Onze steden worden feminien

In 1980 werd de Amerikaanse socioloog William Whyte op slag wereldberoemd met zijn filmische ‘Street Life Project’. Whyte filmde pleinen en straten in New York, Los Angeles, Philadelphia en Boston met een super-8 camera, met beelden telkens vanaf een hoog standpunt genomen. Zijn camera werkte met een digitale klok: elke 10 seconde volgde een filmshot. Zo was hij in staat geweest mensen in de openbare ruimte in New York en andere Amerikaanse steden gedurende de dag vast te leggen, hun voetstappen te tellen, hun gedrag wetenschappelijk te observeren. Van zijn ‘The Social Life of Small Urban Spaces’ (1980) heb ik nog altijd een exemplaar. Ik kreeg het van een oom die in New York was geweest voor zijn werk en die wist dat ik planologie in Groningen studeerde. Ik herinner me hoe prachtig ik het vond en hoe ik de aanpak van de onderzoeker Whyte bewonderde. Vooral zijn observatie dat mensen zich aangetrokken voelen tot andere mensen is mij altijd bijgebleven. Een paar jaar geleden viel mijn oog op een artikel in de New York Times dat ging over Keith Hampton, verbonden aan Rutgers University. Hampton was net als ik door Whyte geïnspireerd. In 2013 besloot hij de publieke ruimtes die Whyte had bezocht opnieuw te filmen en met zijn studenten te onderzoeken. Hampton ging terug naar plekken als Briant Park, direct achter de New York Public Library, en installeerde zijn camera weer op precies dezelfde hoge plekken. Hij wilde weten of in de dertig jaar die sinds ‘Street Life Project’ waren verstreken het gedrag van mensen in diezelfde openbare ruimte was veranderd. Dat bleek inderdaad het geval. Hampton veronderstelde dat stedelingen eenzamer zouden zijn dan in 1975, meer in zichzelf gekeerd, druk in de weer met hun mobieltjes, oortjes en laptops. Hij had het mis. Gemiddeld slechts drie procent van de passanten stond te bellen, te gamen of te mailen op straat; de meesten leken dit bovendien te doen in afwachting van de komst van iemand met wie ze een afspraak hadden. Het sociale verkeer op straat bleek veel intenser dan dertig jaar eerder. Dat kwam met name door nieuwste mobiele technologie: mensen belden of apten met elkaar voor het maken of bevestigen van een afspraak. Smartphones blijken juist meer ontmoetingen in de publieke ruimte uit te lokken “Technology,” concludeerde de New York Times,“is not driving us apart.” Het geeft wel aan hoe negatief wij over integratie van technologie in ons stedelijke leven denken. Opvallender nog dan al die ontmoetingen was de sterk toegenomen drukte op straat in het algemeen, eigenlijk op alle plekken die Hampton opnieuw had onderzocht. En het meest verrassende was nog wel dat vooral het aandeel vrouwen in de publieke ruimte in alle grote steden sterk was toegenomen. Vrouwen bleven in 1975 nog overwegend thuis, bij de kinderen, je zag ze bijna niet op straat, en dan nog alleen tijdens het winkelen. Anders gezegd, vrouwen als mijn moeder lieten zich na hun huwelijk wegstoppen in saaie buitenwijken, terwijl mannen als mijn vader zich naar hun werk spoedden in het zakencentrum: mannen in hun auto’s, vrouwen achter kinderwagens, vaak zoet gehouden met de nieuwste huishoudelijke apparatuur. In de Netflix-serie ‘Mad Men’ gebruiken de reclamemannen in het New York van de jaren zestig Manhattan als hun speeltuin, terwijl zij hun gezinsleven op afstand voor de weekenden bewaarden. Forensenverkeer tot diep in de jaren tachtig was hoofdzakelijk masculien en de inrichting van steden kwam feitelijk neer op een ruimtelijke scheiding tussen mannen in de centra en fabrieken en de vrouwen en kinderen in het groen. Tegenwoordig is het bijna omgekeerd. Vrouwen nemen geen genoegen meer met een doorzonwoning in de buitenwijken. Door onderwijs en door deelname aan het arbeidsproces zijn zij de grote steden gaan bevolken, dringen ze door tot in de stadscentra. Overal domineren nu vrouwen in de stedelijke publieke ruimte. Ze eten, drinken, wandelen, ontmoeten elkaar op straat. De recente terrassencultuur wordt sterk aangejaagd door vrouwen, ook al heeft die cultuur door het rookverbod in cafés en kroegen de wind in de zeilen gekregen. Onder aanvoering van vrouwelijke actievoerders is de fiets aan een stevige opmars bezig, het zijn vrouwen die geveltuintjes aanleggen en onderhouden, de daken vergroenen, kleine winkeltjes beginnen, de auto in de ban doen, niet meer in kantoren willen werken, met placemaking de stedelijke ruimte leefbaar maken. Vrouwelijke burgemeesters in Barcelona en Parijs stellen persoonlijk geluk boven economische groei. Wie de succesvolste en leefbaarste steden in de wereld in ogenschouw neemt – San Francisco, New York, Londen, Tokio, Parijs, Amsterdam – ziet vrouwelijke wethouders of burgemeesters en stelt vast dat door toedoen van met name vrouwen de publieke ruimte daar groener, socialer en feminien is geworden. Mannelijke industriële steden blijven achter. Hoe hoopvol is dat?

In: Joris Luyendijk, ‘Hoop. 100 wetenschappers, kunstenaars en ondernemers vertellen wat hun hoop geeft.’ Nederland in ideeën 2019. Maven Publishers.