United in one great city

On 1 november 2017, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Invention of Nature’ (2015) van Andrea Wulf:

Gerelateerde afbeelding

 

Welke ecoloog, geograaf of bioloog kent niet het werk van Alexander von Humboldt (1769-1859), Duits ontdekkingsreiziger, geleerde en wereldberoemd auteur van onder andere ‘Views of Nature’ en ‘Essay on the Geography of Plants’? De meeste van zijn vernieuwende boeken schreef Humboldt in Parijs, hoewel zijn reizen hem naar Zuid-Amerika en Rusland voerden en zijn opdrachtgever in Berlijn woonde. Humboldt koos Parijs en vermeed Berlijn, totdat hij om financiële redenen de hoofdstad van Pruisen niet langer links kon laten liggen. Biograaf Andrea Wulf beschrijft het zo: “There was no other place in Europe where thinking was allowed to be so liberal and free.” In een metropool als Parijs kon een geleerde als Humboldt zijn goddelijke gang gaan. In 1827 echter voelde hij zich gedwongen om zich bij zijn geldgever, Friedrich Wilhelm III, te voegen nadat Frankrijk in de ultra-royalisten de macht hadden overgenomen en Friedrich Wilhelm hem de wacht had aangezegd. De Pruisische politiek was op dat moment antiliberaal; van nieuwlichterij wilde kanselier Metternich niets weten. Overigens, in de rest van de wereld was het nauwelijks beter. De erfenis van Bolívar in Zuid-Amerika bleek autoritair; in Noord-Amerika was met de dood van John Adams en Thomas Jefferson in 1826 een conservatieve wind gaan waaien; de slavernij was er nog steeds niet afgeschaft. De conservatieve middenklasse regeerde. Dus besloot Humboldt na twintig jaar eindelijk Parijs voor Berlijn te verruilen.

Bij terugkeer vroeg hij zijn vriend Goethe, die inmiddels bijna 80 jaar oud was, waarom er van zo weinig innovatie sprake was in Pruisen. Goethe vond dat het metropolitane Parijs in dat opzicht veel meer mogelijkheden bood dan welke Duitse stad dan ook, Berlijn incluis. Met de ene wetenschapper in Berlijn, de andere in Königsberg en de derde in Bonn, was uitwisseling van wetenschappelijke kennis gewoon heel lastig. “Unlike Paris, he complained, where French thinkers were united in one great city, the problem in Germany was that everybody lived too far apart.” Humboldt gedijde in revolutionaire sferen – alleen de enorme kritische massa van Parijs kon hem die atmosfeer verschaffen. Ook toen hij weer in Berlijn woonde, keerde hij regelmatig voor maanden naar de Franse hoofdstad terug, waar hij een klein appartement aan de Seine bewoonde, met een slaapkamer, een bed en een bescheiden studeerkamer. Veel had hij niet nodig. De Parijse straten met hun grootstedelijke sfeer boden hem alles, ondanks de conservatieve bekrompen politiek van de royalisten. En zo is het nog steeds. In Europa leven de grote geesten te verspreid; buiten Londen en Parijs is er geen metropolitane conditie. En ook Europa is, net als de rest van de wereld, weer even conservatief als destijds. Onze tijd lijkt op die van 1827.

Tagged with:
 

No free lunch

On 8 februari 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The New Geography of Jobs’ (2012) van Enrico Moretti:

Afbeeldingsresultaat voor moretti geography of jobs

Deze week weer begonnen aan een nieuwe serie colleges over ‘Global City-Regions’ aan de Universiteit van Amsterdam. Het is zoals Enrico Moretti in 2012 al schreef: globalisering als gevolg van technologische innovaties aan de ene kant en localisering aan de andere kant lijken twee zijden van dezelfde munt. In ‘The New Geography of Jobs’ beschreef deze hoogleraar economie aan de University of California Berkeley hoe stedelijke regio’s als gevolg van globalisering steeds meer uiteenvallen in succesvolle en falende economieën. Je kunt het ook anders zeggen. Hoe verder de globalisering voortschrijdt, hoe meer succes afhangt van het lokale. “More than ever, local communities are the secret of economic success.” Urbanisatie en globalisering, ze horen bij elkaar. Dat is niet minder dan een paradox. Onderwijs en onderzoek zijn daarin cruciaal. Maar, zo laat Moretti zien, een universiteit in jouw stad vestigen is zeker niet genoeg. En een ‘coole’ stad maken met veel restaurants en uitgaansgelegenheden helpt evenmin. Berlijn is hip, maar blijkt geen banenmotor, integendeel. Seattle was nooit hip, maar werd uiteindelijk een economisch trekpaard van jewelste. Waarmee Moretti maar wil zeggen: op wat Richard Florida beweert – zet in op wat een creatieve klasse aantrekt – valt veel af te dingen.

Pas wanneer een veelzijdig cluster zich heeft gevormd in een ‘dikke’ arbeidsmarkt, begint een universiteit of onderzoekscentrum werkelijk bij te dragen. Cornell en Yale domineren de rankings van beste universiteiten ter wereld, maar voor de economieën van New Haven en Ithaka betekenen zij vrijwel niets. Pas in echte grote handelssteden gevestigd, kunnen universiteiten iets toevoegen aan innovatie en de regionale arbeidsmarkt. Universiteit Twente, met andere woorden, helpt Hengelo en Enschede niet echt vooruit. Ook Washington University in St Louis is weliswaar een erg goede universiteit, maar desondanks krimpt de stad. De University of Washington in Seattle daarentegen is minder goed, maar draagt wel sterk bij aan de vernieuwende economie van deze groeiende stad aan de westkust van Amerika. Trouwens, in New York hebben de meeste hoogopgeleiden niet in de eigen stad gestudeerd, maar komen van elders. Moretti relativeert zelfs het belang van Stanford voor Silicon Valley. Regionale fondsen en industriepolitiek, ze werken niet. Dus wat helpt wel? Door mensen in achtergebleven buurten van de grote steden scholing en goed onderwijs te bieden begint er iets te stromen. Salarissen gaan omhoog, welstand wordt gecreëerd, buurten raken gerevitaliseerd, gentrificatie maakt de zittende bewoners rijk. Het beweegt van onderop en het vraagt om kritische massa. De overheid kan dus wel degelijk iets doen. There’s no free lunch. Maar veel wat de overheid doet blijkt tevergeefs.

Tagged with:
 

Revolutie in Berlijn

On 16 december 2014, in innovatie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Le Corbusier’ (1960) van Peter Blake:

 

Opnieuw een treffend voorbeeld van het belang van nabijheid bij het aanvang nemen van nieuwe revolutionaire ideeënwerelden. Ditmaal over moderne architectuur. De belangrijkste architecten die aan de wieg stonden van de modernistische stroming in de architectuur in de twintigste eeuw – Le Corbusier, Walter Gropius en Mies van der Rohe – werkten alle op jonge leeftijd vanuit Berlijn, sterker, ze werken alle in één bureau, namelijk dat van Peter Behrens. De Fransman Corbu was amper drieëntwintig jaar toen hij overkwam uit Parijs, Mies, afkomstig uit Aken, was vierentwintig en Gropius, weggetrokken uit Noord-Duitsland, zevenentwintig jaar. We schrijven de jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog. Behrens zelf was in 1907 van Darmstadt naar Berlijn verhuisd. Hij had daar een grote opdrachtgever gevonden: machinefabriek AEG. Hij was gaan wonen in een groot huis  op Neubabelsberg, vlakbij Potsdam. In de tuin had hij zijn eigen bureau gebouwd. Daarna was hij jonge architecten gaan werven die voor hem zouden werken.

Eind 1907 maakte de vierentwintigjarige Walter Gropius in Neubabelsberg zijn entree. Kort daarna arriveerde Mies. Drie jaar later volgde de iets jongere Le Corbusier. Die zou er overigens niet langer dan vijf maanden blijven werken. Maar het effect was immens. Peter Blake: “Ieder van deze jonge adepten zou iets heel speciaals van Behrens leren: Corbu technische organisatie en machinestijl; Mies classicisme; en Gropius de mogelijkheden om tot een industriële beschaving te komen.” Allen, aldus Blake, vonden daar, in Berlijn, de lemmata voor hun esthetische woordenlijst: kubussen, bollen, cilinders, kegels, enzovoorts. “Het was een feestelijke gewaarwording, deze ontdekking van een weidse nieuwe vormenwereld.” Die vijf maanden in de tuin in Neubabelsberg zouden later beslissend blijken voor het aanzien van de moderne architectuur.

Tagged with:
 

Energiewende

On 30 december 2013, in energie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 november 2013:

Een mooi verhaal. De 27-jarige Luise Neumann-Cosel woont in Berlijn. Ze voerde afgelopen twee jaar actie voor democratisering van het stroomnet in en rond de Duitse hoofdstad. Beter gezegd, ze wil geen atoomenergie. In plaats van te demonstreren richtte ze een coöperatie op die meedingt naar de concessie voor de energievoorziening van Berlijn. Die komt in 2014, na twintig jaar, vrij. ‘BurgerEnergie Berlin’ denkt 100 miljoen euro nodig te hebben om het net van Berlijn te kopen. Vorige maand had ze al acht miljoen binnen via haar leden. “Als burgers het stroomnet in handen hebben, kunnen we overschakelen naar duurzame energie en tegelijkertijd de winst die nu naar aandeelhouders gaat, investeren in meer groene stroom of uitkeren aan de leden.” BergerEnergie Berlin wil ‘een eerlijke regionale kapitaalbelegging’ voor burgers zijn. Net als andere energienetten is het Berlijnse elektriciteitsnet door de overheid geprivatiseerd. De kans bestaat nu dat de inwoners na twintig jaar het net weer terugkopen en zelf in beheer nemen.

Hoe reageerde het stadsbestuur? Begin november werd in Berlijn een referendum over het stroomnet gehouden. Neumann-Cosel won overtuigend, maar de opkomst bleek te laag; haar burgerinitiatief kwam 21.000 stemmen tekort. Toch kan haar initiatief grote invloed hebben op de politiek, al was het maar grootstedelijk. Er zijn nu al regio’s in Duitsland die honderd procent groene stroom leveren. Sommige steden – München, Frankfurt – lopen daarin voorop. Maar Neumann-Cosel gaat verder. Ze wil zelfs geen stroom meer van windparken in zee. Die produceren, zegt ze, energie op de plek waar niemand die nodig heeft. Er moeten miljarden worden geïnvesteerd om die zogenaamd groene energie te transporteren. Ze gelooft in zonne-energie en in warmte-krachtkoppeling. Haar streven is een decentrale energieopwekking  en een democratisering die veel verder reikt dan energieafname alleen. “De hele stad praat nu over energiepolitiek.” Berlijn moet een polis van burgers worden.

Tagged with:
 

Berlijn aan de Rijn

On 6 november 2013, in participatie, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam op vrijdag 1 november 2013:

In de Open Bak van de leergang De Nieuwe Wibaut van de gemeente Amsterdam trad afgelopen vrijdagmiddag Paul de Bruijn op. De Bruijn is directeur van een bureau voor verbindende online communicatie in Arnhem. De tachtig deelnemers zou hij trakteren op een voordracht over Coehoorn Centraal, een nieuwe broedplaats voor culturele en creatieve bedrijvigheid in de binnenstad van de Gelderse stad, die hij samen met Peter Groot ontwikkelt. Hoe hij tegen stedelijke ontwikkeling aankijkt, illustreerde De Bruijn aan de hand van tal van voorbeelden uit Berlijn, een stad waar hij veel komt en die hij goed kent. Langs de Spree bijvoorbeeld was na de Wende door de overheid van bovenaf een mediakantorenstad gedacht, maar die is er nooit gekomen. Het liep allemaal anders. En dat is maar goed ook, vond De Bruijn. In een van bovenaf geplande stad geloofde hij niet. Energie krijgt een stad juist van allerlei burgerinitiatieven.

Een overgang naar Arnhem was nu gemakkelijk gemaakt. Want ook Arnhem lukte het niet om haar ambitieuze plannen rond het nieuwe centraal station, waaraan al tien jaar gebouwd wordt, van de grond te trekken. Ergens halverwege is het project stilgevallen. Het feestaardvarken van Florentijn Hofman noemde hij als voorbeeld van een zinderend alternatief: een kunstwerk van 150.000 ton beton, aangeboden aan de stad door Burgers Zoo die 100 jaar bestaat, in een parkje op een vage restlocatie waar buurtbewoners eerst een stukje Veluwe hadden aangelegd – kunst en park, alles met een tijdelijke vergunning en onveilig als speelplek, toch gedoogd – bij kinderen razendpopulair. In die categorie paste ook het Coehoorngebied, door de gemeente tijdelijk uitgegeven aan De Bruijn en Groot. Maar wat is tijdelijk? Met de buurtbewoners proberen de twee nu in de panden creatieve bedrijvigheid te ontwikkelen, maar dat niet alleen. Ook willen ze een nieuwe maakindustrie van de grond trekken door weer een verbinding te leggen tussen ontwerpen en maken en denken daarbij zelfs aan verbindingen met het nabije Ruhrgebied; en ook een park voor de buurt willen ze, dat ze in veertien dagen (sic!) zullen aanleggen. De Bruijn vertelde smeuïg over de gemeente. Die denkt nog steeds de stad van bovenaf te kunnen plannen. De Bruijn maakte daarbij onderscheid tussen het bestuur, de raad en de ambtenaren. De ambtenaren, vertelde hij, geloofden nog steeds in top-down planning. Hij illustreerde dit met een zinloze discussie over de plaatsing van een vlaggenmast op het dak, die volgens de ambtenaren 30 centimeter moest worden verschoven. Ook het bestuur wilde aanvankelijk niet met de heren in zee. Alleen de raad wil hen een kans geven. Horeca mag nog steeds niet op het Coehoornterrein. De Bruijn vond het onzin. Hij hoopte dat al dat gevestigde beleid snel sneuvelt. Het is toch geen taak van de gemeente om eenmaal gevestigde middenstand langjarig te beschermen? Daar wordt die maar lui van.

Sculptuur op de Zuidas

On 11 juli 2009, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in W139 op 8 juli 2009:

Gisteren op bezoek bij Gijs Frieling, directeur van W139, het kunstenaarsinitiatief in de Warmoesstraat. Hij gaat iets doen voor ons in de Architectuur Biënnale dit najaar. Ik liep de hoge ruimte nietsvermoedend binnen, in afwachting van de komst van Gijs. Ik stond perplex. In de solotentoonstelling ‘belvédere’ van Trasberger die op dit moment te zien is in W139 staat het monumentaliseren van het recente verleden centraal. De titel is ontleend aan de goudkleurige Plymouth Belvédere die in 1959 in een betonnen sarcofaag werd neergelaten om vijftig jaar later als nieuw te worden opgegraven (quod non, want de behuizing lekte en de auto werd onlangs totaal verroest opgetakeld, ZH). W139 is door Trasberger bedekt met een grid dat teruggaat op tekeningen van het Italiaanse radicale architectencollectief Superstudio. Hun Continuous Monument was een kritiek op de toenmalige maakbaarheidsideologie. In dit grid plaatst Trasberger een aantal monumentale sculpturen waaronder een neon regenboog en een wandbeeld gemaakt van originele keramische elementen uit de gevel van het Hertie warenhuis in Berlijn. Vooral die laatste sculptuur wilde Gijs ons na afloop van het bezoek onder de aandacht brengen. Is dit niet iets voor de Zuidas?, vroeg hij. De hele Zuidas wordt ontwikkeld met vliesgevels die je zo weer kan vervangen door andere gevels. Dit kunstwerk zou daar een interessant commentaar op kunnen zijn. Inderdaad, zo’n commentaar – zo’n gelaagdheid – mist vooralsnog de Zuidas. Ze is te nieuw, te eendimensionaal, te monotoon. Daarmee verduidelijkte Frieling ook zijn standpunt ten aanzien van het kunstwerk dat hij voor de biënnale gaat maken:  hij wilde niet slechts schilderen op een door ons aan te leveren tafelblad, hij wilde de tafel zelf vormgeven.

Tagged with: