Stad van 100 kilometer

On 14 februari 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Scale’ (2017) van Geoffrey West:

 Afbeeldingsresultaat voor reos ministerie van bzk

Bron: Ministerie van BZK

Hoe groot is de bereidheid tot reizen? En kunnen we de afstand niet verder oprekken? Dat zijn de onderliggende vragen van de makers van REOS, de nieuwe nota Ruimtelijk Economisch Ontwikkelstrategie van de rijksoverheid. Door snellere verbindingen tussen de toplocaties in de grote steden en met Eindhoven te maken hopen de ambtenaren de agglomeratiekracht van Nederlandse steden te versterken. Die is namelijk te gering. Dat komt doordat onze steden relatief klein zijn. Op dit moment wordt daarom een ‘internationaal concurrerend portfolio van toplocaties’ ontwikkeld die complementair zouden zijn en die gezamenlijk een bijzondere economische potentie zouden aanboren. Hier vindt straks, aldus de nota, “concentratie van agglomeratievoordelen” plaats. Let wel, de beoogde ‘concentratie’ vindt plaats in een wijdlopig netwerk van onderling verbonden punten. Tussen Amsterdam en Eindhoven (126 km) bedraagt de reistijd op dit moment 1,41 uur, tussen Eindhoven en Rotterdam (110 km) 1,15 uur, tussen Amsterdam en Rotterdam (74 km) 1,10 uur. Maar dan moeten er geen files zijn. Met de HSL-Zuid kan tussen Amsterdam en Rotterdam een forse tijdwinst worden geboekt. Zo’n kostbare oplossing zou ook tussen de andere steden gevonden moeten worden.

Infrastructuur is dominant in het REOS-denken en het aanbrengen van zoveel mogelijk toplocaties een sport voor de steden die de uitvoeringsagenda van het Rijk hebben ondertekend. Door middel van grootschalige infrastructuur wordt hier geprobeerd om van Centraal Nederland één grote stad te maken. Exit Randstad. Kan zo’n netwerk van toplocaties ooit als kennisstad functioneren? De Israëlische transportingenieur Zahavi ontdekte in de jaren zeventig dat mensen waar ook ter wereld zelden langer willen reizen dan gemiddeld een uur per dag. Deze maat bepaalt uiteindelijk de omvang van steden. Alleen als het transport sneller wordt, kan een stad in omvang groeien. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ trekt de Brits-Amerikaanse wetenschapper Geoffrey West daaruit de volgende conclusie: “The size of cities has to some degree been determined by the efficiency of their transportation systems for delivering people to their workplaces in not much more than half an hour’s time.” De maximale omvang van steden, berekende West, is op dit moment 40 kilometer van rand tot rand. Bij REOS gaat het om een stad van tenminste 100 kilometer. Opgave is dus om de reistijd tussen de grote steden meer dan te halveren. Blijft de vraag welk ruimtelijk effect digitale infrastructuur zal hebben. Zelfs in Silicon Valley trekt iedereen op dit moment naar San Francisco. En kunnen al die investeringen niet beter ín de steden plaatsvinden? Trouwens, hoeveel extra agglomeratiekracht gaat deze kostbare spreidingsoperatie opleveren?  Ik kon het niet ontdekken.

Nog langer reizen

On 12 februari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ (2015) van R. Ponds en O. Raspe:

Afbeeldingsresultaat voor otto raspe reos

 

Op rijksniveau is hard gewerkt aan een ruimtelijk-economisch verhaal over de Randstad plus. De nota heet REOS. Op 23 november 2017 werd door de Minister van Binnenlandse Zaken het eerste uitvoeringsprogramma aangeboden aan de Tweede Kamer. Een position paper van de Utrechtse economisch geografen Roderik Ponds en Otto Raspe las ik in dat verband, uitgegeven door Atlas voor gemeenten in 2015. Kort gezegd zochten de auteurs een beleid gericht op agglomeratievoordelen voor het gebied dat niet alleen de vier grote steden in het Westen omvat, maar ook de regio Eindhoven. Uitgangspunt is dat het gespreide netwerk van kleine steden in Nederland te weinig agglomeratievoordelen biedt. Hoe zou je die kunnen vergroten? “Enerzijds zou dit kunnen door in te zetten op de groei van één stad zodat er tenminste één echt (middel)grote stad in Nederland kan ontstaan. Anderzijds zou dit kunnen door de huidige (‘polycentrische’) structuur als uitgangspunt te nemen en de economische kernregio’s van Nederland beter met elkaar te verbinden zodat de steden elkaar versterken.” De onderzoekers adviseerden het laatste. Wel stelden ze dat op dit moment agglomeratievoordelen nog vooral worden geboekt binnen de individuele stadsregio’s, en niet tussen de steden. Dus zeer grote infrastructurele investeringen zijn nodig om de steden op termijn van elkaars relatieve nabijheid te laten profiteren. Tot die tijd moet elk van de steden zijn ruimtevraag nog zoveel mogelijk zelf accommoderen. De logica van REOS is koersen op de aanleg van zeer kostbare en zware interregionale infrastructuur.

Los van het feit dat de auteurs een mooi overzicht geven van de wetenschappelijke literatuur over agglomeratiekracht, raakte ik vooral gefascineerd door het hoofdstuk over de reikwijdte van agglomeratievoordelen. Hoe kunnen Eindhoven, Amsterdam, Den Haag en Utrecht meer van elkaar profiteren? Daarvoor is in de eerste plaats ‘bereidheid tot reizen’ nodig. Hoe lang bent u als kenniswerker bereid om in de auto of de trein te zitten? En vooral: kunnen we die tijd verder oprekken? Ik citeer: “Vergeleken met de steden in het REOS-gebied zorgt de infrastructuur in Londen en Parijs ervoor dat de reistijden relatief beperkt zijn. Daar komt bij dat in monocentrische gebieden als Parijs en Londen een groot deel van de pendel plaatsvindt van de randen van de stad naar de meer centrale gebieden in de stad. Hierdoor is de feitelijke reisafstand voor inwoners van Londen en Parijs in de praktijk ‘de helft’ van de afstand tussen de steden in het REOS- gebied.” Pijnlijk is het om te lezen hoe metropoolvorming vervolgens achter de horizon verdwijnt. Met de mogelijkheid van die helft van de reisafstand wordt niets gedaan. Toch moet REOS slagen. In plaats van de reisafstand te verkleinen, gaat het Rijk deze tegen enorme kosten vergroten. Met andere woorden, in plaats van een metropool te bouwen moet iedereen straks nog verder reizen. En wat een agglomeratievoordelen dat straks biedt! Wordt vervolgd.

Arrogant?

On 7 januari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 januari 2017:

De toekomst van de stad

In een groot interview met Lex Boon in Het Parool van afgelopen zaterdag noemde de Rijksbouwmeester Floris Alkemade Amsterdam arrogant. “Ik ga geen steden arrogant noemen, maar ik vrees dat het wel het meest juiste woord is.” Dat er buiten Amsterdam geen ontwikkeling zou zijn, zo zei hij vanaf de achterbank van zijn dienstauto, is niet juist. Zo’n gedachte getuigt van arrogantie. Is Amsterdam arrogant? Ziet de hoofdstad de rest van het land niet staan? Alkemade onderbouwt het niet. Het is eerder dit. Alle grote metropolen worden door hun omgeving als arrogant gezien. In 2013 werd New York door de Amerikanen uitgeroepen tot meest arrogante stad by far (MailOnline 21 augustus 2013). Parijs werd in 2013 uitgeroepen tot hoofdstad van de arrogantie door de Financial Times. De Franse metropool zou te weinig op de buitenwereld  zijn gericht (Atlantico 2 februari 2013). Ook Londen wordt door vrijwel alle Britten als arrogant getypeerd. De Schotse Sunday Herhald vond dat de tien miljoen Londenaren binnen de ringweg M25 in een aparte stadstaat leefden en de rest van het Koninkrijk beschouwden als ‘de provincie’ (15 augustus 2013). SNP-leider Gordon Wilson noemde Londen zelfs een ‘kankergezwel’. In alle gevallen wordt naar de grootstedelijke elite gewezen, de geconcentreerde welvaart en het feit dat de inwoners van grote steden zich als wereldburgers beschouwen, niet als inwoners van het land. En ja hoor: er zou teveel publiek geld naar deze arrogante steden gaan.

De rest van het interview met Alkemade, die de belangrijkste adviseur is van de Nederlandse regering op het gebied van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gaat over de snelle groei van Amsterdam en waarom die niet zou deugen. Let op de toon. Alkemade: “Als je twee miljoen inwoners kunt vinden die graag in Amsterdam willen wonen, ga gerust je gang.” Hoe arrogant is dat? En let op de belangrijkste passage in het interview: als Alkemade wordt gewezen op de extreme prijzen die Amsterdammers voor een woning moeten betalen, ziet hij dit als de motor van toenemende segregatie. Amsterdam, met andere woorden, moet vooral níet groeien. Nee, op hulp van het Rijk hoeft de hoofdstad niet te rekenen. “In die zin hebben we het geluk dat we in Nederland niet één grote centralistische metropool hebben zoals Londen of Parijs, waarbij je als je niet in het centrum woont in een tweederangs periferie of banlieu belandt.” Het is een cliché, een populistische argumentatie die zo oud is als er steden zijn. De ruimtelijke ordening in ons land is er groot mee geworden. Conclusie: als het aan Den Haag ligt gaan we toe naar een nieuwe ronde van ruimtelijke deconcentratie. En kijk, zelfsturende auto’s ziet Alkemade als een belofte, dus nog meer blik en asfalt erbij; zelfs de Randstad vindt hij te klein. Zijn visie is niet duurzaam en ook niet profijtelijk. Het is precies waar ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ voor vreesde. De ruimtelijke concentratie die wijlen Dirk Frieling wilde komt er in ieder geval niet.

Tagged with:
 

Komkommertijd

On 17 augustus 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 augustus 2017:

Amper terug van vakantie lees ik dat de Vereniging Deltametropool opnieuw met het idee van een metropool die heel Nederland omvat de publiciteit heeft gezocht. Naar ik begrijp heeft mijn burgemeester, Eberhard van der Laan, in een aflevering van het recente VPRO-programma Zomergasten een lans gebroken voor de metropool en daarbij de Randstad en het Groene Hart hebben aanbevolen. Dat laatste is op zichzelf weinig opzienbarend. Dat deed zijn partijgenoot Jan Pronk ook al toen deze nog minister van ruimtelijke ordening was in het tweede kabinet-Kok en met hem eigenlijk alle sociaal-democraten sinds het partijleiderschap van Joop den Uyl. Maar het is zomer en dan worden er weer volop komkommers geoogst. Dus probeerde de dienstdoende journalist van Het Parool een aantal deskundigen te spreken over het onderwerp. Na veel moeite vond hij een hoogleraar in Enschede en ook een medewerker van de Vereniging Deltametropool in Rotterdam. En zo werd het wereldnieuws van vrijdag 4 augustus beheerst door het bespottelijke idee om heel Nederland tot één metropool te verklaren, met het Duitse Ruhrgebied als lichtend voorbeeld. Fijn voor de burger. Ook dat nog. Blij dat ik juist vertrokken was naar Afrika.

Kennelijk denken maar weinigen na over hoe noodlottig zo’n sterk uiteengelegd stedelijk systeem zou zijn. De ruimtelijke overdrijving in het modernistische idee van de Randstad was al aanzienlijk, maar het opblazen van de Randstad tot een verstedelijkte koek die ook Brabant en Gelderland omvat is ronduit megalomaan en in termen van duurzaamheid zelfs desastreus. Het zou vooral nieuwe infrastructuur vergen en de suburbanisatie verder aanjagen. Ik vraag me ook af of mijn burgemeester zoiets heeft bedoeld. Wat door deze geraadpleegde deskundigen in naam van de Amsterdamse burgemeester wordt aanbevolen is niet minder dan een liberaal scenario van eindeloze nieuwe VINEX-wijken, nog meer snelwegcorridors, shopping malls en golfterreinen en bovendien een heen-en-weer gesleep met toeristen, migranten en forensen, kortom een gruwelijk toekomstbeeld. Het Ruhrgebied is eerder afschrikwekkend dan aanlokkelijk. Een boek over het onderwerp schrijven helpt kennelijk niet. Hoeveel bewijs is er nog nodig dat mijn vakgebied – ruimtelijke planning – de weg kwijt is? Of was het gewoon komkommertijd?

Tagged with:
 

Randstadsprookje

On 23 januari 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Geschreven in ‘Waar verzet jij je tegen?’ (2017) van Mark Geels en Tim van Opijnen (red.):

Waar verzet jij je tegen?

Het duurde even voordat ik erachter kwam dat de Randstad een mooi, maar kostbaar sprookje is. Het verzet ertegen kwam direct daarna. De discussie over Het Groene Hart eind jaren ’90 van de twintigste eeuw was voldoende om me te doen beseffen dat het verhaal van de Randstad opvallende gelijkenis vertoont met ‘De kleren van de keizer’. Ook in het geval van Randstad en Groene Hart had de keizer namelijk helemaal geen kleren aan. Het ruimtelijke concept van de Randstad dateert van de jaren vijftig, maar heeft nooit in werkelijkheid bestaan en was zelfs op kaarten nimmer te traceren. Toch verschenen er midden jaren zestig buitenlandse publicaties over deze zogenaamde ‘Greenheart Metropolis’ en ‘Randstad Conurbation’ die onze voorvaderen verblindden en met intense trost vervulden. De Randstad was volgens de jonge Britse geograaf Peter Hall zelfs toegetreden tot het rijtje van zeven ‘Wereldsteden’. Wie had dat ooit gedacht? Voor niemand echter kan het een geheim zijn geweest dat de Randstad een fictie was, maar je dorst het gewoon niet toe te geven, want dan zou je voor je ambt niet deugen of je zou waarschijnlijk onvergeeflijk dom gevonden worden. Iedereen bleef de keizer dus roemen om zijn kostbare gewaden en iedereen leek erop gebrand om te zien hoe slecht of dom zijn buurman was. Vakgenoten noemen dat een planningsdoctrine.

De inliggende steden – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – dorsten al helemaal niet in de spiegel te kijken. En er waren ministers die Het Groene Hart verkochten als Central Park en de Randstad voorstelden als New York, net zoals er nu ministers zijn die aan ons, burgers, Nederland als één grote stad proberen te slijten. Allemaal onzin natuurlijk. Ik weet het nog goed. Als topambtenaar uit een van de grote steden zat ik in een stuurgroep Randstad 2040. In de vergaderingen op het Haagse departement deed de keizer zijn kleren uit en reikten de ontwerpers hem kledingstukken aan: koeien in de wei, grutto’s in de lucht, magneetzweefbanen in de polder, Randstadrail tot aan Roelofarendsveen, en verder heel veel asfalt en beton. We moesten vervolgens allemaal bevestigen dat de Randstad daarmee werkelijk schitterend zou worden en dat het Groene Hart zou worden behouden. Ja, zeiden alle hovelingen. Maar we zagen niets, want er was helemaal niets. De kamerheren deden echter net alsof ze de sleep opnamen en tastten met hun handen over de vloer, ze durfden niets te laten merken. De zoveelste publicatie over de Randstad werd voorbereid. Deze nieuwste zou nog mooier worden dan alle voorgaande. Ik voelde me net een klein kind dat de anderen toeriep: ‘Maar hij heeft niets aan!’ Wat waren ze boos! Het is ook nooit meer goed gekomen. Toch blijft de keizer nog altijd doen alsof hij de mooiste kleren aanheeft. Maar het volk weet beter en de keizer zelf beseft het ook. Hij durft zijn paleis niet meer uit. Sindsdien verzet ik me tegen het hele idee, want wie de naaktheid eenmaal heeft gezien kan alleen maar verzet aantekenen. Niet dat het helpt. Het westen van Nederland slibt onherroepelijk dicht en de minister smeert asfalt dat het een lieve lust is. Echte steden bouwt men in dit land nog steeds niet. Het volk zou zich een betere toekomst moeten dromen.

Tagged with:
 

Kiezen voor Tel Aviv

On 28 december 2016, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Urburb’ (2014) van Roy Brand en Ori Scialom:

Afbeeldingsresultaat voor the urburb

Nog voordat ik in zijn auto stapte gaf hij me een exemplaar van zijn boek in handen. Voor onderweg, zei hij, om in te lezen. Ori Scialom, die mij een lift gaf van Tel Aviv naar Jeruzalem, wilde dat ik kennismaakte met de ruimtelijke orde van de jonge Israëlische staat. In ‘The Urburb’ hebben hij en zijn collega Roy Brand nauwkeurig beschreven hoe die moderne orde na 1948 is ontstaan. Het boek begeleidde de inzending van Israël aan de 14e Architectuurbiënnale van Venetië, die van curator Rem Koolhaas. Een eerste nationale plan, opgemaakt door Aryel Sharon, een Israëlische architect die nog aan het Bauhaus had gestudeerd, zag, zo lees ik, in 1951 het licht. Het ging uit van ruimtelijke spreiding van de toekomstige bevolking van 2,6 miljoen Israëlieten over het gehele grondgebied van de jonge joodse staat. In die eerste decennia van staatsvorming werden door de regering liefst 400 dorpen gebouwd en meer dan 30 nieuwe steden gesticht. Niet meer dan 45 procent van de bevolking zou in grote steden mogen wonen, de meerderheid moest op het platteland, dat was het doel van de staat. Een Europees patroon werd nagestreefd, onderbouwd met quasi-wetenschappelijk onderzoek zoals de Centrale Plaatsentheorie van de Duitser Walter Christaller, alles op modernistische leest geschoeid: met ruimtelijk gescheiden functies, in afzonderlijke woonwijken, steden van een begrensde omvang, onderling goed verbonden, dus voorzien van veel infrastructuur, zonder de nadelen van de grote stad, anti-stedelijk dus. De overeenkomsten met de naoorlogse Nederlandse ruimtelijke ordening zijn opvallend, nee treffend.

Juist de nieuwe steden, aldus Brand en Scialom, zijn achteraf geen succes gebleken: te lage dichtheid, te weinig samenhang, te haastig neergezet, onvoldoende stedelijk, te afgelegen. Scialom: “The ‘alienation, degeneration and low quality of life’ in the big city, so consistently denounced by official State propaganda, were replaced in no time with homogeneity, remoteness and deprivation.” Vooral de vele infrastructuur die nodig was om de nieuwe steden te ontsluiten en met elkaar te verbinden bleek achteraf erg duur. Israël is hierdoor verslaafd geraakt aan de auto, het openbaar vervoer is er ondermaats. En uiteindelijk kozen veel burgers toch voor de grote steden: Jeruzalem, Haifa en Tel Aviv. Die koken nu over. Echter, toen de Likud partij in 1977 aan de macht kwam werd het alleen nog maar extremer. Rechtse regeringen handhaafden de ‘geconcentreerde’ spreidingspolitiek, die ze radicaliseerden en waarmee ze nu ook politiek wilden bedrijven. Mensen mochten van premier Menachem Begin hun eigen huis bouwen, later zelfs in bezet gebied: “The satellites were perplexing from the outset and seemed like a vengeful costume party of former public housing residents.” Terug in Nederland las ik over de resolutie van de VN-Veiligheidsraad die tijdens mijn bezoek was aangenomen. Dit is wat ik dacht. Los van het omstreden politieke karakter is het Israëlische spreidingsbeleid zwaar verouderd. Het is te kostbaar, niet duurzaam, onvoldoende inclusief, niet stedelijk gebleken. De regering zou voor de grootstedelijkheid van Haifa en Tel Aviv moeten kiezen.

Tagged with:
 

March of Folly

On 19 november 2016, in infrastructuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Den Bosch op 10 november 2016:

Afbeeldingsresultaat voor verstedelijking nederland

De uitnodiging kwam van VVAO Tilburg-Den Bosch, de Vereniging van vrouwen met hogere opleiding in Brabant. Ik zou spreken over ‘De toekomst van de stad’, mijn nieuwste boek. De reis ging van Amsterdam naar Den Bosch. De trein naar het zuiden zat die avond afgeladen vol. Maar de snelweg bood geen alternatief, want ook daar zat alle verkeer muurvast. Het weer was guur, nou ja het regende. Niet veel aan de hand dus, zou je zeggen. Maar met 900 kilometer file (dat is een file over een lengte van Amsterdam naar Zürich) bevond ik mij in de drukste avondspits van het jaar. Vanaf het Bossche station kreeg ik een lift met de auto naar kasteel Maurick in Vught. Ook aan de achterkant van het station stonden al lange files. Welkom in de Nederlandse polder. Geen betere aanleiding om die avond mijn betoog af te steken over de noodzaak van een metropool. Ik toonde de verstedelijkingskaart van Nederland waarop het leek alsof een fragmentatiebom in de twintigste eeuw een denkbeeldige metropool uiteen had doen spatten. Overal lagen brokjes stad verspreid over het land. Direct stuitte ik op verzet. Dat we een ernstige fout maken door wonen en werken ruimtelijk te spreiden, provincie bij provincie, alles in een extreem lage dichtheid, en daar maar aan vast te houden, wilde er bij de hoogopgeleide dames niet in. Dat inzicht groeide pas later die avond.

De dagen erna las ik de kranten. Opnieuw pleitten lezers voor nog meer asfalt, nog snellere treinen, zelfs weer voor de invoering van rekeningrijden. In De Volkskrant stelde een lezer voor om het spreidingsbeleid van de rijksoverheid te hervatten. Volgens deze meneer waren de grote steden de oorzaak van alle ellende: ‘Grote steden, grote files’ stond er boven zijn ingezonden brief. Nee meneer, het is andersom. Juist door het ontbréken van grote steden kampen wij met het ernstigste verkeersinfarct op aarde. En het wordt de komende jaren nog veel erger. Want de regering wil onze treinen door het land laten rijden alsof ze metro zijn en spendeert daartoe miljarden aan nieuwe wissels en perronverleningen; ze koerst bovenal op verdere wegverbredingen die het fileleed op termijn alleen nog maar zullen verergeren. Net als u begrijpt Den Haag niet dat Nederland behoefte heeft aan één grote stad. In plaats daarvan stimuleert ze verdere ruimtelijke spreiding, ook richting Brabant, en zet ze volop in op mega-infrastructuur. Het geheel duidt ze aan als Deltametropool. Wat een misvatting. Barbara Tuchman noemde zo’n collectieve actie richting afgrond een ‘March of Folly’. De wereld heeft er volgens haar verscheidene gekend. Zo’n mars kan alleen worden gestopt door oorlog of, in dit geval, door bevolkingskrimp.

Gemiste kans

On 10 november 2016, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De emancipatie van de periferie’ (2016) van Floris Alkemade:

 

Charmant maar flets essay van de rijksbouwmeester, Floris Alkemade. Of eigenlijk is het een gesproken tekst bij plaatjes. Op 1 november lanceerde Alkemade zijn ‘Emancipatie van de periferie’ in Scheveningen tijdens het zogenoemde rijksbouwmeesterscongres. In het verhaal, aldus het bijgeleverde persbericht, “ageert hij tegen de focus van planners op de stadscentra en pleit hij voor het benutten van de dynamiek en ruimte die de periferie biedt.” Hoezo focus van de planners op de stadscentra gericht? Was het maar waar. De focus van VINEX  en post-VINEX is juist op netwerken gericht, op dit moment ontbreekt zelfs elke focus. Het is een oude retorische truc: je afzetten tegen een denkbeeldige vijand. Geen woord over duurzaamheid, want daar is deze nationale bouwmeester niet van. Wel iets over leegstand. Maar denk niet dat dit tot inkeer leidt. Leegstaande woningen zullen verloederen en moeten dus worden gesloopt, maar Alkemade bestemt ze voor werken. Dream on! Opnieuw een pleidooi voor suburbanisatie en ruimtelijke spreiding afkomstig uit Haagse kokers. We komen er maar niet van af. Nee het is nog veel erger. Volgens de Brabander Alkemade heeft de Randstad afgedaan en moeten we het stedelijke veld nog veel groter trekken. Hij spreekt van een uitvergrote Randstad richting zuiden en oosten, precies zoals de bedenkers begin jaren ‘60 hadden voorspeld.

Wanneer hij over de structuur van de nationale verstedelijking schrijft, noteert Alkemade het volgende:  “Binnen deze structuur valt de zelfstandige kracht van Amsterdam op dat als enige echte Nederlandse metropool een uitzonderlijk sterke identiteit en aantrekkingskracht heeft.” Dit rangschikt hij onder “het fenomeen van de ongeremd aantrekkelijke hoofdsteden (…).” Een kaartje van Parijs zet hier de toon. Ja, Parijs! Banlieus! Het leidt volgens hem tot een ‘altijd weer pijnlijke segregatie van kansrijken en kansarmen’. Niet goed dus. Waarop hij de zoveelste lofzang op de polynucleaire structuur van de Nederlandse verstedelijking zingt. Alkemade: “Juist de open structuur biedt condities en een dynamiek die een palet aan gespreide ontwikkelingen mogelijk maakt.” Niet dus, juist een compacte, verdichte structuur biedt gunstige condities voor innovatie, ontwikkeling en bloei. Maar nee hoor, we gaan weer ruimtelijk spreiden. “Op het moment dat het verstedelijkte midden van Nederland in al zijn samenhang onderzocht en ontwikkeld wordt, ontstaat een metropool met ongekende kwaliteiten.” Nee joh, dan ontstaat er een zeer dunbevolkte metropool van bizarre afmetingen en gedomineerd door infrastructuur en verstoken van grootstedelijkheid. Zullen we dit maar beschouwen als een gemiste kans?

Keeping Amsterdam small

On 16 juli 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in Het Parool of 2 July 2015:

 

On Friday we would meet. Thursday he published his strong opinion in the local newspaper Het Parool: ‘Maak van Mokum geen megastad’ (‘Do not turn Amsterdam into a megacity’). Friso de Zeeuw, professor at Delft Technical University, always prompts his readers to use more common sense. His approach is mostly temperate, stolid. He loves to warn for eggheads, and yes, he’s very conservative. So my proposal to double Amsterdam made him furious.  “It is a very bad idea’. In his article he calls a city of only two million inhabitants a ‘megacity’. Worse even, he thinks Amsterdam just should not grow (sic!), “our relatively small scale urban structure has huge advantages.” Then he praises the Dutch landscape of water, cows and villages, which he thinks is favorable in terms of climate change. To proof that urban density is not a precondition to mass transit, he mentions the buslanes north of Amsterdam (Mr. De Zeeuw lives in the village of Monnikendam). The system functions all very well, he states. He also warns for social inequality: ‘Our small-scale  urban structure prevents social segregation, so from a social point of view this is a great thing’. Lastly he thinks a new governance structure will be needed if Amsterdam doubles. That will only cause trouble, he knows, so keep Amsterdam small.

It is not easy to reflect on things if somebody tries to ridicule your argumentation, exaggerates your thoughts, simply does not want to change anything at all. I only wish Mr. De Zeeuw would study the Dutch ecological footprint, which is one of the worst in the world, and would consider a more sustainable way of living. And maybe – no less important – he would enter the discussion on the agglomeration economies, where it all started. He simply missed it. Those agglomeration economies are considerably higher in dense urban structures than in networks of small-sized cities and villages, at least that is what I’m trying to proof. But what irritates me most, is Prof. De Zeeuw accusing me of a lack of scientific argumentation. Mentioning the Territorial Review 2014 of OESO in his view is not enough. Did he read it? Mr. de Zeeuw, who is also director New Markets at developer BPD (Bouwfonds), gives no scientific argumentation himself. He only scatters strong opinions. I need a break now. Let’s fly to London.

Polynuclear nonsense

On 19 juni 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in ‘The World Cities’ (1966) by Peter Hall:

 

Dutch planners love polynuclear patterns of urbanisation. They think these patterns are the most sustainable. Polynuclearity, they say, is the best you can get. The Dutch became world champions in developing polynuclearity and are still proud of it. It became part of the Dutch planning paradigm. It has to do with planning history. The Golden Age of Modernist planning were the sixties, when the young Peter Hall praised the socalled Randstad concept in The Netherlands. In his ‘The World Cities’ (1966) the Randstad is one of the seven ‘World Cities’, next to London, Paris, New York, Ruhr Area, Moscow, and Tokyo. Mind you! The little country next to the big Germany was praised by a young teacher from Birkbeck College London, who described it as a planning paradise. It made Peter Hall world famous, at least in The Netherlands. Problems of a world city in general, Hall declared, were its sheer size, its fast growth and complexity. Big cities would become too crowded. The biggest problem by far was the city-centre. So Hall advocated solutions he adopted from his hero-pioneer Ebenezer Howard. These were all utopian ideas – nineteenth-century schemes which were very anti-urban, something of a fusion of city and countryside. It was all nonsense of course, but Hall became the evangelist of decentralization: build new towns! Add green belts! Develop new centres! Dismantle the exisiting city! The Dutch promised to do all this. They were full of good intentions.

Polynuclearity fitted remarkably well in the existing Dutch geography of small cities, lacking real urban centres. So ironically the only thing Dutch planners had to do was avoid the coming of a big city. Which they did with fervour. Postwar planning in The Netherlands became vehemently anti-urban from the start. Polynuclearity is not wrong of course. If only you develop it within an existing agglomeration. The Dutch polynuclear pattern is different. It isn’t sustainable. The ecological footprint of The Netherlands is one of the worst in the world. Congestion though isn’t evil either, on the contrary, it is admirable, something really to aim for. And megacities are, in fact, the best and the most sustainable you can get. If only you keep them livable. For that, you don’t need huge amounts of countryside, but parks, not highways, but public transport, not many centres, but one big city-centre with many subcentres. Peter Hall thought the megaregion was not social. Again he was wrong. He just hated heterogeneity, diversity, chaos, density, and he was afraid of complexity. So are the Dutch. And the problem is: they all agree.