De grote hongersnood

On 14 juni 2018, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen ‘The Great North Korean Famine’ (2002) van Andrew Natsios:

Afbeeldingsresultaat voor The Great North Korean Famine natsios

Iedereen heeft het over Noord-Korea, kernwapens, Kim Jong-un en Donald Trump. Maar niemand heeft het over de hongersnood van Noord-Korea. Nog midden jaren negentig stierven miljoenen Noord-Koreanen als gevolg van puur voedselgebrek. In 1996 sloot het communistische regime de noordoostelijke regio hermetisch af van de buitenwereld om Pyongyang van voedsel te kunnen blijven voorzien. De aanleiding was dat Rusland zijn exporten rigoureus had teruggeschroefd; energieleveranties liepen terug met 75 procent, ook kunstmest werd niet meer geleverd. Tot overmaat van ramp werd het land juist in die periode geteisterd door droogte en overstromingen. De blokkade duurde meer dan twee jaar. Het aantal doden schat Andres Natsios, auteur van ‘The Great North Korean Famine’ op 2,5 tot 3,5 miljoen slachtoffers op een bevolking van 23 miljoen. Deze hongersnood, ook wel bekend als ‘The March of Suffering’, heeft de bevolking volledig getraumatiseerd. Volgens Natsios heeft het regime hierdoor ernstig aan gezag ingeboet en raakte ook de bevolking ervan overtuigd dat zij niet langer deel uitmaakte van een ‘superieure’ beschaving. China sprong in 1993 bij, maar werd zelf al snel geconfronteerd met tegenvallende graanoogsten. Sindsdien kent het land zo’n driehonderd voedselmarkten van boeren die zelf hun producten verkopen.

In Pyongyang, destijds een metropool van meer dan drie miljoen inwoners, moet de situatie naargeestig zijn geweest. Volgens The New Yorker bleef de stad al die jaren een soort Potemkin metropool van standvastig socialisme, waarbij daklozen en hongerenden dagelijks hardhandig uit het straatbeeld werden verwijderd door militairen, terwijl het partijkader keurig zijn rantsoen vers eten kreeg. Na 1998 raakte de toestand weer genormaliseerd, maar nog altijd heerst er voedselschaarste. In 2016 gingen Anna Fifield, Linda Davidson en Jason Aldag van The Washington Post in de Noord-Koreaanse hoofdstad poolshoogte nemen. Ze ontwaarden nieuwe hoogbouw, amusementsparken en zwembaden, maar in de buitenwijken zagen ze mensen nog altijd honger lijden. Ook de hoogbouw vonden ze allerminst aantrekkelijk. Voortdurend viel de elektriciteit uit, en vastzitten in een lift is geen pretje. De rest schreef ik in mijn boek ‘The toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ (2016). Met het voorbeeld van Pyongyang maakte ik duidelijk dat een stad een achterland nodig heeft voor voedsel, energie, grondstoffen en water. Zonder wingewest sterft een stad in hele korte tijd. Dit gegeven ligt aan de basis van de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea en de Verenigde Staten, met een kernwapencrisis als inzet.

Tagged with:
 

Vraatzuchtig monster

On 11 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010) van Auke van der Woud:

Afbeeldingsresultaat voor koninkrijk vol sloppen

Tussen 1870 en 1900 groeiden de steden in het westen van Nederland ineens als kool. Amsterdam, aldus historicus Auke van der Woud in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010), kreeg in drie jaar tijd, tussen 1880-1883, liefst 100.000 nieuwe inwoners erbij. De instabiliteit van die instroom was overigens wel groot, want tegelijk vertrokken er 70.000. Een positief saldo dus van 10.000 nieuwe Amsterdammers elk jaar. Nederland volgde in dat opzicht industriële grootmachten als Engeland en Duitsland. In die tijd ontstond het beeld van de grote stad als een gezwel dat op zijn landelijke omgeving parasiteert. De trek naar de stad werd zelfs rechtstreeks in verband gebracht met de landbouwcrisis. Volgens Van der Woud hadden die twee tendensen maar zeer gedeeltelijk met elkaar te maken gehad, maar het beeld was geboren en het bleek onweerstaanbaar: steden waren hongerige octopussen die het platteland verslinden en globalisering werd als de zondebok gezien. Allerlei marxistische en socialistische theorieën circuleerden die steden gingen zien als puur economische verschijnselen. Kritische intellectuelen keerden zich tegen de grote stad. De bezorgdheid over de stedengroei en de nieuwe stedelijke samenleving was volgens Van der Woud overigens typisch Europees, want in Amerika waren weinig critici te vinden die de grote stad als een tumor beschouwden.

Van der Woud wijst erop dat de wetenschappelijke onderbouwing van de parasiterende grootstad met name geleverd werd door Darwins evolutietheorie. Steden werden, net als planten en dieren, als organismen gezien die zich ontwikkelden tot een steeds hogere complexiteit.  Er was sprake van een ‘survival of the fittest’.  Volgens negentiende eeuwse geografen en economen kostte die stedelijke groei veel energie: energie die steden, net als bomen en planten, via infrastructuur uit hun omgeving naar zich toe zogen. Het beeld van de grootstad als vraatzuchtige monster was geboren. Maar Van der Woud stelt in zijn boek daar een heel ander beeld tegenover. Dat beeld is in de eerste plaats cultureel, niet economisch. De grootstad, schreef hij, was voor veel mensen in de eerste plaats een zintuiglijke ervaring en juist daarin school een grote aantrekkingskracht. “Grote stad, wereldtentoonstelling van snoep, machines, schrijfpapier, geplukte eenden, meikaas, glaswerk, strohoeden, kamizolen, rubberen slangen, taarten en lakense jassen.” Eind negentiende eeuw was de metropool de plaats waar de moderne beschaving werd geboren. Wonen in een stad, dikwijls klein, benauwd en vierhoogachter, was voor de meeste mensen een geschenk uit de hemel.

Tagged with:
 

Niet willen groeien

On 17 januari 2018, in energie, water, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Edward Glaeser:

Afbeeldingsresultaat voor city growth global south

 

De opbloei van Singapore was niet mogelijk geweest zonder de airco. De stichter van de stadstaat Lee Kwan Yew schreef in 1965 airconditioning zelfs voor in alle overheidskantoren om zo een efficiënte overheidsbureaucratie te kweken. Lees hierover Katy Lee in Vox van 23 maart 2015 (‘Singapore’s founding father thought air conditioning was the secret to his country’s success’). In Dubai ervoer ik onlangs hetzelfde. Inwoners van deze moderne woestijnstad verkeren uitsluitend in gekoelde ruimtes zonder ook maar één moment de hitte buiten te hoeven verduren. Zelfs auto’s fungeren hier als gekoelde cellen, meer nog dan als transportmiddel. Zonder airco zouden zulke megasteden nooit van de grond zijn gekomen, hun economieën niet zo succesvol zijn geweest. Dit is ook wat de econoom Edward Glaeser schreef over de Amerikaanse steden in de zuidelijke staten in zijn ‘Triumph of the City’. Glaeser: “The rise of the American Sunbelt in the postwar period owes much to the availability of cheap, cool air.” Airco is een regelrechte doorbraak, vergelijkbaar met de introductie van de lift eind negentiende eeuw. Maar het betekent wel een enorme aanslag op het energieverbruik op aarde, ook nog eens precies op de plaatsen waar water vaak uiterst schaars is. Stel dat alle Afrikaanse en Indiase steden de komende decennia uitgroeien tot succesvolle megasteden door massaal gebruik van airconditioning, wat betekent dit dan voor het totale energie- en waterverbruik?

Wanneer Glaeser een schatting probeert te maken van alle CO2-uitstoot door huishoudens, dan telt hij alle emissies bij elkaar op die verband houden met autorijden, elektriciteitsverbruik, verwarming en koeling, en voegt daar openbaar vervoer aan toe. Het hoeft niet te verbazen, schrijft hij, dat steden beduidend groener zijn dan buitenwijken of het platteland. Maar de verschillen tussen metropolitane gebieden zijn nog groter. “Coastal California is by far the greenest part of the country. The Deep South is by far the brownest.” De kloof tussen het warme zuiden en het gematigde noorden van de VS is zelfs dramatisch. En New York blijkt een van de groenste steden, ook door zijn enorme omvang en dichtheid. Airconditioning is hier de onderscheidende factor. Eigenlijk, concludeert Glaeser, zouden metropolen in de gematigde zone veel sneller moeten groeien dan die in de hete, droge Sunbelt. Dat ze dat niet doen wijt hij aan het restrictieve ruimtelijke beleid in de eerste. Steden in de gematigde zone willen niet groeien en ook niet verdichten, ze koesteren het platteland, wijzen migranten af, kiezen liever voor spreiding. Afwijzing van stedelijke groei beschouwen ze zelfs als duurzaam. Wat een misvatting. En zo groeien uitgerekend de woestijnsteden, waar airco aan een snelle opmars bezig is en waar drinkwater uitgeput raakt.

Tagged with:
 

Techhoofdstad

On 11 juli 2017, in economie, energie, Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in Novotel, Amsterdam, op 6 juli 2017:

Afbeeldingsresultaat voor datacenters amsterdam ams-ix

Vorige week opende het Amerikaanse Equinix zijn derde datacenter op Science Park in Amsterdam, goed voor liefst 120.000 servers. De dag erna organiseerde Vastgoedjournaal een seminar over de snel expanderende markt voor datacenters in Nederland in het Amsterdamse Novotel. Was het toeval? Buck Consultants presenteerde er zijn marktverkenning. Die loog er niet om. Amsterdam, aldus Maurice Kuipers, staat in de top vier van Europese steden met concentraties van datacenters. In energieverbruik gemeten staat Amsterdam, na Londen, zelfs op plaats twee. Met 17% groei per jaar groeit de Nederlandse hoofdstad ook nog eens sneller dan zijn concurrenten (Londen, Frankfurt en Parijs). De markt zelf groeit exponentieel. De komende vijf jaar wordt rekening gehouden met een verdriedubbeling van het wereldwijde dataverkeer. Liefst 98% van de groei in Nederland, voorspelt Buck Consultants, zal plaatsvinden in Amsterdam. Alleen zogenoemde hyperscales zullen zich buiten de hoofdstad vestigen. De komende vijf jaar is dat niet meer dan één. Het succes van Amsterdam hangt sterk samen met de aanwezigheid van AMS-IX bij NIKHEF: de grootste internetknoop ter wereld in de Watergraafsmeer. Verder is de redundantie van het Nederlandse elektriciteitsnet van superieure kwaliteit en is Schiphol, waar de logistieke sector snel digitaliseert, wel heel nabij. Datacenters zijn een vestigingsvoorwaarde voor de nieuwe digitale economie. Door deze nieuwe infrastructuur verandert Amsterdam in een mondiale Techhoofdstad, met Londen, Parijs en Frankfurt. Heeft iemand dit in de gaten?

Zeker, datacenters slurpen energie. Nu al zijn DC’s in Amsterdam goed voor 11 procent van alle energie die bedrijven in de regio verbruiken. De capaciteit van het regionale energienet echter zit helemaal aan zijn plafond. Daar komt bij dat klanten van datacenters in toenemende groene stroom eisen. Zelf werken ze hard aan betere prestaties van hun servers. Niettemin doemt hier een groot en urgent probleem op, dat dit keer niet met ruimtelijke spreiding zal zijn op te lossen. Datacenters laten zich namelijk niet verplaatsen. De snel groeiende energiebehoefte zal dit keer in de Amsterdamse regio moeten worden opgevangen, in de vier clusters van datacenters die zich er razendsnel vormen: Amsterdam Science Park, Amsterdam Zuidoost, Amsterdam Westpoort en de Haarlemmermeer. Precies hierop wees René Buck als dagvoorzitter bij zijn moderatie van de middag in het Novotel: Amsterdam is de nieuwe Nederlandse Mainport, hierin moet de komende jaren fors worden geïnvesteerd. Waarbij hij refereerde aan het recente advies van de Raad voor Infrastructuur en de Leefomgeving: ‘Mainports voorbij’ (2016). Werd dit in Den Haag vorig jaar nog weggehoond, in het Novotel in Amsterdam was de stemming heel anders. Dit jaar vestigden Netflix en Uber zich in Amsterdam; Oracle telt nu al 400 medewerkers; bij Booking.com gaat het om 2800 mensen. Jeroen Lokerse van Cushman & Wakefield zei het laatst in de krant: “Wij Nederlanders zien die kwaliteiten van de stad niet altijd zo, maar millennials, de bron van talent bij technologiebedrijven, zien Amsterdam als de beste stad om te wonen en te werken in de wereld.” (Het Parool 13 mei 2017) Brainport in Eindhoven is goed, maar de echte mainport van de toekomst ligt in en rond de Watergraafsmeer. 

Tagged with:
 

Elektronisch trekpaard

On 21 mei 2015, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 maart 2015:

Alweer bijna vergeten. Op 27 maart 2015 legde een stroomstoring een groot deel van Noord-Holland plat. De oorzaak was een probleem in een hoogspanningsstation van Tennet in Diemen. Verkeerslichten werkten niet meer, mensen zaten vast in de lift, treinen vielen uit, vliegtuigen bleven aan de grond, geldverkeer was onmogelijk, ziekenhuizen schakelden over op noodstroomvoorzieningen; datzelfde gold voor de radio en televisie-studio’s in Hilversum en …. datacenters. Een miljoen huishoudens in en rond Amsterdam had urenlang geen stroom. Nog maar kort daarvoor, op 11 maart, had het Parool een bericht over de snelle toename van het stroomverbruik in uitgerekend deze regio geplaatst. Dat kwam, aldus de krant, met name door de vele nieuwe datacenters en ICT-bedrijven die zich op dit moment  in en rond de hoofdstad vestigen. Tussen 2010 en 2013 was sprake van een groei van liefst 15,8 procent. 

De gegevens waren opmerkelijk. Dit is wat ik las: de totale ICT-branche in Nederland verbruikte in 2013 in totaal 2,7 miljoen kilowattuur aan stroom – evenveel als het verbruik van 900.000 huishoudens. Bijna de helft daarvan (43%) werd verbruikt in de provincie Noord-Holland. Ter vergelijking: in Zuid-Holland is dit aandeel slechts 12,7 procent. In Rotterdam, Den Haag en Utrecht daalde het nota bene, in Den Haag zelfs met een vijfde. Brabant werd niet genoemd. Van alle stroom die Noord-Holland verbruikt gaat nu al 9,4 procent naar de ICT-sector. Het verschil met de rest van Nederland wordt snel groter. Aan de cijfers van het veranderende stroomverbruik zie je dat de Amsterdamse regio binnen Nederland steeds meer als het economische trekpaard fungeert en hier en daar zelfs de trekken krijgt van een Silicon Valley. De grote gangmaker is de Amsterdam Internet Exchange, een van de belangrijkste internetknooppunten ter wereld. In dit licht bezien is de kwetsbaarheid van de stroomvoorziening zoals op die 27ste maart 2015 een majeur punt van aandacht. Nu nog glasvezel. En, vanwege de opslingering, een grotere maatvoering van de stad.

Tagged with:
 

Energiewende

On 30 december 2013, in energie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 november 2013:

Een mooi verhaal. De 27-jarige Luise Neumann-Cosel woont in Berlijn. Ze voerde afgelopen twee jaar actie voor democratisering van het stroomnet in en rond de Duitse hoofdstad. Beter gezegd, ze wil geen atoomenergie. In plaats van te demonstreren richtte ze een coöperatie op die meedingt naar de concessie voor de energievoorziening van Berlijn. Die komt in 2014, na twintig jaar, vrij. ‘BurgerEnergie Berlin’ denkt 100 miljoen euro nodig te hebben om het net van Berlijn te kopen. Vorige maand had ze al acht miljoen binnen via haar leden. “Als burgers het stroomnet in handen hebben, kunnen we overschakelen naar duurzame energie en tegelijkertijd de winst die nu naar aandeelhouders gaat, investeren in meer groene stroom of uitkeren aan de leden.” BergerEnergie Berlin wil ‘een eerlijke regionale kapitaalbelegging’ voor burgers zijn. Net als andere energienetten is het Berlijnse elektriciteitsnet door de overheid geprivatiseerd. De kans bestaat nu dat de inwoners na twintig jaar het net weer terugkopen en zelf in beheer nemen.

Hoe reageerde het stadsbestuur? Begin november werd in Berlijn een referendum over het stroomnet gehouden. Neumann-Cosel won overtuigend, maar de opkomst bleek te laag; haar burgerinitiatief kwam 21.000 stemmen tekort. Toch kan haar initiatief grote invloed hebben op de politiek, al was het maar grootstedelijk. Er zijn nu al regio’s in Duitsland die honderd procent groene stroom leveren. Sommige steden – München, Frankfurt – lopen daarin voorop. Maar Neumann-Cosel gaat verder. Ze wil zelfs geen stroom meer van windparken in zee. Die produceren, zegt ze, energie op de plek waar niemand die nodig heeft. Er moeten miljarden worden geïnvesteerd om die zogenaamd groene energie te transporteren. Ze gelooft in zonne-energie en in warmte-krachtkoppeling. Haar streven is een decentrale energieopwekking  en een democratisering die veel verder reikt dan energieafname alleen. “De hele stad praat nu over energiepolitiek.” Berlijn moet een polis van burgers worden.

Tagged with:
 

Moscow sprawl

On 28 april 2012, in internationaal, by Zef Hemel

Gehoord op 22 april 2012 tijdens vlucht Amsterdam-Moskou:

Mijn medepassagier was een Canadees, afkomstig uit Calgary. Hij was op weg naar West-Siberië. Om naar olie te boren. Het was voorjaar, dus het werk ging weer beginnen. Ik schatte hem zeker vijftien jaar jonger dan ik. Tot eind juli zou hij daar blijven, in een stad van amper 200.000 inwoners aan de rivier de Ob. Dertig jaar geleden was daar nog niets. Als je de stad uit reed zag je nog steeds helemaal niets, in alle richtingen zeker vier uur lang geen woning of boerderij te zien. Het deerde hem niet. Calgary was weliswaar een grote stad, maar Canada was immens groot en met zijn 35 miljoen inwoners overwegend leeg want dunbevolkt. In West Siberië verbleef hij al vijf jaar, zes maanden daar, zes maanden bij vrouw en kinderen thuis. Het was zijn laatste jaar. Hij had er genoeg van, al zou hij zijn leven lang naar olie blijven boren. Er was immers meer dan genoeg olie in de wereld, zeker in Oost-Siberië, waar de grootste velden ter wereld lagen. Boortechnieken – zijn specialisme – verbeterden snel, waardoor bijvoorbeeld ook in China oliewinning binnen bereik zou komen. Dat moest ook wel, want de olieconsumptie in de wereld stijgt snel, heel snel.

Moskou vond hij een bizar grote stad die geplaagd wordt door wilde verstedelijking. De sprawl rond Amerikaanse steden, zei hij, verbleekt vergeleken met die rond Moskou. De verschillen tussen stad en land zijn in Rusland ook extreem. En net als in de Verenigde Staten is de middenklasse weggevallen en wordt de groeiende stedelijke onderklasse aan zijn lot overgelaten. Het land is groot en rijk en kan met gemak in zijn eigen behoeften voorzien. Het bezit olie en grondstoffen in overvloed, er zijn enorme zoetwatervoorraden en ook aan hout is geen gebrek. De bevolking krimpt weliswaar, maar is omvangrijk, werkt hard en is geschoold en geëmancipeerd. Het enige wat Rusland neerdrukt is de corruptie, de gebrekkige organisatie en vooral de extreme verschillen in rijkdom. Waarom, vroeg mijn Canadees zich af, laten de Russen zich door een kleine minderheid als slaven behandelen? Vergeleken bij Rusland en Amerika vond hij Europa een toonbeeld van beschaving. De Europese steden waren in zijn ogen prettig, ontspannen en fijn om in te leven. Amsterdam vond hij geweldig. Iedereen wandelt of fietst er. Zijn vrouw is dol op Amsterdam. Hun trouwdag hebben ze er gevierd. Daarna waren ze doorgevlogen naar Rome. In Rome, besloten ze, zouden ze wel willen wonen, maar ook in Amsterdam “Bij mooi weer zit iedereen gewoon buiten te genieten in de zon.” In Amerika draait alles om de klok, is iedereen voortdurend aan het werk, bezig om op tijd op zijn afspraak te komen. In Rusland ook. Maar niet in Amsterdam. En Amsterdam, voegde hij eraan toe, is opgeruimd, zo netjes, zo schoon.

Tagged with:
 

Zelfvoorzienend

On 25 maart 2011, in energie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 19 maart 2011:

Het grote vraagstuk van steden is hun energievoorziening. Natie-staten proberen in de energiebehoefte van hun inliggende steden te voorzien, maar ze bedrijven daartoe veelal riskante geopolitieke spelletjes. Soms zijn ze zelfs hoogmoedig en willen ze niet minder dan ‘de gasrotonde van Europa’ zijn; daartoe bouwen ze een Eemshaven vol met kolengestookte elektriciteitscentrales (?). Steden daarentegen willen liever in energetisch opzicht autarkisch zijn. Windenergie wordt daarom door hen omarmd, maar soms ook kernenergie. De Japanse steden hebben sterk de voorkeur voor de laatste optie. Vandaar al die kerncentrales langs de Japanse kust. Niet handig als daar jaarlijks tsunami’s op de oevers beuken, maar begrijpelijk is het wel: juist de oostkust van Japan is dichtbevolkt. Daar bevinden zich de grootste steden: Tokio, Kobe, Osaka, Kyoto, Nagasaki.Vijfenvijftig kerncentrales wekken er 35 procent van de stroom op.

Bij mij rees de vraag waarom niet alle Japanse kerncentrales aan de veilige westkust gebouwd zijn. Daar heb je geen tsunami’s. NRC Handelsblad gaf afgelopen weekeinde indirect een antwoord op die vraag. Het is de Japanse geografie die dit verhindert. Het langgerekte land kent een vrij ondoordringbare, bijna tropische bergketen. ‘Er zijn amper hoogspanningsverbindingen over en weer.” Kerncentrales aan de Japanse Zee zouden hun opgewekte energie over die bergketens naar de steden moeten transporteren. Dat doen ze dus niet. Je zou daarom nog verder willen gaan en willen voorstellen: waarom bouwen de Japanners niet hun steden aan de westkust, in plaats van aan de gevaarlijke oostkust? Het voorstel is even absurd als het voorstel om de hele laaggelegen Randstad te verplaatsen naar de hogergelegen zandgronden achter de IJssel. We weten allemaal dat er eens een vloedgolf kan komen, een dodelijke combinatie van springtij, westerstorm en hoge rivierenstanden. Toch zal iedereen je glazig aankijken als je het zegt.

Tagged with:
 

Onvergeeflijk

On 17 januari 2011, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Financial Times van 11 januari 2011:

Ian Morris is hoogleraar Geschiedenis en Archeologie aan Stanford University, San Francisco. Hij schreef een fenomenaal boek over de wereldeconomie. Het heet: ‘’Why the West rules – for now”. Martin Wolf schreef er een recensie over in de Financial Times van 11 januari 2011. Volgens Morris groeit de wereldeconomie vanuit twee kerngebieden: het Westen en het Oosten. Het Oosten haalt het Westen op dit moment snel in. Tot zover niets nieuws. Voor Morris houdt groei verband met vier factoren: energie, urbanisatie, militaire capaciteit en informatietechnologie. Hij is ervan overtuigd dat de eerste de belangrijkste is. Het was ook geen industriële revolutie, maar een energierevolutie die het Westen eind achttiende eeuw op voorsprong zette: toen leerde het Europese kerngebied fossiele brandstoffen gebruiken. Die bleken bovendien in overvloed voorradig. Dat was cruciaal. Na 1800 is het wereldwijde energieverbruik gigantisch gestegen. Op dit moment haalt het Oosten ons qua energiegebruik echter snel in. In 2035 zullen wij 50 procent meer energie gebruiken dan nu. Energie en ideeën, aldus Morris, ze zijn de basis van onze beschaving.

Daar valt natuurlijk geen speld tussen te krijgen. De vraag is alleen of energie werkelijk de bepalende factor is. Cruciaal is ze zeker. Zoals hier al vele malen verkondigd ligt in werkelijkheid urbanisatie aan de basis van economische groei en van de toename van ideeën en ideeënuitwisseling in de wereld. En inderdaad, de steden konden pas echt omvangrijk worden toen fossiele brandstoffen in overvloed voorradig bleken en eenvoudig in energie konden worden omgezet. De groei van de Hollandse steden in de zeventiende eeuw was te danken aan turf en windmolens, die van Londen in de negentiende eeuw aan steenkool, die van de steden in de USA en het Verre Oosten in de twintigste eeuw aan goedkope aardolie. Het feit dat wij in Nederland de aardgasvondst in 1959 niet hebben aangewend om een echte metropool te bouwen is, achteraf gezien, natuurlijk onvergeeflijk. Ideeën en ideeënuitwisseling waren hier te lande veel krachtiger geweest als we dat wel hadden gedaan. Binnenkort is het aardgas op. Wat heeft deze energiebron ons aan ‘economische structuurversterking’ opgeleverd? Asfalt, beton, mainports en een Betuwelijn. We hebben onszelf veroordeeld tot muilezels van de wereld, of althans van Duitsland. Onvergeeflijk, eeuwig zonde.

Tagged with:
 

Toen turf, nu gas

On 27 oktober 2010, in energie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in De rationele optimist (2010) van Matt Ridley:

Het boek gaat over de evolutie van de welvaart. Aardig schrijft Ridley over energiewinning en energiegebruik na 1700. Het einde van de slaventijd schrijft hij toe aan het beschikbaar komen van steenkool. Spierkracht van slaven was toen ineens niet meer nodig. Ook weet hij waardoor er een einde kwam aan de Nederlandse Gouden Eeuw: de turf raakte op. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de opbloei van de Nederlandse steden in de zeventiende eeuw in de eerste plaats mogelijk werd gemaakt door turfwinning in de pas drooggelegde meren – en dat juist op het moment dat hout in Europa erg duur was, waardoor Nederlandse steden enorm profiteerden. In het algemeen beweert hij dat de omvang van steden in de geschiedenis steeds aan banden is gelegd door de schaarste en eindigheid van energiebronnen. Hout, houtskool, turf, waterkracht, wind, een stad werd zo groot als de beschikbare energiebronnen toelieten. Rome bijvoorbeeld werd nog grotendeels op spierkracht gebouwd, met behulp van slaven. “Er waren ook paarden, smeltovens en zeilschepen, maar in Rome was de mens de belangrijkste bron van watts.” In de Middeleeuwen kreeg je vervolgens de os. Slaven werden vervangen door lastdieren. “Omdat ossen moeten grazen, berustte deze beschaving meer op dorpen dan op steden.” Paarden konden twee keer zo snel ploegen, waardoor de steden na de introductie van het paard (vijftiende en zestiende eeuw) konden groeien.

Toen er eenmaal fossiele brandstoffen beschikbaar kwamen, konden de steden pas werkelijk groeien. Steenkool, aardgas en aardolie zijn er in overvloed. Vandaar dat steden eindeloos doorgroeien. “Dat leidt tot een schokkende ironie. Ik ga nu namelijk betogen dat economische groei pas duurzaam werd toen hij zich van niet-hernieuwbare, niet-organische energie begon te bedienen.” Ja ja, duurzame economische groei, maar bovenal steeds grotere steden. Wat de vraag oproept waarom de Nederlandse steden met al dat aardgas in de bodem niet veel groter zijn.

Tagged with: