Tokyo Compression

On 30 maart 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in Fotomuseum Den Haag op 18 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor tokyo compression book michael wolf

Foto’s van de Duitse fotograaf Michael Wolf sierden de voorpublicatie van mijn boek ‘De toekomst van de stad’, afgedrukt in NRC Handelsblad in september 2016. Ruim een week geleden bezocht ik de overzichtstentoonstelling van Wolf in het Fotomuseum in Den Haag. Beeldschone foto’s zag ik, nee het is spectaculair. Wolf (63), ooit begonnen als fotocorrespondent van Stern in de Verenigde Staten,  woont al sinds 1994 in Hongkong. In de dotcom-crisis van 2000-2001 verloor hij zijn baan. Vanaf dat moment begon hij Aziatische megasteden te fotograferen. Van zijn serie ‘Architecture of density’ (2003-2014) hangt een flink aantal reusachtige werken in de Haagse tentoonstelling. Door het enorme formaat ogen de foto’s ronduit indrukwekkend. Wolf laat geen streepje lucht toe, alle beeld is met beton gevuld. Het werk is vooral grafisch, gedetailleerd, heel mooi. De serie wolkenkrabbers in Chicago is loepzuiver, ook heel fraai. Later verhuisde Wolf naar Parijs omdat zijn vrouw niet in Hongkong wilde blijven. Maar Parijs vond hij maar saai, weinig levendig, “net een filmset.” Inmiddels is hij naar het drukke en levendige Hongkong teruggekeerd. Zijn serie ‘100×100’ is ontroerend: honderd portretten van bewoners van sociale woningen van minder dan 10 m2. Als iemand ons eigen tijdsgewricht fotografeert, dan is dat Wolf wel.

Maar het meest bijzondere werk van Wolf is toch zijn serie ‘Tokyo Compression’ uit 2010-2013. Het gaat hier om portretten van tegen de beslagen ruiten gedrukte forensen in de stampvolle metro in de ochtendspits van Tokio. Ik lees dat hij alle foto’s heeft geschoten op Shimo-Kitazawa station, steeds vanaf hetzelfde perron. Zijn camera stelde hij op aan de overzijde, op precies 100 centimeter van de ramen en deuren van de arriverende trein. Wachten op de volgende metro, met de camera in de hand, en dan raak schieten; elke 30 seconden kwam er eentje voorbij. In totaal twintig dagen, van maandag tot en met vrijdag, elke ochtend van 7:30 tot 8:45 stond hij daar op het perron. Daarna ging hij weer naar zijn hotel. Een wagon van de metro in Tokio heeft een maximum capaciteit van 160 personen, maar in de ochtendspits kan hij gemakkelijk het dubbele vervoeren. Anderhalf miljoen mensen gebruiken deze ene lijn, per dag. Van de buitenwijken in het zuidwesten van de Japanse hoofdstad leidt Odakyu over een afstand van 82,5 kilometer naar Shinjuku, het drukste treinstation op aarde: 3,64 miljoen reizigers per dag (op  Amsterdam CS zijn dat 250.000). Toen in 2013 de Odakyu Odawara lijn werd omgelegd moest Wolf zijn serie beëindigen. Zelden zagen wij, westerlingen,Aziaten als ons voorbeeld. Nu zijn zij zowaar de toekomst.

Tagged with:
 

Neoclassical Necropolis

On 9 maart 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in Huis Marseille te Amsterdam op 5 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor ook setting the stage pyongyang

Bron: NAi Booksellers

Als u dit leest is de tentoonstelling net afgelopen. In Huis Marseille aan de Keizersgracht in Amsterdam was de afgelopen maanden fotografie te zien van Eddo Hartmann. Het betrof de serie ‘Setting the Stage: Pyongyang, North Korea’. Om precies te zijn, het ging om deel 2, want deel 1 was al eerder, in 2015, in datzelfde Huis Marseille te zien. Wat Hartmann de kijker toonde was een indrukwekkende reeks van vrijwel lege ruimtes van bizar grote afmetingen, een leeg zwembad met roerloos water, een monument, een hal, een ruimtevaartcentrum, een woning, een metrostation, een akelig donkere skyline van onverlichte wolkenkrabbers. Af en toe zie je ook nog een mens. Wat we ook zagen op zolder: een film die Hartmann afgelopen jaar in Pyongyang heeft gedraaid. Daarin viel nog meer de akelige leegte op en het vervreemdende geluid van schallende muziek in een lege, eindeloze ruimte. Het moderne Pyongyang, herbouwd na de Koreaanse oorlog van begin jaren vijftig, is voor Hartmann “de belichaming van een concept, een modelstad als themapark, een stad vol futuristische monumenten die opperste controle uitstralen.” Als er al mensen door deze griezelstad bewegen, dan lijken ze nog het meest op toneelspelers in een veel te groot decor.

De foto’s deden me denken aan ‘Occidentalism. The West in the Eyes of Its Enemies’ (2004) van Ian Buruma en Avishai Margalit. In dit prachtige boek, dat handelt over de stereotypen die mensen in Azië en het Midden-Oosten van het Westen maken, schreven de auteurs: “Pyongyang, the capital of North Korea, is what Germania might have looked like, a neoclassical necropolis of outsize marble and granite temples to totalitarian power.” Speer, Hitler, Stalin, zij allen wilden die ene hoofdstad afbreken en geheel opnieuw optrekken naar persoonlijke inzichten, dus de gebouwde omgeving helemaal controleren, naar hun hand zetten, een stad van parades en tanks creëren, hiermee andere metropolen de loef afsteken, alles representatief, buiten verhouding, op een Babylonische schaal. Pyongyang is volledig eigendom van de staat, gemaakt ook door de staat, mensen leven hier in een communistische utopie. “Thus, all the attributes of the liberal West – civil liberties, free-market economics, democracy, artistic freedom, individualism – would be ‘overcome’, to make the way for something utterly outlandish.” Een groter contrast met het drukke en rommelige Amsterdam – stad van vrijheid, kapitalisme, democratie, vrije kunsten en individualisme – was nauwelijks denkbaar. Hier de link: https://www.youtube.com/watch?v=40on-PFIBCg.

Tagged with:
 

Afval, ons grote probleem

On 22 februari 2018, in afval, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Universiteit van Amsterdam, op 19 februari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor wastelands kadir van lohuizen

Hij was wel klaar met leuke rubriekjes en onschuldige foto’s in kranten en magazines. ‘Wastelands’ is een fotografieproject dat hij samen met The Washington Post initieerde. Ook daar, op de redactie, ervoer hij nieuw engagement. Wat te denken van de slogan van The Post: ‘Democracy dies in darkness’? Die was door eigenaar Jeff Bezos al gekozen voor de komst van Trump. Sindsdien is het alleen maar activistischer geworden. De Amsterdamse fotograaf Kadir van Lohuizen vertelde afgelopen maandagavond hoe hij op het idee was gekomen om afval in zes wereldsteden te fotograferen. Op het grote scherm in de zaal projecteerde hij zijn foto’s, films en dronebeelden van vuilnisbelten en verbrandingsinstallaties in Jakarta, New York, Tokio, Sao Paulo, Lagos en Amsterdam. Voor zijn project, zei hij, had hij naar een ‘mondiale balans’ gezocht. Het zag er fantastisch en tegelijk luguber uit. Het idee was ontstaan toen hij in de Stille Zuidzee plastic had zien ronddrijven. Waar komt al dat plastic toch vandaan? Een paar maanden later liet hij zijn drone op boven de grootste vuilnisbelt ter wereld, in de periferie van Lagos. Het Afrikaanse Lagos noemde hij de spannendste en meest apocalyptische stad op aarde. Het afval stonk daar trouwens minder dan in Jakarta. Dat kwam doordat de Afrikanen geen voedsel weggooien. Wat de mensen daar niet zelf eten, voeren ze aan de varkens en kippen. Trouwens, van alle afvalstromen bestaat nauwelijks een overzicht.

Plastic, zei Van Lohuizen, was een onopgelost probleem. Uiteindelijk verdwijnen restanten toch in zee. In Sao Paulo had de overheid geprobeerd om de verstrekking van plastic zakjes te verbieden, maar dat bleek vergeefs. Van de zes steden produceert New York het meeste afval. Daarvan wordt veel geëxporteerd. Vuilnisbelten zijn overvol. Steden gaan hun afval nu verbranden. Tokio is daarin het verst. Meer dan twintig verbrandingsinstallaties telt deze miljoenenstad. Bij elk ervan is een zwembad waar de Japanners is het warme water van de ovens kunnen baden. China is trouwens een netto-ontvanger van afval uit de hele wereld, maar dat draaien de Chinezen langzaam terug. Afvalscheiding zou al helpen, maar elke stad staat daar anders in. In New York zijn het mannen die langs de weg de vuilniszakken nalopen, op zoek naar flessen met statiegeld, maar wat zij doen is illegaal. In Sao Paulo worden zulke mensen juist beloond en in Tokio zijn het de bewoners zelf die alle afval nauwgezet sorteren. Op het niet-scheiden staat daar een hoge boete. Veel vragen kreeg Van Lohuizen uit de zaal over waarom wij van ons afval zo vervreemd zijn geraakt. Niemand is in afval geïnteresseerd. Mensen lijken ook niet meer het gevaar te voelen, wij maken ons er totaal geen zorgen over. Misschien is dat wel ons grootste probleem.

Tagged with:
 

Onbedorven wereld

On 18 september 2017, in duurzaamheid, kunst, natuur, by Zef Hemel

Gezien in het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, op 14 september 2017:

Afgelopen week in het Nederlands Fotomuseum de tentoonstelling ‘Genesis’ van de Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado gezien. Ik moest er een spreekbeurt geven. Imposant materiaal. Ruim tweehonderd foto’s in zwart-wit, zeer esthetisch. Acht jaar lang reisde de wereldberoemde Magnum-fotograaf naar alle uithoeken van de wereld om mensen en dieren te fotograferen die nog in evenwicht leven met de natuur. Vijf jaar geleden was Genesis al te zien geweest in Londen, Toronto en Rio de Janeiro; in 2013 volgden Parijs, Lausanne en Sao Paulo, daarna Madrid, Venetië, Stockholm, Singapore en een aantal Braziliaanse steden. Nu dan ook in Rotterdam. Salgado’s tentoonstelling draagt een duidelijke boodschap. ‘Genesis’ is een ode aan de natuur. De oude, sociaal bewogen fotograaf toont ons, stedelingen, nog eenmaal zijn schitterende materiaal: de laatste resten onbedorven aarde. Straks is ze er niet meer. Op de foto’s ontbraken de steden, de landbouw, de technologie, allemaal bedorven wereld. Na het zien van de foto’s voelde ik me in verlegenheid gebracht. Ik was juist gevraagd te spreken over de toekomst van de steden.

Geconfronteerd met de foto’s moest ik denken aan de bijzondere biografie van Alexander von Humboldt die ik juist die avond bij me had gestoken. Volgens biografe Andrea Wulf in ‘The Invention of Nature’ was de Duitse geleerde al vroeg doordrongen van de aantasting van het natuurlijke ecosysteem door ingrepen van de mens. Ook zag Von Humboldt op zijn reizen door Zuid-Amerika het verband tussen deze menselijke ingrepen en verschijnselen als uitbuiting en slavernij. Hij had bovendien een esthetisch oog dat zelfs Goethe imponeerde. In Washington DC bezocht hij Thomas Jefferson en bij zijn terugkomst vestigde hij zich in Parijs. Daar, een in van de mooiste en grootste steden op aarde, zou hij de wereld vertellen wat op het spel stond en schreef hij zijn imposante boeken. Maar zijn boeken zijn geen aanklacht. Ze bezongen de natuur. Daarmee inspireerde hij later Darwin, Thoreau en vele anderen. Dat was tweehonderd jaar geleden. Ook ik probeerde de aanwezigen te inspireren. Steden zijn mooi en worden door natuurkrachten vormgegeven. Hoe natuurlijker de planning, hoe beter.

Tagged with:
 

Eiffeltoren in Hoofddorp

On 21 november 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Werklust’ (2016) van Theo Baart:

Afbeeldingsresultaat voor theo baart werklust biografie van een gebruikslandschap

Op bladzijde 126/127 van het dikke boek staat een foto afgedrukt van de familie – vader, moeder en twee volwassen zonen – poserend in een onaffe ruimte. Vader zit op een gaskachel, het huis is leeg. Het moment, schat is, is net voor de sloop van de ouderlijke woning van fotograaf Theo Baart (1957). Dit is de Leeghwaterstraat in Hoofddorp, een foto genomen met een zelfontspanner. Theo Baart schreef een autobiografie, of eerder betreft het een fotografische biografie van de Haarlemmermeer, zijn geboortegrond vanaf het moment dat hij met een plastic camera uit de DDR in 1975 zijn eerste foto van zijn eigen Leeghwaterstraat schoot tot aan 2015. ‘Werklust’ is een vervolg op ‘Bouwlust’ (2009) en documenteert de transformatie van het werklandschap onder de landingsbanen van Schiphol in de afgelopen veertig jaar. Baart, die sinds 2004 weer in Hoofddorp woont, stelt in het boek vast dat zijn eigen jonge stad de afgelopen decennia werd overspoeld met visies, nota’s en ontwerpen. Op de schudbladen van zijn boek vermeldt hij de beleidsstukken als herinnering aan “de vaak wat verrassende uitkomst van het proces van planning en uitvoering.” Het is een badinerende opmerking die de fotograaf typeert: zijn foto’s documenteren de wording van iets dat is gepland, maar dat toch allemaal anders is geworden dan gedacht.

Op de maakbaarheid dingt Baart inderdaad het nodige af. Genadeloos legt hij de twee fases van zijn eigen leven in de polder vast, die van ‘de aardappels’ en die van ‘het asfalt’. De verwondering en relativering zie je niet alleen terug in zijn foto’s, maar lees je ook in de tekst.  Met fotografie, schrijft Baart, kun je ruimtelijke veranderingen documenteren, maar foto’s analyseren niet. Daarom schreef hij bij elk hoofdstuk een korte toelichtende tekst. Dat is voor de kijker heel prettig. De hoofdstukken betreffen ‘land’, ‘straat’, ‘ventweg’ en ‘startbaan’. Meeste indruk op mij maakte zijn analyse van de huidige tijd: “Het lijkt of dit een tussentijd is, een periode van heroriëntatie. Het is nog niet duidelijk welke kant het op zal gaan maar er dienen zich nieuwe ontwikkelingen aan die het aanzicht van dit gebied weer drastisch kunnen veranderen.” Welke veranderingen zullen dat zijn? Daarover laat Baart zich niet uit. Daarvoor zul je goed moeten kijken. Zijn voorbeeld, Charles Marville, fotografeerde Parijs ook vlak voor en tijdens de grote ingrepen van baron Haussmann in de tweede helft van de negentiende eeuw en kon evenmin bevroeden wat er daarna met Parijs zou gebeuren. Misschien krijgt Hoofddorp straks wel, net als Parijs, een Eiffeltoren.

Tagged with:
 

Catwalk in de favela

On 31 december 2013, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 26 oktober 2013:

Rocinha is de grootste sloppenwijk van Brazilië en ligt in het zuiden van Rio de Janeiro, op heuvels en met uitzicht op zee. Er wonen zo’n 300.000 armoedzaaiers, al kwam de officiële volkstelling in 2010 niet verder dan 70.000. In 2011 werd hier door het leger orde op zaken gesteld na een zich eindeloos voortslepende drugsoorlog die de favela een slechte naam had bezorgd – de zogenaamde ‘pacificatie’. Sindsdien wordt er weer dagelijks afval opgehaald, er zijn medische posten geopend en vorig jaar werden een grote bibliotheek en een groot sportcomplex in Rocinha gebouwd. Dit jaar opende een metrostation pal voor de ingang van de wijk en volgend jaar begint McDonalds in de favela een vestiging. Een eenheid van ruim vierhonderd agenten is in de wijk gestationeerd. Beroemdheden die Brazilië bezoeken en hun sociale gezicht willen tonen brengen doorgaans enkele uren door in Rocinha voor een photo shoot. Rocinga lijkt daardoor de internationale lakmoesproef voor de Braziliaanse regering. Inderdaad, Rio maakt zich op voor de Olympische Spelen.

Interessant is vooral wat buiten de schijnwerpers van de internationale pers in Rocinha gebeurt. Zo schreef Nina Jurna onlangs in Het Parool over de fotograaf Jean Ribeiro die meiden in de favela fotografeert. Zelf afkomstig uit Rocinha had Ribeiro het fotograferen geleerd van een bekende Braziliaanse fotograaf die hem in de gevangenis waar hij vast zat wegens drugshandel zijn diensten had aangeboden wanneer hij vrijkwam. Ribeiro was op zijn aanbod ingegaan en was na zijn vrijlating een modellenbureau in de favela begonnen: “Waarom kan een meisje uit Ricinha geen model of actrice worden? Mijn droom is dat één van mijn modellen doorbreekt. Wie weet lukt het ooit een soapster uit onze wijk voort te brengen.” Doordat het op straat veiliger is hoeft hij niet langer vanaf daken te fotograferen. Er komen ook steeds meer kledingwinkels, schoonheidssalons en restaurants in de wijk, dus de vraag naar modellen neemt toe. Zijn zaken lopen steeds beter. Ribeiro droomt zelfs van een catwalk midden in Rocinha. Zo groeit de lokale economie in deze zinderende metropool van ruim zes miljoen inwoners: van onderop. Ik wens u een gelukkig 2014!

Tagged with:
 

Twee New Yorkse vrouwen

On 20 november 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in FOAM in Amsterdam op 16 november 2012:

Bij het zien van de ruim tweehonderd foto’s van Diane Arbus in FOAM aan de Keizersgracht viel me de verwantschap op met ‘The Life and Death of Great American Cities´uit 1961 van Jane Jacobs. Beide vrouwen beschrijven de toestand in New York eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Beiden zetten zich af tegen het Modernisme, dat mensen vooral uniformeerde, het leven abstraheerde en reglementeerde, de geschiedenis schrapte en daarvoor in de plaats een nieuw tijdperk aankondigde waarin alles anders, beter en moderner zou zijn. Beide New Yorkse vrouwen lijken zich tegen die sociale ingenieursmentaliteit te verzetten. Arbus legde met haar camera vooral van de norm afwijkende mensen vast, Jacobs kwam op voor oude, vervallen gebouwen. Het had me niet verbaasd als Arbus ook een portret van Jacobs had gemaakt. Zo´n gekke gedachte is dat niet. Ergens zag ik een foto van Arbus genomen in Hudson Street, de straat waar Jacobs destijds woonde.

Arbus´ lievelingsboek op middelbare school was Chaucer´s Canterbury Tales. Ze verwonderde zich, schreef ze in een opstel, net als Chaucer liever over het unieke individu dan over de gelijkvormige massa. Ze beschouwde mensen als ´whole miracles´. ´Each one will always be himself. And he wants that.´New York, opgevat als de moderne Middeleeuwen. Dat was destijds absoluut tegen de trend in. Bovendien, wie las er toentertijd nog Chaucer? Het Metropolitan Museum dat haar fotocollectie beheert, ziet haar werk als vooruitziend. ´Amerika´s overgang van het voldaan isolationisme van de jaren vijftig naar de sociaalpolitieke beroering die naar boven zou komen in de late jaren zestig en in de jaren zeventig lijkt te kolken onder het oppervlak van de afbeelding, en onderstreept Arbus´ vooruitziendheid en intuïtieve begrip van haar tijd.´Datzelfde gold voor Jane Jacobs.

Tagged with:
 

Uitwassen van de stad

On 3 oktober 2012, in kunst, by Zef Hemel

Gezien op zondag 27 september in Amsterdam:

Met de kinderen naar FOAM geweest. We gingen voor de familie-albums van Erik Kessels. Die waren vrolijk en ontroerend. Toen liepen we door. Zo belandden we, via het werk van de Amerikaanse fotografe Alex Prager, in een tentoonstelling van werk van oud-studenten van de Rijksacademie, getiteld ‘RE-search’. Twee werken hadden betrekking op steden. Het ene was van Gert Jan Kocken. Zijn gecombineerde oorlogskaart van Amsterdam kende ik al. Nu hingen er liefst twee reusachtige combikaarten van Berlijn anno 1945. Op de ene stonden de Duitse en Amerikaanse aanvallen afgebeeld, op de andere alle Russische aanvallen op het einde van de oorlog. Leesbaarheid vereiste dat ze gescheiden werden getoond. ‘Depictions of Berlin’ greep me het meeste aan. Waarom weet ik niet. Misschien omdat Kocken het megalomane plan voor Germania van Albert Speer op schaal, in rode verf, in de kaart had gemonteerd. Ineens begreep ik de strekking van dit plan. Maar ook de ‘Judenfreie Gebiete’ en de verdeling in sectoren volgens de conferentie van Jalta waren te zien. En ten slotte de verwoestingen als gevolg van de bombardementen. Op dit moment werkt Kocken aan een oorlogskaart van Rome, de bakermat van het fascisme. Het is kil, registrerend en gruwelijk werk.

Het andere werk bracht stadsnatuur in kaart. Het is van Sema Bekirovic en Lotte Geeven en heet ‘Ikebana City’. Ditmaal was hun atelier nagebouwd, volgestouwd met planten en stukken natuur in vazen, schalen en kommen. Het geheel toonde ‘de natuurlijke uitwassen van de stad’. “We wandelen elke dag tientallen kilometers. Dan kwamen we dingen tegen zoals planten die tegen een muur vol graffiti stonden. En per ongeluk in allerlei kleuren waren gespoten maar ondertussen vrolijk aan het doorgroeien waren. Dat is de focus van Ikebana. Planten die in symbiose met de mens een eigen plekje vinden in de stad.” De kunstenaars verzamelden de planten en maakten er stillevens mee. Die fotografeerden ze en hingen er posters van op de plaatsen waar ze de planten hadden aangetroffen. Een vorm van ‘street art’, maar nu in een fotografiemuseum aan de Keizersgracht geëtaleerd. Stadskunst. Street art. RE-search. Uitwassen van de stad.

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Random knowledge

On 1 maart 2012, in boeken, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Volkskrant Magazine van 11 februari 2012:

Mooi interview in Volkskrant Magazine met voormalig persfotograaf Hans Aarsman, zoon van slager Aarsman aan de Hoofdweg in Amsterdam-West. Eerst scheikunde gestudeerd, later Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Kortstondig lesgegeven. Daarna reikte een vriend hem een camera aan. Toen was hij verkocht. Sindsdien fotografeert hij, of liever: hij leest, selecteert en interpreteert (‘ontrafelt’) tegenwoordig foto’s – er komen bij hem tienduizend foto’s per dag binnen – waarmee hij een collectie foto’s aanlegt, de Aarsman Collectie. Dat gaat als volgt: glamour en sport gooit hij er snel uit; dan houdt hij nog zo’n drie- tot vierduizend foto’s over; die ziet hij stuk voor stuk. “Op dat moment staan mijn hersenen in de selectiestand. Dan heb ik geen ruimte om te associëren. Daar moet echt tijd tussen zitten. Het liefst een nacht. De volgende ochtend loop ik in mijn hoofd het lijstje van vijf of zes kandidaten door. Half soezend komen bij mij de beste gedachten boven.” Om de selectie te kunnen maken leest hij veel, allemaal non-fictie. “Ik verzamel random knowledge. Wetenswaardigheden waarvan je nooit weet of ze ooit van pas zullen komen, maar die je intussen toch maar even meepikt.” Aarsman lijkt zo weggelopen uit een roman van Paul Auster, een typische grootstedelijke figuur – zelf noemt hij zich ‘fotodetective’ -, want zijn werk is niet in te delen, het is hooggespecialiseerd, om niet te zeggen zeer persoonlijk, uniek. Zo te leven kan alleen in een metropool.

Aarsman houdt van auto’s, maar zelf heeft hij er geen. Wel staat er een Daimler in zijn garage; die is van een vriend. “Hij rekende het ooit precies uit: als je de uren die je moet werken om een auto te bekostigen optelt bij de uren die je erin rijdt, ben je met de fiets altijd sneller.” Het is een mooie rekensom, maar wel goed gejat. Henry Thoreau rekende in ‘Walden’ (1854) zijn lezers ooit voor dat reizen te voet het snelste gaat, veel sneller dan met de trein. Van Concord naar Fitchburg bijvoorbeeld. “Veronderstel dat we willen proberen wie daar het eerst aankomt; de afstand is dertig kilometer en het kaartje kost negentig dollarcent, dat is bijna een dagloon. Wel, ik begin nu te voet en arriveer vóór de nacht want ik heb zulke afstanden wel een week achter elkaar afgelegd. U ondertussen zult eerst de reiskosten moeten verdienen, als u tenminste het geluk hebt nu werk te vinden, en u zult daar de volgende dag aankomen of op zijn best vanavond. In plaats van naar Fitchburg te reizen moet u hier het grootste deel van de dag werken. Op die manier zou ik, als de spoorlijn rond de aarde ging, u steeds voor blijven.” Zou Aarsman ‘Walden’ hebben gelezen? Het is non-fictie. En Auster? Da’s fictie, nee.

Tagged with: