de politiek aanvankelijk tegen, maar, aldus Prestowitz, uiteindelijk werd decentralisatie toch geaccepteerd. Het alternatief is namelijk voortdurende stagnatie. Interessant dus, ook voor ons.

Tagged with: