The enemy is noise

On 23 september 2015, in boeken, by Zef Hemel

Read in ‘There is simply too much to think about’ of Saul Bellow (2015):

 

The first essay in the bulk of nonfiction of the great American novelist Saul Bellow, assembled in ‘There is simply too much to think about’, is called ‘Starting out in Chicago’. It’s about how the young man started writing novels in the Windy City in the thirties, at the time of the Great Depression. This is how Bellow described Chicago in his adolescent youth: “A colossal industrial and business center, knocked flat by unemployment, its factories and even its schools closing, decided to hold a World’s Fair on its shore of Lake Michigan, with towers, high rides, exhibits, Chinese rickshaws, a midget village in which there was a midget wedding every day, and other lively attractions including whores and con men and fan dancers.” Several millions of dollars were spent on the Fair of 1933, but it didn’t produced jobs. Bellow remembered how president Roosevelt later, “seeing how much trouble unhappy intellectuals had made in Russia, Germany and Italy between 1905 and 1935”, started to pay the jobless youth “for painting post office murals and editing guidebooks.

More descriptions of an industrial Chicago in the thirties: “I would have kissed the floor of a café. There were no cafés in Chicago.” More depressing even: “In my own generation there were those immigrants who copied even the unhappiness of the Protestant majority, embracing its miseries, battling against Mom; reluctant, after work, to board the suburban train, drinking downtown, drinking on the club bar, being handed down drunk to the wife and the waiting station wagon like good Americans.” These are the notes he made in 1974-75. There was no poetry in his hometown, that’s for sure. “The enemy is noise.” What did he mean by that? “By noise I mean not simply the noise of technology, the noise of money or advertising and promotion, the noise of the media, the noise of miseducation, but the terrible excitement and distraction generated by the crisis of modern life.” The crisis of modern life? Bellow studied sociology and anthropology. In 1937 he finished his study. As a writer and anthropologist he decided to describe melting melting pot Chicago, for which you have to read ‘The Adventures of Augie March’. On poverty, on discrimination, on late-nineteenth century capitalism. A must read.

Tagged with:
 

Planning Chicago

On 30 april 2014, in boeken, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van D.Bradford Hunt en Jon DeVries:

In 2011 doekte Chicago – met 2,7 miljoen inwoners de grootste stad van het Amerikaanse Middenwesten – zijn Department of Planning doodleuk op. Er moest worden bezuinigd, de stad was bijna bankroet. Kort daarvoor had Chicago nog geprobeerd de Olympische Spelen naar zich toe te halen. Alles had burgemeester Daley uit de kast getrokken om zijn bid te laten winnen. Het stadsbestuur meende werkelijk dat Chicago de status van een ‘World City’ verdiende en wilde dat de Olympische Spelen dit zouden onderstrepen. In 2009 werd echter duidelijk dat Chicago geen schijn van kans maakte. Ondertussen trok de financiële crisis diepe sporen: na een decennium van hernieuwde groei verloor ‘The Windy City’ toch weer inwoners. De tegenstellingen tussen zwart en blank – toch al groot in Chicago – werden alleen maar groter. Ook het aantal banen nam af, veel sterker dan in de andere tien grootste Amerikaanse steden. Ruimtelijke ordening werd gezien als overbodige luxe.

De nieuwe burgemeester, Rahm Emanuel, probeert sindsdien vooral met handelsmissies en ‘Chicago Inbusiness’-achtige instellingen nieuwe bedrijven naar Chicago te halen, wat soms ook lukt, maar de structurele gebreken van de grootstedelijke economie verhelpen deze acties niet. Het mag symbool staan voor de recente aanpak van het stadsbestuur: men doet maar wat, er is geen verband tussen de vele kortetermijnacties. Dat is althans het standpunt van Bradford Hunt en Jon DeVries, verbonden aan Roosevelt University in Chicago, in het recent verschenen ‘Planning Chicago’. Hun toegankelijke boek kan gelezen worden als een aanklacht. Voor de twee wetenschappers staat de ondergang van de gemeentelijke planologische dienst symbool voor een kortzichtige stadspolitiek die meer kapot maakt dan verbetert. Overal in Amerika en daarbuiten liggen de stadsplanners onder vuur en worden planningsapparaten ontmanteld. Bardford Hunt en De Vries wilden laten zien hoe schadelijk dit is en wat planners in het verleden voor een stad als Chicago hebben betekend. In dat laatste zijn ze uitstekend geslaagd. Hun boek verscheen aan de vooravond van het jaarcongres van de APA, de American Planners Association. De vraag is of ook niet-planners hun mening delen en of ze het boek van de twee überhaupt hebben gelezen.

Tagged with:
 

Icoonprojecten

On 27 april 2014, in economie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van John Bradford Hunt en Jon Devries:

In januari 2011 werd de Dienst Ruimtelijke Ordening van Chicago, de op twee na grootste stad van de Verenigde Staten, opgeheven. Al eerder bleek de planning in de industriële grootstad aan het Michigan Meer aan erosie onderhevig. De tien jaar voorafgaand aan de crisis werden gekenmerkt door een stadsontwikkeling die bovenal financieel gedreven was. Achteraf kan je zeggen dat het bestuur toen al de ruimtelijke planners aan de kant had geschoven. De politiek negeerde ze, de bevolking kende ze niet meer, de gemeentelijke diensten werkten niet meer met ze samen. Planners met hun plannen werden maar als hinderlijk ervaren. De stad werkte nu louter vanuit projecten en grondexploitaties, de zogenaamde TIF’s (Tax Increment Financing). Binnen de grenzen van een TIF werden voorziene waardestijgingen als gevolg van ruimtelijke investeringen in een fonds gestort, vooraf konden uit dat fonds de investeringen worden gefinancierd. Het grondbedrijf was omgevormd tot een soort bank, deze bleek in het pokerspel een cruciale speler en trok alle politieke en ambtelijke macht naar zich toe. Alles draaide om waarde-creatie.

De nieuwe werkwijze kwam erop neer dat de stad op grote schaal geld leende en er feitelijk mee speculeerde, dat wil zeggen: in haar uitgaven liep ze stelselmatig op toekomstige waardestijgingen vooruit. Tussen de vele TIF’s was geen verband in de zin dat er een coherent plan aan ten grondslag lag. En het ergste was, het moest wel beter gaan met de stad om de groeiende uitgaven te kunnen dragen. Steeds meer publiek geld ging naar symboolprojecten die het gevoel zouden geven dat het goed ging met de stad. Het kostbare, door filantropen medegefinancierde Millennium Park (2004) in het centrum is daarvan een treffend voorbeeld. In die politiek paste ook de kandidatuur van Chicago voor de Olympische Spelen in 2009. Toen de financiële crisis uitbrak stortte dit politieke en financiële kaartenhuis ineen. In werkelijkheid bleek het veel minder goed te gaan met de stad. Ze verloor veel inwoners en banen en de lokale economie bleek allesbehalve gezond, maar dat werd in al die jaren gemaskeerd. Ook het IOC koos uiteindelijk niet voor de ‘Windy City’. Ironisch genoeg vierde Chicago in datzelfde jaar het feit dat honderd jaar eerder het grote plan van Daniël Burnham gereed was gekomen. Twee jaar later besloot de nieuwe burgemeester om alle planners naar huis te sturen. In plaats daarvan koos hij voor handelsmissies en stimuleringsregelingen voor ‘groene daken’, volgens de auteurs ‘symboolprojecten’. Met Chicago gaat het ondertussen niet goed.

Tagged with:
 

Chiraq

On 29 januari 2014, in muziek, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in XXL Magazine van 22 januari 2014:

Vertelde ik trots dat ik eindelijk de recensie van ‘Planning Chicago’ (2013) van Bradford Hunt en DeVries af had, vroeg de Canadese planner Mitchell Reardon, bij me op bezoek, of ik ook over ‘Chiraq’ had geschreven. Pardon? Chiraq? Het blijkt te gaan om meest recente bijnaam van de ‘Windy City’. Chiraq, bedacht door rappers, staat over het hoge aantal moorden dat gepleegd wordt in Chicago – bijna even veel als in heel Irak: 4.265 moorden in Chicago tussen 2003 en 2011, 4.442 doden in Irak in dezelfde periode. De stad in het Middenwesten van de Verenigde Staten, voegde Mitchell eraan toe, heeft de allures van Bagdad, met zones waar het veilig is en grote delen waar het uiterst gevaarlijk en luguber kan zijn. Nee, daarvan hadden de twee wetenschappers van Roosevelt University in hun boek niet gerept. In XXL Magazine lees ik dat er sinds 7 januari twee documentaires rouleren over het fenomeen ‘Chiraq’. ‘Chiraq’ gaat over de achttienjarige Lil Jojo, een rapper die op straat werd vermoord nadat hij een video had geüpload. Een tweede documentaire, ‘’The Field’, gaat over ‘voilence, hip-hop and hope in Chicago’ . Beide moet ik zien.

Nu begrijp ik pas waarom Chicago bevolking verliest en waarom ook de Afrikaans-Amerikaanse bevolking de stad massaal de rug toekeert (achttien procent maar liefst vertrok). Terwijl het gerevitaliseerde centrum van het gesegregeerde Chicago (blanke) inwoners wint en de gebieden eromheen een proces van gentrification doormaken, lopen sommige (zwarte) buitenwijken domweg leeg. De stad telt 12.000 daklozen, en ook dat aantal groeit. Door de financiële crisis staat 40 procent van de zwarte huiseigenaren ‘onder water’. Wat concluderen Bradford Hunt en DeVries? “The gloomy data from the past decade imply that Chicago’s renaissance is incomplete and that the city’s population and job bases will continue to shift dramatically, as they have for the past 30 years. Was the global city built on sand? No, but the likelyhood remains high that a strong central area will eventually be surrounded by declining neighborhoods on the city’s fringes, creating a new set of planning problems.” De gemeente mist een ‘planning department’, dat nota bene in 2011 is wegbezuinigd.

Tagged with:
 

Dure bezuiniging

On 20 januari 2014, in boeken, politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning Chicago’ (2013) van D. Bradford Hunt en Jon DeVries:Werd door de redactie van S&RO gevraagd een recensie te schrijven van ‘Planning Chicago’. Las ter voorbereiding een interview met de auteurs, Bradford Hunt en Jon DeVries, verbonden aan Roosevelt University in Chicago, gepubliceerd op Planetizen 10 april 2013. Hun boek, 340 bladzijden dik, gaat over de naoorlogse planningsgeschiedenis van Chicago, de twee na grootste stad van de Verenigde Staten. De industriële ‘Windy City’ gedraagt zich als het Rotterdam van de USA. Ze voelt zich al jaren eeuwige tweede, zeker op dit moment. New York, in de jaren tachtig verlost van haar haven, heeft de omslag naar de postindustriële tijd succesvol weten te maken, maar van Chicago kun je dat niet zeggen. Wel gaat het de laatste jaren beter met de stad en er komen weer meer toeristen. Het prachtige Millennium Park in het centrum staat symbool voor deze wederopstanding. Maar voor Bradford Hunt en DeVries is dat allemaal twijfelachtig. Hun analyse steekt dieper: het ontbreekt de stad aan een langetermijnvisie en ze heeft geen eigen planningsapparaat meer dat ruimtelijk kan sturen. De Dienst Ruimtelijke Ordening werd in januari 2011 afgeschaft.

Wat hiervan de consequentie is, illustreren de auteurs in het interview fijntjes aan de hand van het zo bejubelde Millennium Park. Het park, zeggen ze, is in werkelijkheid de voltooiing van het honderd jaar oude plan van Daniel Burnham, dus het gaat terug op de tijd dat de stad nog planmatig opereerde. In werkelijkheid verliep de totstandkoming van het park chaotisch. Het was een opeenstapeling van blunders. Hunt: “It started being built as a parking garage, and portions had to be rebuilt when they decided that it would be topped with art. It was a chaotic implementation of the last piece of the Burnham Plan.” De schrijvers hopen dat wordt onderkend dat dit soort kostbare problemen voortkomen uit een gebrek aan publieke ruimtelijke ordening. “Frankly, a lot of cities have seen planning as one of those places where they can cut budgets.” (De situatie deed me denken aan de kwestie van het Rotterdamse Museumpark). De nieuwe burgemeester van Chicago Emmanuel is een sluwe vos, maar zijn groene dakenoffensief is louter symbolisch en zijn politiek is die van de korte termijn, aldus de twee. Daarom waarschuwen ze. De stad die op zijn Dienst Ruimtelijke Ordening bezuinigt zal op den duur geconfronteerd worden met hele grote problemen. Hunt: “It will lead to some expensive decisions in the long term".</

Tagged with:
 

Chicago, Los Angeles, Amsterdam

On 10 juli 2012, in wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam op 27 juni 2012:

In zijn oratie, getiteld ‘Urban Perspectives of the World’, beschreef de nieuwe hoogleraar sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam, Jan Nijman, op 27 juni in de aula aan het Spui de hernieuwde belangstelling voor grootstedelijk onderzoek. Nijman, die meer dan vijfentwintig jaar in Miami Florida doceerde, is tegenwoordig directeur van het ‘Centre for Urban Studies’ in Amsterdam. Hij coördineert er het multidisciplinaire onderzoek naar steden, een onderzoeksveld dat zeker dertig Amsterdamse hoogleraren en meer dan veertig promovendi samenbrengt. ‘Urban Studies’ is een van de vijftien speerpunten in het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. Nijman wees op de nieuwe condities van stedelijke groei en expansie die steden tot een belangwekkend veld van nieuw onderzoek maken.

Interessant was de passage waarin Nijman de opmerkelijke rol van Chicago in het stedelijke onderzoek duidde. Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw kwam inderdaad vrijwel alle belangwekkende sociaal-wetenschappelijke onderzoek inzake steden uit één stad, namelijk de ‘Windy City’ in het Midden-Westen van de Verenigde Staten (Ernest Burgess, Herbert Mead, Robert Park, Louis Wirth). In de jaren negentig werd deze rol overgenomen door Los Angeles (Mike Davis, Allen Scott, Edward Soja, Michael Storper), maar Nijman wees er fijntjes op dat LA deze functie slechts betrekkelijk kort heeft vervuld. Hij had er ook een verklaring voor. Het kwam, zei hij, doordat wetenschappers aan de westkust hoofdzakelijk over Los Angeles zelf publiceerden. Toen andere steden in de wereld LA niet langer zagen als de stad van de toekomst, was het snel met de faam van haar onderzoekers gedaan. Dat zal Amsterdam niet overkomen, voegde hij er onmiddellijk aan toe. Amsterdamse onderzoekers zullen over stedelijke verschijnselen in alle wereldsteden publiceren. Hij dichtte de Nederlandse hoofdstad met zijn vele stadsonderzoeken daarin goede kansen toe. “Our city has all the requisites to ‘model’ in this urban-global world. And our Centre for Urban Studies is very well positioned, with an impressive range of expertise, local and global, for the kind of balanced strategy required to play a leading role in the field, world-wide.”

Tagged with:
 

De stad opkrikken

On 23 maart 2012, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 8 februari 2012:

Twee artikelen uitgeknipt en naast elkaar gelegd: een recensie van ‘World 3.0’ van Pankaj Ghemawat, de ander een interview met Pascal Lamy. Ghemawat is econoom in Barcelona, Lamy is topman van de Wereldhandelsorganisatie WTO. Beiden bieden een mondiaal perspectief en zijn niet bang voor grote getallen. Ghemawat leert ons dat slechts 20 procent van het bruto wereldproduct wordt geëxporteerd, dus 80 procent is nog altijd lokaal. Lamy vertelt dat Europa voor 65 procent met zichzelf handelt, Azië voor 55 procent, Noord-Amerika meer dan 40 procent en Latijns-Amerika 30 procent. Meer dan vijftig procent van de wereldhandel in producten betreft halffabrikaten, componenten. Met de globalisering valt het dus nog wel mee. Niet alles wordt tegenwoordig in China gefabriceerd. Grenzen, aldus Ghemawat, hebben dus nog steeds betekenis. “Iedere procent extra geografische afstand leidt tot een procent minder handel.” Deregulering, voegt hij eraan toe, is dus rampzalig.

Beide artikelen deden met denken aan het briljante artikel van de Amerikaanse econoom Paul Krugman uit New Perspective Quarterly (1995), getiteld ‘De lokalisering van de wereldeconomie’.  Krugman voert daarin twee Amerikaanse steden ten tonele: Los Angeles en Chicago. Hij ontdekte dat de exportbasis van beide steden in hoge mate gespecialiseerd is en dat het merendeel van de economie zich binnen de steden afspeelt. Dit noemt hij ‘de paradox van de wereldeconomie’. Daarmee bedoelt hij dat de internationale handel, als percentage van de wereldproductie, nu niet veel groter is dan een eeuw geleden. Voor mondiale concurrentie hoeven mensen dus ook niet zo bang te zijn. Doordat machines op afstand halffabrikaten produceren, kunnen steden zich vrijmaken en richten op de niet-tastbare dingen. Diensten bijvoorbeeld. Of kunsten. En kennis. Diensten zijn lokaal. En kennis kan ver reizen zonder dat een stad deze verliest. Grote steden als Los Angeles en Chicago lijken onderhand geheel los te staan van hun fysieke omgeving. Grondstoffen hebben ze bijna niet meer nodig. “De elf miljoen inwoners van het moderne Los Angeles zijn daar vanwege elkaar; als je de hele stad zou kunnen opkrikken en duizend kilometer verplaatsen, zou de economische basis nauwelijks zijn aangetast.” Hun economieën gaan steeds meer op elkaar lijken. Die worden abstract. Voor Nederland geldt dit alles niet; wij spelen liever voor doorvoerland van overwegend halffabrikaten. Steden hebben wij niet nodig.

Tagged with:
 

Collectieve intelligentie

On 28 februari 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning in the Public Domain’ (1987) van John Friedmann:

Hoe werken mensen samen in steden? Wanneer Richard Sennett de figuur van opbouwwerker Saul Alinsky (1909-1979) opvoert, doet hij dat om te laten zien dat er ook andere vormen van samenwerking bestaan dan consensusvorming aan de top. In ‘Together’ (2012) staat Alinsky en zijn aanpak in de Southside in Chicago model voor een coöperatieve werkwijze van onderop. Diens benadering, schrijft hij, is informeel, losjes, mensen samenbrengen, hen informeren, een open dialoog voeren. Sennett begrijpt het wel: “unite-and-fight has to be rethought, because clarity and precision do not animate local communities.” Vervolgens citeert hij Alinsky: “There are no fixed chronological points or definite issues. The demands are always changing; the situation is fluid and ever-shifting; and many of the goals are not in concrete terms of dollars or hours…” Ziedaar een werkwijze die verre van efficiënt is, maar wel buitengewoon effectief. Sennett spreekt zelfs van “dialogical exchange with a vengeance.” Wat bedoelt hij daarmee? Het is: het achterkamertjes-onderhandelen van het top-down samenwerkingsmodel, met zijn interne conflicten en rituelen die gezichtsverlies moeten voorkomen, wordt erdoor te kijk gezet.

Ook de Amerikaanse planner John Friedmann voert Saul Alinsky op in ‘Planning in the Public Domain’ (1987), zijn overzichtswerk van de twintigste eeuwse planning. Ditmaal staat Alinsky model voor een planningbenadering die een ideologie ontbeert. Alle andere vormen van sociale mobilisatie zijn juist sterk ideologisch gedreven, aldus Friedmann. “What ideology, if any, can an organizer have in a free society, working for a free society?”, citeert Friedmann Alinsky. “A free man working for an open society is in a serious dilemma. To begin with he does not have a fixed truth, he has no final answers, no dogma, no formula, no panacea.” Was Alinsky een nihilist? Nee, want hij schrijft: “In the end, [the free-society organizer] has one all-consuming conviction, one belief, one article of faith – a belief in people, a complete commitment to the belief that if people have the power, the opportunity to act, in the long-run they will, most of the time, reach the right decisions.” Friedmann wijst er op dat Alinsky het eigenbelang van mensen vooropstelt, waarop hij concludeert dat het hem er kennelijk alleen om te doen was de zwarte onderklasse van Chicago te geven waar ze recht op had. Was het zo banaal? Volgens mij was Alinsky ‘collectieve intelligentie’ op het spoor. Alleen, hij leefde nog in een wereld van grote ideologische tegenstellingen en kon alleen vanuit groepsbelangen opereren. Anno 2012 zijn we van die tegenstellingen eindelijk verlost. Wat rest, is geloof in mensen en in bottom-up processen die ons tot intelligent gedrag aanzetten. Of we geloven zelfs dat niet, en resteert alleen nog het geld. 

Tagged with:
 

Saul Alinsky

On 23 februari 2012, in planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Hoe werken mensen effectief met elkaar samen? Daarover gaat Richard Sennett’s nieuwste boek. Al vrij snel komt de auteur – hij is socioloog en filosoof tegelijk – te spreken over Saul Alinsky (1909-1972). Volgens Sennett was Alinsky de effectiefste opbouwwerker van de Verenigde Staten. Hij zet diens werkwijze, gepraktiseerd in de sloppenwijken van Chicago, af tegen die van politieke bewegingen en vakbonden als die van de ‘Daley machine’ (Daley was burgemeester van Chicago), waarbij hoofdpersonen liefst zaken doen in ‘achterkamertjes’, zich al snel in bureaucratieën hullen en vervreemden van hun achterbannen. Ressentimenten zijn het gevolg. Politieke partijen, aldus Sennett, denken fundamenteel anders over samenwerking dan opbouwwerkers als Alinsky. “His method of organizing was to learn from the streets of a community, gossip with people, get them together, and hope for the best; he never told people what to do, instead encouraging the shy to speak up, himself providing information in a neutral manner whenever it was requested.” Sennett leerde Alinsky persoonlijk kennen, deze kwam vaak bij zijn ouders thuis. “Funny as well as feisty – ‘booze’, he once told my mother, ‘is the organizer’s most important tool’ – he cast a spell over young followers, who have included Barack Obama and Hillary Rodham Clinton, both of whom later strayed from the master’s path.” Wat bedoelde Alinsky precies met ‘booze’? Letterlijk vertaald gaat het om zuipen, drinken. De gelagkamer als de plek waar mensen leren samenwerken? Nee, het is plezier en pret als grondslagen van samenwerking. Obama en Clinton zijn daar inderdaad ver van verwijderd geraakt.

Alinsky was ervan overtuigd dat zijn methode betere samenwerking produceerde dan die van vakbonden en politieke partijen. “Labor union organizers turned out to be poor community organizers.” Het ‘unite-and-fight’ principe wees hij van de hand. In plaats van de dialectiek van het politieke debat pleitte hij voor de open dialoog. “By getting together people who have never really talked, providing them with facts they did not know and suggesting further contacts the Alinsky-style community organizer hopes to sustain dialogical talk.” Over Alinsky oordeelde David Remnick overigens heel anders. In ‘The Bridge’ (2010) vertelt hij hoe Barack Obama en Hillary Rodney (Clinton) in Chicago geleidelijk afstand nemen van diens aanpak. Hoewel, Rodney schrijft een scriptie over hem waarin ze haar zorg uitspreekt over Alinsky’s aarzeling om de mainstreampolitiek in te gaan en veranderingen op grotere schaal te bevechten, en de hardwerkende Obama omarmt weliswaar de dialoog, maar het ‘booze’-element wordt bij hem minder. Voor Amsterdam, waar de stadsdelen zullen worden opgeheven, lijkt me het niettemin een relevant gegeven. De werkwijze van Alinsky, aangepast aan de Amsterdamse omgeving, zou ook hier goed van pas komen. Sterker, de nieuwe stadsontwikkeling van de hoofdstad zou in het licht van de crisis misschien wel in zijn geheel op die andere leest moeten worden geschoeid. Plezier en ‘booze’, een open dialoog, geen achterkamertjes, geen vervreemding, minder bureaucratie, wie wil het niet? Echte samenwerking wordt dan mogelijk.

Tagged with:
 

Mad Modernism

On 23 december 2011, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The Chicago Tapes (1987):

Gevonden in de boekenkast bij het opruimen: The Chicago Tapes, een verslag van een architectenconferentie gehouden in juni 1986 op de Universiteit van Illinois, Chicago. Onderwerp: hoe verder met het modernisme in de architectuur. Deelnemers waren onder anderen Robert Stern, Stanley Tigerman, Cesar Pelli, Leon Krier, Michael Graves, Josef Kleihues, Peter Eisenman, Rem Koolhaas, en nog zo wat beroemdheden. Mooi om te lezen hoe Tigerman in zijn voorwoord zijn eigen stad Chicago typeert: niet alleen het geografische centrum, maar ook “more open and forthcoming than just about anywhere on the East Coast,” en: “without the viciousness endemic to such places as New York, where performance is, more often than not, measured by an exaggerated proportion of agitation and aggravation,” en ook: “an architectural Garden of Eden – the original center of America’s monumental modernist model”, nee zelfs “the last remaining American bastion of modernism.” Uiteraard refereert hij hier aan de werken van Louis Sullivan, Frank Lloyd Wright en Mies van der Rohe. In ieder geval getuigt het van een opmerkelijk staaltje stedentrots, waarin tevens weer die afgunst jegens andere, oudere, leukere steden doorklinkt, een sentiment dat Abram de Swaan ooit zo treffend typeerde als ‘voorstadgevoel’.

Mooi is hoe de Amerikaanse architect Robert Stern vervolgens kwam te spreken over Nederland. Het werk dat hij besprak betrof zijn verbouwing van een 125-jaar oude zilverfabriek in Voorschoten, in opdracht van een bekend modemerk. Stern: “To build in Holland is to confront a reverse cultural context from the American situation where we have very little collective building fabric; in Holland, the collective fabric is among the most consistently maintained that I’ve experienced.” Vervolgens komt hij tot zijn punt: “There is a quality of Dutch modernism which is slightly mad that I both admire and that scares me to death.” Daarmee bedoelt hij de verregaande perfectionering van het modernistische idioom in een omgeving die zelf het modernisme uitstraalt. Stern eindigt zijn bespreking met een bijzondere observatie: “Working in Holland has made me understand the reaction that the generation after the First World War had to the past in a way I could never imagine before. All that fabulously perfect environment, beautifully cared for, can drive you crazy. It lacks vitality. You want to take a sledgehammer to it.” Nederland is te perfectionistisch, te collectief, te keurig, het mist daardoor vitaliteit. Althans, bezien vanuit Chicago, ‘the architectural Garden of Eden’, in 1986. De VINEX-operatie moest toen nog beginnen.

Tagged with: