Uit de as herrezen

On 9 oktober 2017, in geschiedenis, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Träume in Trümmern’ (1993) van Werner Durth, Niels Gutschow:

Afbeeldingsresultaat voor träume in trümmern werner durth

In een hotel in Hannover vertelde Noud de Vreeze over zijn binnenkort te verschijnen boek dat handelt over de Duitse steden kort voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het was daags na de Duitse verkiezingen waarover in de kranten nog eens was gereleveerd dat de geallieerde bezetters na de oorlog aan verliezer Duitsland een federatief, dus gedecentraliseerd, politiek stelsel hadden opgelegd, dit om te voorkomen dat enige totalitaire gedachte bij onze oosterburen ooit weer een kans zou krijgen. De Vreeze trok de maatregel door naar de door de geallieerden in het naoorlogse Duitsland geïntroduceerde grondpolitiek. Grondbezit werd door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië heilig verklaard, onteigenen buitengewoon lastig. Zo kon geen overheid de macht nog aan zich trekken om nieuwe grote ondernemingen te beginnen. Dit verklaart waarom de gebombardeerde en afgebrande Duitse steden na de oorlog kavel na kavel, blok na blok, weer werden opgebouwd. Ideeën zoals in Rotterdam om op basis van een Duitse onteigeningswet de hele binnenstad maar af te breken en een radicaal nieuw ontwerp te introduceren maakten in de Duitse steden geen schijn van kans. De stedenbouwer van Hannover, Hillebrecht, kon niet anders doen dan met de individuele grondeigenaren oeverloos praten. Machteloos moest hij toezien hoe burgers hun eigen plan trokken. Het naoorlogse Hannover werd daardoor een prettige, kleinschalige metropool.

Grootschalige plannen ontbraken bij onze oosterburen in de naoorlogse jaren, zo lees ik ook in ´Träume in Trümmern’ (1993) van Werner Durth en Niels Gutschow, de korrelgrootte van de stedelijke ontwikkelingen bleef klein, waardoor een krachtige ontwikkeling van onderop werd gestimuleerd. De Vreeze noemde de grote hoeveelheid prijsvragen, burgerinitiatieven en tentoonstellingen die in de periode van de wederopbouw in de Duitse steden werden georganiseerd; burgers domineerden de toekomstgesprekken. Men kan gerust stellen dat juist de door de Amerikanen afgedwongen grondpolitiek de Duitse steden snel en succesvol heeft doen herrijzen. En dat terwijl het de wens van de Amerikanen was om met de door haar genomen maatregelen van het industriële Duitsland weer een agrarische natie te maken – het plan Morgenthau –, waarbij dorpsachtige ontwikkelingen werden bevoordeeld en Duitsers hun afgebrande grote steden de rug zouden toekeren. Het gebeurde niet. “Schon früh kann in der amerikanischen Zone der Wiederaufbau in fast unreglementierter Eigeninitiative der Bewohner, der Haus und Grundeigentumer nach dem liberalistischen Motto Laissez faire, laissez allez begonnen werden, wodurch rasch tatsachen geschaffen werden.” De Duitse planning-van-onderop heeft tot het naoorlogse  economische wonder geleid, alles dankzij de steden en hun gefragmenteerde grondpolitiek.

Tagged with:
 

Groeistuipen van Parijs

On 22 maart 2017, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Parisians. An Adventure History of Paris’ (2010) van Graham Robb:

Afbeeldingsresultaat voor parisians robb

Bijzonder boek gelezen over Parijs. Echt een aanrader. In twintig hoofdstukken beschrijft de Brit Graham Robb de veelbewogen geschiedenis van Parijs aan de hand van een hele reeks ooggetuigenverslagen, hij put uit de levens van Napoleon, Marie-Antoinette, de boevenvanger Vidocq, de fotograaf Marville en stedenbouwer Haussmann, de vrouw van Emile Zola, de schrijver Proust, de schurk Hitler, de presidenten De Gaulle, Pompidou, Mitterand en Giscard, maar ook gewone jongens als Sarko, Buma en Zyed. Mooi is hoe hij Haussmann neerzet als opdrachtgever van de fotograaf Marville, die alle delen van Parijs die Haussmann gaat afbreken eerst moet vereeuwigen. Op de foto’s herkende de stedenbouwer het werk van zijn voorganger Rambuteau, met zijn zuinige stijl. Parijs, dat honderdvijftig jaar later een vijfde van het elektriciteitsverbruik van heel Frankrijk voor zijn rekening neemt en dat twee hoogspanningsringen kent met een sterk verschillende voltage – een op 24 kilometer van het centrum verwijderd, de ander op een afstand van 16 kilometer –, voert zijn elektriciteit naar wisselstations als die van Clichy, waar 20.000 volt wordt omgezet naar lagere voltages. Hier verschuilen Bouna en Zyed zich op een avond in 2005 voor de politie. Al snel worden ze omsingeld. Om half zes ‘s gaan ze het wisselstation binnen. Om 12 minuten over zes heft een van de jongens zijn armen ten hemel. Is het ongeduld of wanhoop? Op dat moment slaat de vlam in het verdeelstation.

Hierna beschrijft Robb de gebeurtenissen in de Parijse banlieus in het jaar 2005. Begin november werd de hoofdstad omsingeld door een ware brandhaard van opstanden. De minister van Binnenlandse Zaken sprak van extreem geweld dat zelden eerder in Frankrijk was vertoond. Maar volgens Robb wisten de betrokkenen wel beter. Misschien, zo schrijft hij, zullen de onlusten in de buitenwijken van Parijs, net als eerdere revoltes, worden gezien als de geboorteweeën van een nieuwe metropool. Immers, sinds de vroege Middeleeuwen groeit de stad heftig, bij vlagen, keer op keer. Groter en groter werd ze. Inmiddels bestrijkt ze al het gehele stroomdal van de Seine. Elke nieuwe vloedgolf lijkt de stad te vernietigen, maar elke keer weer herrijst een nieuw Parijs uit haar as. Een volgende generatie moet de stad opnieuw gaan ontdekken. Deze kinderen uit Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Europa zijn óók Parijzenaren, ze zijn de allenieuwste. “The racaille were marking their tribal territories in that great grey mass of buildings between wooded massif of Meudon and the plains of the Beauce and the Brie.”

Tagged with:
 

Bouwen, sociale ingenieurs, bouwen!

On 20 maart 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in De Bazel, Amsterdam, op 16 maart 2017:

 

Mooie tentoonstelling over de naoorlogse uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, nu te zien in De Bazel aan de Vijzelstraat. Afgelopen week werd hij geopend door burgemeester Van der Laan. De tentoonstelling bestaat uit vier stijlkamers. Elke kamer heeft betrekking op een periode: 1935, 1958, 2006, 2017. Telkens waan je je in een ruimte waar ambtenaren, na te hebben vergaderd, net hun hielen hebben gelicht. Een stem praat je bij over de stand van het denken. Die uit 1958 vormt voor mij de kern: dan bevinden we ons midden in de naoorlogse uitvoering van het grote plan. De ruimte is gevuld met tekentafels en allerhande maquettes, op een groot prikbord aan de wand wordt de uitvoering van elke wijk en buurt nauwgezet bijgehouden. Met man en macht wordt geprobeerd om in tien jaar tijd liefst 50.000 arbeiderswoningen in Amsterdam bij te bouwen. Dat begint in 1946 en is in 1958 grotendeels gelukt. Ondertussen zien de in witte jassen geklede sociale ingenieurs zich geconfronteerd met reorganisaties en bezuinigingen. 1958 is ook het jaar waarin Cornelis van Eesteren als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling wordt opgevolgd door mejuffrouw Mulder. Eerder al, in 1953, had zijn kompaan Van Lohuizen er de brui aan gegeven.In de tentoonstelling wordt niet vermeld dat Van Eesteren juist dan van de Minister van Verkeer en Waterstaat de opdracht kreeg om Lelystad te ontwerpen, een nieuwe stad in de polder van 100.000 inwoners, bedoeld voor Amsterdammers die van hogerhand moesten ‘overlopen’. 

Ik zag opvallende parallellen met de Sovjet-Unie van Nikita Chroetsjov: ook daar was de naoorlogse opgave om tegen de laagst mogelijke kosten zoveel mogelijk arbeiderswoningen te bouwen. In Nederland en in Rusland werd dit alles destijds door politici bedisseld en door overheidsdiensten loyaal uitgevoerd. Woningbouw was de grootste zorg in het naoorlogse berooide Europa, zowel in Oost als in West. En het AUP zelf (1935) was een plan uit de crisisjaren dat tien jaar werkloos op de plank was blijven liggen. De joodse wethouder Van der Velde had het plan nog als raadslid vastgesteld en verordonneerde in 1946, amper teruggekeerd uit de kampen, versnelde uitvoering. De begroting van Publieke Werken ging van 15 miljoen in 1945 naar meer dan 120 miljoen gulden in 1957. En warempel, het lukte de ambtenaren om de onmogelijke klus te klaren. Maar zijn opvolger Van ‘t Hull wilde de opgebouwde macht van de ambtelijke diensten alweer breken. Zijn gedwongen vertrek wachtte Van Eesteren niet af. Tentoonstelling en teksten lezen als een Sovjet-epos met haar vijfjarenplannen, economische beloftes, nadruk op arbeiderswoningen, politieke heroïek, overheidsplanning, het breken van de ambtelijke macht, alles op een ongekend grote schaal. Lenin en Stalin als de helden van de sociale ingenieurs, ze hadden zowaar hun evenknieën in de Nederlandse polder. Nee heus, de opgave waar Amsterdam anno 2017 voor staat is een andere dan in 1945. Laat de overheid niet opnieuw 50.000 woningen in tien jaar tijd uit de grond willen stampen. Dit keer liever een metropolitane ambitie van de nieuwe middenklasse.

Tagged with:
 

Manfred Bock 1943-2017

On 22 februari 2017, in geschiedenis, stedenbouw, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op zondagavond 19 februari 2017:

 afbeelding Manfred Bock in de Droogbak, 1983

Zaterdag 18 februari 2017 overleed Manfred Bock, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. De in Hamburg geboren Bock, die in 1983 cum laude promoveerde op H.P.Berlage en de Beurs in Amsterdam, was een autoriteit op het gebied van klassiek historische onderzoek naar de moderne architectuur in Nederland. Begin jaren ’80 van de twintigste eeuw ontwikkelde hij tevens belangstelling voor de geschiedenis van de stedenbouw en zelfs van de ruimtelijke planning. Dat laatste was iets nieuws, dat zeker verband hield met zijn vriendschap met stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897-1988), wiens archief Bock jarenlang bewerkte en met zijn team grondig onderzocht. Mijn eigen onderzoek naar de bijdrage van Van Eesteren aan de vormgeving van het landschap van de IJsselmeerpolders maakte deel uit van dit omvangrijke onderzoeksproject, dat door de Nederlandse staat werd gefinancierd. Bock was mijn promotor en leermeester. Van weinig mensen heb ik meer geleerd.

De belangrijke wetenschappelijk productie van Bock viel samen met de opleving van de Nederlandse architectuur, voorafgaand aan de episode-VINEX, zeg maar van begin jaren ’80 tot midden jaren ‘90. Dat was allerminst toevallig. Bock in Amsterdam en Ed Taverne in Groningen bliezen de latere bouwhausse aan met aansprekend historisch bronnenonderzoek. Na de Amsterdamse School en Berlage richtten de twee begin jaren ‘80 hun pijlen op het modernisme. De belangstelling voor het Nieuwe Bouwen, gewekt in een aantal schitterende tentoonstellingen die plaatsvonden in 1982 in vier Nederlandse musea, was vooral hun verdienste en zou een hele generatie jonge Nederlandse architecten blijvend inspireren. Het archief van Van Eesteren en andere archieven uit het ter ziele gegane Amsterdamse Documentatiecentrum voor de Bouwkunst stonden daarin centraal. Ons land zou er nu heel anders hebben uitgezien als deze twee grote wetenschappers in die periode niet zo productief waren geweest. Binnenkort, op 17 maart, opent er in het Amsterdamse Stadsarchief een tentoonstelling, getiteld ‘Een betere stad 1935-2017’, gewijd aan de realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Manfred Bock had zich geen mooier afscheidscadeau kunnen wensen.

Tagged with:
 

Van onderop, maar gescheiden

On 17 februari 2017, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord op de Universiteit van Amsterdam op 13 maart 2017:

 

Wat de planning van Istanbul betreft, verwees historicus Hans Luiten in zijn gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam naar het unieke mahalle-systeem dat de Turken na de verovering van Constantinopel in 1453 binnen de Romeinse vestingmuren instelden. Mahalles betroffen kleine woonbuurten van maximaal 2.000 inwoners die grotendeels zichzelf bestuurden. In totaal telde Istanbul in de vijftiende eeuw 219 van dergelijke mahalles. Ze ontwikkelden zich rond oude kerken en moskeeën. Vaak werden ze ook naar deze godshuizen vernoemd. Het systeem, dat al bestond in de Byzantijnse tijd, werd door de Turkse veroveraars dus verder uitgebouwd. Istanbul telde in 1453 overigens nog maar 200.000 inwoners, terwijl het in zijn gloriedagen na de stichting nog liefst 800.000 zielen had omvat. Krimp en teruggang waren het gevolg geweest van de verovering door stadstaat Venetië in 1204. Mahalles, die vaak ook over een eigen school en badhuis beschikten, konden Joods zijn, Armeens, Turks of Grieks. De islamitische Turken bleken behoorlijk tolerant; hun mahallesysteem zorgde ervoor dat religies en etniciteiten vredig samenleefden, alle in hun eigen buurten, autonoom, zichzelf besturend van onderop. Op deze manier raakte de multiculturele stad steeds dichter bevolkt.

In een artikel van Ilber Ortayli, verbonden aan de universiteit van Ankara, getiteld ‘The evolution of the spatial pattern of Istanbul’ (1996), las ik over hoe dit mahallesysteem ervoor zorgde dat op den duur extreem hoge dichtheden werden bereikt waarin verwante mensen met elkaar moesten samenleven. De meeste gebouwen waren bovendien van hout, waardoor voortdurend brandgevaar dreigde; sanitaire voorzieningenschoten schoten ernstig tekort. Dit alles zou later veranderen. Buiten de muren groeiden vanaf de negentiende eeuw de eerste buitenwijken rond voormalige dorpen of liever: hier vormden zich de eerste sloppenwijken. Ondertussen werd de stad zelf steeds meer uit steen opgetrokken. De informele sloppenwijken zouden in de twintigste eeuw de dominante vorm van verstedelijking worden, vooral toen bij het verval van het Ottomaanse rijk eind negentiende eeuw miljoenen Turken overhaast naar Istanbul vluchtten. Tot op de dag van vandaag vormen de gecekodu’s het dominante motief waarop de metropoolvorming onverminderd, nee sneller dan ooit, plaatsvindt. En het mahallesysteem functioneert ook nog steeds, dat wil zeggen in heel Istanbul heerst altijd nog een vorm van zelfbestuur, georganiseerd rond kerken, scholen en badhuizen, vanuit kleine buurten, maar wel gescheiden, zij het dat vrijwel alle mahalles nu door de islam worden gedomineerd.

Tagged with:
 

Geschiedenis van een metropool

On 13 februari 2017, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord op 13 februari op de Universiteit van Amsterdam:

 

Het gastcollege van Hans Luiten, historicus, in het bachelor-programma Cities in Transition aan de Universiteit van Amsterdam was bijzonder. Luiten, die twee uur lang zeer boeiend sprak over Istanbul, schilderde als een echte historicus de bewogen geschiedenis van een stad die sommigen als westers, maar de meesten als oosters typeren. Gesticht door keizer Constantijn, ontwikkelde de Romeinse stad aan de Bosporus zich tot een van de grootste steden ter wereld. Tijdens de val van Rome telde ze al meer dan 800.000 inwoners, allen dicht opeengepakt levend binnen de Romeinse vestingmuren. Daarna werd ze onder de voet gelopen door de Turken uit Centraal Azië, die het Ottomaanse rijk stichtten en de islam naar Istanbul brachten. Pas in de achttiende eeuw trad ze buiten haar omwalling en groeide ze door aan de overzijde van de Gouden Hoorn, in de buurt die bekend kwam te staan als Perá. Tot nog in de negentiende eeuw werd ze geteisterd door hevige branden, die de overwegend houten woningen gemakkelijk in vuur zetten. Het verval van het Ottomaanse rijk in de negentiende eeuw betekende opnieuw een kentering voor de stad. Een voorzichtig proces van modernisering zette in, met een eerste metroverbinding in 1871 en Duitse plannen voor stadsuitbreiding, maar in het tumult van de Eerste Wereldoorlog koos Turkije voor Duitsland, dus de verkeerde partij. Hard werd ze daarvoor gestraft door de Engelsen, Fransen en Russen. Istanbul dreigde in 1920 Russisch te worden. Atatürk voerde daarop een vrijheidsstrijd en moderniseerde het bevrijde Turkije met straffe hand. De hoofdstad verplaatste hij naar Ankara.

Wat in de twee uur college goed duidelijk werd, is dat Turkije de vernedering van 1918 nog steeds niet te boven lijkt en dat een terugverlangen naar het Ottomaanse rijk gemakkelijk weer de kop opsteekt. Ook de vijanden van weleer zijn opnieuw gevonden. Pas in de laatste tien minuten voerde Luiten president Erdogan ten tonele. Terwijl Istanbul explosief groeit naar een inwonertal van liefst 20 miljoen veelal arme mensen en de Turkse economie indrukwekkende groeicijfers vertoont, ontwikkelt de populaire leider van de AK Partij in een vreemde mengeling van neoliberale principes en islamitische grondwaarden  zijn megalomane toekomstvisioen voor Groot-Istanbul, met de grootste luchthaven ter wereld, een tweede verbinding met de Zwarte Zee, een derde brug over de Bosporus en een metropolitane expansie naar het noorden en oosten. Voor zijn achterban van hoofdzakelijk ‘Zwarte Turken’ bouwt ontwikkelaar Toki, die in handen is van de zoon van de president, goedkope hoogbouwflats in de binnenrand van de snel groeiende metropool. De waterreservoirs in de uitgestrekte wouden ten noorden van de stad worden ondertussen door wilde verstedelijking bedreigd. Wat van dit alles te denken? Ik vermoed dat de studenten nu eerst even op adem moeten komen.

Tagged with:
 

Sörgel’s dream

On 25 november 2016, in geschiedenis, internationaal, by Zef Hemel

Read in ‘Atlantropa’ (1998) of Wolfgang Voigt:

 

Three days before his death, Max van den Berg (1938-2016), a former city planner of Amsterdam, gave me a copy of ‘Atlantropa’, a book of the historian Wolfgang Voigt on the German architect Herman Sörgel. The book documents the mad history of a mad project dating from the early nineteen thirties. Sörgel, who worked at the office of Erich Mendelsohn, proposed the draining of the Mediterranean Sea by closing the Street of Gibraltar with a dam, by generating a huge amount of electricity with the help of this dam and another one in the Bosphorus, and by using this energy to irrigate the African desert. His drawings were exhibited in German, Italian and Spanish cities, and by letting them travel around Europe, Sörgel, who worked for many years on it, had hoped his project would bring peace and stimulate friendship between the nations. Architects and planners helped him designing the new cities on the new coastline that would be drained, amongst them the Dutch urbanist Cornelis van Eesteren. It was Van Eesteren who met Sörgel at the Weissenhof Siedling in 1927, learned about his project, and it was Van Eesteren who later teached Van den Berg, first as professor at the Technical Universityof Delft, later as a senior colleague and former head of the Amsterdam urban planning department.

Max did not know Van Eesteren had told me about Atlantropa when I studied Van Eesteren’s archives at his home in the early nineteen eighties. His gift reminded me of Sörgels dream and of the role Van Eesteren had played in it. So when I started reading Voigt last weekend, I learned that Sörgel wanted to make a boat trip with all the architects along the Mediterranean coast, but that this preparatory study tour never took place. So is it a coincidence that when in 1932 the architects of the International Congresses of Modern Architecture (CIAM), who planned their third congress on the functional city in Moscow, were not permitted to enter the Soviet Union, they decided to charter a boat in the harbour of Marseille, and make a boat trip to Athens and back again? I don’t think so. At that time Van Eesteren was president of CIAM and it was Van Eesteren who had travelled to Moscow in the winter of 1932 in an ultimate attempt to save the congress. The inspiration to find a ship and sail the Mediterranean when the Soviets refused, must have been his, or it was Sörgels idea he now eagerly adopted. Maybe even the idea to organize a travelling exhibition on the results of the congress was based on the Atlantropa-project. So when the Modernist architects embarked the Patris II in the summer of 1933, Van Eesteren must have imagined Sörgels dream of Atlantropa come true.

Tagged with:
 

Optimistische eeuw

On 24 augustus 2016, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen tijdens de zomervakantie van 2016:

 

Vijf boeken gelezen deze vakantie, waaronder Moby-Dick van Herman Melville (een boek dat na 160 jaar nog altijd zeer de moeite waard is) en ‘Het zwarte boek’ van Ohran Pamuk uit 1990; twee boeken sprongen er echter uit: ‘De begraafplaats van Praag’ (2011) van Umberto Eco en ’The Children’s Book’ (2009) van A.S. Byatt. Is het toeval? Beide zijn ongeveer even dik, allebei beschrijven ze de toestand op het einde van de negentiende eeuw in Europa, de Italiaan Eco vanuit Parijs, de Britse Byatt vanuit Londen. Beide werpen een duister licht op de geschiedenis. Eco loopt met zijn ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ vooruit op de shoah in de Tweede Wereldoorlog, Byatt laat haar jonge romanfiguren sneuvelen in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. The Children’s Book opent met de restanten van de Wereldtentoonstelling van 1851, de grootscheepse plannen voor uitbreiding van de museumgebouwen in South Kensington en de erfenis van koningin Victoria. Toch doen zich dan al willekeurige aanslagen voor, zoals de moord op de Franse president Carnot en op generaal Mesentsev. “De volwassenen herinnerden zich de stroom aanslagen van tien jaar geleden – op regeringsgebouwen, het kantoor van The Times, metrostations, spoorwegstations, Scotland Yard, Nelson’s Column, London Bridge, het Lagerhuis, de Tower zelfs.” Allemaal herkenbaar en opnieuw actueel.

En dan het bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900, een gigantisch project dat 600 hectare besloeg en 120 miljoen franc had gekost.  Hoogtepunt waren de twaalf meter lange dynamo’s die het terrein en de omgeving ‘s avonds verlichtten. “In het Paleis van de Elektriciteit waren overal waarschuwingen te lezen. Grand Danger de Mort. Het was geen verscheurende, vermorzelende dood. Een onzichtbare dood, deel van een onzichtbaar aandrijvende kracht, de nieuwigheid van de nieuwe eeuw.” Elektriciteit dus. Niets daarover in Eco’s meesterwerk. Hoofdpersoon Simonini– een Italiaan – leeft in ballingschap in Parijs. Baron Haussmann had bijna de hele stad gesloopt en opnieuw opgetrokken, de Pruisische bezetter was amper vertrokken. Over de Fransen oordeelt Simonini allerminst licht. “Ze zijn slecht. Ze doden uit verveling. Frankrijk is de enige natie waarvan de onderdanen jarenlang bezig zijn geweest elkaar de kop af te hakken.” Dat negatieve beeld wordt door racisme alleen maar erger, trouwens ook belichaamd in de hoofdpersoon. Volgens Eco was het pure hysterie, ontketend door de triomf van wetenschap en technologie. In een interview zei hij: “Dit is een boek dat je aan het einde van je leven schrijft, niet aan het begin. Het is wanhopig, vol scepsis. Een testament voor mijn kleinkinderen: heb geen vertrouwen in de mens.” Op 19 februari 2016 overleed de schrijver.

Tagged with:
 

Angst, sensatiezucht en idealisme

On 19 april 2016, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord op 18 april 2016 in de OBA te Amsterdam:

 

Christianne Smit, universitair hoofddocent Politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, vertelde afgelopen maandagavond een prachtig verhaal over de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam in een volgepakte theaterzaal van de OBA, tijdelijk omgetoverd in het Paleis voor Volksvlijt. Het was de eerste Amsterdamlezing van dit jaar, georganiseerd vanuit de Wibautleerstoel aan de UvA, een reeks deze keer gewijd aan de derde Gouden Eeuw. Aan de hand van haar historische onderzoek, opgetekend in ‘De Volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld 1870-1914’ (2015), schetste Smit een tamelijk onrustig beeld van Amsterdam, toen de kloof tussen rijk en arm snel groter werd, veel migranten naar de grote stad trokken, het platteland leegliep en de samenleving uit elkaar dreigde te vallen. De parallellen met het heden waren opvallend. De Amsterdamse elite van destijds, vertelde ze, wilde de boel bij elkaar houden en het waren de liberalen die daartoe tal van initiatieven namen; veelal betrof het jonge juffrouwen, ongetrouwde dochters van rijke burgers, wier idealistische werk deels werd ingegeven door optimisme, deels door angst. Ze trokken de arme buurten in, vaak uit sensatiezucht, maar vooral om gewone mensen die achterliepen vooruit te helpen; ze wilden de arbeiders iets leren, iets bijbrengen, zonder dat deze tot de middenklasse konden toetreden, “want dat kon gewoon niet.” Zo begon de tweede Gouden Eeuw – door het creëren van een grootstedelijke gemeenschap, het ontwikkelen van sociale cohesie.

Opmerkelijk was dat veel van die initiatieven rechtstreeks afkomstig waren uit Londen, dat niet alleen in de ernst van de maatschappelijke problemen Amsterdam verre overtrof, maar dat ook aan de lopende band innovaties produceerde.  Want zo zijn metropolen: hun oplossingsvermogen is veel groter dan die van kleine steden. Smit noemde het echtpaar Barnett dat met Toynbee Hall in East End het eerste buurthuis ter wereld stichtte. Ze organiseerden er leesclubs, cursussen, concerten, debatavonden en lezingen. Rijke studenten uit Oxford en Cambridge konden er aan den lijve ondervinden hoe het was om als arme stakker te leven. Toynbee Hall, een robuust Brits landhuis te midden van krotten, was niet minder dan een sociaal laboratorium dat ook in Nederland de aandacht trok. Smit noemde het Volkshuis in Leiden (1899), de Toynbee Vereniging (1895) en Ons Huis in de Rozenstraat in Amsterdam (1892). Ook Floor Wibaut zou na zijn verhuizing naar Amsterdam aangestoken worden door het virus en een Toynbee vereniging oprichten. Smit wees erop dat nog steeds overal in Amsterdam buurthuizen bestaan, net zoals er nog talrijke openbare bibliotheken functioneren. De sociale innovaties van destijds waren dus buitengewoon succesvol. Ze horen bij een infrastructuur die het idee van democratie moest helpen verspreiden en het pad effenen naar emancipatie. Nee, de socialisten liepen in deze niet voorop. Die wilden hun eigen buurthuizen, maar ze wilden bovendien een schietbaan om de revolutie voor te bereiden, echter een vergunning daarvoor kregen ze niet. En toen de buurthuizen en bibliotheken iets te succesvol bleken, nam de overheid het van de weldoeners over. Maar dat was veel later, zo rond de Eerste Wereldoorlog.

Tagged with:
 

Constantine’s dream

On 6 november 2015, in geschiedenis, by Zef Hemel

Seen in The Nieuwe Kerk, Amsterdam, on  11 October 2015:

 

The exhibition in the Nieuwe Kerk (New Church), on Dam square in Amsterdam, is on Rome, the capital city of the Roman empire at the time of the emperor Constantine, after the edict of Milano (313 AD). I visited it on a Sunday afternoon with one of my daugthers. At that time Rome was a city of one million inhabitants, the biggest city in the world. A reconstruction of the huge statue of Constantine with a copy of the head of the emperor and its fingers are its center piece; it was stunning, impressive, if only by its sheer size. And then there was his dream or vision or celestial sign, at the exhibition on copies of paintings in a reconstruction of one of the Vatican palace chambers: his seeing in his sleep at the battle field of the cross, and his redemption. The unique story was well exposed: the transformation of Rome, the building of the new churches in the city, the new freedom, the old gods, many of them still of Egyptian or Greek (Dionysos) origin, the rise of the Christian god, the celebrated works of the  apostles Peter and Paul, the first Christians, it was all there.

However, what I missed was the decision taken by the same emperor Constantine to build a new city in the East: Constantinople, inaugurated in 324 AD, as the new capital of the Roman empire, later to become the wealthiest and most powerful city on earth. The new city would be free of the pagan past and would be Christian from its first day. It was the emperor’s real dream. So I reread ‘The Decline and Fall of the Roman Empire’ (1776-1781) of Edward Gibbon. Gibbon’s long decription of the unique geographic location, created by nature, its wonderful climate, its healthy environment, its safe position on the border between Europe and Asia. It would be a city that could easily feed its own population; all the resources and freight would sail on ships, on any wind, to its shores on the Bosphorus. But then Gibbon also comments that Constantinople was not Babylon or Thebe, the antique Rome, London, or even Paris. It was far less powerful. Gibbon hated Constantine, so he judged Constantinople also a weak city. Building the new city, he wrote, costed a fortune, and many Roman citizens had to move eastward, leaving a enfeebled hometown behind. But less than a century later, Constantinople would challenge the power of Rome. Its foundation, growth and success are worth a second exhibition. Why wait?

Tagged with: