New Tokyo Story

On 16 juni 2018, in internationaal, by Zef Hemel

Saturday 23 June 2018, Pakhuis de Zwijger Amsterdam:

Afbeeldingsresultaat voor new tokyo story amsterdam

Genre: Urban Conference

Living cities are constantly transforming. While historically the cause and dynamic of this transformation varies per city, globalization has gradually changed site-specific factors into more common, comparable elements. Every major city in every country is involved in an international competition to attract investment, international companies and young, high-quality human resources, while most mature developed societies face an aging population and rapid urbanization. This global dynamic has become undeniable and is a substantial cause for the physical and social transformation of cities. We are not here to criticize this dynamic. Our concern is to make the best of the situation.

With its extreme concentration of population and economic and political activity and its extreme level of aging, Tokyo forms a fascinating urban laboratory with which to investigate and understand the current trend. In this symposium, we have invited Tokyo-based specialists – academics and practitioners – to give a comprehensive explanation of these symptoms of Tokyo’s transformation and of the ways in which the government, companies, and citizens manage its urban future. Amsterdam, a small global city with 2.5 million inhabitants, can learn by examining Tokyo, the world’s biggest city with 38 million inhabitants, and can draw inspiration for new ways of dealing with practical, local knowledge through holistic intervention in a high-dynamic urban fabric under the pressure of globalization. 

PROGRAMME

History, Framework and Transformation 

9:30 Opening public programme Zef Hemel
University of Amsterdam 

9:45 Struggling Cities Naohiko Hino
Architect, historian 

10:45 Transformation of Terminal stations Masakazu Ishigure
Tokyo University of Science 

11:45 Fiber City: Tokyo 2050 Hidetoshi Ohno
Emeritus Professor Tokyo University 

Next Inner-city Culture and Development

14:00 Forth Stage Consumer Atsuhi Miura
Sociologist, marketing researcher 

15:30 Inner city development cases Shu Yamamura
Waseda University 

16:30 New working relationship 
Authorities, companies, and citizens Junko Kunihiro
Oume city coordinator 

17:30 Closing Moriko Kira
Architect, Amsterdam/Tokyo 

 

INITIATORS AND SPEAKERS 

Zef Hemel (b. 1957) is an urban planner and professor of Urban and Regional Planning at the University of Amsterdam. Since 2014, he is also strategic advisor to the Amsterdam Economic Board. From 2001 to 2004 he was director of the Rotterdam Academy of Architecture and Urban Design. In 2004, he joined the board of Amsterdam’s Urban Planning Department. He published ‘Het toekomstig landschap van de IJsselmeerpolder’ (1994), ‘Creative Cities! (2002), ‘De toekomst van de stad’ (2016), and ‘Dream your own future’ (2017). 
zefhemel.nl | Facebook

Moriko Kira (b. 1965) is an architect, has lived in Amsterdam since 1992 and her office operates both in Europe and Japan. Beside her architectural practice she writes books, essays, and curates exhibitions. She published ‘Finding Architecture’ in 2013. In 2010, she was appointed as a professor at Kobe Design University in Japan. In 2004-2010 she was a member of Amsterdam’s Design Committee.
Morikokira.nl | Facebook

Naohiko Hino (b. 1971) is an architect, Head of Hino Architect’s Office. Beside wide-ranging architectural and urban planning work, he is a leading writer, critic, and historian in Japan. Recent publications include two books on Arata Isozaki, one of Japan’s prominent postwar architects, and ‘Is Urban Design Necessary in Japan’. In 2013, he developed the ‘Struggling Cities: From Japanese Urban Projects in the 1960s’ touring exhibition. 
hino.nu

Masakazu Ishigure (b. 1986) is an urban historian and Assistant Professor at the Department of Architecture at Tokyo University of Science. In 2016 he published ‘Tokyo Rising from the Postwar Black Markets: SHINJUKU, IKEBUKURO, and SHIBUYA after 1945’. In this book, he conducted extensive research on the history of Tokyo railway stations and neighbourhoods. 
Facebook

Hidetoshi Ohno (b. 1949) is Emeritus Professor at the University of Tokyo and the Principal of architectural firm APL design workshop. He has designed numerous architectural works and has been awarded major prizes. He published ‘Fibercity Tokyo 2050’ in 2006, which was welcomed with widespread international debates. The updated publication in 2016 ‘Fiber City, A Vision for Cities in the Age of Shrinkage’ proposes a new theory of urbanism for shrinking cities in the post-industrial era, connecting ‘fiber units’ in the city to redesign the information, transportation, and industrial networks, as well as the landscape. 
APL design workshop | Fibercity 2050

Atsushi Miura (b. 1958) is a sociologist, marketing researcher, and writer. He conducts research on consumer society, family, youth, social class, cities (especially on the transformation of suburbia) and other aspects of modern life. As a futurist, he proposes what he calls ‘social design’. His publications include ‘Lower-Class Society’, ‘Tokyo is Being Shrunk from the Suburbs’, and ‘The Rise of Sharing: Fourth-Stage Consumer Society in Japan’. http://culturestudies.jp 

Shu Yamamura (b. 1980) is an urban planner and researcher. He is an assistant professor of Planning at the Department of Architecture at Waseda University, Tokyo. His research interests lie at the crossroads of interdisciplinary research between urban planning and social sciences. Current research projects and interests relate to creative industry clusters in Tokyo, knowledge-city policies, inner city problems and revitalization, and urban structural transformation of the Tokyo Metro Area. 

Junko Kunihiro (b. 1976) is the town manager of Ome City Center Vitalization Council since 2013. Authorized by local government and Chamber of Commerce and Industry, she organizes the area-management team and plans and operates various projects to solve regional issues and improve the function of the depressed city center. Graduated from Keio University in economics in 1999, she worked in the Bank of Japan, Research, and Statistics Division for 4 years. After she graduated from Tokyo University of Science in an architectural course in 2007, she changed her career to architectural and urban management. In 2010-2012, she worked as a vice president of Chinese local design company in Beijing. 
Facebook | hclab. | Instagram

This event is free to visit with your Festival Pass. Go to our ticket page for more information.

Tagged with:
 

Groenvisie

On 15 juni 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in het Amstelpark te Amsterdam op 7 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor tuinbazen amstelpark

Bron: Ketter en Co

Per 1 september aanstaande zullen alle 150 tuinmannen van Amsterdam worden ondergebracht in één afdeling, de afdeling Groen, Flora en Fauna, onderdeel van de nieuwe dienst Stadswerken. Als voorbereiding op de reorganisatie, die het gevolg is van de opheffing van de stadsdelen, kwamen de medewerkers vorige week bij elkaar in het Amstelpark in Buitenveldert. In het dagprogramma, dat was ontwikkeld door Irene Fortuyn van Ketter en Co, verzorgde ik een onderdeel. Het ging over het genereren van collectieve intelligentie, dit keer met tuinmannen. Het betrof een korte wandeling van telkens een kwartier met vijftien tot dertig heren. Tijdens die wandeling stelde ik één vraag aan Geertje Wijten, beleidsmedewerker Groen bij de gemeente Amsterdam: wat betekent de Zuidasontwikkeling voor het Amstelpark?, of, anders gezegd: hoe kan het groen meer profiteren van stedelijke groei en verdichting? Alle antwoorden in elke ronde zouden worden gegeven door de ‘tuinbazen’ zelf. Geertje fungeerde daarbij als ontvanger. Op deze wijze probeerden we de kloof tussen ‘beheer’ en ‘beleid’ te overbruggen. Aan dynamiek in de gesprekken ontbrak het zeker niet, dat kwam ook door het mooie weer. Elk gesprek was weer totaal anders. De timing was perfect, want er was juist een nieuw college van B&W aangetreden en Geertje stond voor de opgave een nieuwe Groenvisie te maken.

Dit is de oogst: de stad groeit, er stroomt veel geld de stad binnen. Amsterdam wordt drukker, dus het groen wordt belangrijker. De portefeuille Groen in het College is marginaal en moet centraler, dus verdient meer aandacht van de politiek. Er is wel een vriendenclub rond elk park afzonderlijk, maar het ontbreekt aan een krachtige stedelijke lobby. Het begint met het groenbeheer, de basis moet eerst op orde, er is jaren bezuinigd op het beheer, niveau A is niveau B geworden, niveau B is eerder niveau D. Het gaat niet alleen om de parken, ook het buurtgroen is belangrijk. Een tuinman heeft contact met de buurtbewoners, dat is een groot goed. Er mag geen te groot verschil zijn tussen parken in het centrum en de Zuidas en die in de lobben, want iedere Amsterdammer heeft recht op een hoge kwaliteit groen.  Het Amstelpark is nu al weelderig vergeleken bij de andere parken. Juist in de lobben is de kwaliteit van het groen mager. Een deel van de toeristenbelasting zou naar het onderhoud van het groen moeten. De EMA (het nieuwe Europees Agentschap voor Medicijnen) zou een kruidentuin in het Amstelpark moeten adopteren. Het idee om de Hortus naar het Amstelpark te verhuizen is nog steeds fantastisch. De oude kabelbaan tussen het Beatrixpark en het Amstelpark zou in ere moeten worden hersteld om toeristen uit de hotels naar de parken lokken. Festivals horen niet in een park. Maak van het Amstelpark een Keukenhof, dan komen de toeristen zeker.

Tagged with:
 

Olympische tuinbazen

On 9 juni 2018, in geschiedenis, by Zef Hemel

 

Gehoord in het Amstelpark te Amsterdam op 7 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor olympische spelen amsterdam

 

Erik de Jong is hoogleraar Cultuur, landschap en natuur (Artis-leerstoel) aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen week sprak hij over de tuinen van Kyoto, Japan, in de Oranjerie van het Amstelpark op een zonovergoten donderdagochtend. Zijn gehoor: de honderdvijftig tuinmannen van Amsterdam, ook wel ‘tuinbazen’ genoemd. Na veertig jaren waren ze herenigd in één afdeling ‘Groen, Flora en Fauna’ van een op te richten dienst ‘Stadswerken’. Ze kwamen bij elkaar om te praten over hun werk in het licht van de toekomst van de stad en de rol daarin van het groen. Ketter & Co, het bureau van kunstenaar Irene Fortuyn, had het dagprogramma samengesteld. In de wandelgangen sprak ik De Jong over Japan, hij vertelde me over de sterke Amerikaanse invloed op de naoorlogse Japanse samenleving, de vreemde mix van westerse en oosterse culturen die dit had opgeleverd, de verspillende wegwerpmaatschappij en de problemen van het plastic afval die hierdoor nergens zo groot zijn als in Japan, de enorme invloed van de kernramp bij Fukushima op de Japanse politieke agenda, en zo kwamen we ook op de Olympische Spelen van 2020 die in hoofdstad Tokio zullen worden gehouden. De historicus De Jong herinnerde aan de geweldige impact die de Spelen in 1964 op de Japanse metropool hebben gehad. Hij hoopte op een soortgelijke impact in 2020, op niet minder dan een ommekeer in het verspillende denken van het snel verouderende Japan. Door de Olympische Spelen, vond De Jong, moest Japan terugkeren naar zijn culturele wortels.

Dit bracht ons bij de impact die de Olympische Spelen van 1928 op Amsterdam moeten hebben gehad. Uiteraard riep De Jong de voltooiing van het plan van H.P. Berlage voor Amsterdam-Zuid in herinnering, maar toen ik het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam van 1934 van Cornelis van Eesteren en Theo van Lohuizen een rechtstreeks uitvloeisel noemde van de Spelen van 1928 keek hij me niet begrijpend aan. De motie van Wibaut waarin om de oprichting van een Stedenbouwkundige Dienst voor Amsterdam was gevraagd, lichtte ik toe, was eind 1927 bij de gemeenteraad ingediend. Al jaren was er door het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw gelobbyd voor zo’n goed geoutilleerde dienst, die in de hoofdstad een uitbreidingsplan moest helpen voorbereiden, maar het was er steeds niet van gekomen. Door het elan en het enorme optimisme als gevolg van de Olympische Spelen echter werd de lokale politiek eindelijk vatbaar voor het idee. Nota bene vanuit de oppositiebanken wist raadslid Wibaut het gemeentebestuur in februari 1928 aan te zetten tot de oprichting van een Afdeling Stadsontwikkeling. Vijf jaar later was het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam gereed: een grandioos toekomstplan voor een uiterst moderne metropool van 960.000 inwoners. Parken en plantsoenen vormden daarvan een belangrijk onderdeel. Al die tuinmannen tot wie De Jong zich daar in het Amstelpark richtte, waren in feite een uitvloeisel van die Spelen van 1928.

Tagged with:
 

Nieuw-Amsterdam

On 7 juni 2018, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord bij BNR Nieuwsradio te Amsterdam op 5 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor cushman & wakefield nieuw-amsterdam

Bron: Cushman & Wakefield

Begin deze week begon de Provada, de grote vastgoedbeurs in de RAI in Amsterdam. Provada groeit, maar is nog net iets kleiner dan de MIPIM in Cannes. Ze noemt zich de tweede vastgoedbeurs van Europa. Direct op maandag ging er een persbericht uit van Cushman & Wakefield, wereldwijd adviseur in commercieel vastgoed. De kop luidde: ‘Nieuw-Amsterdam’. Die dag zou directeur Jeroen Lokerse een Visie Nieuw-Amsterdam overhandigen aan Jan van Zanen, burgemeester van Utrecht, tevens voorzitter van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Nieuw-Amsterdam bleek een oproep tot het samenvoegen van de steden in de Randstad tot één grote stad met één bestuur “die een integrale visie op woningbouw, leefbaarheid, duurzaamheid en infrastructuur ontwikkelt en van daaruit richting geeft aan versterking van de internationale positionering van Nederland en de optimale afstemming tussen wonen, werken, verkeersstromen, toerisme, opleiding en infrastructuur.” Het bedrijf hoopte dat Van Zanen het debat hierover zou willen entameren en een onderzoek zou starten naar “mogelijke agglomeratievoordelen van Nieuw-Amsterdam, een stad die bij samenvoeging meer dan 7 miljoen inwoners telt.” Gaat Van Zanen dat werkelijk doen?

Die ochtend nog zat ik, samen met Peter Savelberg, in de uitzending ‘Ask me anything’ van BNR Nieuwsradio om een uur lang over de toekomst van de Randstad te praten. In het programma riep Jörgen Raymann de luisteraars op om vragen aan ons te stellen. Dit keer mochten de luisteraars ook suggesties doen en ideeën leveren voor zo’n Nieuw-Amsterdam. Wat bleek? De suggesties stroomden op Facebook en Twitter binnen, mensen uit het hele land belden. Het onderwerp leeft sterk, het waren uitsluitend mannen die belden, er kwam een vrachtwagenchauffeur aan het woord die vertelde dat hij net over de grens met België en Duitsland echte grote steden als Brussel en Keulen had aangetroffen, soms wel met twee miljoen inwoners, maar dat Nederland zulke grote steden niet kende, wat hij heel merkwaardig vond. Veel mensen gaven aan dolgraag in Amsterdam te willen wonen. Iemand stelde voor om de nieuwe stad ‘John Cruijff City’ te noemen. Maar het mooiste telefoontje kwam uit Tokio, Japan. Dat gebeurde nadat ik in de uitzending de vergelijking met Tokio had gemaakt. De vragensteller zei dat hij al zeker veertien jaar in Tokio woonde en dat hij met een Japanse vrouw was getrouwd. Hij werkte in de financiële sector, waar hij een goed salaris verdiende. Tokio vond hij duur, maar ook leefbaar, iedereen fietste er en gebruikte het openbaar vervoer, er was geen criminaliteit, wel georganiseerde misdaad, de straten waren schoon, maar het was wel allemaal ‘beton’ en de metro puilde uit. Dus begreep hij niet dat Tokio nastrevenswaardig zou zijn. Wel moest hij toegeven dat hij al veertien jaar naar volle tevredenheid in de Japanse megastad woonde en werkte. Daarna verbrak Raymann de verbinding. De vorige uitzending, zei hij me, belde er iemand uit Groenland.

Tagged with:
 

Superblocks in opmars

On 2 juni 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Barcelona op 30 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor superblocks barcelona

 

Barcelona, met 1,6 miljoen inwoners tweemaal zo groot als Amsterdam, dringt de auto effectief terug uit de stad. Uit het historische centrum met zijn nauwe straatjes is de automobiel al grotendeels verdwenen. Nu volgt de negentiende eeuwse gordel – de Eixample. De strategie gaat uit van zogenoemde ‘Superblocks’. Binnen het grid van stedenbouwkundige Cerda worden telkens negen blokken bij elkaar gevoegd en autovrij gemaakt. In totaal wordt er aan het autovrij maken van liefst negen van deze ‘Superblocks’ tegelijk gewerkt, elk in een ander tempo, in totaal gaat het om 81 blokken van de in totaal 520 blokken. Elk blok meet 113 meter bij 113 meter, de straten zijn 20 meter breed. Het is een kwestie van experimenteren en uitproberen en de bevolking raadplegen – sommige autorijders verzetten zich hevig -, maar uiteindelijk zal een groot deel van Barcelona van autoverkeer worden bevrijd. Een fijnmazig bussysteem over de hoofdaders komt ervoor in de plaats. We bezochten er afgelopen week de eerste, in de buurt van Poblenou, aan de zeekant van Avenida Diagonal. Ik bevond me in een denktank van experts uit de Nederlandse zorgsector en wonen die zich buigen over de toekomst van het zorglandschap in een vergrijzende samenleving: Archizorg. Dit was een model dat ons aansprak. Terwijl de dichtheid in elk van de blokken stevig wordt opgevoerd tot een formaat en hoogte die onze Nederlandse steden helaas niet kennen, kwamen we een uur lang bijna geen auto meer tegen. Onvoorstelbaar, maar het kan.

Van degene die ons rondleidde begreep ik dat het autovrij maken van zo’n stadsdeel gepaard gaat met verhevigde gentrificatie en snelle grondwaardestijging. Kennelijk zijn er ontzettend veel mensen die graag in de grootstad willen wonen en werken, maar die ervan afzien omdat ze het drukke autoverkeer niet verdragen. Ineens is er speelruimte voor de kinderen, worden er parken aangelegd, wandelen drommen mensen ongehinderd door de stedelijke ruimte. De stadsgeluiden zijn ook anders, veel prettiger, het autolawaai is teruggedrongen naar de achtergrond, je kunt gewoon een straat oversteken. Nog even en 7 van de 13,8 miljoen vierkante meter asfalt tussen de blokken is voor de bewoners, niet langer voor het blik. Sinds de invoering is het autoverkeer met 26 procent afgenomen, wandelen met 10 procent toegenomen, fietsen met 30 procent gegroeid, het busvervoer toegenomen met 5,5 procent. En de grondwaardestijging? Die leidt tot meer hoogbouw en verdichting, dus stelt de gemeente vooraf eisen aan de private grondeigenaren binnen elk blok: ze mogen ontwikkelen mits 10 procent sociale woningen, 10 procent nieuwe parkruimte, 10 procent extra publieke voorzieningen: scholen, winkels, zorgvoorzieningen, moeten worden toegevoegd. Ze dienen ook bij te dragen aan de herinrichting van het asfalt. Marktpartijen betalen zo mee aan de verdichting en het leefbaar maken van de stad. Ook voor ouderen is dit de oplossing. Een mooi model voor de uitbreidingsgebieden buiten de Amsterdamse ring A10. Iets voor het nieuwe gemeentebestuur?

Drifting

On 28 mei 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum te Amsterdam op 21 mei 2018:

 Afbeeldingsresultaat voor studio drift stedelijk

 

Afgelopen week de expositie van het werk van Studio Drift in het Stedelijk Museum bekeken. Studio Drift is een veelbelovend Amsterdamse kunstenaarsduo wier werk ik nog nauwelijks kende. In ‘Coded Nature’ (te zien tot 27 augustus 2018) gaat het om “bewustwording van een veranderende maatschappij waarin de impact van technologie groot is, zonder hierover een oordeel te vellen.” Grote woorden, actueel thema, dat zeker. ‘Drifter’ (2017) vond ik vooral fraai. Het traag en vrij in de ruimte zwevende betonblok deed me denken aan de zwevende steen van Wim T. Schippers. Die steen trotseert de zwaartekracht met drie elektromagneten in de sokkel die kracht uitoefenen op magneten die in de steen zijn verwerkt. Zoiets bespeurde ik ook bij ‘Drifter’. ‘Zwevende steen’ verheft zich nauwelijks en is daardoor verrassend en geestig, ‘Drifter’ niet. De film ‘Drifters’ maakte veel duidelijk. “Drifters is een twaalf minuten durende film over een entiteit die zijn oorsprong en bestemming ontdekt, gesitueerd tegen de achtergrond van de Schotse Hooglanden. De vraag die rijst is: valt er voor het individu te ontsnappen aan het collectief?” Gek, maar die vraag stelde ik mij niet. Ik bespeurde eerder een onafwendbare verstedelijking, omineus verbeeld door middel van zwevende blokken die – als vliegende schotels –, afgetekend tegen een maagdelijk landschap, hermetisch in elkaar schuiven tot er geen ontkomen meer aan is. Niet grappig. Eerder ernstig en esthetisch.

Helemaal op het eind van de tentoonstelling zag ik een video van Floris Kaayk, een van de inspiratiebronnen van Lonneke Gordijn en Ralph Nauta, het duo dat Studio Drift uitmaakt. Die video was fantastisch. Ik bedoel niet The Modular Body, maar The Order Electrus. Daarin ontstaat in een vervallen industrielandschap een nieuwe insectensoort die zich razendsnel vermenigvuldigt. De film is vormgegeven als een natuurdocumentaire, maar let op, de nieuwe insect bestaat uit elektronisch afval en loopt op het eind de hele wereld onder de voet, het blijkt een ware plaag. De zeven minuten durende film is eng, aangrijpend, geestig nee hilarisch, en beslist niet esthetisch. Kaayk fabriceerde niet minder dan een moderne ‘Frankenstein’. In het thema bespeurde ik sterke verwantschap met ‘Drifters’ van Studio Drift, maar de ernst en esthetiek van de laatste stond me nu nog meer tegen. Ik vond het teveel ‘Eindhoven’ en te weinig ‘Amsterdam’. Mag ik dat zeggen? Nee, dan Floris Kaayk. Kijk zelf maar: https://www.youtube.com/watch?v=mH6lg2F3EiI

Tagged with:
 

Zo los je het woningvraagstuk op

On 9 mei 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen op de blog van James Gleeson op 19 februari 2018:

world_city_supply_chart

Bron: GLA, Housing in London 2017 Report

Terwijl de bevolking van Japan krimpt, groeide die van Tokio met bijna een miljoen inwoners tussen 2005 en 2015. Het lukt de Japanse megastad heel goed om al die nieuwkomers te huisvesten want woningbouw is hier al jaren politieke topprioriteit. Op zaterdag 23 juni organiseren Moriko Kira en ik een dag over Tokio in Amsterdam. Tijdens New Tokyo Story, onderdeel van WeMakeThe.City, zullen zes Japanse deskundigen verhalen komen vertellen over de nieuwste ruimtelijke trends in de Japanse megastad. Natuurlijk is alles anders in Tokio, maar tegelijk loopt Tokio zeker twintig jaar op Nederland vooruit als het gaat om nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. In dat kader las ik de blog van James Gleeson met meer dan gewone belangstelling. Met behulp van cijfers van drie Japanse instanties produceerde deze Britse blogger een helder overzicht van de woningmarkt van Tokio, uitgaande van de prefectuur Tokio die 13,5 miljoen inwoners omvat. Tokio zelf is bijna drie keer groter (38 miljoen). En kijk nou toch, de jaarlijkse woningproductie van Tokio is ronduit imposant: gemiddeld 155.000 nieuwe woningen elk jaar over de periode 1993-2015. Over de afgelopen vijftig jaar is de woningvoorraad van de stad gegroeid van 2,51 miljoen woningen naar 7,36 miljoen. Op elke vier nieuwe woningen werd er eentje afgebroken. Ook het aantal huishoudens nam toe, want de huishoudenverdunning zette door, maar de woningvoorraad groeide sneller.

Hoogbouw is sinds kort ook in Tokio aan een snelle opmars bezig, de groei deed zich vooral voor in de categorie appartementen. De gemiddelde woningdichtheid is opgelopen tot 110 woningen per hectare. In Londen is dat 60. Dat houdt in dat Tokio in een razend tempo verdicht, de randen krimpen, er is geen sprake meer van suburbanisatie. Alle groei vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, dit is een buitengewoon duurzame ontwikkeling. En denk niet dat dit tot kleinere woningen leidt. Tokio staat bekend om zijn kleine woningen (gemiddeld 64 m2), maar dankzij de enorme woningproductie nam het gemiddelde aantal vierkante meters vloeroppervlak juist toe, de huishoudenverdunning kon hierdoor goed worden opgevangen. Had een inwoner van de megastad in 1963 gemiddeld slechts 15 m2 tot zijn beschikking, in 2013 was dit opgelopen tot 32 m2. Gleeson: “Londoners have a similar amount of space per person on average today, but in stark contrast to Tokyo there has been little or no increase in London in around 20 years.” Kortom, oververhitte woningmarkten in succesvolle steden als Londen en Amsterdam zouden aan Tokio een voorbeeld moeten nemen. Hoe lukt het de Japanse hoofdstad om zoveel woningen te bouwen? Tokio heeft een eenvoudige zoning code (bestemmingsplan/bouwvergunning), die door opeenvolgende regeringen verder is versimpeld. Gleeson noemt dit progressieve politiek.

Tagged with:
 

Sterke clustereffecten van datacenters

On 16 april 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord op het Marineterrein te Amsterdam op 12 april 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Equinix

Wereldwijd zijn er niet meer dan twaalf plekken waar datacenters ruimtelijk zo sterk clusteren als in Amsterdam. In Europa zijn het er vier, in alle gevallen betreft het grote steden. In en rond Londen, Parijs, Frankfurt en Amsterdam willen de meeste datacenters zich vestigen, ook al is de grond er duur. Daar zitten hun klanten. Het Hilversumse bureau Stratix vertelde er over tijdens een speciale bijeenkomst voor beleidsmakers van gemeenten, provincie en rijk op het Amsterdamse marineterrein. Organisatie was in handen van de Amsterdam Economic Board. Een groot deel van het gesprek ging over de uitzonderlijke clustereffecten van dataopslag in Nederland en dan met name in en rond Amsterdam. Stratix wees op de grote effecten die gunstige beleidsbeslissingen in het verleden op deze groei hebben gehad. Wat gaat de regio de komende jaren ondernemen? Co-locatiecenters zijn in de metropoolregio het meeste in trek. Het merendeel staat in de Watergraafsmeer. Daar vinden ze optimale interconnectiviteit vanwege de meer dan 730 verschillende verbindingen die AMS-ix levert. Het cluster op Schiphol-Rijk heeft zich gespecialiseerd in cloud-opslag. Het derde cluster bevindt zich in Amsterdam-Zuidoost. Een afstand van een tot drie kilometer tussen de verschillende datacenters is optimaal, een afstand van tien kilometer lijkt het maximaal haalbare. Wie zich op grotere afstand vestigt betaalt fors extra kosten. Zelfs Hilversum en Haarlem zijn al te ver weg. Elektriciteitsvoorziening is essentieel, want datacenters verbruiken veel stroom. Lokaal moeten onderstations voldoende capaciteit kunnen leveren.

Hoe snel de technologische ontwikkelingen kunnen gaan, werd al aan het begin van de avond duidelijk. Robotica en kunstmatige intelligentie zullen de volgende golf dataverkeer verder opstuwen. Fotonica kan de servers ingrijpend doen veranderen. Het noodzaakte de aanwezigen om in toekomstscenario’s te denken. Van belang lijkt vooral of de regio voldoende elektriciteit zal blijven leveren. Iemand rekende voor wat het zou betekenen als de hele Amsterdamse regio ineens op elektrisch autorijden zou overschakelen of wanneer de woningen van het aardgas af zouden gaan. Het elektriciteitsnet zou zoveel stroom nooit kunnen leveren. Ook gebrek aan vertrouwen in dataopslag kon wel eens tot overcapaciteit leiden en alle voorsprong in één klap kunnen laten verdampen. Vanwege de Olympische Spelen gaf Londen bijvoorbeeld een tweetal jaren niet thuis. Weg was haar voorsprong in de datacenterontwikkeling, ook omdat de stop samenviel met de opmars van cloud-computing. Of neem Parijs, dat al lang worstelt met haar data-exchange. Kortom, de Amsterdamse regio mag niet achterover leunen. Economisch zijn datacenters van groot belang. In combinatie met de luchthaven en de grootstedelijke diensteneconomie vormen ze een unieke combinatie. Elke grootstedelijke regio zou zich in de handen wrijven als ze de schaal en potentie van de clustervorming als die in het Amsterdamse regio ook maar enigszins zou benaderen.

Tagged with:
 

Simpel over stedenbouw

On 2 april 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in het Bijlmermuseum, Amsterdam, op 22 maart 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Bijlmermuseum

In 1969 trad architect Pi de Bruijn (1942) in dienst van de gemeentelijke Woningdienst van Amsterdam. In hetzelfde jaar ging hij wonen in de net opgeleverde G-buurt van de Bijlmermeer. Bijna dertig jaar bleef hij met grote tevredenheid in de Bijlmer wonen. De Bruijn vertelde er boeiend over tijdens een bijeenkomst van het bestuur van de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen stichting afgelopen week. Een raam dat hij als beginnend architect in de zijgevel van een 400 meter lange honingraatflat had getekend werd door de gemeentelijke stedenbouwkundige resoluut afgekeurd. Hoe kwam hij erbij? Het uitgangspunt van de Bijlmer was dat elke bewoner precies dezelfde rechten had, dus er mocht geen onderscheid worden gemaakt tussen de woningen. Elke woning mat ook precies 100 vierkant meter. Kleiner mocht niet. Een alleenstaande, zei men hem, kon toch een hond of een hobby hebben? Op het maaiveld mocht ook geen woning worden getekend, want de grond was publieke ruimte, en die was voor ‘de spelende mens’. De volkstuintjes die De Bruijn wilde introduceren stuitten op hetzelfde verzet: niet privatiseren. De hele essentie van de Bijlmermeer stak volgens de stedenbouwkundigen in het stelsel van verhoogde dreven: elke snelheid zijn eigen landschap. “Heb je ooit de originele tekeningen van de verkeersstructuur gezien? Die tekeningen waren schitterend!” Met zijn voorbeelden illustreerde De Bruijn hoe in de Bijlmermeer een maximaal gebruik van menselijke rationaliteit samenviel met een totalitaire utopische toekomstvisie.

Al spoedig kwamen woningen leeg te staan. Winkels ontbraken, garages moesten nog worden gebouwd, wegontsluitingen kwamen pas later, de huren bleken te hoog, het beleid tussen corporaties wisselde, de politiek was alleen in het bouwen van veel woningen geïnteresseerd, de bewoners weken af van de doelgroep. In 1974 werd de eerste van de veertig flats gekraakt. Toen in 1976 eindelijk de metro ging rijden, kwam al snel de heroïne naar Gliphoeve. In 1977 werd het De Bruijn duidelijk dat het gemeentebestuur de Bijlmer had opgegeven. Wethouder Kuijpers geloofde er niet meer in. In dat jaar nam De Bruijn ontslag. Maar hij bleef wel in de Bijlmer wonen. Zo vertelde hij tussen neus en lippen door hoe zijn schoolgaande dochter voor haar verjaardag vroeg om een mes. Een stad, zei hij, is complexiteit, die bouw je niet zomaar uit het niets tevoorschijn. Zijn kritiek gold feitelijk alle groeikernen en grootschalige stadsuitbreidingen die na de oorlog in Nederland waren gebouwd. Te eenvoudig was telkens de opgave benaderd. De Bruijn hield vol dat de problemen die al vroeg in de Bijlmer ontstonden, niet staken in de modernistische stedenbouwkundige structuur. Die utopische toekomstvisie zou deugen. De dreven hadden wat hem betreft ook niet afgegraven hoeven worden. De oorzaak was veeleer gelegen in het simplisme waarmee de bouwopgave was benaderd. Een goede stad maken is complex, maar de politiek denkt, nog steeds, alleen in aantallen te bouwen woningen. Veel te simpel.

Tagged with:
 

‘Amsterdam vreest zijn eigen succes’

On 27 maart 2018, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 26 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor metrosysteem amsterdam 1960

Plan voor stadsspoorwegen Amsterdam 1968

Amsterdam vreest zijn eigen succes’. Met dat motto begon hoogleraar Coen Teulings zijn Amsterdamlezing op maandagavond 26 maart 2018. Teulings, tegenwoordig universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, bestudeert de economie van steden. Economisch onderzoek verweeft hij met elementen van geschiedenis, biologie, recht, politicologie en geografie. Amsterdam noemde hij een ‘parel’. De stad is naar internationale maatstaven gemeten buitengewoon aantrekkelijk en ook succesvol. De verdere groei van de hoofdstad vond hij logisch en onvermijdelijk en zou voor de Nederlandse regering topprioriteit moeten zijn. Amsterdam is in vergelijking met andere wereldsteden helemaal niet zo duur, er dreigen hier ook geen ‘Londense toestanden’. Nederland is juist een egalitair land en no-go areas kent de hoofdstad niet. Dat Amsterdam duurder wordt noemde hij onvermijdelijk; goedkoper zal de stad niet meer worden. De dynamiek is groot, maar dat geldt voor meer steden. Buiten Amsterdam denken ze dat Airbnb de prijzen opjaagt, maar dat is niet zo. In zeker vier varianten legde hij het principe van agglomeratievoordelen uit. Mensen zijn bereid een fortuin te betalen om heel dicht bij elkaar te zitten. Hoe drukker een plek, hoe hoger de grondprijzen. En het internet jaagt deze locatievoordelen aan. Vooral hoger opgeleiden kopen zich een weg naar het centrum. De verdere uitleg van Amsterdam vond hij een gewichtige zaak. Daarmee kunnen meer mensen toegang krijgen tot al die felbegeerde voorzieningen.

Vanuit de zaal kwamen tegenwerpingen. Worden hiermee de armen niet de stad uit gedreven? Teulings aarzelde even. Dat verdringing optreedt kon hij niet ontkennen. Sommige categorieën mensen zullen de stad zeker verlaten. Maar Turken en Marokkanen en Surinamers, die blijven wel, dus mensen zijn niet tot vertrek veroordeeld. Maar krijg je dan niet ernstige vormen van segregatie?, kwam er opnieuw uit de zaal. Teulings gaf de zaal tot op zekere hoogte gelijk, maar zei dat hij niet elke vorm van segregatie op voorhand afwees. Liever sprak hij van ruimtelijke ‘specialisatie’. Het is begrijpelijk en natuurlijk om als migrant je medemigranten op te zoeken. Ook dat is een vorm van agglomereren. Waarna hij een warm pleidooi hield voor grootstedelijk openbaar vervoer. Uitgerekend openbaar vervoer kan onvermijdelijke uitsorteringsprocessen helpen verzachten. Juist daar is in Amsterdam grote behoefte aan. Opnieuw zullen rond de stations de grondprijzen stijgen. Maar zo is de stad. Behalve, gek genoeg, op sommige plaatsen in Amsterdam. Want hoe kan het nou dat rond het Amstelstation zo weinig hoogbouw wordt gerealiseerd? En waarom is de Noordzuidlijn zo’n onbeduidend kort stukje? Zijn lezing eindigde Teulings met het schema van het Amsterdamse metrostelsel zoals dat in de jaren zestig van de twintigste eeuw door planologen was geprojecteerd. Waarom is slechts een fractie van dit grootstedelijke project uitgevoerd? Antwoord: Amsterdam vreest zijn eigen succes.