De kunst van het verdwijnen

On 3 december 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Rijksmuseum op 30 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor matthijs maris londen

Matthijs Maris, Vanished illusions.

Eind negentiende eeuw werd Matthijs Maris (1839-1917) beschouwd als een van de beroemdste schilders van Nederland. Hij woonde er echter niet. Het Rijksmuseum wijdt aan zijn merkwaardige oeuvre een tentoonstelling, die nog is te zien tot en met 7 januari 2018. Afgelopen donderdag bezocht ik de zalen. Maris verhuisde in 1869 op dertig jarige leeftijd naar Parijs en trok in 1877 door naar Londen, waar hij in 1917 eenzaam stierf. Slechts een enkele keer bezocht hij zijn familie in Nederland. Vrijwel zijn gehele oeuvre kwam tot stand in de twee buitenlandse grote steden. Liefst veertig jaar leefde en werkte hij in Londen, in Parijs woonde hij acht jaar. Zijn bijzondere leven deed me denken aan Karl Marx (1818-1883). Hoewel iets ouder, verhuisde ook tijdgenoot Marx al vroeg naar Parijs, om later door te verhuizen naar Londen, alwaar hij in 1883 in eenzaamheid stierf. Zonder Londen was Das Kapital niet denkbaar geweest. Datzelfde geldt voor het schilderij ‘Vanished Illusions’. Maris was, net als Marx, een revolutionair. In 1870 vocht hij zelfs mee tijdens de Parijs Commune aan de kant van de opstandelingen. Kort daarvoor had Marx zijn Das Kapital gepubliceerd.

Maris verhuisde naar het buitenland en dan met name naar de grote stad vanwege de lokale kunstmarkt, die hij overigens haatte. In geld was hij niet geïnteresseerd. Ook niet in vooruitgang trouwens. Maar een kunsthandelaar uit Londen wist hem te overtuigen. Hij moest toch leven. Die afkeer van geld en dat armoedige bestaan in de beide metropolen, eigenlijk had hij dat ook met Marx gemeen. Maris vond zelfs dat mensen teveel voor zijn schilderijen betaalden. Hij ontbeerde echter een Friedrich Engels die hem in zijn levensonderhoud onderhield. Veel geld had hij niet nodig. Hij bleef ongetrouwd, tenminste ik las niets over een vrouw of kinderen. En zijn werk? Geen beelden van een modern Parijs, en ook niet van het industriële Londen. Wel boeiend en steeds raadselachtiger. Zijn laatste periode in Londen intrigeert het meest. De feeërieke middeleeuwse taferelen en dromerige meisjes maken plaats voor abstracte denkbeelden, dromen en herinneringen. Alles wordt vaag en onscherp. Verdwenen is de realiteit. De realiteit van de industriële stad. Carel Peters noemde hem in Vrij Nederland een modernist met een oude ziel en Bram de Klerck zag in hem een revolutionair en een compromisloze dromer (NRC Handelsblad 12 oktober 2017). Ik begreep het pas toen ik ‘Vanished Illusions’ zag waaraan hij jaren had gewerkt en dat op zijn schildersezel stond toen hij in 1917 overleed. De wereld stond in brand. Vijandige zeppelins vlogen over Londen. Hij werkte aan een vrouw, voorover liggend op de trappen van een altaar, bijna vallend. Maris haatte de moderniteit. Hij bleek een vernieuwer.

Tagged with:
 

Museumeiland

On 30 juni 2014, in cultuur, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 maart 2014:

Afgelopen week beleefden we de heropening van het Mauritshuis in Den Haag. In de krant zag ik een lange rij mensen langs de Hofvijver staan. Zondag bezocht ons gezin de beelden van de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder in de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. Reusachtige, bijzonder fraaie sculpturen zijn het die met hun felle Mondriaankleuren traag bewegen in de wind; de zwarte daarentegen staan aan de grond genageld. Het was er zonnig en heerlijk druk. In de fietstunnel onder het Rijksmuseum fietsten de mensen vredig af en aan; hier en daar hoorde je een fietsbel klingelen. Na de heropening staat het Rijksmuseum met zijn 2,2 miljoen bezoekers nu op plaats 19 op de ranglijst van meest bezochte musea ter wereld, zo las ik onlangs in NRC Handelsblad. De fietstunnel blijkt helemaal geen probleem, integendeel. Het is het leukste en mooiste fietspad van heel Nederland.

Hoe staat Amsterdam ervoor na de heropening? De ranglijst van steden met wereldwijd de drukst bezochte musea wordt aangevoerd door Parijs met het Louvre: 9,3 miljoen jaarlijkse bezoekers. Daarna volgt Londen (British Museum: 6,7 miljoen), op de derde plaats New York (Metropolitan Museum of Art: 6,2 miljoen). Maar Parijs heeft ook nog Centre Pompidou en Musee d’Orsay in de top 10 staan, Londen de National Gallery en Tate Modern. Bij elkaar opgeteld telt Parijs 16,5 miljoen jaarlijkse bezoekers, Londen nog iets meer: ruim 17 miljoen. Je zou dus kunnen zeggen dat Londen de lijst met de meeste topmusea aanvoert. Dat is toch wel verrassend. Helemaal verrassend is de verschijning van Taipei in de top 10. Haar National Palace Museum ontvangt jaarlijks 4,5 miljoen bezoekers, goed voor een plaats 7. Dat komt vooral door een paar enorme blockbusters die men daar organiseert. In 2013 trok het museum in de hoofdstad van Taiwan liefst 1.007.062 bezoekers met ‘The Western Zhou Dynasty’ en nog eens 921.130 bezoekers met ‘The Lingnan School of Painting’. In Taipei liggen dan ook de kunstschatten van heel China, die door de veelal aristocratische aanhangers van Chiang kai-shek op hun vlucht in 1949 waren meegenomen. Om hun mooiste erfgoed te kunnen zien moeten de miljard mainland-Chinezen tegenwoordig de zee oversteken. Dat doen ze dan ook. Taiwan fungeert voor hen als een museumeiland. O ja, het heropende Stedelijk Museum had niet de moeite genomen om de vragenlijst van Art Newspaper in te vullen.

Tagged with:
 

Museumtuin

On 5 september 2013, in kunst, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in De Blauwe Kamer van 2013 nr. 4:

Al een paar keer met de kinderen naar de nieuwe tuin van het nieuwe Rijksmuseum geweest. Gewoon, om de beelden van Henry Moore te bekijken, maar ook om te spelen in en rond het ingenieuze waterlabyrint. Want naast het Museumplein is er nu ook de Museumtuin. Rond het door architect Pierre Cuypers ontworpen gebouw heeft bureau Copijn een schitterende tuin ontworpen die de restruimten op de kavel netjes vult en die je daar even laat ontsnappen aan de grootstedelijke hectiek rond de Stadhouderskade en het Museumplein. Favoriete rustplaats: de oude vleugelnotenboom voor de zuidoostgevel van het museum. Zoveel als er te doen was over het fietstunneltje onder het museum en over het ontwerp van het Museumplein als geheel, zo weinig is er geschreven en gesproken over de toevoeging van deze mooie tuin. Elke keer als ik er was, was het er gezellig, druk en levendig. Voor het eerst heb ik het gevoel dat Amsterdam zijn grootstedelijke ambities aan het waarmaken is.

Tegelijk is de Museumtuin oer-Hollands. Alles speelt zich af op de vierkante millimeter. De spanning die je aan de voorzijde voelt is bijna te groot: het voorbijrazende verkeer op de kade, de grote beelden van Moore, de relatief kleine tuinkamers, de vele toeristen, het past allemaal net. Is dit negentiende eeuwse Amsterdamse zuinigheid? Of eiste Cuypers, zoals Mark Hendriks in een bespreking in vakblad De Blauwe Kamer schrijft, hier alle aandacht op voor zijn bijzondere gebouw? En waarom dan toch dat grootstedelijke gevoel dat ik krijg, elke keer als ik de Museumtuin betreed? Ik denk dat het in het volgende schuilt. In Amsterdam vind je bijna nergens deze hoogwaardige tuinarchitectuur in de publieke ruimte. Hier staan alle hekken open en de tuin wordt druk bezocht. Maar niets is er hufterproof gemaakt. Alles is mooi, geraffineerd, openbaar en tegelijk exclusief, royaal, een rustpunt, metropolitaan.

Tagged with:
 

De Nieuwe Wibaut

On 12 juli 2013, in kunst, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 12 juli 2013:

Wat kunnen planologen van kunstcritici leren? Neem Julian Spalding. Deze belangrijke Britse kunstcriticus leverde deze week een opmerkelijk scherp commentaar op de inrichting van het nieuwe Rijksmuseum. Hij vond de gekozen opstelling ‘veilig, ouderwets’, uitgaande van de ‘oude museumkundige scheidslijnen’, niet gericht op het interesseren en inspireren van een nieuw publiek. Spalding schreef zelfs dat hij het ronduit wonderlijk en teleurstellend vond dat de afdeling moderne kunst, die mensen van tegenwoordig het meeste interesseert, was weggestopt in twee zolderkamers en dat die van de middeleeuwen zo pontificaal bij de entree was tentoongesteld. Mensen, aldus de criticus, weten niets van de middeleeuwen. Er was helemaal niet vanuit de bezoekers gedacht. “Musea moeten niet beginnen met wat hun curatoren weten, maar met wat hun publiek weet.” En dus ook: “Als een museum wil beginnen met het verleden, dan moet het beginnen met wat mensen weten van dat verleden.” In zijn voorbeelden liet Spalding telkens zien dat hij de museumbezoekers in hun reacties op de kunstwerken nauwkeurig observeert en daaruit lessen trekt. Over het bezoek aan het museum schrijft hij als was het ‘een verhaal’, ‘een reis’ die mensen moeten maken en waarbij kennis en vermaak hand in hand dienen te gaan. “De trieste waarheid is dat de mensen die het Rijksmuseum leiden helemaal niet aan hun publiek hebben gedacht.”

Van mensen als Spalding kunnen planologen leren dat zij de mensen niet moeten vergeten. De burgers – ook de nieuwkomers en de jongste generaties – moeten voor de toekomst worden geïnteresseerd. Planologen moeten niet beginnen met wat zij zelf zo goed weten, maar met wat hun bewoners weten. Ze zouden niet de schijnwerper moeten richten op de verre horizon, maar moeten beginnen dicht bij huis, in de nabije toekomst, die mensen heel goed begrijpen. Veeleer dan ontwerpen of wettelijke regelingen zouden hun plannen verhalen moeten zijn, of reizen naar de toekomst. En ze zouden mensen moeten observeren, hoe die de stad in al zijn facetten dagelijks gebruiken en daaruit lering trekken. De trieste waarheid is dat de stedenbouwkundigen en planologen dikwijls helemaal niet aan burgers hebben gedacht. Daardoor missen ze kansen om een groot en steeds veranderend publiek uit te dagen tot het leveren van uitzonderlijke prestaties. Prestaties die ‘hun publiek’ heel goed kan leveren en die ook nodig zijn om grote, aantrekkelijke en duurzame steden te bouwen. De les? Ook in het vak van de ruimtelijke ordening is sprake van een ernstig communicatieprobleem. Daarom: De Nieuwe Wibaut.

Tagged with:
 

‘Vorstelijke doorrid’

On 26 augustus 2011, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in ‘P.J.H.Cuypers en het gotisch rationalisme’ (2010) van Aart Oxenaar:

De Gemäldegalerie in Dresden bezocht. Heb me daar vergaapt aan de schitterende Rembrandts die er op de bovenste verdieping hangen. Ook werd ik getroffen door de Gemäldegalerie zelf, een schepping van Gottfried Semper. Een overrompelend gebouw. Vanaf het Theaterplatz bereik je de ingang van de galerie via een poort die toegang geeft tot het grote binnenplein van het barokke Zwinger van architect Poppelman. Ter weerszijden zitten grote deuren waarlangs je de kaartverkoop kunt bereiken. De poort deed me denken aan die van het Rijksmuseum. Ook die is openbaar, verschaft toegang tot het Museumplein en ter weerszijden vind je de entrees van het museum. Wie schetst mijn verbazing toen ik bij terugkomst in Amsterdam in de kranten las dat de nieuwe directeur van het Rijksmuseum de discussie heropent en de poort van het museum aan het Museumplein afsnog wil afsluiten (‘Het Rijksmuseum. Daar fiets je voor om!’).

Nieuwsgierig naar het verband tussen de schepping van Cuypers in Amsterdam en die van Semper in Dresden, sloeg ik het proefschrift van Aart Oxenaar nog maar eens op. Het ontwerp van de Gemäldegalerie dateert van 1839-1855, die van het Rijksmuseum van twintig jaar later. Oxenaar schrijft dat de poort onder het Rijksmuseum ook toen al als een probleem werd gezien. Ze was afgedwongen door de gemeente Amsterdam, die een groot deel van de kosten van het museum (een ton plus de schilderijen) moest dragen en die een toegang vanuit de stad naar de museumterreinen alleszins logisch vond. Stedenbouwkundige van gemeentezijde was Kalff. “De poort met de doorgang naar de museumterreinen nam op de begane grond de plaats in van de middenas met entree, vestibule en centraal trappenhuis, gebruikelijk bij dit type gebouwen. Door de zuinigheid van de gemeente Amsterdam moesten het binnengaan, de ontvangst van de bezoekers en de opgang naar de verdiepingen dus anders georganiseerd worden,” aldus Oxenaar. Ook toen al, voegt hij eraan toe, gingen geluiden op om de onderdoorgang te schrappen. Anderen zagen de poort juist als een bewijs voor de terugkeer van het besef dat een gebouw “onderdeel moet zijn van het levende organisme van de stad”. In een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad noemde Alberdingh Thijm bijvoorbeeld het “een gelukkige gedachte van de gemeente Amsterdam het Muzeüm tot een hartader, een levenskanaal onzer burgerij te verheffen, door het met een vorstelijke doorrid te begiftigen.” Oxenaar schrijft daarop dat Cuypers goed bekend was met hoe Semper twintig jaar eerder had geworsteld met de plaats van de hal en de opgang naar de verdieping in de Gemäldegalerie in Dresden. “Cuypers loste dit nuchter op.” Nog altijd is de onderdoorgang van de Gemäldegalerie een openbaar toegankelijke passage in de stad. Die van het Rijksmuseum dreigt afgesloten te worden.

Tagged with:
 

Glijvlucht van het Rijks

On 8 mei 2008, in cultuur, internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 30 april 2008:

Het komt niet vaak voor dat planologen zich zouden moeten bemoeien met de inrichting van een museum, maar het artikel van Rutger Pontzen in De Volkskrant van vorige week woensdag lokt zulk ongebruikelijk gedrag wel uit. Wat wil het geval? In een snijdend betoog laat Pontzen zien dat het Rijksmuseum te Amsterdam ooit een internationale ambitie koesterde, maar dat het, nadat minister Elco Brinkman eind jaren tachtig aan de macht kwam, "een glijvlucht maakt" richting Nederlandse cultuur. Straks, bij de heropening, zal blijken waar dat op uitloopt, maar de vooruitzichten zijn niet gunstig. "Tekenend is hoe na 2013 de eregalerij zal worden ingericht, enkele jaren geleden nog het onderkomen van de buitenlandse schilderkunst. Over vijf jaar wordt die het exclusieve domein van de glorie van de Nederlandse schilderkunst. Terwijl de rest van de Nederlandse cultuur, van de Middeleeuwen tot en met de 20ste eeuw, van kasten en schilderijen tot vazen en zilver, over de zalen van de drie verdiepingen zal worden verdeeld." Het laatste wapenfeit van deze glijvlucht richting Nederlandse cultuur is de alliantie met grootwinkelbedrijf de Hema, "die rompertjes en theedoeken gaat verkopen, waarop afbeeldingen zijn gedrukt ontleend aan de verzameling van het museum." Pontzens conclusie is vernietigend: "Politieke beslissingen, zuinigheid, gebrek aan internationale ambities, de wisseling van directeuren en daarmee de wisseling van prioriteiten – het heeft geleid tot wat het Rijks straks wil uitstralen: een nationaal museum met een nationale betekenis en, belangrijker, een nationale uitstraling."

Voor de internationale uitstraling van Amsterdam, voeg ik daaraan toe, is dat, op zijn zachtst gezegd, geen goede zaak. En dat is een hoogst actuele planologische opgave – eentje van formaat – die mede bepalend is voor het slagen van grote stedenbouwkundige projecten als de Zuidas en de Noord-Zuidlijn.

Tagged with: