Intensiteit gemeten

On 17 juli 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Intensities in Ten Cities’ (2013):

 

Mn’M staat voor Measuring the Non-Measurable. In 2011 vond het Mn’M Symposium plaats aan Keio University, Tokio. Wat de twintig wetenschappers uit Azië en Europa, afkomstig uit verschillende disciplines, tijdens dit symposium probeerden níet te meten was de intensiteit van steden. Volgens organisator Darko Radovic is intensiteit een van de belangrijke kwaliteiten van steden. In het geweld van de globalisering met zijn schaalvergroting en generieke stedenbouw mag deze niet verloren gaan. Maar hoe urbane intensiteit te behouden als hij niet goed te meten valt? Vandaar het onderzoek en het congres. Een van de tien steden die werden onderzocht en besproken was Tokio. Het essay van de Spanjaard Jorge Almazán over de intensiteit van metropolitane dorpen in Tokio is goed geschreven en fraai geïllustreerd. Veel mensen zien Tokio als een zeer drukke Aziatische megastad, met grote winkelcentra, complexe ondergrondse structuren, stampvolle treinen, afgeladen stations, een bijna onleefbare situatie. De enorme intensiteit kan niet alleen worden verklaard uit de enorme aantallen mensen, maar vloeit ook voort uit de unieke topologie van stedenbouwkundige elementen die samen de intensiteit van al die stromen genereren.

Veel minder bekend zijn de rustige woonbuurten die overal in Tokio op geringe loopafstand van deze intense stationsomgevingen aan te treffen zijn. Ga maar een eind lopen. Ook die kennen een hoge intensiteit. Wat deze dorpen binnen de hectiek van het immens grote Tokio zo intens maakt, heeft Almazán, die onderzoek doet en lesgeeft aan Keio University,  proberen te vangen in vijf eigenschappen. Ten eerste, zo schrijft hij, is het de krappe ruimte tussen de vrijstaande woningen die doorzichten in alle richtingen mogelijk maakt. Vaak is deze ruimte gevuld met allerlei persoonlijke bezittingen, die op het grensvlak van een eigen terrein en dat van de buren vrijelijk geplaatst zijn – de zogenoemde afuredashi (het overvloeien). Ten tweede het vele, maar bescheiden private groen rond de woningen, meestal planten en zelfs bomen in potten, weldadiger naarmate de ruimte krapper bemeten is. Drie: voorwerpen op straat die buiten de spitsuren herinneren aan menselijke activiteit: fietsen, planten, wasgoed. Vier: onduidelijke overgangen tussen publiek en privaat met ramen en deuren die je het gevoel geven dat je vanuit de huizen wordt aangekeken. Vijf: de lokale winkelstraat – de shotengai – die door elke woonbuurt getrokken is. Alles, schrijft Almazán, krijgt extra intensiteit doordat de straten van Tokio smal zijn en de gevels van de huizen direct aan de straten grenzen. Geen muren dus, ook al benemen schermen, gordijnen, houtwerk en planten je overal het directe zicht. Inderdaad, weldadig. En intens.

Tagged with:
 

Egalitair Tokio

On 26 juni 2017, in hoogbouw, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Tokyo Files 2016 van Clark Parker:

 

Afgelopen woensdag presenteerde de Urban Planning Group van de Universiteit van Amsterdam zijn lopende onderzoeken aan de gemeente. Ook mijn eigen vergelijkende onderzoek naar ‘Smart Communities in Amsterdam+Tokyo’ werd met PhD’s en studenten uit de Research Master besproken. Daar kwam de vraag op of niet ook Tokio veel gated communities kent. Op mijn ontkennende antwoord werd met ongeloof gereageerd. Hoe kan een Aziatische megastad met meer dan 35 miljoen inwoners geen gated communities tellen? In The Tokyo Files geeft Clark Parker een verklaring. Tokio kent overal een relatief hoge dichtheid, alle woningbouw is sterk op metro en trein gericht, de criminaliteit in Tokio is laag, ook de inkomensongelijkheid is er gering. Niet vergeten moet worden dat Tokio uit een zeer omvangrijke middenklasse bestaat die in de naoorlogse periode vanuit het egalitaire Japanse ideaal van de ‘100 miljoen middenklasse’ werd opgekweekt. Dat ideaal kwam neer op een hecht gezinsleven, hard werken, sobere huisvesting, speeltuinen voor kinderen en voor iedereen een fiets.

De belangrijkste reden voor het ontbreken van afgeschermde woongebieden voor de rijken in Tokio schuilt in de Japanse regelgeving. In ‘Vertical Gated Communities in Tokyo’ (2007) schrijft Junko Abe-Kudo, verbonden aan Sugiyama Jogakuen University, dat het Japanse Bouwbesluit geen wegen toestaat die uitsluitend eigendom zijn van en onderhouden worden door bewoners zelf of door gemeenschappen van bewoners. Alle wegen moeten vrij toegankelijk zijn. “Therefore, at present in Japan, we do not have any American style gated communities which are physically isolated from the neighbouring area with gates, fences around estates, and roads possessed communally and privately among the residents.” Gewoon een kwestie van wetgeving dus.  Kan elke stad doen. Het resultaat is een reusachtige, zeer leefbare megastad waar mensen van allerlei slag elkaar dagelijks op straat tegenkomen. Maar waterdicht is het niet. Want wat gebeurt er op dit moment in Tokio? De wens om je als rijke af te zonderen is kennelijk zo sterk dat men de laatste tijd zijn toevlucht zoekt in hoogbouw. Het verklaart deels waarom hoogbouw aan een stevige opmars bezig is in Tokio. Hoogbouw, wel te verstaan, voor de rijken.

Tagged with:
 

Not an airport

On 9 juli 2015, in kunst, by Zef Hemel

Heard on IJburg, Amsterdam, on 8 July 2015:

 

Mrs. Ruf comes from Singen, Germany, which means she’s born close to the Swiss border. She studied in Vienna, not in Berlin. Until recently she was the director of the Kunsthalle in Zürich, now she’s the new director of the Stedelijk Museum in Amsterdam. And she bikes. Beatrix Ruf (1960) told us she bikes every day, without a helmet, from her new home in Amsterdam South to the Museumplein. She has looked for a house on IJburg, the latest extension of the city, but decided to buy one as close to the museum as possible. So now she can bike. She thinks the centre of Amsterdam is very crowded, more than the centres of Vienna, Zürich or Berlin. Lots of tourists, sure, but it also has to do with public space and the way all those people behave. The most dangerous, though, is not the anarchistic behaviour of the Amsterdam citizens, making their own rules, but the tracks of the tram. Not easy to avoid them with your bike.

It was a great introduction of Beatrix Ruf, speaking to the international audience of participants of summer school Thinking City. With a twinkling in her eyes she talked about modern art, the museum, the Museumplein, the way people use the square, the field (?), the plans she has with putting sculptures on it, the building itself, the first thing she did: making the entrance public by removing the portals. ‘It’s not an airport’. She seemed to have no particular interest in architecture, but planning and urban design fascinate her. She could not name an iconic building in Amsterdam, a particular building she likes very much. Looking from the top of the Hilton Hotel on the urban plan of Berlage, the view exites her though. She compared Zürich with Amsterdam. Both cities are rather small, but they are at the centre of an extended urban field, which make you feel you are living in an urban environment somehow. Also the openness to the world, the international, cosmopolitan atmosphere is what strikes her in both cities. What is unique in the Stedelijk case, she told us, is the way the citizens of Amsterdam feel like they’re owning the museum. It is THEIR museum. Everything that happens in the Stedelijk is controversial, worth a battle. She likes that very, very much. Great observation.

Tagged with:
 

Omgekeerde participatie

On 27 juni 2014, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Nieuw-West op 27 juni 2014:

De vijftig studenten planologie (einde tweede jaars bachelor) van de Universiteit van Amsterdam waren het erover eens: Amsterdam Nieuw-West is veel leuker en diverser dan ze hadden gedacht. Eigenlijk vonden de studenten dat de economische crisis veel goeds had gedaan in het enorme stedelijke gebied rond de Sloterplas – “die enorme plak woningbouw” –, een gebied dat aanvankelijk zwaar was gedomineerd door woningbouwverenigingen, maar nu burgerinitiatieven toeliet, vooral van zittende bewoners. In negen groepen hadden de studenten gedurende een maand in een atelier even zovele sociaal-ruimtelijke vraagstukken bestudeerd, variërend van zelfbouw, gebrekkige waterkwaliteit, leegstaande kantoren, kwijnende winkelgebieden, ouderenhuisvesting, lastig te herbestemmen monumentale kerkgebouwen, niet gesloopte woningbouwprojecten en aanbodgerichte smart-grid programma’s. Hun analyse: de problemen zijn er wel, maar het heeft geen zin ze als zodanig te behandelen. Er zijn voldoende kansen. Hun groepswerk loog er ook niet om. Beter is om positief te zijn en de beweging van onderop te faciliteren. De gemeente vonden ze ‘een gereserveerde facilitator’. Waarom de bewoners niet gewoon helpen en stimuleren?

De door de uit vakmensen van het stadsdeel bestaande jury waardeerde de groep studenten die aan de Wildemanbuurt hadden gewerkt het meest. Hun werk aan deze woonbuurt in Osdorp, achter de Sloterplas, die volgens de plannen van de gemeente en de woningcorporaties eigenlijk had moeten worden gesloopt maar die als gevolg van de crisis was gespaard gebleven, beschreven ze in een spannende, persoonlijke zoektocht. Via Garage Notweg, vertelden ze, waren ze in contact gekomen met bewonersgroepen die graag het heft in eigen handen hadden willen nemen en de openbare ruimte liefst hadden willen helpen inrichten en beheren, maar die letterlijk door hekwerken daarvan waren afgehouden. Hoe corporaties en gemeente over de bewoners dachten, illustreerden ze aan de hand van een foto van een metalen toegangshek dat als een erfafscheiding diende en dat door een van corporatie was aangebracht in de kennelijke verwachting dat de bewoners haar zouden voltooien met een heg of schutting. De studenten vonden het te gek voor woorden en pleitten van de weeromstuit voor ‘omgekeerde participatie’: bewoners nemen het voortouw en de gemeente mag ze misschien helpen. Hun boude voorstel om inspraakavonden te vervangen door ‘uitspraakavonden’ trof doel. Alle aanwezigen waren door hun betoog geroerd, de vertegenwoordigers van het stadsdeel niet uitgezonderd.

Tagged with:
 

Placemaking

On 19 juni 2014, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gehoord op 18 juni 2013 in Amsterdam:

Fred Kent was in Amsterdam. Ik ontmoette hem in Bodega Keijzer, Van Baerlestraat. Twee dagen lang leidde de New Yorker een workshop op het Museumplein, Amsterdam. De bedenker van placemaking-strategieën probeerde met betrokkenen het Museumplein tot leven te wekken, omwonenden te betrekken, activiteiten op gang te brengen, net zoals hij ooit Bryant Park op Manhattan, New York, tot leven heeft gewekt. Want placemaking is ontwerpen van de openbare ruimte samen met gebruikers. Kent’s presentatie gisterochtend was erg goed, nee indrukwekkend. We moeten onze openbare ruimte heel anders inrichten, zei hij, we moeten haar niet meer ontwerpen, maar programmeren en activeren. Omwonenden, voegde hij eraan toe, hebben geweldige ideeën, dus gebruik ze, werk ermee. Het gaat sneller, is goedkoper, werkt lichter. De programmering van de openbare ruimte, zei hij, is belangrijker dan de vorm. De benadering die Kent volgt dient vele doelen, is holistisch, stimulerend, duurzaam, sociaal, open. ‘Placemaking’ maakt mensen blij, ze vormen gemeenschappen, tonen zich actief, zijn betrokken.

We spraken met name over Parijs, over oud-burgemeester Delanoë en de veranderingen die hij in het stadsbeeld heeft gebracht. Hij had het allemaal al vroeg begrepen. Met ‘Paris Plage’ had hij de wegen langs de Seine verkeersvrij gemaakt, waardoor mensen zich de openbare ruimte weer konden toe-eigenen; hierdoor werden wandelen en fietsen opnieuw geïntroduceerd in de binnenstad. Het resultaat is dat de Dienst Infrastructuur van de gemeente Parijs nu het wandelen heeft omarmd, de snelheden op de autowegen omlaag heeft gebracht, tientallen kruisingen als ‘shared space’ heeft aangemerkt. Kent toonde zich hierover erg enthousiast. Er is geen weg meer terug, zei hij, steden die dit niet begrijpen zullen achterblijven. Stockholm dan, vroeg iemand? Die stad loopt toch voorop? Stockholm, repliceerde hij, is nog lang niet zover, want hoewel de stad zich afficheert als ‘walkable city’ tonen de ambtenaren zich er nog steeds arrogant, betweterig. ‘Place Making’ is nu eenmaal radicaal: alle principes worden erdoor omgedraaid. De stad – de stedelijke ruimte – is van de mensen, niet van het verkeer, de ambtenaren, de ontwerpers of de politie. Hij knikte me toe: “Does this make sense to you?”

Tagged with:
 

Street life

On 30 januari 2014, in openbare ruimte, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 17 januari 2014:

Keith Hampton, verbonden aan Rutgers University, had een briljant idee. Hij besloot de publieke ruimtes die de socioloog William Whyte in 1975 met zijn filmische ‘Street Life Project’ op slag wereldberoemd hadden gemaakt opnieuw te filmen. Dat meldde laatst The New York Times. Hampton ging terug naar plekken als Briant Park, direct achter de New York Public Library, maar ook naar pleinen en straten in Los Angeles, Philadelphia en Boston. Whyte had hier destijds met een super-8 camera vanaf een hoog standpunt de mensen op straat gefilmd. Zijn camera werkte met een digitale klok: elke 10 seconde volgde een filmshot. Zo was Whyte in staat geweest het gedrag van mensen in de publieke ruimte in New York en andere Amerikaanse steden gedurende de dag vast te leggen en wetenschappelijk te observeren. Van zijn ‘The Social Life of Small Urban Spaces’ (1980) heb ik nog altijd een exemplaar. Hampton deed het opnieuw. Hij wilde weten of in de kleine veertig jaar die sindsdien verstreken het gedrag van mensen in diezelfde openbare ruimte ook is veranderd. Dat blijkt inderdaad het geval.

Hampton meende dat stedelingen in 2013 eenzamer zouden zijn dan in 1975, meer in zichzelf gekeerd, druk in de weer met hun mobieltjes, ear phones en laptops. Dat bleek niet het geval. Gemiddeld slechts 3 procent van de wandelaars stond te bellen, te gamen of te mailen op straat; de meesten leken dit te doen in afwachting van de komst van iemand met wie ze een afspraak hadden. Het sociale verkeer op straat bleek juist veel intenser, wat Hampton deels verklaart uit de mobiele technologie die meer ontmoetingen in de publieke ruimte lijkt uit te lokken. “Technology is not driving us apart.” Technologie verbindt juist mensen. Opvallend was ook de toegenomen drukte op straat in het algemeen, op alle plekken die Hampton opnieuw had onderzocht. En het meest verrassende was wel dat vooral het aandeel vrouwen in de publieke ruimte sterk was toegenomen. Vrouwen bleven in 1975 nog overwegend thuis, bij de kinderen, je zag ze bijna niet op straat (alleen in winkelstraten.) Tegenwoordig domineren ze overal de stedelijke publieke ruimte. Ze eten, drinken, wandelen, ontmoeten elkaar. De stedelijke publieke ruimte, concludeert Hampton, is door de emancipatie van vrouwen publieker en socialer geworden.

Tagged with:
 

Souvenirs, kauwgom, condooms

On 2 september 2013, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 19 april 2013:

Wie kent ze niet? De gedistingeerde groene krantenkiosken van Parijs. De eerste moderne kiosk opende zijn luiken op 15 augustus 1857, ergens tussen République en Opéra. Daarna volgden er vele, alle volgens een uniform ontwerp. Ze waren bedoeld om moderne kranten in te verkopen. Ze hoorden bij de enorme stedelijke herstructureringsoperatie van baron Haussmann, die niet alleen de aanleg van boulevards omvatte, maar ook de aankleding van deze boulevards met straatverlichting, boombeplanting, parken, bankjes en kiosken. De prefect van Parijs, tevens directeur stadsontwikkeling, wilde met de kiosken een einde maken aan de wildgroei van rommelige krantenstalletjes op straat. Parijs kent tegenwoordig 340 kiosken, verdeeld over twintig arrondissementen. Honderd jaar geleden waren dat er nog 400. De helft van alle kranten wordt in Parijs in kiosken verkocht. Dit nieuws las ik onlangs in NRC Handelsblad.

Door de terugloop in de krantenoplages worden nu de Parijse kiosken in hun voortbestaan bedreigd. De afgelopen drie jaar daalde de krantenverkoop met niet minder dan 40 procent. De Parijzenaars houden van hun kiosken. Ze vinden de stalletjes even karakteristiek voor hun stad als de Eiffeltoren. De gemeente besloot daarop de salarissen van de kioskhouders te subsidiëren, maar desondanks daalde hun inkomen tot onder het minimumloon. In 2005 besteedde de gemeente het beheer van de kiosken uit aan het bedrijf MediaKiosk, waarin krantenuitgevers als Le Monde en Le Figaro minderheidsaandelen hebben. Er werden afspraken gemaakt aan de uitbreiding en vernieuwing van de kiosken. Het mocht allemaal niet baten. De laatste kans voor de kiosken lijkt nu de verkoop van branchevreemde producten, zoals souvenirs, zakdoekjes, kauwgom en condooms. Is het werkelijk? Het lijkt de Albert Cuyp markt wel. Kunnen gemeente en MediaKiosk niet iets spannenders verzinnen?

Tagged with:
 

African Queen, Rosy Dimple

On 25 mei 2012, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 mei 2012:

Afgelopen dinsdagmiddag plantten vele enthousiaste vrijwilligers honderden zomerbloeiers in de spoorberm bij station Bullewijk in Amsterdam Zuidoost. Een mooie foto van Klaas Fopma stond afgelopen woensdagavond in Het Parool. De strook waar het om gaat bevindt zich aan de rand van Amstel III, het grote kantorengebied aan de spoorlijn naar Utrecht. Initiatiefnemer is Saskia Beers, ondernemer en eigenaar van Glamourmanifest. Met haar onderneming wil ze – van huis uit architecte – de transformatie van de leegstaande kantoren in het werkgebied een impuls geven. De leliebollen – met namen als African Queen, Rosy Dimple, Pearl Loraine – waren afkomstig van Lily Company uit Andijk en de stichting Seed Valley in Noord-Holland Noord. De grond werd vooraf licht geprepareerd door de gemeente; daarna konden de vrijwilligers hun gang gaan. Het vrolijke plantfestijn werd afgesloten met het drinken van champagne. Komende zomer zullen de bermen langs het spoor fraai in bloei staan met lelies uit Noord-Holland. Op deze manier is op een bijna guerilla-achtige wijze inhoud gegeven aan wat mensen straks kunnen verwachten van Floriade 2022, als de Nederlandse Tuinbouwraad dit najaar tenminste kiest voor Amsterdam als toekomstige locatie. Het betreft een unieke samenwerking tussen ondernemers uit de Nederlandse tuinbouwsector en prettig gestoorde stedelingen. Stad en land weer verenigd.

Wat Beers doet is natuurlijk gewoon ondernemen. Ze makelt tussen ontwikkelaars, gebruikers en pandeigenaren om transformatie in leeg vastgoed op gang te brengen. Daaraan hoopt ze een centje te verdienen. De wijze waarop ze dat doet grenst echter aan kunst, want niet alleen de spontane plantactie van afgelopen dinsdag, maar ook het voordragen van gedichten door poetry pusher Justin Samgar tijdens Nationale Gedichtendag met megafoon voor de ingang van metrostation Bullewijk en het verspreiden van liefst honderd goudgekleurde tuinkabouters over het kantorengebied (“Handje nodig hier?”) waren eerder ook al haar initiatief. Steeds laat ze haar artistieke acties vergezeld  gaan van het drinken van champagne, want zakendoen is ook een beetje feestvieren. Vandaar Glamourmanifest. Beers laat zien hoe de nieuwe planning in zijn werk gaat: verbinden en ondernemen, maar ook inspireren, mensen aan het denken zetten en activeren. Beers werkt daarin nauw samen met de gemeente. Haar werk is door en door sociaal. Ze gebruikt de openbare ruimte om veranderingen op gang te brengen. Haar doel met Zuidoost is het maken van een mooi gemengd woon-werkgebied. Ze kan goed improviseren. Allemaal kenmerken van de nieuwe open planning. Volgen dus die vrouw!

Doorrijden!

On 16 mei 2012, in infrastructuur, openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 14 april 2012:

De wetenschappers uit Parijs met wie ik in Washington DC de woning deelde, zaten er vol van. Uiteraard had hun opwinding te maken met de Franse verkiezingskoorts aan de vooravond van de presidentsverkiezingen die later door Francois Hollande zouden worden gewonnen. Het betrof het plan van burgemeester Delanoë om de kades in de binnenstad van Parijs over een lengte van twee kilometer autovrij te maken. Delanoë, de bedenker van ‘Paris Plage’, had het idee op woensdag 14 april 2012 gelanceerd. Binnen twee jaar wil hij het verkeer over de linkeroever verwijderen en over de rechteroever sterk reduceren. Het gaat om een gebied van 15 hectare, waarvan 4,5 hectare helemaal zal toevallen aan de voetganger. Doel: de stedelijke luchtkwaliteit verbeteren en de openbare ruimte aantrekkelijker maken. Kosten: 40 miljoen euro. Ik begreep dat de presidentskandidaten zich erop hadden gestort, met felle voor- en tegenstanders. Op rechts was men uiteraard fel tegen, op links juist voor. L’APUR, het ontwerpbureau van de gemeente, had enkele impressies getekend van hoe de autoloze kades – de berges – eruit zouden kunnen zien. APUR had ook kunstmatige eilanden in de Seine getekend ter hoogte van de Eiffeltoren, met paviljoens erop en uitspanningen, deze waren onderling verbonden door bruggen. “Organisées autour de plusieurs pôles, dont la culture, le sport et la nature, ces nouvelles berges devraient aussi laisser une place aux espaces dédiés à la nuit," aldus de Parijse burgemeester.

Mijn Franse vrienden gruwden van het hele idee. Ze vreesden dat de binnenstad van Parijs nog meer uitgeleverd zal worden aan de toeristen. Vooral de eilanden met vermaak in de Seine stuitten hen tegen de borst. Daar gaat, voorspelden ze, Parijs later enorme spijt van krijgen. Afkeurend spraken ze van ‘Disneyficatie’ van heel Parijs en stelden hun linkse burgemeester ervoor verantwoordelijk. Op de website van Le Monde lees ik echter heel andere reacties. Iemand stelt daarop zelfs voor de autotunnel onder de Seine helemaal door te trekken naar de tunnel onder het Kanaal. Dan kan het Parijse autoverkeer in één ruk doorrijden naar Engeland. Zo ken ik de Fransen weer. In juni beslist de raad.

Tagged with:
 

Gelezen in The Atlantic van maart 1982:

Afgelopen week overleed James Q. Wilson. Samen met George Kelling was hij de bedenker van de ‘Broken Windows Theory’. Ter gelegenheid van zijn overlijden publiceerde The Atlantic opnieuw hun geruchtmakende artikel uit maart 1982. Volgens die theorie, die wordt ondersteund door zowel psychologen als politiemensen, zal een gebroken raam in een stadsbuurt binnen de korste tijd helemaal sneuvelen. Nette buurten of achterbuurten, zwarte bevolking of blanke bevolking, het maakt niet uit, één gebroken raam is het signaal dat mensen niet om hun buurt geven, dus is het breken van nog meer ruiten geoorloofd. En van het een komt het ander. “A piece of property is abandoned, weeds grow up, a window is smashed. Adults stop scolding rowdy children; the children, emboldened, become more rowdy. Families move out, unattached adults move in. Teenagers gather in front of the corner store. The merchant asks them to move; they refuse. Fights occur. Litter accumulates. People start drinking in front of the grocery; in time, an inebriate slumps to the sidewalk and is allowed to sleep it off. Pedestrians are approached by panhandlers.” Op deze manier, aldus Kelling en Wilsom, ontstaat criminaliteit, raken buurten in verval. De politie zou, aldus de onderzoekers, minder moeten optreden als ‘crimefighter’ en meer als beschermer van buurten. “Just as physicians now recognize the importance of fostering health rather than simply treating illness, so the police – and the rest of us – ought to recognize the importance of maintaining intact, communities without broken windows.”

Bij herlezing van het artikel ben ik weer onder de indruk van het heldere betoog, de eenvoudige bewijsvoering en de logische argumenten. Tegelijk vraag ik me af of we ervan hebben geleerd. Me dunkt, meer dan ooit wordt de criminaliteit zelf bestreden, en niet de omstandigheden die er de oorzaak van zijn. Stel, je maakt de openbare ruimte op de Amsterdamse wallen geheel volgens het grachtenprofiel en je beheert de straten, stegen en pleinen voorbeeldig; je dwingt eigenaren tot stipt onderhoud aan hun panden, waardoor er in de hele buurt geen ‘gebroken raam’ meer te vinden is. Wat zou er dan gebeuren? Eigenlijk is het de normaalste zaak van de wereld. Alleen, we doen het niet en we spreken elkaar er niet op aan. Ik moest er ook aan denken toen ik het Atlasgebouw in Amsterdam Zuidoost onlangs bezocht. Een paar jaar geleden nog stond het leeg; toen overwoog men om het complex uit begin jaren tachtig te slopen. Gelukkig is dat niet gebeurd. De nieuwe eigenaar besloot tot een goedkopere oplossing; hij ging de publieke ruimte intensief beheren en de gebouwen renoveren. Nu is het hele complex – Atlas Arena – weer gevuld. Het is een van de interessantste plekken van de Bijlmer. En bedenk ten slotte hoe sinds de abri’s in de stad goed onderhouden worden het straatbeeld is verbeterd en veiliger voelt.

Tagged with: