Sterke clustereffecten van datacenters

On 16 april 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord op het Marineterrein te Amsterdam op 12 april 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Equinix

Wereldwijd zijn er niet meer dan twaalf plekken waar datacenters ruimtelijk zo sterk clusteren als in Amsterdam. In Europa zijn het er vier, in alle gevallen betreft het grote steden. In en rond Londen, Parijs, Frankfurt en Amsterdam willen de meeste datacenters zich vestigen, ook al is de grond er duur. Daar zitten hun klanten. Het Hilversumse bureau Stratix vertelde er over tijdens een speciale bijeenkomst voor beleidsmakers van gemeenten, provincie en rijk op het Amsterdamse marineterrein. Organisatie was in handen van de Amsterdam Economic Board. Een groot deel van het gesprek ging over de uitzonderlijke clustereffecten van dataopslag in Nederland en dan met name in en rond Amsterdam. Stratix wees op de grote effecten die gunstige beleidsbeslissingen in het verleden op deze groei hebben gehad. Wat gaat de regio de komende jaren ondernemen? Co-locatiecenters zijn in de metropoolregio het meeste in trek. Het merendeel staat in de Watergraafsmeer. Daar vinden ze optimale interconnectiviteit vanwege de meer dan 730 verschillende verbindingen die AMS-ix levert. Het cluster op Schiphol-Rijk heeft zich gespecialiseerd in cloud-opslag. Het derde cluster bevindt zich in Amsterdam-Zuidoost. Een afstand van een tot drie kilometer tussen de verschillende datacenters is optimaal, een afstand van tien kilometer lijkt het maximaal haalbare. Wie zich op grotere afstand vestigt betaalt fors extra kosten. Zelfs Hilversum en Haarlem zijn al te ver weg. Elektriciteitsvoorziening is essentieel, want datacenters verbruiken veel stroom. Lokaal moeten onderstations voldoende capaciteit kunnen leveren.

Hoe snel de technologische ontwikkelingen kunnen gaan, werd al aan het begin van de avond duidelijk. Robotica en kunstmatige intelligentie zullen de volgende golf dataverkeer verder opstuwen. Fotonica kan de servers ingrijpend doen veranderen. Het noodzaakte de aanwezigen om in toekomstscenario’s te denken. Van belang lijkt vooral of de regio voldoende elektriciteit zal blijven leveren. Iemand rekende voor wat het zou betekenen als de hele Amsterdamse regio ineens op elektrisch autorijden zou overschakelen of wanneer de woningen van het aardgas af zouden gaan. Het elektriciteitsnet zou zoveel stroom nooit kunnen leveren. Ook gebrek aan vertrouwen in dataopslag kon wel eens tot overcapaciteit leiden en alle voorsprong in één klap kunnen laten verdampen. Vanwege de Olympische Spelen gaf Londen bijvoorbeeld een tweetal jaren niet thuis. Weg was haar voorsprong in de datacenterontwikkeling, ook omdat de stop samenviel met de opmars van cloud-computing. Of neem Parijs, dat al lang worstelt met haar data-exchange. Kortom, de Amsterdamse regio mag niet achterover leunen. Economisch zijn datacenters van groot belang. In combinatie met de luchthaven en de grootstedelijke diensteneconomie vormen ze een unieke combinatie. Elke grootstedelijke regio zou zich in de handen wrijven als ze de schaal en potentie van de clustervorming als die in het Amsterdamse regio ook maar enigszins zou benaderen.

Tagged with:
 

Simpel over stedenbouw

On 2 april 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in het Bijlmermuseum, Amsterdam, op 22 maart 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Bijlmermuseum

In 1969 trad architect Pi de Bruijn (1942) in dienst van de gemeentelijke Woningdienst van Amsterdam. In hetzelfde jaar ging hij wonen in de net opgeleverde G-buurt van de Bijlmermeer. Bijna dertig jaar bleef hij met grote tevredenheid in de Bijlmer wonen. De Bruijn vertelde er boeiend over tijdens een bijeenkomst van het bestuur van de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen stichting afgelopen week. Een raam dat hij als beginnend architect in de zijgevel van een 400 meter lange honingraatflat had getekend werd door de gemeentelijke stedenbouwkundige resoluut afgekeurd. Hoe kwam hij erbij? Het uitgangspunt van de Bijlmer was dat elke bewoner precies dezelfde rechten had, dus er mocht geen onderscheid worden gemaakt tussen de woningen. Elke woning mat ook precies 100 vierkant meter. Kleiner mocht niet. Een alleenstaande, zei men hem, kon toch een hond of een hobby hebben? Op het maaiveld mocht ook geen woning worden getekend, want de grond was publieke ruimte, en die was voor ‘de spelende mens’. De volkstuintjes die De Bruijn wilde introduceren stuitten op hetzelfde verzet: niet privatiseren. De hele essentie van de Bijlmermeer stak volgens de stedenbouwkundigen in het stelsel van verhoogde dreven: elke snelheid zijn eigen landschap. “Heb je ooit de originele tekeningen van de verkeersstructuur gezien? Die tekeningen waren schitterend!” Met zijn voorbeelden illustreerde De Bruijn hoe in de Bijlmermeer een maximaal gebruik van menselijke rationaliteit samenviel met een totalitaire utopische toekomstvisie.

Al spoedig kwamen woningen leeg te staan. Winkels ontbraken, garages moesten nog worden gebouwd, wegontsluitingen kwamen pas later, de huren bleken te hoog, het beleid tussen corporaties wisselde, de politiek was alleen in het bouwen van veel woningen geïnteresseerd, de bewoners weken af van de doelgroep. In 1974 werd de eerste van de veertig flats gekraakt. Toen in 1976 eindelijk de metro ging rijden, kwam al snel de heroïne naar Gliphoeve. In 1977 werd het De Bruijn duidelijk dat het gemeentebestuur de Bijlmer had opgegeven. Wethouder Kuijpers geloofde er niet meer in. In dat jaar nam De Bruijn ontslag. Maar hij bleef wel in de Bijlmer wonen. Zo vertelde hij tussen neus en lippen door hoe zijn schoolgaande dochter voor haar verjaardag vroeg om een mes. Een stad, zei hij, is complexiteit, die bouw je niet zomaar uit het niets tevoorschijn. Zijn kritiek gold feitelijk alle groeikernen en grootschalige stadsuitbreidingen die na de oorlog in Nederland waren gebouwd. Te eenvoudig was telkens de opgave benaderd. De Bruijn hield vol dat de problemen die al vroeg in de Bijlmer ontstonden, niet staken in de modernistische stedenbouwkundige structuur. Die utopische toekomstvisie zou deugen. De dreven hadden wat hem betreft ook niet afgegraven hoeven worden. De oorzaak was veeleer gelegen in het simplisme waarmee de bouwopgave was benaderd. Een goede stad maken is complex, maar de politiek denkt, nog steeds, alleen in aantallen te bouwen woningen. Veel te simpel.

Tagged with:
 

‘Amsterdam vreest zijn eigen succes’

On 27 maart 2018, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 26 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor metrosysteem amsterdam 1960

Plan voor stadsspoorwegen Amsterdam 1968

Amsterdam vreest zijn eigen succes’. Met dat motto begon hoogleraar Coen Teulings zijn Amsterdamlezing op maandagavond 26 maart 2018. Teulings, tegenwoordig universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, bestudeert de economie van steden. Economisch onderzoek verweeft hij met elementen van geschiedenis, biologie, recht, politicologie en geografie. Amsterdam noemde hij een ‘parel’. De stad is naar internationale maatstaven gemeten buitengewoon aantrekkelijk en ook succesvol. De verdere groei van de hoofdstad vond hij logisch en onvermijdelijk en zou voor de Nederlandse regering topprioriteit moeten zijn. Amsterdam is in vergelijking met andere wereldsteden helemaal niet zo duur, er dreigen hier ook geen ‘Londense toestanden’. Nederland is juist een egalitair land en no-go areas kent de hoofdstad niet. Dat Amsterdam duurder wordt noemde hij onvermijdelijk; goedkoper zal de stad niet meer worden. De dynamiek is groot, maar dat geldt voor meer steden. Buiten Amsterdam denken ze dat Airbnb de prijzen opjaagt, maar dat is niet zo. In zeker vier varianten legde hij het principe van agglomeratievoordelen uit. Mensen zijn bereid een fortuin te betalen om heel dicht bij elkaar te zitten. Hoe drukker een plek, hoe hoger de grondprijzen. En het internet jaagt deze locatievoordelen aan. Vooral hoger opgeleiden kopen zich een weg naar het centrum. De verdere uitleg van Amsterdam vond hij een gewichtige zaak. Daarmee kunnen meer mensen toegang krijgen tot al die felbegeerde voorzieningen.

Vanuit de zaal kwamen tegenwerpingen. Worden hiermee de armen niet de stad uit gedreven? Teulings aarzelde even. Dat verdringing optreedt kon hij niet ontkennen. Sommige categorieën mensen zullen de stad zeker verlaten. Maar Turken en Marokkanen en Surinamers, die blijven wel, dus mensen zijn niet tot vertrek veroordeeld. Maar krijg je dan niet ernstige vormen van segregatie?, kwam er opnieuw uit de zaal. Teulings gaf de zaal tot op zekere hoogte gelijk, maar zei dat hij niet elke vorm van segregatie op voorhand afwees. Liever sprak hij van ruimtelijke ‘specialisatie’. Het is begrijpelijk en natuurlijk om als migrant je medemigranten op te zoeken. Ook dat is een vorm van agglomereren. Waarna hij een warm pleidooi hield voor grootstedelijk openbaar vervoer. Uitgerekend openbaar vervoer kan onvermijdelijke uitsorteringsprocessen helpen verzachten. Juist daar is in Amsterdam grote behoefte aan. Opnieuw zullen rond de stations de grondprijzen stijgen. Maar zo is de stad. Behalve, gek genoeg, op sommige plaatsen in Amsterdam. Want hoe kan het nou dat rond het Amstelstation zo weinig hoogbouw wordt gerealiseerd? En waarom is de Noordzuidlijn zo’n onbeduidend kort stukje? Zijn lezing eindigde Teulings met het schema van het Amsterdamse metrostelsel zoals dat in de jaren zestig van de twintigste eeuw door planologen was geprojecteerd. Waarom is slechts een fractie van dit grootstedelijke project uitgevoerd? Antwoord: Amsterdam vreest zijn eigen succes.

Gelezen in ‘Groei en krimp’ (2016) van De Groot, Marlet, Teulings en Vermeulen:

Afbeeldingsresultaat voor groei en krimp parool teulings

Bron: Groei en krimp/Het Parool

Coen Teulings is mijn een na laatste gast in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen die alle gaan over de toekomst. Teulings is econoom en universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. In het verleden was hij directeur van het Centraal Planbureau, het CPB. In die laatste hoedanigheid schreef hij, samen met Henri de Groot, Gerard Marlet en Wouter Vermeulen, de publicatie ‘Stad en land’ (2010). Daarin vroegen de auteurs zich af hoe het toch komt dat mensen sinds eind jaren tachtig weer massaal naar steden trekken. En waarom is de ene stad populairder dan de andere? Steden worden steeds meer consumptiesteden in plaats van productiesteden. De rol van voorzieningen, ontdekten zij, is cruciaal en drukt zich uit in hogere grondprijzen, maar ook in hogere lonen. De grondprijzen van sommige steden stijgen sterk, vooral die van Amsterdam. Prijsverschillen zijn de afgelopen twintig jaar meer dan verdubbeld. Amsterdam is zowel productie- als consumptiestad. De prijs van de grond in het centrum van Amsterdam is inmiddels tweehonderd maal hoger dan in Oost-Groningen. Anders gezegd, door het maatschappelijk gewenste pakket publieke voorzieningen aan te bieden kan een stad mensen aan zich binden en de grondwaarde doen stijgen. Dat is wat Amsterdam zo goed doet en waarom ze door andere steden wordt benijd.

Twee jaar geleden publiceerden dezelfde auteurs een tweede studie, met als titel ‘Groei en krimp’ (2016). Daarin vroegen zij zich af waar we in Nederland zouden moeten bouwen en waar vooral niet. Die publicatie kreeg, ten onrechte, veel minder aandacht in de pers dan de eerste. Toch liggen beide in elkaars verlengde. Ik citeer: “Het proces van groei en krimp is een nieuwe fase ingegaan: een fase die gepaard zal gaan met scherpere tegenstellingen in regionale ontwikkeling.” Volgens de auteurs is er maar één optie voor de overheid: ‘go with the flow.’ “Bouw daar waar er vraag naar is.” Daartoe berekenden ze de marktwaarde van alle opstallen in heel Nederland. Is die marktwaarde hoger dan de bouwkosten, dan is het verstandig om te bouwen, anders niet. Met behulp van meer dan één miljoen huizentransacties over de afgelopen twintig jaar berekenden ze de meerwaarde tot op postcodeniveau. En wat bleek? Ongeveer de helft van alle woningen in Nederland is op de juiste plek gebouwd. De andere helft niet. Daarmee zijn veel kosten gemaakt, die nooit meer zullen worden terugverdiend. En veel woningen blijken in een veel lagere dichtheid te zijn gebouwd dan economisch gerechtvaardigd. De belangen van projectontwikkelaars, concluderen zij, lopen niet parallel met de economische belangen. Waar zou je in en rond Amsterdam moeten bouwen en in welke dichtheid? Teulings in Het Parool van 5 maart 2017: overal rond Amsterdam, maar niet in Almere. Op maandag 26 maart 2018 spreekt Teulings zijn Amsterdamlezing.

Tagged with:
 

Adelheid Roosen als burgemeester

On 20 maart 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Amsterdam, op 19 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor adelheid roosen de oversteek

Foto: Zina

De zwerver voor haar voordeur heette Jan. Toen de politie hem uit haar portiek wilde halen, ontfermde Adelheid Roosen zich over hem. Jan werd lid van het bewonersoverleg. Hij kreeg als taak om de voordeur te schilderen. Jan koos voor bordeauxrood. Maar het afschuren en lakken duurde eindeloos. Roosen (1958) vertelde er prachtig over tijdens de vierde Amsterdamlezing van dit jaar. In diezelfde lezing vertelde ze over haar overbuurman die elke avond als hij naar bed ging de gordijnen sloot met de tandenborstel in zijn mond. Op een avond belde ze bij hem aan en stelde voor om een nacht bij hem door te brengen. Wat ze vervolgens ook deed. Voor haar was het een experiment geweest. Verschil tussen theater en het normale leven is er niet bij, bij regisseur en theatermaker Adelheid Roosen. Een schouwburg is voor haar gewoon een droge plek om te acteren. Alles draait om menselijk contact, om ontroering, om nieuwe mogelijkheden te verkennen. Contact met anderen noemde ze vormend, dat wist ze zeker. Anderen vormen jou, jij bent niet wie je bent. Ze raadde aan om Emmenuel Levinas te lezen. ‘Ware schoonheid zit in kleine dingen’. Indrukwekkend was haar verhaal over het avontuur met een criminele motorbende in Mexico-stad die ze had gevraagd om in haar wijksafari om te treden. Hoe het was om veertien dagen lang met moordenaars op te trekken? Ze wist wie ze tegenover zich had, maar oordelen deed ze niet.

Het fragment dat ze vertoonde was uit de film over De Oversteek, het toneelstuk dat in zeven schouwburgen in zeven steden was opgevoerd en waarbij telkens honderd gewone burgers het toneel op waren geklommen om zich vervolgens in pyjama te hijsen en er de nacht door te brengen. Maanden hadden de deelnemers geoefend, Roosen en Muizelaar hadden “als kinderen van 6” bij de mensen aangebeld om ze voor de voorstellingen te werven, elke nacht was weer totaal anders geweest. Mensen die nog nooit in het theater waren geweest, speelden nu rollen in ‘Dantons dood’ bij Toneelgroep Amsterdam in de regie van Johan Simons. Het publiek moest maar zien wanneer het vertrok, maar het mocht ook blijven slapen. Het was een enorme operatie geweest, een helse operaproductie. Kijk: https://www.youtube.com/watch?v=QxjM8eY2uQw Stel, Adelheid, ze vragen je om burgemeester van Amsterdam te worden. Zou je dat doen? Waarop de zaal losbarstte. Jazeker! Dit is wat ze zou doen als ze burgemeester werd van Amsterdam: iedereen mag blijven slapen in de Stopera, dat spreekt vanzelf. Er komt een ‘liefdespolitie’ en er wordt een team van dertig burgers geïnstalleerd die alle regels in de stad inventariseren en zoveel mogelijk verwijderen. Roosen wil de mensen bevrijden uit ‘het systeem’, ze is ervan overtuigd dat Amsterdammers lief zijn voor elkaar. Waar had ik dat ook alweer eerder gehoord? Volgende week spreekt econoom Coen Teulings. Mis het niet!

Tagged with:
 

Alles is mogelijk

On 18 maart 2018, in kunst, participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 7 juni 2017:

Afbeeldingsresultaat voor adelheid roosen wijksafari

In 2012 begon ze in Amsterdam Slotermeer. Daarna volgde Mexico-City. Toen de Utrechtse wijken Ondiep, Overvecht en Zuilen, de Mexicaanse grensplaats Ciudad Juárez, Banne en Floradorp in Amsterdam Noord, in mei 2015 volgde de Bijlmer. Voor haar ‘adoptiemethodiek’ ontving theatermaakster Adelheid Roosen op 23 oktober 2017 in New York de drie-jaarlijkse ‘Gilder/Coigney International Theatre Award’ van de ‘League of Professional Theatre Women’. Komende maandagavond 19 maart 2018 vertelt ze over haar wijksafari’s tijdens de Amsterdamlezing in de theaterzaal van CREA op Roeterseiland. Wat gebeurt er in de wijken die ze bezoekt? Hoe beleven bewoners en bezoekers de door haar ontwikkelde werkwijze? Hoe maken wij stedelingen weer contact? Bij elke wijksafari worden theatermakers twee weken geadopteerd door bewoners in sociaal kwetsbare wijken om het contact met de ander te verdiepen en levensverhalen te verzamelen. Theatermakers doen mee in de dagelijkse routine van de ander. Op basis van dit verblijf maakt elk koppel een theaterscène, die ze tijdens de Wijksafari thuis opvoeren. Door twee weken met elkaar te leven, ontstaat een band en vriendschap tussen mensen. Bij de Wijksafari draait het om intiem contact. Roosen: "Het contact is het geluk."

Samen met Johan Simons deed ze in 2014 een grote theaterproductie rond Georg Büchners klassieker over de Franse Revolutie in de Amsterdamse Stadsschouwburg. In De Oversteek nam ze honderd wijkbewoners mee naar de schouwburg op het Leidseplein, waar ze met slaapzakken en matjes de nacht doorbrachten op het toneel. Idee: schouwburgen omtoveren in buurthuizen. Tegenover de redactie van Ons Amsterdam zei ze: “Ik heb een enorme ruimtelijke beleving van de dingen om mij heen en ik zie nooit beren op de weg. Alles is mogelijk en als iets niet lukt heb ik geen gevoel van verlies. Ik hou er ook van om zandkastelen op het strand te bouwen, die bij vloed weer wegspoelen. Niets is blijvend. ‘Maak de wereld elke dag zoals jij hem wilt zien’, zei Gandhi. Die filosofie is in de loop der jaren in mij gaan wonen."  Wat ik zo graag aan haar wil vragen: is luisteren echt zo belangrijk voor mensen? Hoeveel tijd nemen wij voor elkaar? Wat is er mis met onze steden? En wat is ze van plan met onze straten? Zouden we onze steden niet heel anders moeten inrichten? Kunnen we de openbare ruimte niet veel beter programmeren? Iemand als Adelheid Roosen zou daar toch ideeën over moeten hebben. Meld je snel aan: http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen-uva.html

Tagged with:
 

Grootheidswaan

On 16 maart 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in FD van 10 februari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor pearl river bay area plan

Bron: Asia Briefing Ltd.

In ‘Hongkong is op zoek naar een identiteit’ schreef Marcel de Boer niet zozeer over Hongkong als wel over de Greater Bay Area: de elf Chinese steden waaronder Hongkong die samen de Pearl River Delta vormen. De Bay Area, aldus zijn artikel in het FD van zaterdag 10 februari, verwijst naar een idee van de Chinese president Xi Jinping om alle steden in de delta van de Pearl River door middel van infrastructuur aan elkaar te smeden. Zo moet een metropool ontstaan met een economische productie van 1400 miljard dollar, “vergelijkbaar met de Zuid-Koreaanse economie en groter dan de Australische en Russische.” De steden, aldus De Boer, moeten stoppen met elkaar te beconcurreren en regels beter op elkaar afstemmen. Elke stad dient zich te specialiseren, waarbij Hongkong de logistieke en financiële dienstverlening moet gaan regelen. Er mag geen ‘drakenkopstad’ ontstaan, zo lees ik ook. Dat is een stad die alle bedrijvigheid opslokt. Elk van de elf steden moet beheerst groeien. “Xi denkt graag groot,” citeert De Boer Charles Ng, onderdirecteur van Invest HK. Naast de brug-tunnel tussen Macao en Hongkong wordt de hogesnelheidstrein tussen Hongkong en Shenzhen gezien als symbool van de nieuwe metropolitane ambitie. “Het wordt een metropool van wereldklasse,” stelt econoom Yifan Hu in het FD.

De ambitie van de Nederlandse regering, vastgelegd in de Ruimtelijk-Economische Ontwikkel Strategie (REOS), om de vier grote steden in de Randstad en het Brabantse Eindhoven tot één metropool aaneen te smeden doet sterk denken aan het Chinese plan. Ook in Nederland mag geen ‘drakenkopstad’ ontstaan. Amsterdam moet dimmen. Nieuwe infrastructuur en duidelijke afspraken tussen de steden in het westen en zuiden zullen verhinderen dat één van hen straks alle bedrijvigheid naar zich toe trekt. Een typisch staaltje verdeel-en-heerspolitiek, net als in China. Zo’n plan is uiteraard tot mislukken gedoemd, dat heeft de geschiedenis van de ruimtelijke planning genoegzaam geleerd. Steden hebben hun eigen dynamiek. Hoe groot is de Chinese Bay Area? Van Guangzhou naar Hongkong gemeten is de afstand 130 kilometer, van Macau naar Hongkong 65 kilometer. Die afstanden zijn vergelijkbaar met het Nederlandse schema. Alleen telt Guangzhou op tot 15 miljoen, Shenzhen 13 miljoen, Macao 600.000 en Hongkong ruim 7 miljoen inwoners. In totaal omvat de Bay Area 68 miljoen inwoners, over veertien jaar zullen dat er 86 miljoen zijn. Dat is toch echt wat anders dan de Randstad. Onze grote steden zijn aandoenlijk minuscuul, waar hebben we het eigenlijk over? Eerder doet het Chinese plan denken aan Londen en Parijs aaneengesmeed door een tunnel en HSL. Ik zou zeggen, laten we in Nederland eerst een echte stad bouwen, in plaats van nog meer infrastructuur.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘La haine de la ville’ (2001) van Bernard Marchand:

Afbeeldingsresultaat voor paris et le desert francais

Amsterdam laten groeien, dat gaat ten koste van de andere steden, dat is niet goed. Dan ontstaat één grote stad, die alle andere opeet. Met die stelling wijzen sommige van mijn collega’s me terecht. Ze pleiten voor een ‘meer gebalanceerd geheel van steden,’ of zoals het Rijk schrijft in REOS en Agenda Stad: “door te verbinden in stedennetwerken bundelen steden hun krachten.” Zulke omfloerste beleidstaal doen me denken aan ‘Paris et le désert français’ (1947), het boek van Jean-Francois Gravier dat we tijdens de studie geografie eind jaren zeventig moesten lezen. Parijs, schreef de jonge Gravier, gedroeg zich als een monopolist, die alle andere Franse steden opslokte. Met zijn ‘tentakels’ vrat hij aan alles, de agglomeratie leek op een monster. De andere steden kregen van haar geen kans. De wijze waarop de hoofdstad zich gedroeg was zelfs meedogenloos, nee koloniaal. Gravier scoorde er politiek mee in Frankrijk, maar dat gebeurde pas na het verschijnen van de tweede druk, in 1958. Niet alleen president De Gaulle liep weg met ‘Le Désert’, maar zeker ook de latere presidenten. Zelfs in 1972 verscheen er nog een nieuwe druk van zijn boek. In Nederland gonsde het na, want ook wij zaten gevangen in de ruimtelijke spreidingsdoctrine. Maar wetenschappelijk deugde het boek allesbehalve. Bernard Marchand schreef er over in ‘La haine de la ville’ (2001). Gravier bleek een rechtse nationalist, een meeloper met het regime van Pétain, Gravier haatte de grote stad. Zijn stellingname, aldus Marchand, klopte van geen kanten.

Parijs was helemaal niet te groot en zou, ondanks alle naoorlogse decentralisatiebeleid, nog veel groter worden. De andere steden deden het gewoon slechter. Maximilien Sorre wees daar al in 1961 op. Het viel Marchand op hoe Gravier tendentieus met woorden speelde. Hij pleitte voor een ‘harmonieuze ontwikkeling’, voor het ‘herstel van evenwicht’, hij schreef over de ‘Parijse inflatie’, de ‘hypertrofie van de hoofdstad’. Zijn berekeningen van de bedragen die Parijs van de regering méér ontving dan de rest van het land bleken achteraf niet te deugen. Gravier berekende ook de optimale en maximale omvang van een stad: volgens hem was dat twee miljoen inwoners. Volgens Marchand was dat grote onzin. Het huidige Parijs van ruim 10 miljoen inwoners functioneert uitstekend, zelfs beter dan ten tijde van Lodewijk XIV, toen Parijs slechts 400.000 inwoners telde. Alles wat Gravier beweerde, schreef Marchand, was een anachronisme. De Franse kwaliteitskrant Le Monde kwam er in 2008 nog eens op terug. Gravier, schreef zij, was utopisch, excessief, neigend naar autoritarisme. De beweging waarvan hij deel uitmaakte wilde de mensen terugbrengen naar het platteland. Daar was ruimte, de natuur mooier, de lucht schoner, het leven beter. Het zou de naoorlogse Franse ruimtelijke ordening tekenen, en ook die in Nederland, zelfs tot op de dag van vandaag. De krant vroeg zich af hoe Frankrijk eruit zou hebben gezien als dat ruimtelijke ordeningsbeleid zich niet had voltrokken. U mag het raden.

Tagged with:
 

Afval, ons grote probleem

On 22 februari 2018, in afval, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Universiteit van Amsterdam, op 19 februari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor wastelands kadir van lohuizen

Hij was wel klaar met leuke rubriekjes en onschuldige foto’s in kranten en magazines. ‘Wastelands’ is een fotografieproject dat hij samen met The Washington Post initieerde. Ook daar, op de redactie, ervoer hij nieuw engagement. Wat te denken van de slogan van The Post: ‘Democracy dies in darkness’? Die was door eigenaar Jeff Bezos al gekozen voor de komst van Trump. Sindsdien is het alleen maar activistischer geworden. De Amsterdamse fotograaf Kadir van Lohuizen vertelde afgelopen maandagavond hoe hij op het idee was gekomen om afval in zes wereldsteden te fotograferen. Op het grote scherm in de zaal projecteerde hij zijn foto’s, films en dronebeelden van vuilnisbelten en verbrandingsinstallaties in Jakarta, New York, Tokio, Sao Paulo, Lagos en Amsterdam. Voor zijn project, zei hij, had hij naar een ‘mondiale balans’ gezocht. Het zag er fantastisch en tegelijk luguber uit. Het idee was ontstaan toen hij in de Stille Zuidzee plastic had zien ronddrijven. Waar komt al dat plastic toch vandaan? Een paar maanden later liet hij zijn drone op boven de grootste vuilnisbelt ter wereld, in de periferie van Lagos. Het Afrikaanse Lagos noemde hij de spannendste en meest apocalyptische stad op aarde. Het afval stonk daar trouwens minder dan in Jakarta. Dat kwam doordat de Afrikanen geen voedsel weggooien. Wat de mensen daar niet zelf eten, voeren ze aan de varkens en kippen. Trouwens, van alle afvalstromen bestaat nauwelijks een overzicht.

Plastic, zei Van Lohuizen, was een onopgelost probleem. Uiteindelijk verdwijnen restanten toch in zee. In Sao Paulo had de overheid geprobeerd om de verstrekking van plastic zakjes te verbieden, maar dat bleek vergeefs. Van de zes steden produceert New York het meeste afval. Daarvan wordt veel geëxporteerd. Vuilnisbelten zijn overvol. Steden gaan hun afval nu verbranden. Tokio is daarin het verst. Meer dan twintig verbrandingsinstallaties telt deze miljoenenstad. Bij elk ervan is een zwembad waar de Japanners is het warme water van de ovens kunnen baden. China is trouwens een netto-ontvanger van afval uit de hele wereld, maar dat draaien de Chinezen langzaam terug. Afvalscheiding zou al helpen, maar elke stad staat daar anders in. In New York zijn het mannen die langs de weg de vuilniszakken nalopen, op zoek naar flessen met statiegeld, maar wat zij doen is illegaal. In Sao Paulo worden zulke mensen juist beloond en in Tokio zijn het de bewoners zelf die alle afval nauwgezet sorteren. Op het niet-scheiden staat daar een hoge boete. Veel vragen kreeg Van Lohuizen uit de zaal over waarom wij van ons afval zo vervreemd zijn geraakt. Niemand is in afval geïnteresseerd. Mensen lijken ook niet meer het gevaar te voelen, wij maken ons er totaal geen zorgen over. Misschien is dat wel ons grootste probleem.

Tagged with:
 

Amsterdamse nacht als exportproduct

On 16 februari 2018, in cultuur, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 5 februari 2018:

Gerelateerde afbeelding

De datum van de verkiezing van de nieuwe nachtburgemeester van Amsterdam,  eind februari, was met zorg gekozen. Vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart verwacht Mirik Milan van de politiek voor het nachtleven de meeste aandacht. Sinds 2012 is hij nachtburgemeester van de hoofdstad. Als hij iets goed kan dan is het praten en lobbyen. In de eerste Amsterdamlezing van 2018 wees de vertrekkende nachtburgemeeser op de concrete resultaten die hij met zijn acties had geboekt. Van de circa tachtig clubs die Amsterdam telt zijn er nu circa 25 lid van de Club van 100. De Club ondersteunt het instituut nachtburgemeester. Doel: de kwaliteit van het uitgaansleven verbeteren. Daarvoor, zei hij, moet de keten van clubs, festivals en mega-evenementen helemaal kloppen. Hij noemde dat de ‘creatieve footprint’. Amsterdam wordt te duur. De prijzen die men tegenwoordig rekent vormen een regelrechte bedreiging. Met de 24-uursvergunningen had hij misschien wel de belangrijkste winst geboekt. Deze vergunningen bieden de stad grote voordelen: mensen staan na sluitingstijd niet meer massaal op straat. Minder kans dus op geschreeuw, vernielingen en herrie. Wel vond hij het jammer dat de vergunningen uitsluitend zijn verstrekt voor locaties buiten het centrum. In het centrum van Amsterdam zou dit ook mogelijk moeten zijn. Overigens bieden de verschillende locaties meer dan muziek en dans alleen. Gedurende een etmaal vinden tal van activiteiten plaats. In New York komt nu ook een nachtburgemeester. Met Bill de Blasio had hij er gesprekken over gevoerd.

Iemand in de zaal merkte op dat steden als New York echt niet zitten te wachten op innovaties uit het ‘dorp Amsterdam’, maar Milan bestreed dat. In zijn termijn had hij een groot aantal metropolen op bezoek gehad en was hij ook op tal van steden in de wereld uitgenodigd geweest. Amsterdam loopt met het organiseren van het nachtleven gewoon voorop. Zo wees hij op het enorme succes van Amsterdam Dance Event en vertelde hij over de Night Mayors Summit die hij in 2016 organiseerde. Uitvoerig stond hij stil bij de gecoördineerde acties rondom het Rembrandtplein. Met betere verlichting, het weren van auto’s ‘s nachts, straatcoaches en een buurtapp is er 25 procent minder geweld en 30 procent minder meldingen van overlast. Alles bij elkaar had 4 ton gekost, waarvan een derde door de horeca-ondernemers was betaald. Verder had hij zich ingespannen om het nachtleven vrouwvriendelijker te maken. Dat vergt nachtportiers die meer op de veiligheid van vrouwelijke bezoekers letten en meer vrouwen in de leiding van de clubs. Wat hij na zijn nachtburgemeesterschap ging doen? Dan gaat hij andere steden adviseren over hoe ze hun ‘creatieve footprint’ kunnen verbeteren. De Amsterdamse nacht wordt een exportproduct.

Tagged with: