Geen planoloog, maar architect

On 1 november 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Utopias in the 20th Century’ (1977) van Robert Fishman:

Afbeeldingsresultaat voor urban utopias in the twentieth century fishman

Deze week college gegeven over Le Corbusier als planoloog. Ik sloeg er Robert Fishman’s ‘Urban Utopias in the Twentieth Century’ (1977) op na. Ook na veertig jaar is dit boek nog mooi om te lezen. Al die teleurstellingen over ondernemers en politieke partijen, niemand wilde naar de grote architect Le Corbusier luisteren. Het begint al in zijn geboorteplaats Chaux de Fonds, waar hij samen met zijn tekenleraar een nieuwe ontwerpschool wil oprichten. Door de socialisten in de gemeenteraad werd deze effectief tegengehouden. Exit socialisten. Daarna zocht hij zijn heil in ondernemerskringen, bij de top van het Franse Citroën. Geen interesse. Ook de Franse ministeries bleken niet ontvankelijk. Zijn ‘La Ville Radieuse’ (1933) was opgedragen aan ‘L’Autorité’ zonder te weten wie dit nu was. Wat hem uiteindelijk in de armen dreef van het Franse syndicalisme en hem later, in de Tweede Wereldoorlog, zelfs deed heulen met het collaborerende Vichy-regime en de machthebbers in Algerije. Fishman verbindt al deze persoonlijk teleurstellingen met maatschappelijke opvattingen van Le Corbusier en op zichzelf klinkt het overtuigend, maar er is iets dat in de redenering van Fishman ontbreekt: elke architect is op zoek naar een opdrachtgever. En dat is precies wat Le Corbusier hier doet. Een opdrachtgever vinden voor de bouw van een complete stad is echter geen sinecure. Dan moet je planoloog worden en het politieke spel spelen, maar dat wilde Le Corbusier klaarblijkelijk niet.

Mooi is de passage over een bezoek van de Zwitserse architect aan het statistische bureau van de gemeente Parijs. Daar trof hij ‘bescheiden harde werkers’ aan. Wat hem in het werk van de ambtenaren afstootte waren de details en het precisiewerk tot op straatniveau. “They were immersed in a multitude of complicated facts from which no grand pattern could emerge.” Vanuit hun perspectief gezien, besefte hij, zou je geen enkele ruimtelijke interventie durven plegen. De passage deed me denken aan Robert Caro’s ‘Working’ (2019). Biograaf Caro probeerde zich te verplaatsen in de houding van stedenbouwkundige Robert Moses die in veertig jaar tijd New York City als geen ander transformeerde. In een van de interviews die hij met de planoloog had ontvouwde Moses zijn ideeën: “The canvas was gigantic – a metropolitan region of twenty-one hundred square miles in which there lived in 1967 fourteen million people. And the pencil waved over all of it at once as he discussed Staten Island and Suffolk County, Manhattan and Montauk, SoHo and Scarsdale, in the same sentences.” Care ontwaarde in Moses een beeldhouwer die niet met klei of steen wilde werken, maar met een metropool. “I saw the genius of the city-shaper.” Moses heeft uiteindelijk meer gebouwd dan Le Corbusier. Maar hij was ook geen architect. Moses was planoloog. Volgende college gaat over Robert Moses.

Tagged with:
 

The City-Shaper

On 22 september 2019, in boeken, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Working’ (2019) van Robert A. Caro:

Afbeeldingsresultaat voor working robert caro

Robert A. Caro, schrijver van bekroonde biografieën van Robert Moses en Lyndon B. Johnson, blikt in het onlangs verschenen ‘Working’ terug op zijn werkzame leven. Het is een schitterend boek. Zijn autobiografie volgt overigens later. Wat hem, noteert hij, vanaf het begin van zijn carrière vooral interesseerde is politieke macht. Hoe werkt het? Over de planoloog Moses, die in veertig jaar tijd ongekend veel macht verzamelde en tussen 1924 en 1968 de ultieme schepper werd van het moderne New York,  schrijft hij met veel liefde. Zijn interviews met de oude man deden hem beseffen dat zijn object van onderzoek over ongekende verbeeldingskracht beschikte. Over de modderige oevers van de Hudson aan de westkant van Manhattan droomde Moses zich bijvoorbeeld een moderne snelweg, een langgerekt park, mooie appartementen. Dat was in 1937. Twintig jaar later zou hij het realiseren: Riverside Park. “Now Robert Moses taught me about dreams, all right, including a dream much bigger than Riverside Park.” Zo stelde hij zich langs de uitgestrekte kust van Long Island het grootste kustpark van de VS voor, op een afstand van slechts vijfenveertig mijl van Times Square. Hij ging er een tijdje wonen. Toen bedacht hij een snelweg – Southern State Parkway – en creëerde hij Jones Beach. Caro: “Standing there beside me, the wind whipping his hair, the grip on my arm still tight, the gray eyes burning, he was young again, the youthful visionary who had dreamed a dream of a beach and a park and a parkway system greater than the world had ever seen.”

Knap hoe Caro in grote vegen de context waarin de visionair Moses opereerde op het doek neerkwast. In 1898, schrijf hij, ontstond New York City uit de samenvoeging van vijf gemeenten. Vier van de vijf betroffen eilanden voor de kust. Moses, die in 1924 aantrad als planoloog van de jonge stad, besloot de eilanden met bruggen en tunnels onderling te verbinden. Dat werd zijn levenswerk. En hij trok ze dwars over Manhattan als het moest. Bij een van die operaties kwam hij ene Jane Jacobs tegen. Die schreef daar in 1961 een boekje over. Het metrosysteem liet hij verwaarlozen. Daar zucht de metropool nog dagelijks onder. Daar staat tegenover dat hij in veertig jaar tijd een regionaal parkenstelsel aanlegde, groot 20.000 acres parklandschap en 658 speelplaatsen voor kinderen, unieke groene longen die de metropool leefbaar houden. Hij bouwde 148.000 sociale woningen en hij haalde het hoofdkantoor van de Verenigde Naties naar New York, het Lincoln Center, de universiteiten van Fordham, Pratt en Long Island University. Caro schat de publieke werken van Moses op 27 miljard dollar, wat omgerekend naar nu een veelvoud betekent. “He was the greatest builder in the history of America, perhaps in the history of the world.”

Tagged with:
 

‘Robert Moses Astride New York’

On 15 januari 2011, in boeken, cultuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 12 januari 2011:

Vanavond, op het moment dat ik dit schrijf, vindt in New York de voorlopig eenmalige gratis opvoering plaats van de musical ‘Robert Moses Astride New York’ van Gary Fagin. Ik had er graag bij willen zijn. Fagin is overigens nog lang niet klaar met zijn werk, vandaar eenmalig. De musical, waarin niet gedanst wordt en die meer weg heeft van een opera, gaat over de stedenbouwkundige van New York, Robert Moses. De bijna 1500 bladzijden tellende biografie van Robert Caro over deze man, getiteld ‘The Power Broker’, staat in mijn boekenkast en dateert uit 1974. Caro won er een Pullitzer Prijs mee. In de bibliotheek van Cornelis van Eesteren, de stedenbouwkundige van Amsterdam, stond destijds een exemplaar. Die bibliotheek was ondergebracht in de Droogbak. Op de kamer ernaast werkte ik. Ik weet nog goed hoe ik het nieuwsgierig ter hand nam en erin begon te lezen. Met dat lezen hield ik pas drie weken later op. Ineens begreep ik hoe macht werkt en hoe bepalend macht kan zijn in de stedenbouwkundige praktijk. Terstond kocht ik mijn eigen exemplaar. In diezelfde tijd, in 1984, bezocht de tegenspeelster van Robert Moses, Jane Jacobs, Amsterdam, waar ik, met de nodige geluk, door Hare Majesteit werd uitgenodigd om mevrouw Jacobs’ lezing op het Paleis op de Dam bij te wonen. Alles leek toen op zijn plaats te vallen. Moses versus Jacobs. Macht tegenover gezag. Amsterdam-New York.

In The New York Times stond nog geen recensie van de musical afgedrukt. Dat kon ook niet, want eerst vanavond kan de pers het voorlopige resultaat zien. Wel interviewde de krant Robert Caro, die was uitgenodigd voor een sneak preview. De schrijver van de biografie had, zei hij, nooit kunnen bevroeden dat iemand ooit een musical op zijn biografie van Moses zou componeren. Ooit een musical gezien met een stedenbouwkundige in de hoofdrol? Wel had Caro een onjuistheid in het script opgemerkt. De derde akte draait om de protesten tegen de uitbreiding van een parkeerterrein in Central Park. Moses hield namelijk erg van auto’s. De scene begint met de zinsnede “Childless women howling about your nonexisting children.” Caro weet zeker dat het jonge moeders waren, die met hun kinderwagens de bulldozers tegenhielden. Fagin beloofde hem dit te zullen veranderen. Hieruit maak ik op dat Fagin Robert Moses in ere probeert te herstellen. Overigens, ook president Obama had ‘’The Power Broker’ gelezen. Op zijn 22ste las hij de pillendikke biografie, vertelde hij Caro toen die de National Humanities Medal op het Witte Huis uit handen van de president ontving. Het had, had hij eraan toegevoegd,  mede zijn opvattingen over politiek gevormd.

Tagged with:
 

De Walhalla

On 26 maart 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘All that is solid melts into air’ (1988) van Marshall Berman:

Afgelopen donderdag was ik weer eens in Rotterdam. Henk van Schagen, architect in de Maasstad, was 67 jaar geworden en nam afscheid van zijn architectenpraktijk. In het theatertje op Katendrecht, genaamd De Walhalla, luisterden en spraken zo’n zestig genodigden naar en over het verhaal van Henk. Het ging over zijn verhouding tot het Modernisme. Op de achtergrond van het podium wisselden lichtbeelden elkaar snel op. Een deel ervan ging over New York, 1964. Daartussen zat een zwart-wit foto van Washington, genomen over de schouder van het reusachtige beeld van Abraham Lincoln in de richting van een mensenmassa die op de grote Mall van Washington was samengetrokken. Ik vroeg Henk voor wie ze gekomen waren, want die foto hadden we onlangs nog kunnen zien op tv – bij de inauguratie van Barack Obama. Henk bevestigde dat het ging om de grote toespraak van Martin Luther King. Maar waarom niet de zwarte dominee zelf in beeld gebracht? In verwarring gebracht begon Henk te spreken over New York 1964. De rellen. De ghetto’s. Het leed van de mensen op straat. De Bronx. En over Marshall Berman. Over diens ontboezemingen ten aanzien van de Grote Publieke Werken van Robert Moses in het laatste hoofdstuk van zijn ‘All that is solid melts into air’ (1988). "Als je die woede voelt die Berman destijds moet hebben gevoeld, dan weet je dat een mens dat in zijn leven niet meer kwijt raakt," zei Henk alsof hij zijn eigen woede van destijds weer voelde opborrelen.

Gisteravond sloeg ik Berman op. Inderdaad, het laatste hoofdstuk is het verhaal van Robert Moses en de vernietiging van de Bronx. En over het verweer van Jane Jacobs. Maar vooral over de mensen van de Bronx zelf. "These are the people of Faust’s new town, who know that they must win their life and freedom everyday anew." Hier klinkt de woede van Berman in door. Expliciet en persoonlijk wordt deze woede in de volgende passage: "I can remember standing above the construction site for the Cross-Bronx Expressway, weeping for my neighbourhood, vowing remembrance and revenge, but also wrestling with some of the troubling ambiguities and contradictions that Moses’ work expressed." Berman besluit het hoofdstuk met de vraag hoe met het modernisme als dat van Moses om te gaan. Het modernisme, dat is de verhevigde, permanente vernietiging en wederopbouw van onze steden en landschappen. "To be modern, I said, is to experience personal and social life as a maelstrom, to find one’s world and oneself in perpetual disintegration and renewal, trouble and anguish, ambiguity and contradiction: to be part of the universe in which all that is solid melts into air." Waarop hij laat volgen: "The be a modernist is to make oneself somehow at home in the maelstrom, to make its rythms one’s own, to move within its currents in search of the forms of reality, of beauty, of freedom, of justice, that its fervid and perilous flow allows."

Tagged with: