Als een detective

On 19 juli 2017, in boeken, filosofie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor together sennett

Tijd voor de zomervakantie. Even geen nieuwe blogs. Daarom is dit voorlopig mijn laatste. Hij gaat over samenwerken. Mensen zijn zo verschillend, de complexiteit van de samenleving is zo groot, arbeid raakt geflexibiliseerd, organisaties vallen uit elkaar, er zijn steeds minder gezamenlijke rituelen. Daardoor wordt het almaar moeilijker om met elkaar samen te werken. Over het plezier in samenwerken schreef de Amerikaanse socioloog Richard Sennett een boek. In ‘Together’ onderzoekt hij hoe mensen weer contact met elkaar kunnen maken en samen iets ondernemen. Als basis nam hij het idee van de Franse filosoof Montaigne dat wij de ander niet kunnen kennen. Daardoor begrijpen wij elkaar niet. Het enige dat erop zit is elkaar voortdurend te bevragen om zo misverstanden te voorkomen en fout gelopen relaties te repareren. Debat heeft geen zin. Dan neem je vooral stelling en zoek je je eigen gelijk. Dialogische praktijken zijn anders. Die werken het beste als ze empathisch zijn en informeel. Je bent bescheiden, nieuwsgierig naar de ander, staat open voor nieuwe inzichten, beweegt je in een onbekende omgeving. De aanpak is zoekend, je werkt met fragmenten van kennis. Het begint allemaal met goed luisteren. Eigenlijk, aldus Sennett, zouden we allemaal detective moeten zijn.

Sennett moet niets hebben van solidariteit of consensus. Dat leidt maar tot gesloten rijen. We hoeven het ook niet eens met elkaar te zijn om te kunnen samenwerken. Onderling begrip is veel belangrijker. In Norman Thomas (1884-1968), voorman van de Socialistische Partij in de VS, zag hij hoe een leider, net als Montaigne, dialogische praktijken ontwikkelde. Thomas nam niet plaats op een verhoging, maar zocht een plek in de groep, liefst in een cirkel; hij liet mensen nooit stemmen, maar gaf zwijgende mensen het woord; na afloop van bijeenkomsten pakte hij sommige mensen bij de arm; in vergaderingen volgde hij nooit de agenda, maar stond uitvoerig stil bij een of twee agendapunten; gesprekken liet hij zich ontwikkelen en transformeren naar telkens een ander niveau. Al deze procedures, schreef Sennett, waren gericht op informeel problemen oplossen en informeel problemen vinden. Iedereen werd uitgenodigd om te participeren. Thomas’ methode was gericht op ongedwongen plezier. En wat zijn standpunten nu precies waren deed er niet zoveel toe; hem ging het om het horen van zoveel mogelijk verschillende mensen. “For Montaigne, this was the point of dialogics – looking at things in the round to see the many sides of any issue or practice, the shifting focus making people cooler and more objective in their reactions.” Fragmentarisch, zoekend. Net als mijn blog.

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 12 juli 2017, in boeken, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Language of Cities’ (2016) van Deyan Sudjic:

Afbeeldingsresultaat voor the language of cities sudjic

 

Grappig. Net als ik heeft Deyan Sudjic afgelopen jaar een toegankelijk boekje geschreven over steden. In twee zomers tijd pende hij het neer in zijn buitenhuis bij Siena. Sudjic is directeur van het Design Museum in Londen. Wat is een stad? Hoe maak je een stad? Hoe verander je een stad? Hoe wordt een stad bestuurd? Dat zijn de vragen die hij, net als ik, zich stelde. In elk hoofdstuk wijdt hij uit over allerlei steden, schrijft boeiende anekdotes, zoomt in op architecten en politici, graaft telkens diep in de recente geschiedenis van vooral Londen. Net als de meeste Londenaren toont hij zich ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling van zijn eigen stad zeer kritisch. Canary Wharf  is daarbij een dankbaar mikpunt van spot. Dat dit werkgebied in Oost-Londen een succes is geworden, verbaast hem nog steeds. Het slothoofdstuk is opmerkelijk. Dat gaat over menigten, en over hun onvrede. Extreme drukte, aldus Sudjic, hoort bij de grote stad. En wanneer een grote menigte bezit neemt van een stad, valt ze niet te negeren. In de allergrootste steden op aarde zijn sommige straten zelfs permanent geblokkeerd, afgeladen vol als ze zijn met mensen. Hier ervaart men aan den lijve hoe zeven miljard mensen deze aarde bewonen en hoe vervoermiddelen al die mensen op sommige plekken samenbrengen. Londen kan er als geen ander over meepraten.

Maar het is niet alleen Londen. In 2012 bezochten 9,7 miljoen mensen het Louvre in Parijs. Al die bezoekers komen voor hetzelfde: de Mona Lisa. Na de laatste verbouwing wacht het museum alweer een nieuwe uitbreiding. Vliegvelden, aldus Sudjic, weten hoe je met enorme stromen mensen moet omgaan. Heathrow, bij Londen, verwerkte in 2014 73,4 miljoen passagiers. Londen zelf ontving dat jaar ‘slechts’ 16,8 miljoen toeristen. Vliegvelden worden permanent aangepast aan de groeiende mensenstromen. Steden, en zeker de historische steden van Europa, lenen zich daarvoor veel minder. Toch zal hier permanent geïnvesteerd moeten worden in de openbare ruimte en in het openbaar vervoer. Wat in Tokio al jaren normaal is, aldus Sudjic, begint ook in westerse steden normaal te worden. Mensen zullen zich moeten aanpassen aan de enorme mensenmassa’s. Waarop hij besluit: “The city is humankind’s most complex and extraordinary creation. It can be understood as a living organism. By their nature, living organisms can die when mistreated, or starved of resources, including people. (…) Planned in the right way, it can support growing numbers of people.” Wanneer wordt de drukte in Amsterdam eindelijk eens een serieuze planningsopgave, anders dan aanleiding tot opnieuw een vergeefse poging tot ruimtelijke spreiding?

Tagged with:
 

Verschil maken

On 30 september 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 september 2016:

Naast bijval kreeg ik ook bijtend commentaar op mijn artikel ‘Meer is meer in de megalopolis’ in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag 24 september 2016. Friso de Zeeuw reageerde ronduit afwijzend.  De heer De Zeeuw was vele jaren directeur Nieuwe Markten bij Bouwfonds en is nog steeds praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft. In NRC Handelsblad van afgelopen donderdag reageerde hij fel op mijn betoog in diezelfde krant. Grappig is overigens de aanhef die hij voor zijn verweer gebruikte: ‘Wie wil er wonen in een megastad? Bijna niemand.’ Hoezo niemand? Een megastad telt toch meer dan 10 miljoen inwoners? Rekende ik in mijn artikel niet voor dat onze planeet nu al 28 megasteden telt? En in 2030 zal dat aantal zijn verdubbeld: 42 megasteden, met in totaal meer dan 600 miljoen inwoners. Al die mensen kiezen kennelijk voor de megalopolis. Dat is heus niet omdat ze het daar zo leuk vinden, want in megasteden leven is ongekend heftig, dat begrijp ik ook wel. Toch wonen en werken ze er. In mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ doe ik ook heus niet alsof het daar zo gezellig en knus is, in die megastad. Shanghai is geen Monnickendam. Wel noem ik de megastad een wonder van vernuft. En in het geval van Nederland spreek ik slechts van de noodzaak van een groei van Amsterdam naar 2 miljoen inwoners. Is dat zo groot? De reactie van De Zeeuw onderstreept nog eens de vooroordelen die Europeanen huldigen ten aanzien van grote steden. 

Als De Zeeuw mijn boek gelezen had, dan had hij begrepen dat mijn pleidooi voor grootstedelijkheid niet per se de bouw van megasteden impliceert, maar wel een verlangen uitdrukt naar complexiteit, vrijheid, dichtheid, kwaliteit, duurzaamheid, beschaving, cultuur. “Het lijkt wel of wij nog altijd terugverlangen naar het platteland, naar een simpele, overzichtelijke wereld van niet al te grote gemeenschappen. Steeds zien wij spoken als er grote verschillen of grote concentraties ontstaan. Zodra iets succes heeft, groot wordt of volloopt, roepen wij om verdunning en ingrijpen, en gaan wij over tot gedwongen ruimtelijke spreiding. Metropolen boezemen ons angst in. Met ongelijkheid en verschillen kunnen we slecht omgaan. In grote steden hebben we onvoldoende vertrouwen. We willen alles het liefste verdunnen, in mootjes hakken, eerlijk verdelen en, als het kan, verwijderen. Dat noemen wij dan planologie.” De heer De Zeeuw wil liever verdunnen, alles eerlijk verdelen, in mootjes hakken. Ik kom ook uit de provincie, maar ik ben niet bang voor de echte stad, voor iets grotere verschillen. De angst voor de grootstad vind ik ouderwets. Vandaar mijn boek, bedoeld voor een jongere, meer mondiaal denkende generatie.

Tagged with:
 

Optimistische eeuw

On 24 augustus 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen tijdens de zomervakantie van 2016:

 

Vijf boeken gelezen deze vakantie, waaronder Moby-Dick van Herman Melville (een boek dat na 160 jaar nog altijd zeer de moeite waard is) en ‘Het zwarte boek’ van Ohran Pamuk uit 1990; twee boeken sprongen er echter uit: ‘De begraafplaats van Praag’ (2011) van Umberto Eco en ’The Children’s Book’ (2009) van A.S. Byatt. Is het toeval? Beide zijn ongeveer even dik, allebei beschrijven ze de toestand op het einde van de negentiende eeuw in Europa, de Italiaan Eco vanuit Parijs, de Britse Byatt vanuit Londen. Beide werpen een duister licht op de geschiedenis. Eco loopt met zijn ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ vooruit op de shoah in de Tweede Wereldoorlog, Byatt laat haar jonge romanfiguren sneuvelen in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. The Children’s Book opent met de restanten van de Wereldtentoonstelling van 1851, de grootscheepse plannen voor uitbreiding van de museumgebouwen in South Kensington en de erfenis van koningin Victoria. Toch doen zich dan al willekeurige aanslagen voor, zoals de moord op de Franse president Carnot en op generaal Mesentsev. “De volwassenen herinnerden zich de stroom aanslagen van tien jaar geleden – op regeringsgebouwen, het kantoor van The Times, metrostations, spoorwegstations, Scotland Yard, Nelson’s Column, London Bridge, het Lagerhuis, de Tower zelfs.” Allemaal herkenbaar en opnieuw actueel.

En dan het bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900, een gigantisch project dat 600 hectare besloeg en 120 miljoen franc had gekost.  Hoogtepunt waren de twaalf meter lange dynamo’s die het terrein en de omgeving ‘s avonds verlichtten. “In het Paleis van de Elektriciteit waren overal waarschuwingen te lezen. Grand Danger de Mort. Het was geen verscheurende, vermorzelende dood. Een onzichtbare dood, deel van een onzichtbaar aandrijvende kracht, de nieuwigheid van de nieuwe eeuw.” Elektriciteit dus. Niets daarover in Eco’s meesterwerk. Hoofdpersoon Simonini– een Italiaan – leeft in ballingschap in Parijs. Baron Haussmann had bijna de hele stad gesloopt en opnieuw opgetrokken, de Pruisische bezetter was amper vertrokken. Over de Fransen oordeelt Simonini allerminst licht. “Ze zijn slecht. Ze doden uit verveling. Frankrijk is de enige natie waarvan de onderdanen jarenlang bezig zijn geweest elkaar de kop af te hakken.” Dat negatieve beeld wordt door racisme alleen maar erger, trouwens ook belichaamd in de hoofdpersoon. Volgens Eco was het pure hysterie, ontketend door de triomf van wetenschap en technologie. In een interview zei hij: “Dit is een boek dat je aan het einde van je leven schrijft, niet aan het begin. Het is wanhopig, vol scepsis. Een testament voor mijn kleinkinderen: heb geen vertrouwen in de mens.” Op 19 februari 2016 overleed de schrijver.

Tagged with:
 

A city to be made

On 11 januari 2016, in boeken, by Zef Hemel

Read in ‘Capital. The Eruption of Delhi’ (2014) of Rana Dasgupta:

Great portrait of Delhi, India, that I’m reading. The writer is Rana Dasgupta, originally from New York, but now living in the Indian capital. It’s his first nonfiction book, but sometimes I’m not sure. At least it’s a personal quest for the soul of a city. Dasgupta immediately loved Delhi, he writes, and after he arrived he met so many people, so by writing down all their stories he learned about the real life in the fast growing metropolitan region. At that very moment the vast country had gone through a decade of the changes resulting from the liberalisation of the economy after 1991. Then the urban fabric still looked the old. But one year later the tearing-down began. “I had fallen, by pure chance, into one of the great churns of the age and, without ever planning to do so, I stayed.”  So he writes about the removal of hundreds of thousands of homes of the poor, the building of shopping malls and apartment blocks, “this enormous transfer of wealth and resources from the city’s poorest to its richest citizens,” the destroying of so many businesses in the name of aesthetic order, the maximizing of floor area and sale prices, the coming of restaurants and bars, coffee shops even. It left him and many others with the feeling that what was happening here, would change the entire world.

Dasgupta resolved to start with the torrent of Delhi’s inner life, “and to seek there the rhythm, the history, the mesh, from which a city’s lineaments might emerge.” While most people around him were convinced the city is losing its soul, he started to think there was a city to be made. I could not stop reading. I’m still in the middle of it. Modern Delhi, Dasgupta writes, was born out of the catastrophe of india’s partition. The city is the pioneer of India’s private townships. Gurgaon is the largest such township in Asia, and has imitators now all over the country. On the rush of Indian business process outsourcing to the enormous brushland zone of high-tech real estate in this new suburb of Gurgaon, close to the airport in the neighboring state of Haryana, triggered by the coming of General Electric in 1996, he discovered a new Delhi.  And then all those young Indians coming to the capital, working hard, earning money, possessed with great energy and talent, taking over the old city of bureaucrats, turning it into twenty-first century India’s cultural centre. The new generation looks up to them with respect and adoration. It’s a revolution. When did I visit Delhi the last time? That was 1988. I should go back and see it. But first read the whole book. 

Tagged with:
 

Importance of a ping-pong table

On 17 augustus 2015, in boeken, by Zef Hemel

Read this summer in London and on the beach:

NW

At the beginning of every summer, more or less round the month of July, correspondents and critics of newspapers and popular magazines always give personal lists of their favorite books. ‘These are the books I advise you to read.’ I love those lists. So that’s why I give you my personal list of favourites now, even though it is late August, at the end of my holiday. This is what I read during this summer time, books – novels and non-fiction – which I found really worthwile reading:

1. London, the biography (2000), by Peter Ackroyd;

2. Freedom (2010), by Jonathan Franzen;

3. The Sleepwalkers (2012), by Christopher Clark;

4. Soumission (2014), by Michel Houellebecq;

5. NW (2012), by Zadie Smith.

The first book is about London, the city perceived by Ackroyd as body. Great. The second describes Minneapolis-Saint Paul, Minnesota, but it also gives a great portrait of the dullness of Washington DC. Not to be missed. The third is about Belgrade, Serbia, on the eve of WWI. Horrible history. The fourth concerns Paris. Awesome. And NW, by the British novelist Zadie Smith, describes Willesden, North-West London. Willesden I visited mid July, when I went to London. I walked through the sleepy street where Leah lived. Leah, “a state-school wild card, with no Latin, no Greek, no Maths, no foreign language (…)”, living amongst Nigerians, Sikhs, lots of immigrant people in the neighborhood near Willesden Junction. “In Willesden people go barefoot, the streets turn European, there is a mania for eating outside.” I even visited Number 37 Ridley Avenue, Finchley Road, Willesden lane. So this is London too. The non-touristic, non-billionair immigrant city. Enjoy the language: “Elsewhere in London, offices are open/floor-to-ceiling glass/sites of synergy/gleaming. There persists a belief in the importance of a ping-pong table. Here there is no. Here offices are boxy cramped Victorian damp.” (…) “Face east and dream of Regent’s Park, of St. John’s Wood. The Arabs, the Israelis, the Russians, the Americans: here united by the furnished penthouse, the private clinic.” Yes, a boring place, but a true emancipation milieu. Read this great novel if you want to understand how citites like London and Paris function these days.

Tagged with:
 

Bazaarsteden

On 7 mei 2015, in boeken, internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Reis naar de einden der aarde’ (1996) van Robert Kaplan:

 

Kort na de val van de muur reisde de New Yorkse journalist Robert Kaplan langs de breuklijnen van de wereld. Zijn boek, ‘Reis naar de einden der aarde’ werd een grote hit. Anders dan Fukuyama’s ‘Einde van de geschiedenis’ (1992) wees Kaplan op het grote gevaar dat ons bedreigde. In West-Afrika, het Midden-Oosten, Iran, Centraal Azië en Indochina zag hij een nieuwe wereld-in-wording – het bleek een wereld van volstrekte anarchie. Overbevolking, uitputting van grondstoffen, leegloop van het platteland, urbanisatie, ze leiden volgens de journalist ons allemaal naar de afgrond. Kaplan voorspelde het einde van de natie-staat, een wereld in ieder geval met minder overheidscontrole. Wat ervoor in de plaats zou komen wist hij nog niet precies. Wel voorzag hij groeiende corruptie, clans, maffia, epidemieën, een oprijzende onderwereld. Het bijbehorende beeld was dat van de bazaar: iets dat noch autoritair noch democratisch is en dat nog het meeste lijkt op de islamitische bazaarstaat, zeg maar een informele, stuurloze, labyrintachtige wereld van handel en steekpenningen – flexibel, gericht op kortetermijnwinst, chaotisch, zwak geleid – waarin het erop aankomt de juiste connecties te hebben.

Tijdens koningsdag bemachtigde ik een exemplaar. Ik las het boek opnieuw. Het was weer huiveringwekkend. Twintig jaar later lijkt Kaplan helemaal gelijk te krijgen. Echter, wat ook opvalt: over de dominante verstedelijking was hij uiterst negatief. Hij zag niets hoopvols in de groeiende sloppenwijken. Zijn beschrijvingen van Teheran, Istanbul, Caïro, Abidjan, Karachi, Bangkok, het is allemaal even verschrikkelijk, zonder perspectief. De steden zijn hem te groot, te snel gegroeid. Migranten zijn losgeslagen van hun achtergrond. De islam is hun enige houvast. Waar die afwezig is, zoals in West-Afrika, ziet hij moreel verval. In slechts één hoofdstuk biedt hij de lezer hoop. Ergens in een vallei – de Rishi Valley – in India ontdekt hij volgelingen van Krishnamurti die ervan uitgaan dat het dorp de sleutel tot de vooruitgang is – “dat een natie niet modern kan zijn zolang de dorpen nog middeleeuws zijn.” Hun vallei bewerken ze volgens de regels van Gaia, onderwijs staat centraal, een stelsel van satellietscholen bindt de kinderen, alles is kleinschalig, concreet, de economie is hier zelfvoorzienend. Kaplan gelooft niet dat de groeiende megasteden tot iets dergelijks in staat zullen zijn. Hun ontwikkeling anders dan die van de bazaar schetst hij in zijn boek ook niet. Een verband tussen economische groei en de opkomst van megasteden ontgaat hem volkomen. Zo ook de nieuwe stedelijke middenklasse. Alleen het werk van premier Özal van Turkije ziet hij positief. Misschien was het voor optimisme toen nog te vroeg.

Tagged with:
 

Open City

On 4 maart 2015, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Open City’ (2011) van Teju Cole:

‘Open City’ van Teju Cole moet je in één keer uitlezen. De lange monologue intérieur van Jules is inderdaad, zoals een criticus schreef, "a meditation on history and culture, identity and solitude". De hoofdpersoon wandelt voortdurend door New York, ontmoet daar allerlei mensen, denkt na over de dingen, over zijn leven, over de stad. Afkomstig uit Nigeria is hij, net als de trekvogels boven zijn hoofd, ooit neergestreken in New York. New York is een typische migrantenstad, want de mensen komen werkelijk overal vandaan. Zelf woont hij dicht bij Columbia University, zijn avondwandelingen begint hij vanuit Morningside Heights, West Harlem. Elke avond loopt hij een stukje verder. "In this way, at the beginning of the final year of my psychiatry fellowship, New York City worked itself into my life at walking pace." Jules is psychiater in opleiding. Hij doorziet de ziel van mensen en doorgrondt, door te lopen, ook de ziel van de stad. Vandaar.

Mooi vond ik de passage in het vliegtuig. Jules vliegt terug uit Brussel, waar zijn moeder ooit woonde, naar New York. Bij landing ziet hij onder zich de stad liggen en stelt zich voor dat het vliegtuig een doodskist is en beneden hem de begraafplaats, met de huizen als marmeren grafstenen. "Then it came to me: I was remembering something I had seen about a year earlier: the sprawling scale model of the city that was kept at the Queens Museum of Art." Het blijkt te gaan om de maquette die in 1964 was gebouwd voor de Wereldtentoonstelling en die sindsdien keurig was bijgehouden en nog altijd te zien in dit museum. "In this case it was the real city that seemed to be matching, point for point, my memory of the model, which I had stared at for a long time from a ramp in the museum." De maquette had hem weer herinnerd aan een verhaal van Borges over cartografen die zo door detaillering waren geobsedeerd dat ze een kaart van het rijk maakten op een schaal van 1:1. "The map proved so unwieldy that it was eventually folded up and left to rot in the desert." Fascinerend. Zo werkt dus onze ziel.

Tagged with:
 

Het campusgevoel

On 30 september 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De cirkel’ (2013) van Dave Eggers:

dave_eggers_the_circle_large_verge_medium_landscape

Het bijzondere epos van de Amerikaanse schrijver Dave Eggers over het grootste internetbedrijf ter wereld – De Cirkel – speelt zich af in Silicon Valley, ergens in de toekomst. Eggers’ dystopie heeft de trekken van ‘1984’ van George Orwell, maar dan anders. Het verhaal neemt zijn aanvang in iets wat lijkt op het paradijs: de campus van De Cirkel, het Amerikaanse internetbedrijf dat nog veel groter en machtiger is dan Facebook of Google. "De campus was immens en grillig, een explosie van Stille Oceaankleuren, en toch tot in de kleinste details zorgvuldig overwogen, door de meest expressieve handen vormgegeven." We volgen hoofdpersoon Mae Holland als ze de campus betreedt om haar vriendin Annie – die er Directeur Veiligstelling Toekomst is – op te zoeken. Er werken op de campus meer dan 10.000 mensen, Annie geeft haar een uitgebreide rondleiding, het lijkt haar een ideale wereld, ze verovert binnen het bedrijf een door iedereen fel begeerde baan. Ze ontdekt dat het bedrijf alle wereldproblemen wil en zal oplossen.

Wat er gebeurt als je maar lang genoeg op een bijna ideale campus werkt en woont? Tegen het eind van het boek wordt dit duidelijk. Op de campus, schrijft Eggers, werd uiteindelijk voor Mae alles vertrouwd, er waren daar geen spanningen. "Daar hoefde ze zichzelf, of de toekomst van de wereld, tenminste niet te verdedigen, want de Cirkelaars begrepen haar en de wereld vanzelf wel, en ook hoe die wereld eruit zou moeten zien en er binnenkort ook echt uit zou gaan zien." Tja, over maakbaarheid gesproken. Maar het verschil tussen de utopie van de campus en de realiteit van San Francisco Bay Area leek voor Mae alleen maar groter te worden. "Buiten de campus had je daklozen, vieze geurtjes, machines die het niet deden, vloeren en stoelen die niet waren schoongemaakt, en overal was de chaos van de ongeorganiseerde wereld." Mae vond het steeds moeilijker om zich buiten de campus te wagen. "San Francisco, Oakland, San Jose of welke stad dan ook begon steeds meer op de Derde Wereld te lijken." Mae werd wereldvreemd. Het is alsof Eggers hier niet alleen de campus in de rijke Bay Area beschrijft, maar tegelijk ook de Amerikaanse suburb en al die gated communities die in de wereldsteden opduiken. Daarbuiten voelt het vies en vuig.

Tagged with:
 

Ideale stad

On 16 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in The Invention of Solitude (1982) van Paul Auster:

Dit stukje is opgedragen aan Mirjana Milanovic, stedenbouwkundige. Vanavond spreekt ze in De Balie, Amsterdam. Onderwerp: de ideale stad. Net als voor mij is haar favoriete auteur Paul Auster. Zijn debuutroman, The Invention of Solitude, is inderdaad een schitterend werk dat gaat over vaderschap. In het eerste deel, ‘Portrait of an Invisible Man’, beschrijft Auster zijn vader, in het tweede deel, ‘The Book of Memory’ wijdt hij uit over zijn zoon en diens verhouding tot hem, de vader. New York, Parijs en Amsterdam spelen in deze autobiografische roman een betekenisvolle rol. Vooral Amsterdam. Althans, in ‘The Book of Memory’ voert hij Amsterdam veelbetekenend op. Het begint met een bezoek aan het achterhuis van Anne Frank op een regenachtige zondagmorgen. Daar, in het achterhuis, moest hij – ‘A’, de hoofdpersoon – zowaar huilen, bij het zien van de verschoten Hollywood-fotootjes die Anne had gespaard. Toen besloot hij zijn boek te schrijven. “As in the phrase: ‘she wrote her diary in this room’.”

Drie dagen bleef hij in Amsterdam. Hij verdwaalde er. Dat lag niet aan hem, maar aan de stad. “The plan of the city is circular (a series of concentric circles, bisected by canals, a cross-hatch of hundreds of tiny bridges, each one connectin to another, and then another, as though endlessly), and you cannot simply ‘follow’ a street as you can in other cities. To get somewhere you have to know in advance where you are going.” Drie dagen lang liep hij in cirkels rond. “He wandered. He walked around in circles. He allowed himself to be lost.” Was hij in de hel beland? Was Amsterdam de afspiegeling van de onderwereld? Hoe langer hij liep, hoe meer hij besefte dat hij dichter bij zijn innerlijk kwam. Het vervulde hem zelfs met geluk. “As if on the brink of some previously hidden knowledge, he breathed it into his very bones and said to himself, almost triumphantly: I am lost.” De ideale stad, hij lijkt op de hel.

Tagged with: