Yap Hong Seng, 1944-2018

On 24 augustus 2018, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De stad als uitdaging’ (2000) van Yap Hong Seng:

12-stad-als-uitdaging

Op 2 augustus 2018 overleed op 73-jarige leeftijd Yap Hong Seng, stedenbouwkundige. Al tijdens mijn studie planologie (1975-1981) las ik artikelen van Yap over, ik meen, het verkeerscirculatieplan van Groningen. Kort daarna verscheen een uitstekend artikel van zijn hand in Wonen TABK vanuit zijn betrokkenheid bij het binnenstadsplan van Leiden. Zelf leerde ik Hong Seng kort na mijn studie kennen, toen hij mijn overbuurman in Amsterdam bleek te zijn. In de Noorderstraat, pal achter de Prinsengracht, had hij zijn eigen huis gebouwd in een rij van zeventiende eeuwse wevershuisjes. Van hem leerde ik de beginselen van de gulden snede, die hij ook had toegepast op zijn woning. Maar belangrijker waren zijn scherpe analyses en ideeën over ruimtelijke strategie. Yap was toen juist teruggetreden als directeur Ruimtelijke Planvorming bij de Rijksplanologische Dienst, waar hij tussen 1983 en 1986 een Notitie Ruimtelijke Perspectieven had geschreven, de opmaat naar de latere Vierde Nota Ruimtelijke Ordening. Hij was zijn eigen adviespraktijk begonnen. Het proefschrift van Henk Van Ruller over agglomeratieproblematiek in Nederland uit 1972 kreeg ik van hem mee naar huis, waarna hij mij verwachtingsvol vertelde over de komst van een heuse stadsprovincie Amsterdam, die de taak van de provincie en de gemeenten zou overnemen. Er lag een voorontwerp van de wet ‘Groot Amsterdam’ gereed. Of ik de ratio van die regionale samenwerking wilde opschrijven. Dat werd de nota ‘De grenzen verkend’ – de nota die aan de basis kwam te liggen van het ROA, het Regionaal Orgaan Amsterdam.

Van dat regionale grootstedelijke bestuur is later bitter weinig terecht gekomen. De stadsprovincie Amsterdam sneuvelde in een pijnlijk referendum, in werkelijkheid verzette en verzet de provincie Noord Holland zich effectief tegen een krachtig grootstedelijk bestuur als concurrent. Het ROA kwijnde weg (lees Jos van der Lans, Kleine geschiedenis van de Stadsregio Amsterdam, 2006). Teleurgesteld richtte Yap zich op steden afzonderlijk, die hij ging adviseren rond de uitvoering van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988-1994), dus in de praktische realisatie van hun stedenbouwkundige projecten. Over zijn succesvolle planologische adviespraktijk schreef hij later een boek. In´De stad als uitdaging´(2000) refereerde hij aan Van Ruller en diens gedachte om 44 stadsgewesten in Nederland te introduceren als vervanging van gemeenten en provincies. Het idee, omarmd door de toenmalige Rijksplanologische Dienst, sneuvelde volgens hem door een effectieve lobby van de provincies en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Steden in Nederland dijen steeds verder uit. Het Groene Hart is niet te redden. De Randstad dacht Yap zich als een ‘polycentrische metropool in wording’, want een krachtig grootstedelijk bestuur komt er niet. Nederland, voorspelde hij, zal de overtreffende trap van Los Angeles worden, een uitgestrekt stedelijk veld waar werd gewoond en gewerkt in een extreem lage dichtheid. De provincies waren niet opgewassen tegen de beukende krachten en een Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening kwam er niet. De Rijksplanologische Dienst is zelfs opgeheven. Echte metropoolvorming vond Yap niet interessant. “Het is geen doel op zich, hooguit een middel om mensen zo optimaal mogelijk te kunnen huisvesten in de breedste zin des woords.” Yap heeft het allemaal scherp gezien. 

Regionale governance

On 21 oktober 2014, in bestuur, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in Brussel op woensdag 8 oktober 2014:

Maakt regionale samenwerking iets uit? Een van de sprekers op het recente METREX-congres in Brussel, Rudiger Ahrend van de Organisation of Economic Cooperation and Development (OECD), had ruim tweehonderd grootstedelijke regio’s op hun samenwerkingsmodellen geanalyseerd. Vijfendertig procent van de bestudeerde regio’s kende alleen een informele samenwerking, 17 procent een intergemeentelijke, 9 procent een supra-gemeentelijke, niet meer dan 5 procent (Azië) een metropolitane samenwerking. Vierendertig procent van de bestudeerde regio’s kende überhaupt geen samenwerking. Waar van samenwerking sprake is, blijkt deze vooral plaats te vinden op terreinen van regionale economische ontwikkeling, regionaal transport en ruimtelijke ordening. Twee derde van de regionale samenwerkingsverbanden heeft betrekking op alle drie de terreinen. Lager scoorden waterbeleid en afvalbeleid, dan cultuur, ten slotte gezondheidszorg. En? Maakt het wat uit?

De OECD constateerde hogere economische productiviteit, minder suburbanisatie en grotere tevredenheid van burgers waar sprake is van goede regionale samenwerking. Hoe beter en formeler deze is geregeld, hoe beter ook de prestaties. Fragmentatie van de governance blijkt in alle opzichten slecht voor een gebied. Overleg is weliswaar ingewikkeld en vergt veel tijd, maar het loont. Hoe efficiënter dat overleg, hoe gunstiger dit weer is. Bij verdubbeling van het aantal betrokken gemeenten verliest de grootstedelijke regio liefst circa 6 procent aan productiviteit. Ahrend benadrukte dat het hier niet alleen om economische prestaties gaat. Het belang van governance op metropolitane schaal doet zich gelden op elk maatschappelijk terrein. En toen, helemaal op het eind, kwamen zijn belangrijkste lessen. Rivaliteit tussen gemeenten en steden, aldus Ahrend, werkt ongunstig; van bovenaf  samenwerking opleggen creëert lege hulzen; de bereidheid daartoe kan alleen van onderop groeien; ze vereist bovenal inspirerend leiderschap.

Tagged with:
 

Rivaliteit

On 29 maart 2013, in regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op 27 maart 2013 in De Burcht te Amsterdam:

De studiemiddag ‘Stad en Periferie’ van de Universiteit van Amsterdam, afgelopen week gehouden in het voormalige vakbondsmuseum aan de Henri Polaklaan, stond in het teken van drie recente promotieonderzoeken, alle onder de hoede van hoogleraar Willem Salet uitgevoerd. De promovendi waren afkomstig uit Italië, Duitsland en Nederland. In elk van de onderzoeken werd de Amsterdamse situatie vergeleken met steden elders in de wereld. Dit internationale perspectief was prettig, want geestverruimend. De institutionele omgeving stond overigens in alle cases voorop: politiek, bestuurlijk, legalistisch, symbolisch, waarden en normen. Volgens Salet in zijn inleiding hobbelt die institutionele omgeving telkens achter de sociaal-economische veranderingen aan. Ze is de bron van tal van problemen en dilemma’s. Deze problematiserende invalshoek kleurde de hele middag. Dat was minder prettig.

Niettemin kregen we boeiende voorbeelden voorgeschoteld van stad-periferie-verhoudingen in Parijs, Frankfurt, Milaan, Manchester en Liverpool. De uiteenzettingen waren overigens veel te kort, maar toch voldoende om de nieuwsgierigheid te wekken. De meeste aandacht ging uit naar de bijdrage van Sebastian Dembski over de spanning tussen Manchester en Liverpool ten aanzien van de megaplannen rond ‘Ocean Gateway’ (2008). Een miljardair, genaamd John Whittaker van het bedrijf Peel, wilde 50 miljard pond investeren in de twee steden en de oevers van de Mersey, maar kreeg bij de autoriteiten geen voet aan de grond, ook niet bij de bestaande Development Corporations. Manchester, verklaarde Dembski, is vanouds een hardwerkende stad, Liverpool daarentegen wordt gezien als een stad die slapende rijk wordt. Samenwerken is niet aan de orde. Pas toen de Britse regering Whittaker steunde kwam er iets van de grond: ‘The Atlantic Gateway’. Nog altijd is er geen sprake van een groot-regionale institutionele omgeving die het plan, bestaande uit liefst 50 projecten, kan ondersteunen. Elk van de steden, op een afstand van 50 kilometer van elkaar gelegen, heeft zich rond zijn eigen invloedssfeer georganiseerd. Alleen Peel is de verbindende schakel. Is dit een zwaktebod aan publieke zijde? Dembski deed voorkomen van wel. De aanwezigen leken hierin de rivaliteit tussen de steden binnen de Randstad te herkennen. Maar wie zegt dat ‘Atlantic Gateway’ zo’n geweldig plan is? De bevolking in ieder geval niet.

Jeugdliefde

On 18 februari 2013, in politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord in ‘Eye’ op 7 februari 2013:

Terwijl dagblad De Telegraaf afgelopen week bekend maakte dat de Nederlandse regering het Institut Neérlandais in Parijs gaat sluiten, tekende de burgemeester van Amsterdam een samenwerkingsovereenkomst met zijn Parijse collega: de twee steden gaan de komende jaren intensief samenwerken. De vertrekkende burgemeester van Parijs, Bertrand Delanoë, was er helemaal voor naar Amsterdam gekomen. Bovendien sprak hij dezelfde dag – 7 februari – in het nieuwe filmmuseum aan het IJ tijdens de opening van het grote congres van de Metropool Regio Amsterdam. De twee besluiten zijn tekenend voor de nieuwe verhoudingen; waar de staat zich terugtrekt, treden de belangrijkste metropolen op de voorgrond.

Wat zei de burgemeester van Parijs, bedenker van stadsstranden, museumnacht en fietsdeelsystemen? Amsterdam, vertelde hij, was  zijn jeugdliefde. Die liefde was allerminst bekoeld. Beide steden zijn in al die jaren alleen maar aantrekkelijker geworden; toeristen betuigen massaal hun liefde aan zowel Parijs als Amsterdam. Met veel plezier vertelde Delanoë over zijn twaalf jaar burgemeesterschap en hoe Parijs – ruim 2 miljoen inwoners – ooit als arrogant bekend stond bij zijn buurgemeenten – met 10 miljoen inwoners vele malen groter. Die reputatie is de laatste tijd heel wat gunstiger geworden. Parijs heeft er dan ook alles aan gedaan om met de buurgemeenten samen te werken. Met Vélib – het Parijs fietsdeelsysteem – is dat nog niet gelukt, wel met Vélauto – het delen van elektrische auto’s: meer dan veertig buurgemeenten werken hierin samen met de centrale gemeente. Ook door de introductie van trams in het straatbeeld profiteren vooral de buurgemeenten. Delanoë vertelde dat de ringweg – de Périphérique – lange tijd een fysieke barrière was geweest, maar dat die nu stukje bij beetje wordt geslecht, met voorzieningen die ook door de buurgemeenten worden gebruikt. Parijs’ grondbezit in de buurgemeenten wordt voortaan ook voor beide partijen aangewend. De regionale samenwerking in Paris Métropole, aldus de burgemeester, is buitengewoon succesvol en vraagt na twaalf jaar om formalisering. De laatste maanden van zijn burgemeesterschap zal hij dan ook proberen de Franse regering zover te krijgen om de samenwerking wettelijk te regelen. Ziedaar de aanpak van de linkse burgemeester (de eerste in Parijs sinds 1871): niet top-down , maar bottom-up. Een nastrevenswaardig model voor Groot-Amsterdam? Commissaris van de Koningin van Noord-Holland, Johan Remkes, zei op het eind van het congres dat van een geformaliseerde regionale samenwerking in het Amsterdamse geen sprake kan zijn. Deze week spreek ik over Amsterdamse regionale samenwerking. In Parijs.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘The Power to Collaborate’ (2010) van Nadav Haran:

Het schrijven aan het essay over waarom het zogenaamde MIRT-traject van het rijk regionale samenwerking eerder in de weg staat dan stimuleert vordert gestaag. MIRT staat voor Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. Het is een rijksinvesteringsprogramma. Vorig jaar is de R van ruimte toegevoegd aan het MIT, dat al sinds begin jaren negentig bestaat. Noem het een coproductie tussen de ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Het werkt zo: regio’s in Nederland wordt door de twee departementen gevraagd om zogenaamde gebiedsagenda’s te maken waarin ze investeringen in infrastructuur koppelen aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op korte, middellange en lange termijn. Aan de hand van deze gebiedsagenda’s starten de departementen vervolgens de onderhandelingen met de regio’s over de programmering van de rijksinvesteringen. Kunt u het nog volgen?

Om te begrijpen waarom MIRT regionale samenwerking hindert is het nodig je te verplaatsen in de regio’s en in hoe zich daar regionale planvorming ontwikkelt. Nadav Haran schrijft daarover in zijn recent verschenen proefschrift behartigenswaardige woorden. Na de mislukte poging van nationale overheden overal in Europa om begin jaren negentig formele structuren op regionaal niveau te introduceren (in Nederland: stadsprovincies), zochten de regio’s zelf naar meer informele samenwerkingsverbanden. Die hebben zij de afgelopen twintig jaar ontwikkeld. Met wisselend succes. Haran benoemt ze en meet hun strategische effectiviteit. Doorgaans wordt in dat verband van rijkszijde neerbuigend gesproken over ‘bestuurlijke drukte’ en ‘bestuurlijke spaghetti’, maar Haran doet dat niet, integendeel. Hij spreekt van een nieuwe benaderingswijze die hij betitelt als ‘’the collaborative approach’’. “The collaborative approach accentuates the need to break through static governmental structures and unbolt these to complement open processes that involve all relevant stakeholders. It suggests a shift from the continuous search for an optimal formula of formal governmental settings and a turn toward the adoption of flexible and informal coordinating modes of governance aiming to connect stakeholders and promote coherent collective action in the regions.” De strategische capaciteit van sommige stedelijke regio’s is hierdoor aanzienlijk vergroot. MIRT nu doorkruist die nieuwe, veelbelovende benadering op lompe wijze. Daarover gaat mijn essay.

Tagged with:
 

Belgische toestanden

On 16 juni 2010, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 16 juni 2010:

Briljante actie van de burgemeesters van de vijf Brabantse steden en hun Commissaris van de Koningin. Een meeting afgelopen weekeinde op kasteel Maurik bij Vught, met de pers erbij. En dat aan het begin van de informatieronde in Den Haag. Boodschap: Den Haag, bespaar ons blauwdrukken! De provincie Brabant mag niet worden opgeheven. Want daar, in Brabant, ligt een kansrijke Europese regio: “een mozaiek dat de kracht van steden op unieke wijze verbindt met de vitaliteit van het platteland.” Dit gebied van bovenaf opdelen in denkbeeldige regio’s getuigt van “gevaarlijk blauwdrukdenken” en is “de verkeerde strategie”. Beter, stellen zij, kan men denken in termen van samenwerking en allianties. Sterker, dat gebeurt al. Hier spreekt het ‘’Bestuurlijk Team Brabant’’, een samenwerkingsverband tussen de Brabantse steden en de provincie. Samen hebben ze zich ten doel gesteld de regio internationaal op de kaart te zetten als hoogwaardig kenniscentrum. En dat lukt.

De reactie klopt met de uitslag van de verkiezingen: de regionale tegenstellingen raken ook binnen Nederland steeds meer verscherpt. Ook de uitspraak: “Groningen, Friesland, Limburg en Zeeland worden niet opgeheven. Die provincies zijn heilig voor de mensen,” spreekt boekdelen. Natuurlijk werkt staatsrechtelijke hervorming op deze manier niet. Het land raakt in een impasse. Ik sla het proefschrift van Nadav Haran nog maar eens op. In ‘’The Power to Collaborate’’ (2010) schetst hij het beeld van de Brabantse samenwerking. “BrabantStad appeared to be used by its members for the sole task of promoting local and regional projects and executing lobbying activities. (…)” De projecten hebben geen onderling verband en van echte samenwerking is geen sprake. “However, the efficiency and the effectiveness with which BrabantStad managed to promote those projects accentuated its high tactical capacity.” Haran spreekt van uitermate effectief lobbyen door Brabant richting Den Haag. De Haagse departementen zijn ervan onder de indruk. Nu, daarvan getuigt opnieuw deze zaterdagse actie.

Topdorpen

On 30 maart 2010, in regionale planning, by Zef Hemel
Gelezen in S&RO 2010 nr 1. (februari 2010):
Door een wonderlijk toeval ontving ik pas vandaag het eerste nummer van S&RO jaargang 2010. Eerst dacht ik dat ik niet tijdig mijn contributie betaald had, maar het bleek een foutje in de verzending te zijn. Tja, de nieuwe vormgeving van het NIROV-tijdschrift, wat vind ik ervan? Hij doet me denken aan ‘Huig’, het tijdschrift van de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Hip en trendy. Goed gedaan, Kisman en Verhaak, vooral de infographics (zie bijvoorbeeld kaart 4 op bladzijde 21: krimp en groei in Nederland 2008-2025, en je weet beter!). Maar om te lezen vond ik het lastig worden, vooral waar driekolomsteksten verschenen. Zo’n opmaak bewijst dat niemand meer leest. Je bladert wat en je shopt wat rond, net als op het internet. Werd ik er wijzer van? Niet echt. Het nummer gaat over ‘trends’. Nu, die trends kennen we. Bill Bishop bijvoorbeeld over het grote uitsorteren. Of de Rotterdammers met hun ‘narratieve planning’. Die hebben ergens een klok horen luiden. Hoogleraar Wouter Vanstiphout weet het niet meer, maar op de (Rotterdamse) overheid heeft hij het niet. Echt geïnspireerd raak je er niet van. Wim Derksen is nog het interessantst. Hij gelooft niet in een nieuwe ronde bestuurlijke reorganisatie. Maar hij voelt de bui al hangen. Die provincies, die gaan eraan. Hij hoopt op meer regionale samenwerking. En hij denkt dat het rijk dat kan bewerkstelligen door geldstromen langs regionale samenwerking te sluizen. Typisch een blik vanuit de rijksoverheid. Alsof de rijksoverheid de ‘lagere overheden’ nog kan sturen. En alsof het zo’n rommeltje in dit land wordt door handelen van gemeenten (en niet de rijksoverheid). En demograaf Jan Latten schrijft weer eens oerhollands over ‘topdorpen’. Mark my words: alle dorpen van Nederland worden topdorpen!
 
Wat ik het leukste vond? Het interview met Ton Schaap en Gert Urhahn. Die twee mannen hadden iets te vertellen. Goede journalistiek trouwens. De meest onbegrijpelijke bijdrage kwam van Pieter van Wesemael van INBO. Wilt u mij volgen? "In mijn idee is het ideaal als de stedenbouwkundige en het stedenbouwkundige plan een voertuig vormen die ruimtelijke maar ook sociaal-economische karakteristieken en aspecten van historische ontwikkelingslogica van een plek weten te vertalen in wezenskenmerken. De stedenbouwkundige moet in staat zijn op het snijvlak van lokale identiteit en globale trends in een iteratief proces een unieke opgave, visie en strategie te formuleren. Strategisch denken is dan cruciaal, om vervolgens in ruimtelijk-programmatische zin met alle partijen aan de slag te gaan."
Tagged with:
 

Mislukt

On 8 januari 2010, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Netwerken in Zuid-Holland. 1000 dagen Atelier Zuidvleugel’ (2009):

Bij de kerstpost zat een presentje van de provincie Zuid-Holland: een verslag van tweeënhalf jaar atelier Zuidvleugel. In een compacte vorm gepresenteerd, biedt het boekje de mogelijkheid om dit ambitieuze atelier van de planologen in de zuidelijke Randstad te evalueren. Het doel, de werkwijze, de planningsbenadering, de voortgang, de tussenproducten in de vorm van drie opvallend gepresenteerde publicaties en de aanbevelingen, het passeert allemaal de revue.

Wat me na lezing vooral bijbleef was de onvrede over het kennelijk voortijdige einde van het atelier. Men had graag nog door willen gaan, maar de politiek heeft anders beslist. De regionaal georganiseerde stad, stellen de makers, is dank zij het atelier steeds prominenter in beeld gekomen. "Desondanks moet worden vastgesteld dat de regionale ontwikkeling geen politieke wens blijkt te zijn en dat daarmee een belangrijke conditie ontbreekt voor het adresseren van veel ruimtelijke vraagstukken." Het atelier verkoos te werken in de politieke luwte, maar rept in haar terugblik over "de hete adem van politieke processen" die "een goede uitwerking van ruimtelijke processen vaak in de weg" staan. Mensen "op sleutelposities" moesten dit werken in de luwte van het atelier mogelijk maken, maar die mensen waren er kennelijk niet meer. Op het eind van hoofdstuk 1 klink dezelfde ambtelijke klacht nog heviger: "Terugkijkend wordt duidelijk dat voor veel ingewikkelde, inhoudelijke opgaven de looptijd van het atelier te kort is. Ook voor het organiseren van probleemeigenaren en het leggen van relaties tussen partijen uit verschillende sectoren is tweeëneenhalf jaar te kort. In de door heftige politieke ontwikkelingen gevormde, bestuurlijke realiteit blijkt echter dat deze periode lang genoeg is om van experiment tot oudgediende te worden."

Het klinkt zuur. Nee, daar in de Zuidvleugel is nog lang geen sprake van bestuurlijke samenwerking. De ruimtelijke woekering die er al jaren gaande is gaat door politieke onenigheid gewoon door. Tweeëneenhalf jaar Atelier Zuidvleugel, drie tentoonstellingen, werkboeken, excursies, lezingen van buitenlandse prominenten en vier vorstelijke publicaties hebben daarin geen verandering gebracht. Wat rest zijn teleurgestelde ambtenaren. Jammer.

Tagged with: