Stemmen tegen de toekomst

On 18 maart 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Oog voor het onzichtbare’ (1994) van Guido Wallagh:

Bron: Spoorkees.nl

Het eerste naoorlogse plan voor de Amsterdamse binnenstad dateert van 1955. Het document telde slechts 18 bladzijden, maar werd direct een hit. Het opperde de gedachte van een heus stadsspoor, had regionale trekken. Guido Wallagh schrijft erover in zijn proefschrift, getiteld ‘Oog voor het onzichtbare’, uit 1994. Wallagh schetst de discussie die na 1955 op gang kwam over het toekomstige Groot-Amsterdam. Het stadsspoor – de Oostlijn en de latere Noord-Zuidlijn – was in die verhitte discussie over de binnenstad de grote constante. Wallagh: “Men beschouwt vanaf het eind van de jaren vijftig het stadsspoor als de bindende factor van een stad in ontwikkeling.” Die stad wordt regionaal, een echte miljoenenstad, zo was in de jaren vijftig de verwachting. Het stadsspoor zou ruim tien jaar later terugkeren in het Voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad, 1968. Maar in plaats van een centrale rol te spelen in het politieke debat, verdwijnt ze stilletjes naar de achtergrond. Het tumult rond de metroaanleg is op dat moment te groot. Het denken over de Amsterdamse binnenstad wordt nog lang beheerst door de opmars van de auto en de noodzaak iets aan de drukte in het stadscentrum te doen. De aanleg van metro wordt weliswaar unaniem aanvaard in de Amsterdamse gemeenteraad, maar het gevecht met de bevolking en de Haagse politiek over de metro als alternatief zal nog decennia voortduren. Pas in 2018 komt het gewenste stadsspoor gereed.

Vooral dat voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad houdt me bezig. Anders dan het plan uit 1955 is het dik, omvangrijk, met uitstekend onderzoek onderbouwd, rijk geïllustreerd. Het mocht allemaal niet baten, want de bevolking slikte het niet. De metrorellen breken daarna uit, eerst in 1970, later escalerend, uitmondend in de Nieuwmarktrellen van 1975. De metro komt er, later, met veel moeite, ook de Noord/Zuidlijn. Echter, wie de zestig jaar overziet, moet concluderen dat de regionale stad met de groeikernen en nevencentra er toch is gekomen en dat het stadsspoor, ondanks alle debat, er eindelijk ligt. De grote vraag is nu of al die politieke strijd over zoveel jaren werkelijk de moeite waard is geweest. Wat wethouder Joop den Uyl in 1960 voorstelde, is anno 2019 werkelijkheid geworden. Den Uyl´s agglomeratiegedachte kwam te vroeg, dat is, achteraf gesproken, wel zeker. Nog steeds zijn er mensen die zich verzetten tegen de gedachte van grootstedelijkheid. Onverminderd houden ze vol dat Amsterdam niet mag groeien. Wallagh duidt ze aan als ‘kleinschaligen’. Uitbreiding van het metronet willen ze niet, verdere verdichting laat staan nieuwe uitleg is uit den boze, ze leven binnen de gemeentegrens. Komende woensdag zullen ze opnieuw massaal tegen de toekomst stemmen. Blij dat de Noord/Zuidlijn eindelijk rijdt.

Tagged with:
 

Leren van Rotterdam

On 16 maart 2019, in infrastructuur, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Woekeren met ruimte’ (2010) van Noud Köper:

Afbeeldingsresultaat voor woekeren met ruimte köper

Waarom lukte het Rotterdam wel om een brug over de rivier te krijgen en waarom krijgt Amsterdam zo’n brug niet? Tien jaar geleden schreef Noud Köper een interessant boek over de Nederlandse ruimtelijke ordening. Köper is politicoloog, in zijn boek geeft hij “een kijkje in de keuken van de moeizame besluitvorming, de machtsspelletjes en de belangentegenstellingen” in de Nederlandse planning sinds eind jaren ‘80. Het eerste hoofdstuk gaat over de Rotterdamse Kop van Zuid. Leerzame stof. De uit Amsterdam afkomstige Riek Bakker begreep al vroeg dat je een plan moet ‘verkopen’. Uit hetzelfde Amsterdam haalde ze Teun Koolhaas en vroeg hem de toekomstige Kop van Zuid op onweerstaanbare wijze te tekenen. Van het geheel maakte ze een mooie maquette en een flitsende diashow. Hiermee ging ze de boer op, eerst vanuit haar woonkamer op het Eendrachtsplein, later op locatie, in de buurten op Zuid. De brug echter bleek een ‘heikel punt’. De weerstand zat vooral intern. De Willemsbrug had voldoende capaciteit, de metro verbond al noord met zuid, er was druk scheepvaartverkeer. Hoe kreeg ze haar collega’s toch mee in haar plan? Ditmaal vroeg ze de Amsterdamse Ben van Berkel een oogverblindende brug te ontwerpen. Met deze ‘Zwaan’ wist ze de gemeentepolitiek in te palmen. Ze ging bovenlangs, zoals dat in ambtelijke termen heet. De ‘Zwaan’ bleek echter 40 miljoen gulden duurder dan begroot.

Slikte de Rotterdamse gemeenteraad de brug, die nu zoveel duurder uitviel? En keerde het Rijk zich niet tegen de plannen? En de Rotterdamse haven dan? Köper meldt in zijn boek dat de burgemeester (Bram Peper) ‘goede relaties’ had met Den Haag. Hij en wethouder Joop Linthorst trokken naar de Minister van Verkeer en Waterstaat, Hanja Maij-Weggen, om erover te praten. Wat hadden de slimme Rotterdammers gedaan? Een week voor het bezoek hadden ze ‘een prachtig model’ van de brug bij haar op de kamer laten zetten. “Dan kon ze er een beetje aan wennen.” Binnen een uur was het gepiept. Verkeer en Waterstaat had geen bezwaar tegen de brug en de gemeente Rotterdam kreeg zelfs de ontbrekende 40 miljoen als rijksbijdrage cadeau. Later bleek dat premier Lubbers – ook een Rotterdammer – de brug te duur vond, waarop de minister het bombardement op Rotterdam in herinnering riep. De brug, had ze gezegd, diende als een landmark, een cadeau aan de stad die in de oorlog het zo zwaar te verduren had gehad. In 1993 werd met de bouw begonnen, twee jaar later was hij gereed. Hoe noem je zo’n strategie? Verleiden, inpalmen, verkopen. Riek leverde een duidelijk motief: de brug gaat de kloof tussen zuid en noord definitief dichten. Dat laatste is niet gebeurd. Nu moet een duur stadion alsnog uitkomst gaan bieden. De kloof dichten, dat gaat Amsterdam wel lukken. Zonder stadion of brug.

Tagged with:
 

Hoe Amsterdam de Olympische Spelen kreeg

On 10 maart 2019, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam 1928’ (2008) van Paul Arnoldussen:

Afbeeldingsresultaat voor paul arnoldussen olympische spelen amsterdam 1928

Het begon allemaal in maart 1911 met een diner in Amsterdam. Die avond stelde het Nederlandse IOC-lid Van Tuyll voor om de hoofdstad te kandideren voor de Spelen van 1920. Aanwezig waren sportbestuurders uit heel Nederland. Aan tafel zat ook de voorzitter van het IOC, baron De Coubertin. Die vertelde dat de kansen van Amsterdam behoorlijk hoog moesten worden ingeschat. Het werd aanleiding voor de sportbestuurders om het NOC op te richten. In 1908 waren de Spelen in Londen gehouden, die van 1912 zouden plaatsvinden in Stockholm. Een jaar later later zou Berlijn de Spelen van 1916 toegewezen krijgen, maar de Eerste Wereldoorlog gooide vervolgens roet in het eten. Pas in 1919, na alle oorlogsgeweld, kwam het IOC weer bijeen. Daar kandideerde Van Tuyll Amsterdam prompt voor de Spelen van 1924. Dit alles valt te lezen in de boeiende geschiedenis van de Olympische Spelen van Amsterdam 1928, geschreven door de journalist Paul Arnoldussen. Ik kocht het boekje onlangs in de ramsj. Zo ook las ik dat De Coubertin zelf die de Spelen van 1924 aan zijn geboortestad Parijs toewees, om 30 jaar Olympische Spelen te vieren. Dat besluit viel in Lausanne, in 1921. Maar Amsterdam, liet de Franse voorzitter bij diezelfde gelegenheid weten, kon wat hem betreft die van 1928 krijgen. Dit ‘dubbelbesluit’ heette later de coup van De Coubertin. Arnoldussen beschrijft heel precies hoe de besluitvorming vervolgens in Nederland plaatsvond.

Het NOC treuzelde daarna lang, zo lang zelfs dat Chicago zich al snel opwierp als alternatief. De Amerikanen boden fors geld, terwijl in Nederland nog geen gulden was opgehaald. In 1924, dus vier jaar voor het evenement, begon het NOC zelfs een campagne voor Spelen in Den Haag, dus niet in Amsterdam. De hoofdredacteur van het NOC-orgaan bleek een grondige hekel aan Amsterdam te hebben. Het argument was: in Den Haag hebben alle sportbonden hun zetel, het Haagse bedrijfsleven wil grif betalen, wat was er mooier dan een stadion op het Malieveld. Wat stak hierachter? Hij en anderen vonden het gemeentebestuur van Amsterdam te links, te socialistisch. In 1925 weigerde ook de Tweede Kamer geld voor Spelen in Amsterdam te reserveren. In Parijs was het ‘teveel kermis’, als Nederland het deed, dan moest het ‘sober’ en ‘eenvoudig’. Minister Colijn van Financiën kreeg zijn eigen ARP-achterban niet mee. De antirevolutionairen verklaarden zich tegen ‘heidense feesten’. Alle christelijke partijen vreesden trouwens voor schending van de zondagsrust. Toen bleef er voor de sportbonden niets anders over dan om zelf geld op te halen bij hun leden. Hun ‘Comité 1928’ ging langs de deuren. En Amsterdam zelf kwam over de brug met een kwart miljoen. Net op tijd was er de benodigde anderhalf miljoen gulden ingezameld. Herkenbaar? Nou en of.

Tagged with:
 

Een ode aan Ed van Thijn

On 10 februari 2019, in bestuur, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Jongens, maak het maar mooi’ (2016) van Max van den Berg:

Afbeeldingsresultaat voor max van den berg jongens

De problemen in de Amsterdamse binnenstad zijn groot. Binnen de Singelgracht wordt bijna niet meer gewoond, sommige delen zijn tot regelrechte no-go areas verworden. Drugshandel, criminaliteit, verkrotting en ernstige vervuiling bedreigen de centrumfunctie van de historische kern van de hoofdstad van het land. Amsterdam schaamt zich. Vooruitlopend op de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 richt burgemeester Ed van Thijn een Adviesgroep Binnenstad in met vertegenwoordigers uit bedrijfsleven, universiteit, kunst- en cultuursector, vakbonden en bewonersorganisaties. Zij schrijven een rapport. Na de verkiezingen wordt binnen het nieuwe college de burgemeester aangewezen als bestuurlijk coördinator van een ‘Aanpak voor de binnenstad’. Van Thijn vraagt Max van den Berg, eerder directielid van de Dienst Ruimtelijk Ordening maar inmiddels werkzaam op het stadhuis, om de rol op zich te nemen van ambtelijk coördinator. Onder zijn aanvoering wordt een klein team op het stadhuis geformeerd dat steeds met de burgemeester overlegt. Daarnaast komt er een Werkgroep Binnenstad, waarin 35 vertegenwoordigers van de meest betrokken diensten zitting nemen. Bovendien laat Van den Berg zich adviseren door een werkgroep Juridisch Beheer die helpt “af en toe totaal verknoopte formele situaties te ontwarren en in beweging te brengen.” Opvallend is de informele sfeer; met de burgemeester wordt veel gelachen. Coördinator Van den Berg weet zich omringd door een “enthousiaste groep, zonder macht, maar met de wil problemen op te lossen en tot daden te komen, wat bijna steeds lukt.” Is er een visie op de toekomst van de binnenstad? Nee, er zijn alleen actievoorstellen. De binnenstad moet worden gered.

Aan het woord is Van den Berg, die in 2015 terugblikte op zijn ambtelijke carrière in Amsterdam en daar een boek over publiceerde. Centraal in de strategie die de burgemeester en hij na 1982 ontwikkelen, staat ‘herstel van vertrouwen’. Daarvoor is ‘openheid’ een eerste vereiste, en ook ‘flexibiliteit’. “Ons doel is simpel: Verbeter het imago van Amsterdam en maak de binnenstad mooi en schoon.” Wat opvalt in de aanpak die uiteindelijk gekozen wordt is de nadruk op het wonen: het stegenplan, het wonen-boven-winkels-plan, het gatenplan, het herstelplan voor de Zeedijk, de voltooiing van de stadsvernieuwing op de Eilanden, in de Jordaan, de Nieuwmarktbuurt. In 1981 wonen er nog maar 53.000 mensen in de Amsterdamse binnenstad. Vier jaar later zijn dat er weer 57.000; ondertussen staan er plannen gereed die het totaal zullen brengen op 60.000. Maar dat niet alleen. Vanaf 1985 worden de inspanningen ook gericht op hoger onderwijs in de binnenstad met drie clusters van liefst 39 hbo-instellingen en een universiteit. En ook cultuur, kunst en toerisme krijgen een impuls, met initiatieven voor tal van nieuwe accommodaties. Het werd in die vroege jaren ‘80 allemaal bedacht en in werking gezet. Dertig jaar later wonen er meer dan 86.000 Amsterdammers in de binnenstad; hun aantal neemt verder toe, tot 91.500 in 2040. Bijna evenveel jongeren studeren er.  Het bedrijfsleven floreert. Het aantal toeristen groeit explosief. De binnenstad, inmiddels bijna te mooi, dreigt te bezwijken onder haar enorme succes. In 2018 werd ze door Elsevier Weekblad uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijk broeit het en gist het. Het wordt te druk. De prijzen gaan sky high. Amsterdammers keren zich af. Anno 2019 moet de binnenstad opnieuw worden gered.

Tagged with:
 

Clay City

On 29 januari 2019, in cultuur, onderwijs, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in de Academie voor Bouwkunst te Amsterdam op 25 januari 2019:

Bron: Academie van Bouwkunst Amsterdam

De jaarlijkse Winterschool van de Amsterdamse Academie voor Bouwkunst mondde deze keer uit in één reusachtige maquette van een imaginaire metropool. De maquette, liefst 80 vierkante meter groot, stond afgelopen vrijdagmiddag opgesteld op de binnenplaats aan het Waterlooplein, in de open lucht onder de grote boom. Het idee voor de gezamenlijke maquette was afkomstig van de Russische artist-in-residence Alexander Brodsky (1955). Zijn opdracht aan de 140 internationale studenten was een stad van klei te bouwen door eerst in groepjes losse bouwwerken op schaal te fabriceren, om die op het laatst bij elkaar te voegen tot één grote compositie; het moest gaan om architecturen die elk van de studenten kent en bewondert, steeds uit één soort klei geboetseerd, helemaal vanuit het geheugen, waarbij een stempel van de raamopeningen een min of meer uniforme schaal of beeld garandeerde. De combinatie van klei, stempel en geheugen leidde uiteindelijk tot het Gesamtkunstwerk op de binnenplaats dat iedereen die vrijdagmiddag diep ontroerde. Brodsky had brede rivieren door zijn stad getrokken, met eilanden en brede vaarten, waardoor deze nog het meeste deed denken aan Sint Petersburg, Moskou, Amsterdam of Shanghai. Tegelijk benadrukte de klei de grote kwetsbaarheid. Brodsky: “Together you will build something that occupies a place in the cultural-historical history of Amsterdam and Moscow; a project that has a broad impact, based on memories from the countries of origin of our international student population.”

Wat me die vrijdagmiddag vooral opviel was dat iedereen vertelde dat tijdens deze winterschool concurrentie tussen de studenten had ontbroken en dat dit tòch tot zo’n fraai eindresultaat had geleid. Er was geen jury geweest en er waren geen prijswinnaars. Voor architecten is dit inderdaad uitzonderlijk. Die verzetten doorgaans slavenwerk, in de hoop ergens een prijsje te winnen. In de brochure las ik: “The focus in this Winter School will lie on individual expression, collaborating and how one’s own creative expression converges with that of another.” Elk gebouw werd afzonderlijk gefotografeerd, maar al die afzonderlijke gebouwen verdwenen op het laatst in het grote geheel, zoals een stad zijn gebouwen opeet. Sommige studenten kostte het zelfs moeite om hun eigen bouwwerken terug te vinden. De uiteindelijke compositie was het werk van Brodsky en zijn vrouw, die ‘s avonds na de sneeuwval aan het werk sloegen. De harmonieuze samenwerking mondde uit in een verbroederend groepsportret van alle studenten met hun Russische leermeester rond de voltooide maquette op de donderdagavond. Die werkwijze interesseert me. Misschien is hij het begin van een nieuw, hoopvol curriculum. Door de regen en wind zal de klei worden aangetast; na een maand zal niets meer aan de trotse stad herinneren. Zelfs de mooiste gebouwen zullen in het niets verdwijnen.

Tagged with:
 

Zelfverkozen angst

On 24 januari 2019, in cultuur, economie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Overvloed en onbehagen’ (1987) van Simon Schama:

Afbeeldingsresultaat voor overvloed en onbehagen

Aan de vooravond van de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam las ik opnieuw het meesterwerk van de Britse historicus Simon Schama: ‘The Embarrassment of Riches’ (1987). Het boek, inmiddels veertig jaar oud, gaat over de Nederlanden in de Gouden Eeuw. Of eigenlijk gaat het boek over de spanning tussen moraal en rijkdom. Die plotselinge overvloed door kapitalistische expansie overviel de gemiddelde burger in de steden en drukte op het gemoed. In een interview in NRC Handelsblad (14 augustus 1987) vertelde de toen 42-jarige Schama dat de tegenstelling tussen arm en rijk helemaal niets verklaart over de Nederlanden in de zeventiende eeuw. “Natuurlijk was er een elite die het voor het zeggen had, en een onderklasse maar de verschillen waren minder groot dan elders in Europa en de maatschappij viel er niet door uiteen.” In en rond Amsterdam werd juist een natie gevormd met gemeenschappelijke symbolen, gebruiken en rituelen. Dat gebeurde sterk van onderop. Dat er geen krachtig bestuur werd gevormd vond Schama geen zwakte. “Ik geloof dat het laten voortbestaan van tegenstellingen die geen directe schade aanrichtten juist de slimheid en de kracht van de Nederlanders uit de gouden eeuw is geweest.” Sober en bescheiden was de rijke Amsterdammer in ieder geval niet.

Waarin uitte zich die plotselinge overvloed? Maatschappelijk in regelrecht onbehagen. En dat onbehagen uitte zich in verhalen over de vergankelijkheid van zeepbellen, de dwaasheid van de wereld, de tirannie van ‘Koningin Geld’. Bankiers werden door de synode zelfs buitengesloten van de avondmaalsviering. De aanvallen op de overvloed bleven niet beperkt tot kritiek op excessieve weelde of hebzuchtige woeker, maar uitten zich ook in angst voor de ondergang en het gevaar dat de dingen van de wereld de mensen de baas zouden worden. Burgers vreesden grote overstromingen, een enorme wrekende zondvloed. Angst en regelrecht pessimisme namen vrijwel iedereen in beslag. Amsterdammers creëerden visioenen van hun eigen ondergang. Schama: “Ze konden zichzelf ondermijnen door te overdrijven.” Boven het portaal van één van de kamers van het Amsterdamse stadhuis op de Dam beeldhouwde Artus Quellijn de Val van Icarus, symbool van wat ambitieuze hoogvliegers en dwazen te wachten staat. Wat wij anno 2019 beleven rond klimaatverandering en ideeën over de noodzaak van krimp en post-kapitalistisme doet sterk denken aan deze door angst en pessimisme ingegeven gemoedstoestand. Het kapitalisme is gevaarlijk en dwaas en het is overal. We zullen heel hard vallen. Onze tegenslag lijkt zelfverkozen. We hebben het eenvoudig te goed. Volgende week meer over Masterstudio ‘The Post-Growth City’.

Tagged with:
 

Sluisbuurt als collage

On 14 januari 2019, in boeken, hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2019:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ronnie Zijp

De Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) was afgelopen week in Amsterdam om de Nederlandse vertaling van zijn recent verschenen boek ‘Building and Dwelling’ te promoten. Journalist Bernard Hulsman sprak met hem. In NRC van afgelopen zaterdag verscheen van zijn hand een interview met de grote meester over hoe ‘het grote geld de steden koloniseert’. ‘Stadsleven’, de Nederlandse titel van het Britse boek, is een pleidooi voor een open stad. “En ook een stad die kan veranderen en ruimte biedt aan onverwachte activiteiten.” Terecht stelt Sennett dat het adagium ‘function follows form’ eigenlijk leidend zou moeten zijn en niet het modernistische ‘form follows function’. Maak eerst de vorm, want die functies veranderen toch voortdurend, en zorg ervoor dat die vorm functieverandering toelaat. “Het gaat in architectuur en stedenbouw niet om eenvoud en eenduidigheid, maar juist om complexiteit en contradictie.” In zijn boek gebruikt Sennett de collage als metafoor, in het interview refereert hij aan de Amerikaanse architect Robert Venturi. Beter kon mijn zaterdag niet beginnen. Totdat ik het einde las. Hulsman is al jaren kritisch over de plannen voor Sluisbuurt in Amsterdam. Aan het slot van het interview gebruikt hij Sennett om zijn gelijk te halen.

Eerst confronteert Hulsman Sennett met de Sluisbuurt. De Amerikaan weet van niets. Waarop de journalist zegt dat het gaat om een buurt “van zo’n 25 woonnaalden van omstreeks honderd meter hoog met 5500 woningen.” Sennett: “Echt? Waarom wil Amsterdam dat?” Waarop Hulsman antwoordt dat de gemeente meent “dat dit de enige manier is om veel vloeroppervlak op een beperkt stuk grond te krijgen.” Sennett, die zijn jeugd doorbracht in de Bijlmer van Chicago (Cabrini Green), schrikt zich een hoedje. “Torens zijn saai, niet duurzaam en ze vormen geen fijne buurt waar zich een community kan vormen.” Let op, hier wordt de socioloog die bekendstaat om zijn genuanceerde kijk in de val gelokt. Zijn uitspraak is een algemene. Amsterdam zou de oude Sennett moeten uitnodigen om, nu serieus, het plan voor de Sluisbuurt te bestuderen. Heus, het wordt geen Bijlmer. De in Shanghai woonachtige stedenbouwkundige Joost van den Hoek voerde onlangs in De Architect (19 november 2018) een interessant pleidooi voor een ‘verticale VINEX’. Zelf woont hij op de 22ste verdieping van een toren in een dichtbebouwde wijk dicht bij de Franse concessie. “Ik zou pleiten voor een model waar je ook als gezin comfortabel kunt ontsnappen aan het dogma van tuin en auto.” ( https://www.dearchitect.nl/architectuur/blog/2018/11/blog-kom-maar-op-met-die-verticale-vinex-101202943) Net als hij geniet ik van de skyline van Rotterdam, en wij verheugen ons op de Sluisbuurt. Als collage.

Tagged with:
 

Extreme drukte in New York

On 11 januari 2019, in openbare ruimte, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 26 januari 2015:

 

 Afbeeldingsresultaat voor new york times square public space map

Bron: A Better Times Square

Het Wallengebied in Amsterdam is vergelijkbaar met Times Square in New York: ooit een vervallen deel van de binnenstad waar pooiers en hoertjes domineerden, nu een toeristische topattractie van wereldklasse. Sterker, beide gebieden zijn zo succesvol dat ze onder de drukte dreigen te bezwijken. De New Yorkse burgemeester Bill de Blasio zit er behoorlijk mee in zijn maag, net als zijn Amsterdamse collega. In 2014 verdrongen niet minder dan 13 miljoen mensen zich op dit kleine stukje Broadway. Ze zijn een gewillige prooi van zogenaamde straatartiesten. Het gedrang van de menigten op en rond het plein op Manhattan ter hoogte van 42nd Street trekt irritante, meestal als Elmo of Spider-Man verklede types aan die van de toeristenstroom willen profiteren. De theaters zitten stampvol. Er worden topprijzen betaald voor het vastgoed, die het niveau naderen van die van Fifth Avenue. Die exorbitante prijzen leiden er weer toe dat zelfs gerenommeerde zaken Times Square de rug toekeren. Vooral de kantoorfunctie heeft het moeilijk; medewerkers willen niet meer de straat op voor de lunch of de koffie. De hoertjes waren al vertrokken. Robert Wankel, adjunct-directeur van de Shubert Organization die 17 theaters op Broadway runt, zei het tegenover de New York Times zo: ‘We’re having a problem from our success. We spent a lot of time and effort clearing up Times Square and now it’s the place everyone wants to be.” Luidt het succes van Times Square tevens haar ondergang in?

Drie jaar geleden dreigde burgemeester De Blasio het autoverkeer terug te brengen op Broadway om zo de toeristen te verdrijven. Het leek op een wanhoopsdaad. Zijn voorganger had vijf jaar geleden het gedeelte van de straat ter hoogte van Times Square juist autovrij gemaakt om zo de openbare ruimte aantrekkelijker te maken. Er waren provisorische terrasjes gemaakt, met zitbankjes en fietspaden. Er werden zelfs boompjes neergezet. Heel lief en aardig allemaal. Maar nu blijkt dat men dit misschien beter niet had kunnen doen. Sinds 1996 verdubbelt het aantal toeristen in New York elk jaar. In 2014 waren het er 40 miljoen, drie jaar later 62,8 miljoen. Die willen allemaal naar Times Square. Het is wrang en ironisch. Al sinds de jaren ‘90 spant de lokale overheid zich in om de ooit verlopen kruising weer op te krikken. Warenhuizen kwamen aarzelend terug, het ging geleidelijk steeds beter. In 2009 was er een omslagpunt toen het gemeentebestuur besloot het gedeelte van Broadway tussen 42nd en 47nd Street autovrij te maken. Binnen de kortste tijd groeide het aantal voetgangers van 350.000 per dag naar 480.000. Vastgoedprijzen schoten omhoog. “The recent overcrowding problems of Times Square have been caused in part by the construction of the plazas,” zegt een van de eigenaren. De bewoners en eigenaren hebben zich verenigd, ze vragen het gemeentebestuur om een toekomstvisie te maken. Hun eigen plan doopten ze ‘Times Square Commons’. (http://www.abettertimessquare.org/the-plan/) Dat zeg ik. De problemen van Times Square zijn vergelijkbaar met die op de Amsterdamse Wallen.

Silicon Island ligt in New York

On 20 december 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 18 december 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Business Insider

Daags nadat De Volkskrant schreef over het Amsterdamse Oosterdokseiland als ‘Silicon Island’ vanwege de aanwezigheid van vier van de bekendste internetbedrijven van Nederland – Booking, TomTom, Adyen en Takeaway – (12 december 2018), berichtte The New York Times over de komst van Google en Amazon naar de Big Apple. Geen twijfel mogelijk, New York wordt het tweede Silicon Valley. De Volkskrant rekende uit dat het voormalige spoor- en posteiland naast Amsterdam CS inmiddels een beurswaarde vertegenwoordigt van liefst 94 miljard euro. In 2007 vestigde zich hier TomTom, nadat grote delen van het postemplacement waren ontmanteld vanwege het vertrek van de PTT. Daarna kwam Takeaway.com die in 2015 zes etages op het eiland betrok. Adyen verlaat binnenkort de Keizersgracht en neemt zijn intrek in tien etages naast Adyen. En op dit moment bouwt Booking.com zijn internationale hoofdkantoor op de uiterste puntje van het eiland, tegen wetenschapsmuseum Nemo aan: groot 64.000 vierkante meter. Terwijl de advocatuur en de financiële dienstverlening samentrekt op de Amsterdamse Zuidas, balt aan de IJ-oevers het Nederlandse internetbedrijfsleven samen op nog geen vierkante kilometer.  De bankiers en advocaten kozen voor parkeerplaatsen, de techies voor ‘een spannende en inspirerende werkplek’, aldus De Volkskrant. Motief: getalenteerd, goedbetaald personeel werven uit de hele wereld en naar Amsterdam brengen. De arbeidsmarkt van Amsterdam is te krap en kookt al jaren over.

Het verhaal over New York is de overtreffende trap van deze bijzondere Nederlandse eigen kweek in Amsterdam. Nadat Amazon al had aangekondigd een tweede hoofdkantoor te openen in Queens, goed voor 25.000 hooggekwalificeerde medewerkers, maakte Google deze week bekend dat ze een campus ter waarde van 1 miljard dollar op de zuidelijke punt van Manhattan in Chelsea, vlak bij Hudson Square, gaat betrekken. Daar wordt ruimte gemaakt voor een verdubbeling van de 7.000 medewerkers die nu al in New York voor het bedrijf werkzaam zijn. Er zijn drie gebouwen langs de oevers van de Hudson aangekocht. Ook kocht Google Chelsea Market voor 2,4 miljard dollar. Het bedrijf spreekt van ‘Google Hudson Square’. Dit gebied wordt het hoofdkantoor van de ‘Global Business Organization’. Kijk ook op CBSN: https://newyork.cbslocal.com/video/3995617-expert-what-googles-hudson-square-campus-means-for-nyc/Let wel, aan de campus grenst de campus van New York University, aan Hudson Square bouwt bovendien Disney een campus ter waarde van 650 miljoen dollar, het hoofdkwartier van Google bevindt zich op loopafstand van Hudson Street, de straat waar Jane Jacobs ooit woonde. Arme Jane Jacobs. En pover Amsterdam. ‘Silicon Island’, dat is Manhattan, niet Oosterdok. Tegen de kritische massa en absorptievermogen van New York kan de Nederlandse hoofdstad echt niet op.

Tagged with:
 

Toerisme in bedenkelijke metaforen

On 21 november 2018, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: monumenten, Maps Amsterdam

In ‘Zet stop op de hele regio’ schetste journalist Michiel Couzy in Het Parool recentelijk de laatste ontwikkelingen in de felle discussie rond de spreiding van het toerisme in en rond Amsterdam. Diverse beleidsmakers komen aan het woord, met een hoofdrol voor toeristenkenner Stephen Hodes. Ik las het artikel met grote tegenzin. Waarom tegenzin? Wie het woord ‘toerist’ vervangt door ‘gans’, ‘parkiet’ of ‘rat’ zou niet raar opkijken. In de wijze waarop in het artikel over toeristen wordt gesproken, lijkt het alsof we het over een plaag, een ziekte, een uitbraak van nauwelijks te bestrijden ongedierte hebben. Zonder dat de auteur of de geïnterviewden het in de gaten hebben worden toeristen ontmenselijkt: ze moeten verdreven worden, maar ze laten zich niet verdrijven. Hodes maakt het helemaal bont: als je ze spreidt, stelt hij, dan komen er andere toeristen voor in de plaats. Het kwaad wordt dan alleen maar erger. Niet doen dus. Maar hoe moet je ze dan bestrijden? Lees het slot: “Spreiding is niet alleen bedoeld als wapen tegen overlast. Het (wapen) kan ook worden ingezet om te voorkomen dat te veel mensen tegelijkertijd op dezelfde plek verblijven.” Wapens inzetten? Woorden vormen ons gedrag. Gaan we schieten? Ik schrok er werkelijk van.

Volgende week spreek ik gemeentelijk ombudsman Arre Zuurmond in zijn tijdelijke woning op de Amsterdamse Wallen. Onderwerp: toerisme. Zuurmond bivakkeert al weken in de Sint Olofspoort en schrijft en twittert over zijn nachtelijke belevenissen. Ik bewonder zijn manier van werken en deel zijn zorgen. Hij eist meer handhaving. We moeten het erover hebben. Maar de binnenstad is geen ‘jungle’. Handhaving is humaan, spreiden niet. Lees ook Hodes in het blad van de Amsterdamse binnenstad (Binnenstad 277, zomer 2016): “Toeristen zijn als jagers die je ook alleen maar ziet waar prooi is. Anders gezegd, ze zijn als mieren die op een suikerklontje afkomen.” Jagers, prooi, mieren, allemaal verwerpelijke metaforen. Wie is trouwens hier de jager? Is dat niet Hodes zelf? In datzelfde interview bestrijdt Hodes mijn suggestie om Amsterdam in omvang te verdubbelen. Zoiets vindt hij ‘volkomen irreëel.” Nee, liever spreekt hij over Amsterdamse ‘creeping paralysis’: “stukje bij beetje raak je verder verlamd.” Ik weiger met Hodes en beleidsmakers over toerisme in termen van ‘spreiden’, ‘verjagen’, ‘prooi’, ‘verlamming’, ‘wapens’, ‘toeristenstop’ te spreken. Laten we met het zuiveren van onze taal beginnen. Amsterdam is gewoon heel erg mooi. Maar de stad is geen suikerklontje.

Tagged with: