Smalltown USA

On 5 april 2012, in demografie, film, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in Tuschinski Amsterdam op 1 april 2012:

Naast andere thema’s spelen ook bevolkingskrimp en stad en land een belangrijke rol in de nieuwste Muppetfilm. Hoofdpersoon Walter trekt met zijn oudere broer en diens vriendin van Smalltown naar Los Angeles. De Geyhoundbus wordt door het hele dorp vrolijk uitgezwaaid. Tot overmaat van ramp zakken alle inwoners letterlijk door hun knieën nadat de bus is vertrokken. Prompt daalt het inwonertal van Smalltown tot nog geen 99 zielen. Smalltown krimpt. Los Angeles komt nu in beeld. LA is de grote stad met de filmstudio’s, waaronder die van de Muppets, de stad waar alles mogelijk is, maar waar het oude studioterrein niettemin op instorten staat. De tijd van de Muppets lijkt voorgoed voorbij. Een rijke kapitalist, Chris Cooper, is zelfs van plan het voormalige studioterrein op te kopen, zogenaamd om er een Muppetmuseum te bouwen, maar in werkelijkheid blijkt hij alles te willen slopen om er naar olie te boren. Kermit woont teruggetrokken in een villa in Bel Air; zijn hippievrienden zijn afgezwaaid, de meesten aan lager wal geraakt, alleen Miss Piggy maakt furore in Parijs. Wauw, Parijs!!

Walter blijkt een joch uit de provincie, keurig netjes, middenklasse. In het grote Los Angeles ontmoet hij al zijn helden die hij bewondert, maar waar hij niet kan aan tippen. Hij voelt zich erg gewoon. Tenmidden van zijn onaangepaste helden gaat hij op zoek naar zijn verborgen talent. Want daar gaat de stad immers over: talent benutten, carrière maken, jezelf zijn. Tussen al die extraverte stadse types valt dat lang niet mee. Het hilarische slot van de film wordt ingeluid wanneer Walter de laatste twee minuten van de Muppet Show moet vullen; iets wat hij eerst niet denkt te kunnen, maar wat hij ten slotte toch doet door virtuoos op zijn mond te fluiten. Met getuite lippen weet hij het verwende publiek van Los Angeles voor zich te winnen. Onnavolgbaar, hilarisch, amusant. Na zijn act wordt hij tot zijn stomme verbazing opgenomen in de grootstedelijke meute van de Muppets. Hij is nu voldoende vreemd en onaangepast om mee te mogen doen. Heerlijk slot, troostrijk inzicht, onverwachte wending. Los Angeles heeft weer een ziel gewonnen, en Smalltown een ziel verloren. Heerlijke illustratie van het ‘voorstadgevoel’.

Tagged with:
 

Rochester als creatieve woestijn

On 28 maart 2012, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord op 22 maart in De Wijde Blik in Amsterdam:

Fotograaf Theo Baart bezocht onlangs Rochester, New York, en fotografeerde daar de oudste ‘boomtown’ van de Verenigde Staten, de stad waar ooit de machtige firma Eastman Kodak  gevestigd was. Afgelopen week toonde hij iets van zijn werk aan een select gezelschap van liefhebbers. Na afloop sprak Jaap Modder over het thema ‘bevolkingskrimp in Nederland’. Rochester krimpt namelijk als gevolg van ernstige deïndustrialisatie; het bevolkingsaantal van de industriestad aan het Ontario Meer is daardoor teruggelopen van 330.000 in 1950 naar 210.000 in 2010. Ook Eastman Kodak ging failliet. Baart fotografeerde de bakermat van het ooit illustere fotografiebedrijf. Hij vertelde dat bij het ene bedrijf ooit 80.000 mensen in dienst waren; samen met de toeleverende industrie werkte op een gegeven moment zelfs driekwart van de bevolking van Rochester in de fotografische industrie. Het geld stroomde binnen en Rochester was een schatrijke stad. De bloei van Rochester vond zijn oorzaak in de aanwezigheid van veel vers water (nodig voor filmproductie), de monding van het Erie kanaal, en energie uit waterkracht. In de negentiende eeuw waren dat ideale omstandigheden voor bedrijvigheid. Rochester was een veelbelovende, creatieve stad. Nu niet meer. Jane Jacobs beschrijft de opkomst en ondergang van deze ‘company town’ op nuchtere wijze in ‘The Economy of Cities (1969). Door toedoen van Eastman, die alle lokale concurrentie aanvocht en met rechtzaken bestreed, vormde zich in Rochester een monopolist die voor zichzelf een creatieve woestijn creëerde. Alleen Xerox kon zich aan de dodelijke greep van Eastman onttrekken. Uiteindelijk ging Eastman er zelf aan ten onder, maar dat was lang na publicatie van Jacobs’ boek.

Volgens Baart verliest weliswaar Rochester zijn bevolking, maar groeien de steden en stadjes in het ommeland nog wel. Ergens las ik dat de omgeving van Rochester inderdaad aangenaam is en dat de kwaliteit van leven er relatief hoog is. Modder meende dat het in Nederland precies andersom is: steden als Nijmegen en Groningen groeien nog altijd, maar de omliggende steden en stadjes stabiliseren. Terwijl Heerlen stabiliseert, groeit het naburige Aken. Krimp? Volgens Modder kennen wij dat in Nederland eigenlijk niet. Mooi vond ik de notie van Baart dat krimp beantwoord zou moeten worden met een strategie die terugkeer in de geschiedenis behelst. Waarom brak Rochester uitgerekend zijn shopping mall af, om er weer iets nieuws voor in de plaats te bouwen? Waarom niet de oude shopping mall, nota bene ontworpen door Victor Gruen en de eerste overdekte shopping mall van Amerika, regenereren? Eigenlijk is het heel simpel: als je krimpt moet je teruggaan in je geschiedenis, naar je historische kern. Maar voor Nederland geldt dit dus niet. Volgens Jaap Modder is bij ons immers geen sprake van krimp.

Tagged with:
 

Proefwonen

On 12 september 2011, in demografie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen op Grotevier.nl op 11 september 2011:

Afgelopen augustus werd het Nederlandse komkommernieuws heel even beheerst door het Haagse feestje van de verwelkoming van de 500.000-ste inwoner. Den Haag gaf aan heel graag te willen groeien. Sinds kort organiseert de gemeente zelfs ‘proefwonen’. Belangstellenden mogen dan een weekje in Den Haag komen wonen op kosten van de gemeente: om te ervaren hoe leefbaar en aangenaam Den Haag wel niet is; de wethouder ontvangt ze zelfs met een ontbijt. Even kreeg ik de indruk dat het hier gaat om een wedloop tussen gemeenten, waarbij Den Haag een sprintje trekt. Een grafiek die de demograaf van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam me na zijn vakantie aanreikte, sterkte me in dat vermoeden.

Drie van de vier grote steden groeien de laatste tien jaar relatief sneller dan de rest van Nederland; alleen Rotterdam daalde gestaag in inwonertal, zij het dat de havenstad de laatste drie jaar toch weer een positief saldo laat zien. (let op, Rotterdam dankt zijn recente groei aan een fusie met de buurgemeente Rozenburg). Van de vier grote steden groeit Amsterdam in absolute zin het snelst, sinds 2010 ook relatief. Grote concurrent was steeds Utrecht, maar de hoofdstad loopt nu ook snel uit op de ‘draaischijf van Nederland’. Het is een opmerkelijk gegeven, dat inderdaad het gevoel oproept van een race om zieltjes. Ben benieuwd wanneer Amsterdamse en Utrechtse raadsleden gaan voorstellen om ook bij hen in de gemeente ‘proefwonen’ te introduceren. Nee sterker, alle gemeenten en provincies in Nederland zullen waarschijnlijk binnenkort overgaan op ‘proefwonen’, want zo is Nederland. Het resultaat zal zijn dat alle Nederlanders binnenkort gratis wonen, met een gratis ontbijt, in een andere gemeente – proefwonen als een grote happening. Zijn de problemen van de woningmarkt en de krimp in één keer opgelost. Den Haag, zet hem op!

Tagged with:
 

Het nieuwe Dresden

On 24 augustus 2011, in economie, by Zef Hemel

Gezien op 16 augustus 2011 in Dresden:

Terwijl het platteland van Oost-Duitsland ontvolkt raakt, groeien sommige Duitse steden, althans de grotere. Die steden zuigen het platteland als het ware leeg. Neem Dresden. De Saxische grensstad telt op dit moment 460.000 inwoners, groeit voorzichtig en is nu dus even groot als Den Haag. Bij het bombardement van februari 1945 kwamen 30.000 Dresdenaren om. Daarna begon de leegloop. Nu, twintig jaar na de ‘Wende’, is de stad nog steeds niet op zijn oude niveau. Ook staan er veel panden leeg, vooral in de periferie. Zelfs de grote woonhuizen op de hellingen van het Elbedal, in Loschwitz, staan er sjofel en dikwijls verlaten bij. Echter, bij zoveel schoonheid en kwaliteit zal het met Dresden wel goed komen, denk je dan. Ook de overstroming van de Elbe in 2002 – opnieuw een forse tegenslag  voor de stad – heeft daaraan geen afbreuk gedaan. Het Albertinum is daarna mooier opgeknapt dan ooit; de werken van Caspar David Friedrich stralen je tegemoet en binnenkort prijken de beeldhouwwerken weer in het Zwinger, wanneer daar de restauratie is afgerond. Wat een investeringen in cultuur! De Bondsrepubliek maakt van Dresden niet minder dan een paradepaardje van de hereniging en weet daarbij de juiste snaar te raken: cultuur, cultuur en nog eens cultuur. En in haar kielzog toerisme natuurlijk.

Terwijl er van binnenuit dus massief wordt geïnvesteerd in cultuurhistorie, zoekt de verarmde stad voorzichtig naar contact met zijn omgeving. Nieuwe fietspaden langs de Elbe richting Meissen brengen fietstoeristen in de zomer van Hamburg via Dresden naar Praag. Tegenlijkertijd worden kunst en landschap in verband gebracht met elektronica en high tech industry. Men gokt op het oude industriële verleden van de streek en hoopt deze nieuw leven in te blazen (in Dresden werden de eerste sigaretten, de eerste tubes tandpasta, de erste thee- en koffiefilterzakjes en de eerste latex condooms geproduceerd). Zal het helpen? In ‘’Duitsland achter de schermen’ (2002) schreef Michèle de Waard: “Oost-Duitsland telt de helft minder jonge mensen dan vóór de eenwording. Vooral de best and the brightest trekken naar West-Duitsland of het buitenland om een baan te zoeken.” Verlieten kort na de ‘Wende’ ruim 800.000 Oost-Duitsers het land, sinds de eenwording in 1991 zijn nog eens een miljoen Ossies vertrokken. Inmiddels zijn we tien jaar verder. Het beeld lijkt, althans voor Dresden, iets gunstiger geworden. Sinds 2001 assembleert Volkswagen er zijn Phaeton. Er bleken 120.000 gegadigden voor de 5000 vacatures. Echter, afgelopen februari, tijdens de 65e herdenking van de geallieerde bombardementen in 1945, vonden in Dresden grootschalige rellen plaats tussen neo-Nazi’s en linksradicalen. Meer dan tachtig politie-agenten raakten daarbij gewond. Dresden leek opnieuw een oord waar je, buiten de historische binnenstad gerekend, beter niet kan komen.

Tagged with:
 

One of those eastern towns

On 23 augustus 2011, in demografie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Germania’ (2010) van Simon Winder:

Boeiende reis door voormalig Oost-Duitsland gemaakt. Bezochte steden: Maagdenburg, Dessau, Dresden, Hoyerswerda, Cottbus, Berlijn. Twintig jaar na de ‘Wende’ blijkt de infrastructuur behoorlijk opgeknapt, ook  de woningen zijn vaak opnieuw gepleisterd en ogen redelijk welvarend, maar het land is leeggelopen, ondanks mega-investeringen in de openbare ruimte en het historische erfgoed. In Haldesleben bijvoorbeeld, even ten westen van Maagdenburg, ligt het oude centrum er spik-en-span bij, maar op straat zie je geen sterveling lopen. Winkels zijn er nauwelijks. Buiten elk dorp tref je een moderne loods aan met een filiaal van een supermarktketen. Dat is alles. De jeugd is vertrokken, je ziet er alleen nog oudere mensen. Veel dichtgespijkerde woningen ook. Het land oogt leeg. Ziedaar de effecten van de vergrijzing en de krimp. De jeugd is, ondanks alles, naar de grote steden getrokken. Je treft ze vooral aan in Berlijn. Zelden zag ik het zo scherp terug in het straatbeeld. Vind je het vreemd?

Tijdens de reis las ik ‘Germania’ van de Britse schrijver Simon Winder. Winder beschrijft erin de bewogen geschiedenis van Duitsland aan de hand van steden, musea, monumenten, plekken. Bij tijd en wijle is het boek hilarisch, geestig, dolkomisch, soms echter ronduit droevig en hopeloos stemmend, vooral op het eind. Winder stopt bij de Tweede Wereldoorlog. Het naoorlogse Duitsland krijgen we van hem niet te zien. Of toch. In het slothoofdstuk probeert hij er een eind aan te breien. Hij zoekt daarvoor naar een geschikte plek. Aanvankelijk overweegt hij Halberstadt, in Oost-Duitsland. Het viel in handen van de Russen nadat de Amerikanen het hadden platgegooid. “It now feels like another of those eastern towns, like Halle, Köthen or Brandenburg, which will simply never recover. The inhabitants have gone through too much and too many just want to leave. Immense work has gone into rebuilding parts of the old city, but there is not enough money or energy left.” Winder maakt een vergelijking met de uitvoering van een orgelconcert in een van de kerken van Halberstadt. Men speelt er al jaren een stuk van John Cage: ‘As Slow As Possible’. De uitvoering ervan zal eindigen op 5 september 2640. “It does seem to act as a rather cruel theme-tune for modern Halberstadt.”

Tagged with:
 

Het Jaar van het Konijn

On 30 juni 2011, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 februari 2011:

Hele nieuwbouwsteden in China staan leeg. NRC Handelsblad berichtte afgelopen februari over Kangbashi in Binnen-Mongolië, een 1,7 miljard kostende gebiedsontwikkeling die nagenoeg onbewoond is. Een Chinese expert zegt: “Er zijn talrijke andere spooksteden en spookwijken en ze symboliseren wat er mis is met de Chinese economie. Onze groei is eenzijdig gebaseerd op zeer hoge investeringen in vaste activa, in niet-productief baksteen en beton, hoofdzakelijk residentieel en commerciaal onroerend goed. Er is een enorme zeepbel ontstaan.” In 660 Chinese steden staan op dit moment 64,5 miljoen nieuwe luxueuze appartementen en villa’s leeg en er is een overcapaciteit van 3,5 miljard vierkante meter kantoren. NRC Handelsblad noemt dit kenmerkend voor een bubble-economie. Ondertussen blijven de prijzen stijgen. De grond van Peking is meer waard dan de hele Amerikaanse economie.“Geld is geen probleem, want zij (de lokale partijbestuurders) kunnen onbeperkt geld lenen bij de staatsbanken. Bovendien verdienen districten en steden kapitalen aan de verkoop van grond aan projectontwikkelaars en dat zijn vaak bedrijven die nauw met de autoriteiten zijn verbonden.” Bedrijven beleggen in vastgoed en boeren in de omgeving van steden verkopen hun grond tegen zeer gunstige prijzen. Kenners reageren nerveus. Aan het begin van het jaar van het Konijn circuleren voorspellingen van een harde landing van de Chinese economie in de loop van 2011. Volgens berekeningen bestaat 70 procent van het Chinese binnenlands product uit investeringen in vastgoed. Wat is dat voor een economie? Ik zou zeggen: een hoogst ongezonde situatie.

Bij het lezen van het alarmerende artikel moest ik onmiddellijk denken aan de Nederlandse economie. Natuurlijk is die anders, maar ook hier is de afgelopen periode veel te veel gebouwd. De economische groei van de afgelopen jaren lijkt vooral in het vastgoed te zitten. Een percentage van 70 procent zou mij ook hier niet verbazen. Gemeenten verdienden veel met de gronduitgifte en de VINEX creëerde geen schaarste, integendeel. Overal in het land konden gemeenten vrolijke plannen maken en ongehinderd door Rijk of provincie ontwikkelaars voor hun karretje spannen: iedereen wilde groeien. In 1997 verscheen De Nieuwe Kaart van Nederland. Weet u het nog? Die was ronduit alarmerend, maar de meute danste destijds letterlijk over het kaartbeeld in het Utrechtse Vredenbrug. Jaap Modder lanceerde het manifest ‘Nederland is nog lang niet vol, maar we zijn wel vol van plannen’. De problematiek van de leegstand in de krimpgebieden leek toen nog ver weg. Inmiddels zijn er 600 woningen in Delfzijl gesloopt. Maar de prijzen dalen nauwelijks. De kantorenmarkt wordt geconfronteerd met een ongekende leegstand. Toch worden er nog steeds kantoren bijgebouwd. In de periferie willen ze graag ‘kwaliteit’ aan de voorraad toevoegen en niemand die hen dat belet. Er is de afgelopen jaren in dit landje veel te veel ontwikkeld, alles werd gefinancierd met geleend geld. Deze regering decentraliseert de ruimtelijke ordening en schoont de regelgeving op. Omdat er méér moet worden gebouwd. Ook voor Nederland is dit het Jaar van het Konijn.

Tagged with:
 

Blue City Blues

On 16 mei 2011, in demografie, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gezien in Groningen op 14 mei 2011:

Afgelopen zaterdag een bezoek gebracht aan Blauwestad in Groningen. We werden rondgeleid door Paul van Steen. Voor een bedrag van 290 miljoen euro (230 mio voor de aanleg, 60 mio voor grondaankopen) is hier even boven Winschoten een plas van 40 hectare gegraven door de provincie, bedoeld om de bevolkingskrimp in noordoost Groningen te bestrijden. Zesentwintig boeren moesten voor het water wijken. Rond de plas zullen 1500 woningen verrijzen, verspreid over vijf nederzettingen. Daartoe worden grotere en kleinere kavels uitgegeven. Slechts een fractie hiervan is tot op heden verkocht, wat voor alle betrokkenen een dikke tegenvaller is, maar de oorzaak is begrijpelijk: de economische crisis heeft ook hier roet in het eten gegooid. Zestig procent van de nieuwkomers komt uit de omgeving, 40 procent komt van elders. Die uit de omgeving hebben vooral in De Wei gekocht, die van elders in Het Riet. De provincie beraadt zich nu op herontwikkeling, want de rentelasten drukken zwaar. Afgelopen januari zijn de drie betrokken gemeenten al samengevoegd en opgegaan in de nieuwe gemeente Oldambt. Anders waren de betrokken gemeenten zeker failliet gegaan.

‘Blauwestad’ is een vreemde naam voor wat ik zag. Je kunt hier immers moeilijk spreken van een stad. De kleine woningcomplexen die samen Blauwestad vormen liggen verspreid rond een groot water (de omtrek van het water is 25 kilometer), pal aan de autosnelweg Groningen-Duitsland. Daarbuiten, dus in een cirkel rond de plas en de nieuwe nederzettingen, liggen Winschoten en de oude lintdorpen van het mooie Groningerland. Samen vormen ze één geheel. Er is namelijk afgesproken dat er helemaal geen voorzieningen in Blauwestad mogen komen. Mensen die er gaan wonen zijn voor scholen, dokter en winkels dus aangewezen op de omliggende kernen. Logisch, want anders zou Blauwestad de bestaande voorzieningen in de dorpen ondergraven. Gevolg is dat mensen nu kilometers moeten reizen om de voorzieningen in de omliggende kernen te bereiken. Maar het gaat verder. Tussen Midwolda en Finsterwolde, dus buiten de beide dorpen, wordt aan het water een brede school gebouwd die bestaande scholen overbodig zal maken. Ook vanuit de bestaande dorpen moeten scholieren straks dus ook een flink eind reizen. Kortom, Blauwestad blijkt in werkelijkheid een extreem gespreide autostad waarin mensen in een ongekend lage dichtheid wonen, verstoken van voorzieningen en veroordeeld tot permanent autorijden. Het project blijkt allerminst duurzaam. In een poging de bevolkingskrimp te keren wordt hier door de overheid een zeer kostbare ‘stad’ ontwikkeld die spot met alle doelstellingen van het ruimtelijke en milieubeleid: compactheid, nabijheid van voorzieningen, goed openbaar vervoer. Zelfs in Amerika bouwt men steden niet in zo’n lage dichtheid.

Tagged with:
 

Burn Motor City, burn

On 1 april 2011, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gelezen op Reuters op 22 maart 2011:

Afgelopen decennium daalde het inwonertal van Detroit met 25 procent tot het laagste niveau in de afgelopen honderd jaar. Het ging van 951.270 in 2000 naar 713.777 inwoners eind 2010, minder dus nog dan Amsterdam. In de hele staat Michigan daalde het inwonertal naar 9.88 miljoen. Zoiets heet bevolkingskrimp. Wat een verschil met 1950, toen ‘Motor City’  werd bevolkt door 1.85 miljoen mensen. Detroit stevent op een stevig bankroet. De nieuwe gouverneur van Michigan, de Republikein Rick Snyder, wil nu dat de inliggende steden fors bezuinigen, desnoods daartoe gedwongen door financiële managers, aangesteld door de gouverneur.

De problemen van Detroit hangen sterk samen met de lokale autoindustrie. Detroit zette al zijn kaarten op deze bedrijven en moet nu het gelag betalen. De problemen dateren overigens niet van vandaag of gisteren. In 1967 braken in Detroit hevige rassenrellen uit. Die luidden een ommekeer in in de ontwikkeling van de stad. Detroit verloor toen al de helft van zijn bevolking. De Amerikaanse architectuurhistoricus Spiro Kostof beschrijft  in ‘’The City Assembled’ (1992) met gevoel voor detail de gevolgen van de rellen: “The centre has become a wasteland. Each year around Devil’s Night (30 October), inner-city dwellers take to the streets and set fire to abandoned buildings. It seems an ironic twist on the ‘slash and burn’ urban renewal by city government in the 195os and ‘60s.” Edward Glaeser noemt deze branden niet, maar herinnert in Triumph of the City (2011) aan het tijdperk van burgemeester Jerome Cavanagh, die het politiegeweld na de rellen de kop indrukte en die met Martin Luther King naar het Witte Huis opmarcheerde, maar die uiteindelijk toch machteloos stond tegenover de verdere afbraak van de auto-industrie. Erger, Cavanagh maakte destijds de fatale fout om buurten af te breken en nieuwe woningen ervoor in de plaats te bouwen. Ook stimuleerde hij hoogbouw in het centrum. Daartoe leende hij veel geld van de federale overheid. Waarom deed hij dat?, vraagt Glaeser zich vertwijfeld af. Er waren meer dan genoeg huizen in Detroit voorradig. “Those shiny new buildings were really Potemkin villages spread throughout America, built to provide politicians with the appearance of urban success. But Detroit had plenty of buildings; it didn’t need more.” Het mocht niet baten. Al veertig jaar maakt Detroit dezelfde fatale fout. De afgelopen tien jaar verloor ze opnieuw een kwart van haar inwoners. De door de stad gemaakte schulden moeten nog steeds worden afbetaald. Door steeds minder mensen. Wat is de harde les? In situatie van krimp moeten Nederlandse steden geen woningen willen afbreken om er nieuwe voor terug te bouwen en al helemaal geen hoogbouw aan het centrum willen toevoegen. Veel te duur. En het helpt niet.

Tagged with:
 

Shrinking to greatness

On 15 maart 2011, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Triumph of the City (2011) van Edward Glaeser:

Waarom krimpen sommige steden? Die vraag stelt econoom Glaeser zich in het tweede hoofdstuk van ‘Triumph of the City’. Het antwoord is simpel: ze leveren zich uit aan een monopolist, ze zijn te gespecialiseerd geraakt of te dun bevolkt, en ze beschikken over te weinig kleine, onafhankelijke ondernemingen. Steden kunnen snel groeien, maar krimpen juist langzaam, vat Glaeser uiterst beknopt samen. Krimp heb je bijna niet in de gaten. Als de huizen er eenmaal staan, worden ze namelijk niet zomaar verlaten, laat staan afgebroken. Wat er wel gebeurt is dat er gewoon steeds armere mensen in komen te wonen. “The downside of cities kept alive through cheap housing is that they overwhelmingly attract the poor, creating centers of extreme deprivation that cry out for social justice.” Herkent u het patroon? Denk aan Rotterdam-Zuid. Oorzaak: dominantie van de haven.

Mooi is hoe Glaeser vervolgens schetst hoe gemeentebesturen van overwegend industriële steden als Rotterdam, Heerlen en Eindhoven met zo’n krimpsituatie omgaan. Hij spreekt van ‘shrinking to greatness’, ze krijgen last van grootheidswaan. Spanje, stelt hij, bouwde voor tientallen miljarden aan hogesnelheidslijnen naar de perifere steden, Italië subsidieerde voor enorme bedragen ondernemingen in achterstandsgebieden, Bilbao gokte op een glinsterend Guggenheim. Het museum kostte de Baskische belastingbetaler 240 miljoen dollar, maar leverde slechts een miljoen toeristen per jaar op. Krankzinnig. En het erge is, elke krimpende stad spendeert tegenwoordig miljoenen aan musea, stadions en andere attracties, die ook nog eens veel minder bezoekers trekken dan het vermaarde museum in Bilbao. Zonde van het gemeenschapsgeld. Gleaser spreekt van een ‘edifice error’: de gedachte dat je met bouwwerken de krimp kunt keren. Helemaal fout, maar wel hardnekkig. Zijn advies is om niet toeristen te willen trekken, maar geschoolde migranten. En hij waarschuwt: “The path back for declining industrial towns is long and hard. Over decades, they must undo the cursed legacy of big factories and heavy industry. They must return to their roots as places of small-scale entrepreneurship and commerce.” Dit soort industriële steden moet veeleer investeren in onderwijs en verder vooral geduld oefenen (wat dat betreft doet Eindhoven het beter dan Rotterdam). Leipzig noemt hij als voorbeeld. Ook niet fout is om de binnenstedelijke dichtheid te vergroten. En armoede? Er is niets mis met stedelijke armoede. Ze is dikwijls een voorbode van stedelijk succes. Was getekend, Edward Glaeser.

Tagged with:
 

Wonderen der natuur

On 18 december 2010, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 26 november 2010:

Nog meer krimpnieuws. De Limburgse ondernemer Jean Gelissen, die naam maakte in de plafondbouw en eigenaar is van ADDVentures, wil in de omgeving van Heerlen liefst zeven themaparken bouwen gewijd aan wonderen van de natuur. NRC Handelsblad meldt dat de ondernemer en de gemeente een overeenkomst hebben gesloten om de plannen verder uit te werken. “Behalve de Grand Canyon moet Nature Wonder World uiteindelijk ook themaparken krijgen gewijd aan het Noorderlicht, de Mount Everest, het Australische Great Barrier Reef, de Mexicaanse vulkaan Paricutin, de haven van Rio de Janeiro en de Victoria watervallen op de grens van Zambia en Zimbabwe.” Al met al zal dit lokale initiatief de regio 1900 banen opleveren, zegt men. Het plan wordt niet alleen door de gemeente Heerlen gesteund, maar ook door de provincie Limburg en Parkstad Limburg. Het grapje kost 200 tot 300 miljoen euro.

Dwaas plan? We zouden het Hans Mommaas, hoogleraar Vrijetijdswetenschappen aan de Universiteit van Tilburg en woonachtig te Maastricht, eens moeten vragen. De kwaliteitskrant lijkt de natuurwonderen in het krimpgebied wel passend te vinden. “In het verstedelijkte gebied rond Heerlen, Brunssum, Landgraaf en Kerkrade kwamen de afgelopen jaren veel toeristische trekkers van de grond, onder meer de overdekte skipiste van Snowworld, de wereldtuinen van Mondo Verde en de dierentuin Gaia Park.” Het past dus in een ontwikkeling. NRC: “Ondernemers gokken ook op bezoekers uit dichtbevolkte gebieden over de grens.” Bedoeld worden Aken, Luik, Hasselt en Genk. Het nieuws deed me denken aan ‘Get in touch with creativity and innovation!’, een driedaagse ‘avontuurlijke reis door het culturele landschap van de Euregio’ van oktober 2009, onder aanvoering van “de wereldwijd bekende stadsvisionair Charles Landry.” Met, jawel, Hans Mommaas en toenmalig staatssecretaris Frans Timmermans. Is dit dan het resultaat van die avontuurlijke reis? Limburg voegt zich gewoon in het rijtje van provincies als Overijssel met De Bonte Wever, Preston Palace, Ponypark Slagharen en Kernwasser Wunderland, en Noord-Brabant met De Efteling, safaripark De Beekse Bergen en familiepark DippieDoe: autogeoriënteerd en ruimte-extensief massatoerisme in de intermediaire zones van de stedelijke megaregio Amsterdam-Brussel-Antwerpen-Keulen. Een graantje meepikken. En genoegen nemen met seizoensgebonden laagwaardige werkgelegenheid.

Tagged with: