De neoliberale Jane Jacobs

On 7 april 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Rooilijn jaargang 51 nr.1 van 2018:

Een heel nummer van het Amsterdamse planologenvakblad Rooilijn is zowaar gewijd aan Jane Jacobs. Hulde! Tegelijk met het verschijnen werd in Delft een congres gehouden over haar relevantie in de eenentwintigste eeuw. De figuur van Jacobs, honderd jaar geleden geboren, verdient al die aandacht zeker. Haar boeken over steden zijn nog steeds relevant. Het congres heb ik helaas gemist, maar het nummer las ik met meer dan gewone belangstelling. Meest opvallende vond ik dat alle bijdragen opnieuw over slechts één boek van Jacobs gaan, te weten ‘The Death and Life of Great American Cities’ uit 1961. Bij de Nederlandse vertaling verscheen in 2009 ook al een bundel essays. Nu krijgen we nóg meer oud nieuws over haar eerstgeborene te verstouwen. En de toon is nog steeds die van verafgoding, met uitzondering natuurlijk van de immer betweterige columnist Naphta. Martin van der Maas noemt gelukkig nog ‘Dark Age Ahead’ uit 2004, en Marleen Buizer refereert kort aan een artikel uit 2000; Manuel Aalbers en Jannes van Loon hebben ten slotte de moeite genomen om ook ‘The Economy of Cities’ (1969) te raadplegen. Maar verder niets over ‘Cities and the Wealth of Nations’ of over ‘The Nature of Economies’, laat staan haar misschien wel meest relevante boek: ‘Systems of Survival’ uit 1992. Nee, het werd opnieuw ‘Death and Life’.

Hoe een mythe rond een persoon wordt opgetrokken valt mooi terug te lezen in het gesprek tussen Thomas Vanoutrive, Glenn Lyppens en Lara Schrijver, alle drie afkomstig uit Antwerpen. Jacobs zou de bulldozers in de Village op Lower Manhattan bijna persoonlijk hebben gestopt. Daarmee was ze volgens een van hen zelfs succesvoller dan de aanstichters van de Parijse Commune. Toe maar. In burgerprotest in de eerste plaats zou haar relevantie anno 2018 klaarblijkelijk schuilen. Maar dat protest wordt dit keer in de sfeer getrokken van de strijd tegen gentrificatie (sic!), niet tegen sloop en verkeersdoorbraken. Hoe vreemd kan het lopen. Pas op het eind van het ‘tweegesprek’ wordt haar economische werk door de gespreksleider onder de aandacht gebracht. Jacobs stelde dat steden aan de basis liggen van economische ontwikkeling. Voor een juist begrip: het ging bij haar om economische diversiteit, niet om agglomeratievoordelen door functionele specialisatie. Leidt dat niet tot grotere ruimtelijke ongelijkheid, vragen de Antwerpenaren zich af? De periferie wordt immers ‘verwaarloosd’. Ook zou Jacobs wel erg vaak de natuurmetafoor hebben gehanteerd. Even valt de term ‘neoliberalisme’. Natuurmetafoor? Neoliberaal? Ik denk dat Jacobs teleurgesteld zou zijn als ze dit las. Planologen begrijpen het nog steeds niet. Bekijk het interview dat ze gaf op het eind van haar leven: https://www.youtube.com/watch?v=UPNPpdBCqzU

Tagged with:
 

What dooms losers?

On 14 maart 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Scale’ (2017) van Geoffrey West:

Afbeeldingsresultaat voor collapse diamond

Eerder schreef ik over het nieuwste boek van de Britse natuurkundige Geoffrey West. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ concludeert hij dat de wijze waarop wij steden bouwen de sleutel vormt naar een duurzame toekomst. Zo ontdekte West dat grote steden veel duurzamer zijn dan kleine. Dat laatste komt door enorme schaalvoordelen. Bij elke verdubbeling van een stad is de winst 15 procent. Die constante is opvallend. West: “Despite their amazing diversity and complexity across the globe, and despite localized urban planning, cities manifest a surprising coarse-grained simplicity, regularity, and predictability.” Het beste wat planologen dus kunnen doen is de groei van steden niet verhinderen en de diversiteit en complexiteit laten toenemen. Het gevolg is wel dat het drukker wordt, dat er meer kapitaal vergaard wordt, dat de sociaaleconomische verschillen groter worden en dat het tempo van verandering toeneemt. Dat moet niet ontsporen. West: “It’s as if we are on a succession of accelerating treadmills and have to jump from one to another at an ever-increasing rate.” En ergens moet er een bovengrens zijn. Want we kunnen niet eindeloos doorgroeien. “This is clearly not sustainable, potentially leading to the collapse of the entire urbanized socioeconomic fabric.” Kan ineenstorting worden voorkomen? Of zijn we als mensheid gedoemd te falen? Dat is de grote vraag die West met zijn boek ons stelt.

Wat schreef ook alweer Jane Jacobs? Na het lezen van ‘Collapse’ (2005) van de geograaf Jarred Diamond noteerde ze dat ‘environmental ignorance’ steevast heeft geleid tot de ondergang van beschavingen. Culturele xenofobia ging eraan vooraf. Waarop ze zich afvroeg: ”What dooms losers?” Haar antwoord: “Losers are confronted with such radical jolts in circumstances that their institutions cannot adapt adequately, become irrelevant, and are dropped.” Sommige mensen denken dat regeringen zich zullen aanpassen als er een ramp dreigt, maar dat is niet zo. Alleen goed werkende democratieën leveren voldoende feedback. Er er is nog een ander probleem. Mensen raken gewend aan verlies. Volgens Jacobs waren dit de vijf pijlers van een vitale samenleving: 1. gemeenschap en familie, 2. hoger onderwijs, 3. technologie, 4. belastingen gericht op behoeften, 5. professionals die elkaar scherp houden. Ze herinnerde aan de Grote Depressie van de jaren ‘30. Vijftien jaar lang had de wereld op alle vijf ernstig aan kracht ingeboet. En planners, schreef Jacobs, volharden in de verkeerde aanpak. Nog steeds koesteren ze groen, zijn tegen hoge dichtheden en scheiden onverminderd wonen van werken. Alles wordt precies afgemeten, geen gebouw mag leeg blijven staan. Maar zo creëer je geen stedelijkheid. Overmaat, redundancy, is cruciaal. En op het allerlaagste schaalniveau is pertinente bescherming geboden, maar verder zou alles vrij moeten worden gelaten. “The object of a good performance code should be to combine the greatest degree of flexibility and adaptability possible with the most germane and direct protections needed in the close-up view.” Vandaar de titel van haar boek: ‘Dark Age Ahead’ (2004).

Gouden Eeuwen, Donkere Eeuwen

On 10 maart 2018, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Dark Age Ahead’ (2004) van Jane Jacobs:

Afbeeldingsresultaat voor dark age jane jacobs

Bron: Jacobs Papers, Boston College Burns Library

Tegenover ‘Gouden Eeuwen’ staan ‘Donkere Eeuwen’. Donkere Eeuwen domineren wanneer samenlevingen openheid afwijzen, zich boos afkeren van de rest van de wereld, pessimistisch worden, zichzelf isoleren, eigenwaarde verliezen, de kunsten verwaarlozen. De Amerikaans-Canadese schrijfster Jane Jacobs schreef erover in haar laatste boek, ‘Dark Age Ahead’(2004). “The world today is a bewildering mosaic of cultural winners, groeps of people sunk into old or recent Dark Ages and downward spirals, groups in the process of climbing out, and remnants of preagrarian cultures, as well as remnants of declined empires.” Zelfs binnen landen kunnen Gouden Eeuwen en Donkere Eeuwen naast elkaar bestaan.Voor Jacobs was duidelijk dat de wereld eind twintigste eeuw een grens was gepasseerd. Na tienduizend jaar landbouw en voedselproductie was nu een ‘post-agrarische moderniteit’ realiteit geworden. Onze toekomst, schreef ze, hangt af van onderzoek, onderwijs, innovatie, economische diversiteit en vrede, dus van vrijheid en grootstedelijkheid. Zelfs westerse samenlevingen vinden dit nog altijd pijnlijk en moeilijk te accepteren en verlangen terug naar vroeger. Democratische stadstaten lijken nog het beste geëquipeerd om de toekomst met open vizier tegemoet te treden.

Wanneer is sprake van een Donkere Eeuw? Dat is moeilijk vast te stellen. Vaak hebben mensen het niet in de gaten. In ‘’Dark Age Ahead’ stelde Jacobs zich liever de vraag hoe een samenleving de komst van een Donkere Eeuw kan vermijden. Als voorbeelden koos ze Japan en Ierland. Volgens haar waren beide veerkrachtige samenlevingen met een sterk geheugen, die zich openden naar de wereld, maar die hun eigen cultuur niet vergaten. Spelenderwijs de eigen cultuur ontwikkelen is misschien wel de beste voorzorg tegen verlies en verval. “Beneficent spirals, operating by benign feedback, mean that everything needful is not required at once: each individual improvement is beneficial for the whole.” Naast spel is grote zelfkennis nodig, een kritisch zelfonderzoek door de hele samenleving. En leven vanuit kernwaarden die door generaties aan haar werden overgedragen. “Any culture that jettisons the values that have given it competence, adaptability, and identity becomes weak and hollow.” Poëzie, literatuur, zangkunst en muziek zijn zeer wel in staat om emoties en herinneringen door te geven. “The emotional powers of the arts are obviously central to every culture.” Maar hoogmoed – hubris –, daarvan moeten machthebbers verre blijven. Gouden Eeuwen zijn vooral eeuwen van spel en spelen. Een samenleving die stopt met spelen is gedoemd.

Tagged with:
 

Wel de melk, niet de koeien

On 5 januari 2017, in economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 22 oktober 2016:

 

Een Special Report van het Londense zakenblad The Economist ging eind oktober 2016 over het Rusland onder president Poetin. In de kerstvakantie eindelijk tijd gevonden om het te lezen. Wat de Russische economie betreft wordt daarin Innopolis opgevoerd, de nieuwe stad onder de rook van Kazan, 820 kilometer oostelijk van Moskou, goed voor 155.000 inwoners, als illustratie van wat de heer Poetin zoal beweegt. Innopolis is het project van zijn voorganger, president Dmitry Medvedev, en werd op de tekentafel bedacht door Liu Thai Ker, hoofdarchitect van Singapore. De nieuwe stad, inmiddels twee jaar oud, moest net als Skolkovo bij Moskou – een ander project van Medvedev – een ware technopolis worden, een stedelijke hub van creativiteit en innovatie in een snel globaliserende wereld. Medvedev begreep dat Rusland niet achter kon blijven in de technologische ratrace en gebruikte het middel van een Free Economic Zone om in de buurt van Kazan (1 miljoen inwoners), aan de overkant van de rivier de Wolga, hoogwaardige grootstedelijke condities te scheppen die nodig zijn om talent aan zich te binden. Dat talent komt er nu echter niet. Zijn opvolger, Mr. Poetin, wil wel de melk, maar niet de koeien, aldus The Economist. Anders gezegd, het klimaat voor ondernemerschap is door de regering Poetin nooit gerealiseerd. Integendeel. Er staan alleen maar gebouwen.

In het algemeen vaart president Poetin een heel andere koers dan zijn voorganger. Hij probeert economische groei te bevorderen door geld te steken in het militair-industrieel complex en in grootschalige infrastructuur. Dat is een klassiek recept van natiestaten waarover The Economist het volgende schrijft: “the cost of these projects could outweight their benefits. And in the absence of a thriving private sector, those new roads and bridges may not do much.” Jane Jacobs noemde dat ‘transactions of decline’. De onstuimige groei van Moskou, Kazan en Sint Petersburg is voorbij. Zij hebben het nakijken. De nieuwe middenklasse die met die grootstedelijke groei de afgelopen decennia werd gevormd, heeft, met andere woorden, geen plek meer in het huidige autoritaire model van het Kremlin, dat overwegend gericht is op overheidsmiddelen steken in zinloze overheidsprojecten. Het regime van president Poetin is anti-stedelijk. Vanaf 2014 regeert weer de provincie. Het is een recept voor achteruitgang en verlies. Wat er met de plannen voor Innopolis gaat gebeuren is nu niet duidelijk. Het is wachten op betere tijden.

Tagged with:
 

Onjuist

On 16 december 2016, in hoogbouw, stadsvernieuwing, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rise and Sprawl (2016) van Hans Ibelings:

Afbeeldingsresultaat voor rise and sprawl

De Canadees-Nederlandse architectuurcriticus Hans Ibelings stuurde me een mail naar aanleiding van mijn blog over zijn nieuwste boek ‘Rise and Sprawl’. ‘Rise and Sprawl’ gaat over de opmerkelijke opmars van hoogbouw in het centrum van Toronto, Canada. Zelf, schreef hij me, was hij het meest tevreden over de wijze waarop hij in zijn boek had afgerekend met ‘Death and Life of Great American Cities’ van Jane Jacobs. Dus sloeg ik zijn boekje er nog eens op na. Het werk van ‘patroonheilige’ Jacobs was eenzijdig op de stoep en de voetganger gericht, ze had zich vooral tegen de overheid gekeerd, in de persoon van de machtige stedenbouwkundige Robert Moses, veel minder tegen het Modernisme als zodanig. Alle planners waren in haar ogen fout, alle andere mensen goed. Ibelings, eerst nog spottend en badinerend, stelt Jacobs vervolgens op één lijn met tijdgenote en communistenhater Ayn Rand. Ibelings sluit niet uit dat het redacteurschap van Jacobs van het propagandatijdschrift ‘Amerika Illustrated’ in de Koude Oorlog hiermee te maken heeft gehad. Zou het werkelijk?

Het vertrouwen van Jacobs in deregulering gíng volgens Ibelings heel ver. Daarvoor haalt hij een interview aan in The Atlantic van Richard Florida met Jacobs. Hun gesprek ging over gentrificatie. Jacobs hekelde de door de overheid gestuurde stadsvernieuwingsprogramma’s, maar ze keerde zich ook tegen de commerciële vastgoedpraktijken. Florida: “She went on to describe how cities have an amazing capacity to reorganize and reenergize themselves.” Daarna gaf ze Florida een lesje in een levenscycli van buurten en wijken, die eindigde met de uitspraak ‘Well, Richard, you must understand: when a place gets boring, even the rich people leave.’ Voor Ibelings is dit een bewijs dat Jacobs tegenstander was van overheidsinmenging. De recente, in zijn ogen ongereguleerde hoogbouw-hausse in Toronto acht hij dan ook in overeenstemming met het type stad dat Jacobs kennelijk voor ogen stond. Bij deze ironische conclusie haakte ik af. Afgezien van alle eerdere retoriek is het gewoon niet waar. Jacobs hoorde bij een protestgeneratie die zich fel verzette tegen grootschalige sloop en arrogantie van overheden, ontwerpers en projectontwikkelaars. Ze dacht vanuit de mensen. Later ontwikkelde ze een theorie over organische gentrificatie. In ‘Systems of Survival’ (1994) zou ze de verhouding tussen private sector en overheid als twee syndromen tegenover elkaar plaatsen, elk met een eigen moraliteit. Beide waren nodig, geen van beide mocht domineren. “So perhaps we have a useful definition of civilization: reasonably workable guardian-commercial symbiosis.” Jacobs was een pragmatist. Haar op één lijn stellen met objectivist Ayn Rand is onjuist, nee erger.

Tagged with:
 

Winner takes all

On 17 juni 2015, in bestuur, economie, politiek, by Zef Hemel

Read in The Economist of 12 June 2016:

 

In the UK, just like in many other countries, regional inequality is growing fast. London is the big winner, cities in the North are the big losers. As Richard Florida already forecasted years ago, the world is getting pretty spiky. The principle is simple: ‘success breeds success’. The winner takes all. This feels uncomfortable, to say the least. But in ‘Time for a civic surge’ The Economist writes about “the best opportunities for Engeland’s regional cities for a renaissance in decades” – opportunities they must not waste.  The Economist: “Britain is absurdly top-heavy: whereas half a dozen German cities have economies three-quarters the size of Berlin’s, no English city’s economy is even a quarter the size of London’s.” But can you do anything about it? How to stop London being successful? This is what governments always do: embracing distributive justice by relegating public money from successful cities to struggling cities in the hope markets will follow. Also London-based The Economist thinks the other cities in the UK should grab their chance now. George Osborne, the chancellor in the Cameron administration, has offered to cede billions of pounds of public spending to clusters of cities that agree to join together and be run by an elected mayor. So do it! I’m afraid more countries will follow his model.

Will it work? Surely not. Jane Jacobs was clear about it. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1985) she dismantled all existing economic theory and argued that a nation is an inadequate unit of analysis for understanding economic life. Differences between cities – some rich and some poor – in one country simply cannot be balanced by redistribution. The point is, countries and also economists, she stressed, do not understand how cities work. Only local production can create wealth, wealth cannot be bought or acquired by loans or grants. The Economist also hesitates, but the magazine only points at some practical objections. It thinks the conditions under which the British government will redistribute taxpayers money will be too troublesome for many cities. They will not collaborate. The editors also point out the danger of incompetence and corruption. They’re right. Nevertheless, “This deal offers a chance to claw back power, make savings and reshape English governance.” I don’t think so. It will only harm the British economy. Trouble is on the road again.

Back on the map

On 28 mei 2015, in economie, stedenbouw, by Zef Hemel

Seen in Belgrade, Serbia, on 23 Mai 2015:

 

What is the difference between Belgrade waterfront and Rotterdam Kop van Zuid? Not much. Both are proud cities. Both lack a powerful economy. Both want something special, some icon, something new, to let the world know they are still attractive. Both developed bold plans that consist of glamourous highrise development on the waterfront in an area that could be described as a brownfield situation where the land value is low. Everything looks unreal, too expensive, too big. In Rotterdam (600.000 inhabitants) planning started at the end of the seventies, in Belgrade (2 million inhabitants) around the same time. Both plans need costly public infrastructure: bridges, metro, land clearance, otherwise it would never work. Because Dutch government was willing to pay, Rotterdam could start building its Kop van Zuid in the early nineties. Belgrade had to wait for the end of the Balkan war. Now it seems to have found its private money. Developers from the United Arab Emirates pour in. Everybody knows that this could not be done without the help of promises, tax reductions, soothing gifts, special laws. Citizens will have to pay for it anyway.

So in the end there remains this one big question: does it work? Can it boost an economy? Does it make the city any better? And does it improve the lives of its citizens? We don’t know. There will be a shopping mall, so people will start consuming, but shops in the inner city will go bankrupt. Tourists and visitors from abroad will come to spend their money. Belgrade might even become a regional centre in Southeastern Europe. You never know. Air Serbia is in arab hands now; its new owners are introducing transfer traffic, turning Belgrade airport into a minor regional hub. Was it really worth all the public money? Time will tell. Kop van Zuid at least costed a fortune (a bridge and metrostation of 500 mio euro, a palace of justice, a harbour office tower, subsidized housing etc.). In the end the most important goal was to put the city ‘back on the map’. A kind of global citymarketing. Just want to remind you of John Friedmann’s words: “Sustainable development is never bestowed from the outside but must be generated from within the regional economy itself.” This, the American planner wrote in 2004, was the key point in Jane Jacobs’s analysis with which he was in full accord. So am I.

Tagged with:
 

Oregon Marketplace

On 11 november 2013, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Systems of Survival’ (1994) van Jane Jacobs:

Hoe groeit een stad? Niet door te bouwen, wel door een succesvolle lokale economie. Hoe groeit een lokale economie? Antwoord: niet zozeer door bedrijven aan te trekken, maar door zelf te innoveren. Wanneer een stad innoveert, dat wil zeggen wanneer haar bedrijven goederen en diensten zelf leren maken en ook weten te exporteren die ze eerst nog moesten importeren, kan ze groeien. Omdat ik aan de UvA een college Politieke Economie moet geven zocht ik naar een voorbeeld van succesvolle importvervanging. Dat voorbeeld leverde Jane Jacobs. Alana Probst, schrijft ze in ‘Systems of Survival’, woonde en werkte in Eugene, Oregon. Probst was de jonge voorzitter van een kleine buurtorganisatie in het arme deel van Eugene die huisvesting en voedsel verzorgde voor werkloze moeders. De stad was sterk afhankelijk van de houtindustrie. Ze besefte dat haar werk weinig zin had als de lokale economie niet verbeterde, maar in de houtindustrie viel steeds minder te verdienen. In 1982 begon ze met een experiment. “Her idea was simple: Go to several local businesses and ask what they were planning to buy from outside the city and county in the coming year. Then immediately see if there were local businesses capable of putting in bids for the work.

Het experiment werd een groot succes. Het werd zelfs uitgebreid naar de hele staat Oregon. Met ‘Oregon Marketplace’ werden lokale bedrijfjes actief met elkaar in contact gebracht en uitgenodigd om goederen en diensten aan elkaar te leveren. Lokaal geproduceerde goederen bleken goedkoper dan van over ver aangevoerde tussenproducten. Het experiment spotte met alle economische theorieën, maar Probst ontdekte dat de stedelijke economieën van Eugene en Portland ooit precies op deze wijze waren gegroeid. Geen wonder dat economen ‘Oregon Marketplace’ aanvankelijk ridiculiseerden en later, toen het succesvol bleek, zelfs fel bestreden en de mensen erachter betichtten van bedenkelijk protectionisme. Jacobs: “They believed in comparative regional advantages, that some places are better than others to make certain things. The economists believed that random, happenstance diversity is inefficient per se. (…) I think they got it from Adam Smith.” Stedelijke economieën zijn niet efficiënt of globaal. Ze zijn lokaal, rommelig, ongepland en, als het goed is, buitengewoon divers.

Tagged with:
 

‘Bucky’ versus Jane

On 10 oktober 2013, in duurzaamheid, stedenbouw, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969):

Vandaag laatste college inleiding planologie gegeven aan eerstejaars studenten planologie van de UvA. Twee bepalende figuren uit de twintigste eeuwse planningsgeschiedenis heb ik behandeld: Richard Buckminster Fuller en Jane Jacobs. De eerste staat voor de mannelijke kant van het vakgebied, de tweede voor de vrouwelijke. Van elk las ik tijdens mijn studie een boek dat destijds grote indruk op mij maakte: ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) respectievelijk ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961). De eerste wordt tegenwoordig niet meer gelezen, de tweede maakt de ene comeback na de andere. Wat heet. Het lijkt erop dat de vrouwelijke benadering het uiteindelijk ruimschoots heeft gewonnen. Ogen op straat, straatleven, straathoeken, minder auto’s, veel voetgangers, diversificatie, creativiteit, productiviteit, organisch gegroeide steden, ja de spontane stad zit tegenwoordig sterk in de lift.

Echter, minstens zo interessant is het gedachtegoed van Buckminster Fuller, al lijkt deze futurist vooral onder hippies furore te hebben gemaakt. Toen Jacobs haar tirade tegen de New Yorkse sloopplannen van Robert Moses optekende, tekende Bucky een enorme ‘dome’ over Manhattan. Daarmee dacht deze voormalige marine-officier, uitvinder en futuroloog het ecosysteem van New York te kunnen redden. De wereld ging immers aan milieuvervuiling en uitputting van grondstoffen ten onder, maar Bucky wist raad. In zijn ogen was de ‘planeet aarde’ een groot ruimteschip waarvan de raadselen door de wetenschap eindelijk waren opgelost. Computers zouden het hele ecosysteem precies kunnen reguleren en tegelijk de mensen van groeiende welvaart verzekeren. Bezit kon worden afgeschaft, de bevolkingsexplosie was een mythe, mensen hadden veel minder ruimte nodig, de planoloog kwam aan de macht. Fuller: “Wanneer de wereld haar potentiële mogelijkheden van welvaart verwezenlijkt zal hebben, zal er in New York ruimte genoeg zijn voor de gehele wereldbevolking; ieder mens zal ruimte genoeg hebben om een gemiddelde receptie te houden. Wij zullen in de toekomst steeds vaker bijeen komen in culturele centra. En anderzijds zullen wij meer gelegenheid krijgen om in alle ruimte die nog steeds op ons ruimteschip beschikbaar is tot grotere zelfontplooiing te komen.” Buckminster Fuller verwachtte ook veel van menselijke samenwerking, ingebed in ‘een metafysica van collectief ontwaken’ (Sloterdijk, Schuim, 2004). “Dus, planologen, architecten en ingenieurs, neemt het initiatief. Gaat allen aan de slag en tracht tot samenwerking te komen.” De computers zijn er; die samenwerking, daar wachten we nog op.

Erwten als bewijs

On 16 april 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2013:

Onder de kop ‘Het begin van landbouw was bewuste keuze’ verscheen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad laatst een artikel over het ontstaan van de landbouw. Volgens de gangbare theorie ontstond deze geleidelijk, doordat mensen en gewassen langzaam naar elkaar toegroeiden. ‘Cultivatie vóór domesticatie’ heet deze theorie. Die theorie blijkt niet langer houdbaar. Waarom? Omdat wilde erwten nooit een belangrijke voedingsbron kunnen zijn geweest voor jager-verzamelaars. De opbrengst was daarvoor te laag. Erwten, linzen (foto) en kikkererwten moeten onaantrekkelijk zijn geweest om te verbouwen. Toch waren deze peulvruchten een ‘rotsvast onderdeel’ van het allereerste akkerbouwpakket, samen met granen als eenkoorn, emmer en gerst. Wetenschapsjournalist Hendrik Spiering: “Op de oudste plekken waar verbouwd graan wordt gevonden, ca. 11.000 jaar oud, worden óók altijd resten van erwten, linzen en kikkerwerwten gevonden.” Conclusie van de wetenschappers? “Het is een snel proces geweest, geleid door bewuste en kundige mensen die hun vindingrijkheid gebruikten.” Geen jager-verzamelaars dus. Maar wat voor mensen dan wel?

De wetenschappers houden het op ‘vroege boeren’, maar alles wijst erop dat het gaat om stedelingen. Circa 11.000 jaar vormden zich namelijk de eerste steden in de wereld. Overal waar de vroegste steden werden aangetroffen treft men korte tijd later ook sporen van vroege landbouw aan. Voor Jane Jacobs was het aanleiding om in ‘The Economy of Cities’ (1968) de theorie te ontvouwen dat de vroege landbouw een stedelijke innovatie is geweest en dat er dus eerst steden waren, en daarna pas landbouw. Nog steeds ontkennen veel archeologen deze bijzondere hypothese die steden aan de basis van de menselijke evolutie plaatst.  Waarom? Omdat ze nog altijd veronderstellen dat boeren hun omgeving als de beste begrepen en stedelingen, die dat veel minder deden, pas veel later op het wereldtoneel zouden zijn verschenen. Stedelingen zouden natuur en landbouw nooit hebben begrepen. Preciezer, stedelingen zijn boeren die van hun omgeving vervreemd zijn geraakt. Zoiets. Een hele merkwaardige redenering. Het is omgekeerd: de vroege boer was een stedelijke innovatie, die later van de stad vervreemd is geraakt.

Tagged with: