Niet willen groeien

On 11 februari 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Huffington Post van 7 december 2017:

Afbeeldingsresultaat voor homeless san francisco map

Bron: Bill Levay, 2015

De poging van de Chinese autoriteiten om hoofdstad Peking niet meer te laten groeien omdat verdere groei tot grotere ongelijkheid zou leiden, pakt dus averechts uit. Ik schreef er gisteren een blog over. In San Francisco en de Bay Area zijn het de bewoners zelf die hun stad niet meer verder willen laten groeien. Hun NIMBY-gedrag (‘Not in my backyard’) leidt ertoe dat steeds meer mensen een dak boven hun hoofd verliezen en op straat gaan zwerven. Vastgoedprijzen rijzen de pan uit door groeiende woningschaarste. In San Francisco leven inmiddels meer dan 6.000 mensen op straat; in Oakland, aan de overzijde van de baai, zijn dat er ruim 4.000, in San José – het hart van Silicon Valley – heeft zich vlak bij het hoofdkantoor van Adobe zelfs een groot kampement gevormd dat bekend staat als ‘the Jungle’, 75 acres groot. In 2014 werd the Jungle op last van de autoriteiten afgebroken, maar even verderop vormden zich onmiddellijk nieuwe kampementen, zoals Jungle 280’ en ‘Macredes’. Tijdens de bosbranden van afgelopen zomer ging een aantal in rook op. Hetzelfde verschijnsel doet zich overigens voor rond de andere populaire Amerikaanse steden aan de Westkust, zoals Seattle, Portland en Los Angeles. Veel daklozen blijken afkomstig uit de suburbs.

In het steenrijke San Francisco leiden de kampementen tot grote overlast. Er zijn daar onvoldoende sanitaire voorzieningen. Waarop de rijken weer klagen. Hun klachten bereikten in juli 2017 voorlopig een piek. In The Huffington Post werd het verschijnsel in 2012 als volgt verklaard: “Experts see the trend as a product of the nation’s decades-old suburban migration, a steady exodus from major cities by professionals seeking more space, newer schools and distance from urban grit. More recently, jobs have spread to the fringes of large metropolitan areas, attracting workers. Double-digit unemployment amid the worst economic downturn since the Depression did the rest, sending previously middle-class and even affluent households into poverty.” Maar toen verkeerden de VS nog in een economische crisis. In 2014, dus na de crisis, berichtte The Atlantic: “The current tech boom has made Silicon Valley one of the wealthiest and fastest-growing regions of the country. That has created one of the country’s most expensive rental markets, pushing low-wage workers out of Santa Clara County or onto the streets.” Gloria Bruce, directeur van de East Bay Housing Organizations, gaf in de San Francisco Chronicle recentelijk een heldere verklaring: “It is the accumulation of years and years of affordable-housing shortages. There is just no place for people to go.” Mensen aan de onderkant van de woningmarkt worden de stad uitgedrukt door rijken die verdere groei verhinderen. Woningen worden duurder en duurder. Wat de rijken weer in de kaart speelt. Zo simpel is het.

Tagged with:
 

De hoofdstad van dakloos Amerika

On 18 januari 2011, in sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 mei 2004:

Afgelopen vrijdagmiddag met Clemens Blaas, directeur van HVO Querido, dwars door Amsterdam gereden. Het regende pijpenstelen. We brachten een bezoek aan de daklozenopvang in Zuid00st en op Steigereiland. Tussendoor bezochten we het kantoor van Discus, de woningbouwvereniging voor daklozen van HVO Querido. De aanleiding was de Vrijstaat Amsterdam, waar een avond met de dak- en thuislozen de meeste indruk op me had gemaakt. Kort daarna dineerde ik bij toeval met Blaas, die me vervolgens inviteerde. Vandaar. HVO Querido heeft veertig onderkomens door de stad voor dak- en thuislozen, circa 800 mensen in dienst en ongeveer 2300 ‘cliënten’. Het is de grootste van de drie instellingen die zich om de opvang van daklozen in Amsterdam bekommeren. Discus kende ik nog niet. De formule komt uit New York. Discus is de tussenpersoon bij de verhuur van sociale woningen in het bezit van Amsterdamse woningbouwcorporaties aan daklozen. Zeven jaar geleden begonnen met 26 woningen om het ‘sousterrain van de woningmarkt’ te bedienen, regelt ze nu 78 woningen in de hoofdstad voor daklozen die willen en kunnen terugkeren naar een normaal bestaan in de maatschappij. Eigenlijk zou Discus wel meer daklozen aan een woning willen helpen; het zou in nachtopvang schelen, het is goedkoper en voor de daklozen is het veel beter, maar de sociale woningen komen maar mondjesmaat beschikbaar.

Ergens frommelde ik een knipsel tevoorschijn van een artikel van Tijs van den Boomen in NRC Handelsblad. Het dateert van 7 mei 2004. Van den Boomen schrijft over de dak- en thuislozen in Los Angeles, ‘de hoofdstad van dakloos Amerika’. In heel Amerika leefden er vlak voor de kredietcrisis circa 700.000 mensen op straat. Dat is de bevolking van een stad ter grootte van Amsterdam! (Ik vermoed dat hun aantal inmiddels door de crisis is verdubbeld).  Bijna veertig procent van die populatie, schrijft Van den Boomen, zwerft door Los Angeles. Waarom? Omdat het daar aan de Westkust altijd lekker warm is en omdat er in deze uiteengelegde stad veel lege plekken zijn. De meesten houden zich op in skid row, het oostelijke deel van downtown LA. “Ze zitten op kartonnen dozen, liggen onder oude lappen, schurken tegen muurtjes.” Van den Boomen beschrijft hoe ze hun spulletjes bewaken, want vrij van aardse beslommeringen zijn ze niet. Vooral op elkaars spullen hebben ze het gemunt. Een projectontwikkelaar stelde daarop een loods ter beschikking en de binnenstadondernemers van LA betalen hem voor de opslag van bezittingen van daklozen, want die zijn de troep op straat liever kwijt. De loods barste na een week al uit zijn voegen. Wonen doen de daklozen op straat, maar hun spullen slaan ze kennelijk droog op. In LA zijn zelfs de daklozen materialisten, net als de 250.000 miljonairs in datzelfde LA.

Tagged with:
 

Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with: