Dromen als opdracht

On 30 juli 2018, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Expect Great Things’ (2017) van Kevin Dann:

Afbeeldingsresultaat voor kevin dann expect great things

 

Op 6 mei 1862 om 9 uur ‘s ochtends stierf in Concord, Massachusetts, Henry David Thoreau. De schrijver, 43 jaar oud nog maar, was al een tijdje ziek en hij wist dat zijn einde naderde. Menig vriend kwam hem nog even opzoeken. Die ochtend zeilde hij weg. Kevin Dann schreef een prachtige biografie over de Amerikaanse schrijver en filosoof, auteur van onder andere ‘Walden. Life in the Woods’ (1854). In ‘Expect Great Things’ (2017), verschenen tweehonderd jaar na zijn geboorte, gaat het vooral over Thoreau als mysticus. De wereld, het hele leven, was in de ogen van de schrijver iets wonderbaarlijks, iets dat tot in elk detail was vervuld van raadsels en mysterie. De werkelijkheid, in de eerste plaats de natuur, was vervuld van geesten. Elk seizoen was in de ogen van Thoreau bijzonder, bomen, stenen, schelpen, sterren, ze waren alle goddelijk en ook elk mens was een goddelijk wezen. Poëzie drukte daarom de werkelijkheid beter uit dan proza, vond de schrijver. Woorden zijn als zeldzame planten. Sympathie was een woord dat hij dikwijls gebruikte. Het was de kunst om betekenis aan je eigen leven te geven. Als iemand zich kon verwonderen over gebeurtenissen en details, dan was het Thoreau. Achter alles lag de mogelijkheid van een nieuw, rijker leven. Thoreau was een optimist.

De wijze waarop de jonge transcedentalist, die goed bevriend was met Ralph Waldo Emerson, zijn korte leven leidde grensde aan pure extase. Het verhaal van Prometheus die het vuur stal van de goden om zo onafhankelijk te worden, boezemde hem al op jonge leeftijd grote belangstelling in. Volgens Dann was Thoreau vooral geïnteresseerd in het vuur opgevat als kennis en beschaving. Hij las veel. Niet minder dan zelf god worden was zijn doel. “The goal in all the mystery traditions was the freeing of the life body from the imprisonment of the physical body, to facilitate clairvoyance of the spiritual world.” Thoreau leefde spiritueel, alsof elke dag nieuw en vol betekenis was. Een ‘thrilled and expectant mood’ die hij cultiveerde bood hem de mogelijkheid om intens te leven. Sociaal leven was niet aan hem besteed. Hij koos bewust voor individualisme en ging uit wandelen, trok zich terug in de natuur. Het getuigde van moed, aldus Dann, om je twee jaar op te sluiten in een hut en uitsluitend de menselijke verbeelding zijn werk te laten doen. Dan ga je pas de werkelijkheid zien. “There is just as much beauty visible to us in the landscape as we are prepared to appreciate, not a grain more.” Dromen en verbeelding helpen mensen om te zien en te ontdekken. Dromen was daarom belangrijker dan observeren. “Our truest life is when we are in dreams awake.” Alles is er al, je moet het alleen leren zien en kennen. Droom daarom het allermooiste en je zult het vinden. “In the long run, we find what we expect. We shall be fortunate then if we expect great things.” Dromen als opdracht. Om na te leven.

Tagged with:
 

Nieuwe werkelijkheden creëren

On 14 april 2018, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metaphors we live by’ (1980) van G. Lakoff en M. Johnson:

Gerelateerde afbeelding

Objectiviteit is een mythe, net zoals subjectiviteit een mythe is. Met mythes is niets verkeerd, ze geven betekenis aan ons leven. Alle culturen gaan uit van mythes, mensen kunnen niet zonder. Aldus Lakoff en Johnson in ‘Metaphors we live by’ (1980). “And just as we often take the metaphors of our own culture as truths, so we often take the myths of our own culture as truths.”  Objectivisme heeft als bondgenoten wetenschappelijke waarheid, rationaliteit, nauwkeurigheid, eerlijkheid, en onpartijdigheid. Allemaal zeer belangrijk. Subjectivisme heeft als bondgenoten emoties, intuïtie, verbeelding, menselijkheid, kunst en een ‘hogere waarheid’. Ook die zijn nodig, objectivisme en subjectivisme elk in hun eigen domein. Dus waarom die angst voor metaforen? Het is, denken Lakoff en Johnson, de angst voor emotie en verbeelding. In de Industriële revolutie ging het Westen steeds sterker leunen op de ratio. De Romantici wezen rationaliteit juist af en hielpen de tegenstelling groot en onoverbrugbaar worden. Daarom komen de twee auteurs met een derde richting: de experiëntialistische synthese. “What the myths of objectivism and subjectivism both miss is the way we understand the world through our interactions with it.” Hoe begrijpen wij ons gedrag door de wijze waarop wij met de wereld interacteren?

Experiëntialistische synthese houdt in dat we ons bewust worden van de metaforen waarmee we leven en wat deze betekenen in ons alledaagse leven; voorts dat we de mogelijkheid hebben om nieuwe metaforen te ontwikkelen; dat we in het schakelen tussen metaforen flexibel worden (‘experiential flexibility’); dat we, ten slotte, betrokken kunnen raken in een oneindig proces van ons leven zien door telkens nieuwe alternatieve metaforen: “engaging in an unending process of viewing your life through new alternative metaphors”. Gedeeltelijk zijn de metaforen waarmee wij leven vastgelegd in rituelen. Door nieuwe metaforen te ontwikkelen zijn we in staat om nieuwe rituelen te introduceren en nieuwe werkelijkheden te creëren: “New metaphors are capable of creating new understandings and, therefore, new realities.” Dit bevrijdende gedachtegoed is nog lang geen gemeengoed, ook niet in de academische gemeenschap. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan. Maar de mogelijkheden zijn volgens de auteurs schier eindeloos. Wat zijn de nieuwe mythes en metaforen van de ruimtelijke planning?

Tagged with:
 

Niet het beeld, maar de taal

On 4 april 2018, in filosofie, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metaphors we live by’ (1980) van G. Lakoff en M. Johnson:

Afbeeldingsresultaat voor metaphors we live by

Taalkunde en filosofie ontmoeten elkaar in ‘Metaphors we live by’ van George Lakoff en Mark Johnson. Ik las het boek met veel plezier. In een groot aantal korte hoofdstukken halen de auteurs het fundament weg onder de westerse wetenschap en filosofie, namelijk de veronderstelling dat een objectieve or absolute waarheid zou bestaan. Het begint met de vaststelling dat onze taal bestaat uit metaforen. Die hebben lang niet altijd te maken met poëzie, verbeelding of retoriek. We zijn ons er nauwelijks van bewust, maar veel begrippen die we dagelijks gebruiken blijken ontleend aan oorlogsvoeren of aan tijdbeleving. Ook gebruiken we dikwijls metaforen die een oriëntatie of een richting aangeven. Of het zijn ontologische metaforen, waarbij we gebeurtenissen en emoties beschrijven als een ervaring met fysieke eenheden. Ontologische metaforen kunnen zelfs samenvallen met personen: ‘het leven heeft me bedrogen’ of ‘ kanker heeft hem te grazen genomen’. Metaforen blijken nauw samen te hangen met waarden in onze eigen cultuur. Ze beheersen onze taal, zetten ons aan tot actie en beïnvloeden de richting waarin we oplossingen voor vraagstukken zoeken. Metaforen bepalen hoe wij handelen. In elke cultuur is dit weer anders.

Als we arbeid en tijd als hulpbronnen beschrijven, dan gaan we arbeid en tijd ook als zodanig beschouwen. Dat werk ook spel kan zijn, wordt in dat geval lastig. Of dat nietsdoen productief kan zijn, wil er bij ons niet in. Zodra in een gesprek argumenten een rol gaan spelen, krijgt het de trekken van een strijd. Argumenteren in academische kring komt neer op vooronderstellingen aangeven, bewijsvoering zoeken, logische conclusies trekken. Het doel is om te winnen, de prijs tot beter begrip komen. Hier dienen zich verschillende metaforen aan, die alle een andere richting op wijzen: het argument als reis, als container, als gebouw. Als reis: beginpunt kiezen, stappen zetten, ergens arriveren. Als container: een inhoud veronderstellen, ergens gaten in schieten, een betoog dat niet standhoudt, iets dat centraal komt te staan. Als een gebouw: een raamwerk kiezen, iets stort in elkaar, of trilt, een redenering opbouwen, het fundament onder iets vandaan trekken. Ons abstracte denken vertalen we telkens in begrippen die we kunnen vatten. Onze keuze hangt af van ervaringen en van de cultuur waarin we leven. Onze keuze van de metafoor, kortom, heeft grote consequenties. Wat dit alles met ruimtelijke planning heeft te maken? Ook planologen kiezen hun metaforen. Lees de planologische rapporten er maar op na. Die metaforen bepalen tevens onze acties. Hoezo objectief? Onze steden en landschappen zijn de resultante van taal.

Tagged with:
 

Als een detective

On 19 juli 2017, in boeken, filosofie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor together sennett

Tijd voor de zomervakantie. Even geen nieuwe blogs. Daarom is dit voorlopig mijn laatste. Hij gaat over samenwerken. Mensen zijn zo verschillend, de complexiteit van de samenleving is zo groot, arbeid raakt geflexibiliseerd, organisaties vallen uit elkaar, er zijn steeds minder gezamenlijke rituelen. Daardoor wordt het almaar moeilijker om met elkaar samen te werken. Over het plezier in samenwerken schreef de Amerikaanse socioloog Richard Sennett een boek. In ‘Together’ onderzoekt hij hoe mensen weer contact met elkaar kunnen maken en samen iets ondernemen. Als basis nam hij het idee van de Franse filosoof Montaigne dat wij de ander niet kunnen kennen. Daardoor begrijpen wij elkaar niet. Het enige dat erop zit is elkaar voortdurend te bevragen om zo misverstanden te voorkomen en fout gelopen relaties te repareren. Debat heeft geen zin. Dan neem je vooral stelling en zoek je je eigen gelijk. Dialogische praktijken zijn anders. Die werken het beste als ze empathisch zijn en informeel. Je bent bescheiden, nieuwsgierig naar de ander, staat open voor nieuwe inzichten, beweegt je in een onbekende omgeving. De aanpak is zoekend, je werkt met fragmenten van kennis. Het begint allemaal met goed luisteren. Eigenlijk, aldus Sennett, zouden we allemaal detective moeten zijn.

Sennett moet niets hebben van solidariteit of consensus. Dat leidt maar tot gesloten rijen. We hoeven het ook niet eens met elkaar te zijn om te kunnen samenwerken. Onderling begrip is veel belangrijker. In Norman Thomas (1884-1968), voorman van de Socialistische Partij in de VS, zag hij hoe een leider, net als Montaigne, dialogische praktijken ontwikkelde. Thomas nam niet plaats op een verhoging, maar zocht een plek in de groep, liefst in een cirkel; hij liet mensen nooit stemmen, maar gaf zwijgende mensen het woord; na afloop van bijeenkomsten pakte hij sommige mensen bij de arm; in vergaderingen volgde hij nooit de agenda, maar stond uitvoerig stil bij een of twee agendapunten; gesprekken liet hij zich ontwikkelen en transformeren naar telkens een ander niveau. Al deze procedures, schreef Sennett, waren gericht op informeel problemen oplossen en informeel problemen vinden. Iedereen werd uitgenodigd om te participeren. Thomas’ methode was gericht op ongedwongen plezier. En wat zijn standpunten nu precies waren deed er niet zoveel toe; hem ging het om het horen van zoveel mogelijk verschillende mensen. “For Montaigne, this was the point of dialogics – looking at things in the round to see the many sides of any issue or practice, the shifting focus making people cooler and more objective in their reactions.” Fragmentarisch, zoekend. Net als mijn blog.

Tagged with:
 

What is to be done?

On 25 november 2015, in filosofie, literatuur, by Zef Hemel

Read in ‘The Christal Palace’ (2005) of Peter Sloterdijk:

Peter Sloterdijk’s ‘In the World Interior of Capital’ (Het Kristalpaleis)  is a must read, especially at this very moment, after the events in ‘Paris’ and ‘Brussels’. Sloterdijk’s philosophy of globalization is based on the story of Christal Palace in London, 1851, the first World Exhibition. The building of glass and steel, designed by Joseph Paxton, was an impressive pleasure ground of Western capitalism, luxury, consumerism and power, a temple of pure commercial and decadent Enlightenment. When the Russian novelist Fyodor Dostoyevski visited it in 1862, he was astonished. After years of death camps in Siberia, which he survived, he entered the palace. His awe and loathing got mixed up with his reading of Chernyshevsky’s novel ‘What Is To Be Done?’, published in 1863. An explosive concoction was brewed in his mind. Sloterdijk: “Famous for its time, (and of a resolutely pro-Western tendency), and with consequences that would extend all the way to Lenin, this book announced the "New Man" who, after accomplishing the technical solution to the social question, would live amongst his peers in a communal palace of glass and metal-the archetype of shared accommodation in the East and the West. Chernyshevsky’s culture palace was conceived as a luxury edifice with an artificial climate, in which an eternal spring of consensus would prevail. Here, the sun of good intentions would shine day and night, the peaceful coexistence of everyone with everyone would go without saying.” The Christal Palace became the expression of expansive Western civilization.

So then Dostoyevsky decided to write his ‘Notes fr0m the Underground, published in 1864. The short novel  is about a man living in Saint Petersburg, fulminating against modernity, being very angry with the West. According to Sloterdijk it is the first expression of opposition to globalization, a book on terrorism, hatred, violence and boredom. “The visionaries of the 19th century, like the communists in the 20th century, had already understood that social life after the end of combatant history could only play out in an extensive interior, an interior space ordered like a house and endowed with an artificial climate. Whatever one may understand by the term real history, it should, like its spearheads, sea voyages and expansionist wars, remain the perfect example of undertakings in the open air. But if historical battles should lead to eternal peace, the whole of social life would have to be integrated into a protective housing. Under such conditions, no further historical events could occur, at most household accidents. Accordingly, there would be no more politics and no more voters, but rather only contests for votes between parties and fluctuations among their consumers.” Until 9/11 it seemed this was really the case. Then the terrorists began their attacks. The media loved it. The terrorists know.

Tagged with:
 

De toekomst te lijf gaan

On 28 april 2015, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord aan de Herengracht te Amsterdam op 23 april 2015:

Cosmopolis: The Hidden Agenda of Modernity

Noem het toeval. Twee gebeurtenissen op één dag: iemand vertelde me ‘s ochtends dat de Franse filosoof Bruno Latour afgelopen zaterdag in Utrecht vooral gesproken had over Stephen Toulmin’s ‘’Kosmopolis’ (1990). Later die dag beweerde iemand anders dat mijn opvatting van antifragiele, open planning (‘Beyond Resilience’) lariekoek was. Hij vond het niet wetenschappelijk. Hij bleek natuurkundige. Zijn eigen bijdrage was er een van extrapolaties, feiten en harde cijfers. Ineens zag ik het verband. Om me intellectueel te wapenen haalde ik Toulmin’s meesterwerk na jaren weer uit de kast. Ik liet me verrassen door de actualiteit van diens stellingname, ook na vijfentwintig jaar. In ‘Kosmopolis’ ging de Britse wetenschapsfilosoof op zoek naar de intellectuele houding die wij nodig hebben om de toekomst te lijf te kunnen gaan. Het modernisme als houding leek hem niet langer adequaat. “In plaats van vol vertrouwen extrapolaties te maken naar de sociale en culturele toekomst, zijn we gestrand en weten we niet waar we ons bevinden.” Dit is een tijd, schreef hij, van toenemende interdependentie, culturele verscheidenheid en historische veranderingen. Alles is in beweging. Stabiliteit en uniformiteit willen garanderen werkt dan juist averechts.

Toulmin pleitte hartstochtelijk voor meer speelruimte die wij nodig hebben om diversiteit en aanpassingsvermogen te beschermen. Hij zag een terugkeer naar praktische, lokale, tijdelijke en contextgebonden kennis – voor hem een bewijs dat we het modernisme voorbij zijn. De natiestaat overeind houden of de uniformiteit van de wetenschap bewaken zijn wel het laatste wat we moeten doen, vond hij. Maar tussen de regels door lees je dat hij het ergste vreesde. Hij was bang dat politiek, management en wetenschap het modernisme zouden blijven omarmen. “Als wij denken en handelen blijven onderwerpen aan alle eisen van een niet-herziene moderniteit – strengheid, nauwkeurigheid en systematiek – dreigen wij onze ideeën en instellingen niet stabiel maar star te maken, en niet in staat te zijn ze op een redelijke manier te wijzigen in overeenstemming met de andere eisen van nieuwe situaties.” Nu, vijfentwintig jaar later, is wat hij vreesde bewaarheid. Daarom nog een citaat: “In een tijd van interdependentie en historische veranderingen zijn stabiliteit en duurzaamheid alleen niet genoeg.” Duidelijk nu? We moeten verder durven springen.

Tagged with:
 

Alice

On 21 februari 2015, in filosofie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Alice in Wonderland’ (1872) van Lewis Caroll:

 

Volgens Philipp Hubl was Lewis Caroll behalve de schrijver van ‘Alice in Wonderland’ ook een logicus en een filosoof. In ‘Volg het witte konijn’ (2014) stelt hij dat Caroll in zijn populaire kinderboek allerlei filosofische raadsels heeft gecreëerd. Voor hem reden om het Wonderland van Alice te gebruiken als inleiding tot de wondere wereld van de filosofie. De vraag die hij zich stelt is:  “Verwonderen of begrijpen: wat is filosofie?”  om vervolgens Aristoteles te citeren die gezegd zou hebben dat verwondering het begin is van alle filosofie. Ik moest eraan denken toen ik vorige week de vierde editie van De Nieuwe Wibaut opende, de praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam. Die opening vond grappigerwijze plaats in de televisiestudio’s van Endemol in Amsterdam Zuidoost. Verwondering, dacht ik, is het begin van alle goede planning.

Vanzelfsprekend is die gedachte overigens allerminst. Veel planologen verwonderen zich niet over de wereld om hen heen. Op voorhand weten ze de antwoorden al. Planning is voor hen het uitbannen van elk toeval. Maar in De Nieuwe Wibaut stappen de deelnemers in een hoogst onzekere wereld, die voortdurend verandert. Die vreemde wereld lijkt meer op de realiteit dan de saaie werkelijkheid van volwassenen. Net als Alice stellen ze heel veel vragen, gebruiken hun fantasie, handelen in vrijheid, stellen zich van alles voor, passen zich aan vreemde situaties aan, zetten het gelukkige toeval naar hun hand, improviseren erop los, werken zonder plan. Zonder plan? Aanvankelijk heeft Alice in Wonderland wel degelijk een plan. Maar wat moest ze ermee? “De enige moeilijkheid was dat ze er geen flauw idee van had hoe ze het aan moest pakken.” Waarna ze er op los improviseerde. Halverwege het boek zegt ze: “Zo, de helft van mijn plan is alweer uitgevoerd! Wat een problemen geven al die veranderingen!” Om even verderop over al die dieren te klagen die dwarsliggen en zich van haar plan niets aantrekken. Tijdens het spel stelt ze zelfs vast dat niemand zich aan de regels houdt. En de koningin? Die roept maar voortdurend: “Zijn hoofd eraf!”

Tagged with:
 

Ludiek

On 19 mei 2014, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Homo ludens’ (1938) van Johan Huizinga:

Afgelopen vrijdag was de daverende slotdag van de tweede editie van De Nieuwe Wibaut, de praktijkleergang voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam in het Compagnietheater aan de Kloveniersburgwal. De avond ervoor had ik deelgenomen aan een expeditie naar het Haarlemmerplein, waar een groep ambtenaren-in-training winkelstraatmanager Nel de Jager vier weken lang had bijgestaan. Haar vraagstuk betrof het tot leven wekken van het pas opgeleverde plein en de verbinding zoeken met het Westerpark. De groep had een onvergetelijke avond georganiseerd op het plein op de grens van Amsterdam Centrum en West. Een yoga-les, dansoefeningen (salsa en eerst nog tango), eten, drinken en als afsluiting een optreden van een percussieband, alles onder het oog van honderden fietsers en wandelaars die in het avondzonnetje het plein overstaken. Aanstekelijk was het, omdat het zo eenvoudig en inspirerend was. De groep had zich laten helpen door ondernemers uit de hele buurt, de meeste met werkplaatsen en oefenruimtes in ‘Tussen de bogen’ onder het spoor. Alles was geleend, om niet gekregen, gebietst. Hoogtepunten waren het dansen van een echtpaar op een balkon ergens aan het plein, de menigte die meedanste op de muziek van de percussieband later die avond en de collectieve meditatie, met al die mensen zittend op de stenen. De avond was de laatste in een reeks spontane experimenten die de groep op het plein voor en met de bevolking had georganiseerd. Ideeën werden opgehaald, contacten gelegd, mensen samengebracht, sfeer gecreëerd, alles geheel volgens de principes van De Nieuwe Wibaut.

‘s Avonds greep ik in mijn boekenkast en las ik, geïnspireerd door wat er was gebeurd, in Johan Huizinga’s ‘Homo ludens’. Ik bedoel zijn ‘proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur.’ De taalwetenschapper en Sanskritist Huizinga (1872-1945) verkende erin het ludieke als wezenlijk bestanddeel van beschavingen door alle eeuwen heen. Echter, in de rationele negentiende eeuw, zo schrijft hij in het laatste hoofdstuk, was veel van dat ludieke verloren gegaan. “Europa trekt het werkpak aan.” Het leidt tot een overschatting van het economische, al het andere komt in de schaduw te staan. “Wanneer de menselijke gedachte al de schatten van de geest doorschouwt en al de heerlijkheden van zijn kunnen beproeft, vindt hij op de bodem van elk ernstig oordeel altijd nog een rest van problematiek.” Anders gezegd, door zuiver rationeel en efficiënt te werken los je problemen nooit echt op. “Op dit punt waar het oordeel wankelt bezwijkt het besef van de volstrekte ernst. In de plaats van het oude Alles is ijdelheid, schijnt zich dan wellicht met ietwat positiever klank: Alles is spel te willen schuiven.” Het lijkt goedkope beeldspraak, aldus Huizinga: “Toch is het de wijsheid, waartoe Plato gekomen was, toen hij de mens een speeltuig der goden noemde.” De Nieuwe Wibaut is spel, ernstig spel. Daardoor lost zij zoveel problemen op die op rationele wijze nooit helemaal opgelost zouden worden.

Tagged with:
 

Prikkels

On 6 mei 2014, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 mei 2014:

Guus Dix is filosoof. Onlangs promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar beleidsprikkels. In  ‘Governing by carrot and stick – A geneaology of the incentive’ laat hij zien hoe sinds de negentiende eeuw overheden steeds vaker financiële prikkels gebruiken om mensen tot een bepaald gewenst gedrag aan te zetten. Prestatiebeloning heet dat. Ook het ruimtelijke beleid zit er vol mee. Lagere overheden moeten door het hoepeltje van hogere overheden springen om een beloning te ontvangen of, andere metafoor: “net alsof die gemeentes een soort trein zijn, en er een wissel is die je kunt omzetten.” Hetzelfde geldt voor burgers. Ook die worden voortdurend door overheden geprikkeld in een bepaalde richting. Het lijkt wel, aldus Dix, alsof de wereld maakbaar is. Hij vindt het getuigen van een “heel sterk mechanisch idee over hoe je kan zorgen dat mensen linksaf of rechtsaf gaan.”

Dit denken in genealogieën gaat terug op Michel Foucault. Deze Franse filosoof en historicus (1926-1984) keek naar het verleden om de ontstaansgeschiedenis van zaken beter te kunnen begrijpen. Dan constateerde hij dat zaken vaak een heel andere oorsprong hadden dan waarvoor ze op dit moment bedoeld zijn. Zijn beroemdste onderzoek is die naar gevangenissen (‘Discipline, toezicht en straf’). Zo deed ook Guus Dix genealogisch onderzoek, maar dan naar prikkels als middel van bestuurders om mensen te laten doen wat zij voor hen het beste achten. Dix stelt er vragen bij. “In een democratie wil je niet alleen burgers die geprikkeld worden,” zegt hij. Hij noemt dat een neoliberale opvatting. Het alternatief? “Een ander idee is dat je burgers zo ver moet krijgen dat ze actief betrokken zijn bij het maken van beleid, dat er een antagonistische relatie ontstaat waarin de een de ander ook kan uitdagen.” Hebben bestuurders en beleidsmakers er ooit zo naar gekeken? Of is het neoliberale denken al zo dominant?

Tagged with: