Komkommertijd

On 17 augustus 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 augustus 2017:

Afbeeldingsresultaat voor het parool metropool

Tekening: Peter Aquino,  Het Parool

Amper terug van vakantie lees ik dat de Vereniging Deltametropool opnieuw met het idee van een metropool die heel Nederland omvat de publiciteit heeft gezocht. Naar ik begrijp heeft mijn burgemeester, Eberhard van der Laan, in een aflevering van het recente VPRO-programma Zomergasten een lans gebroken voor de metropool en daarbij de Randstad en het Groene Hart hebben aanbevolen. Dat laatste is op zichzelf weinig opzienbarend. Dat deed zijn partijgenoot Jan Pronk ook al toen deze nog minister van ruimtelijke ordening was in het tweede kabinet-Kok en met hem eigenlijk alle sociaal-democraten sinds het partijleiderschap van Joop den Uyl. Maar het is zomer en dan worden er weer volop komkommers geoogst. Dus probeerde de dienstdoende journalist van Het Parool een aantal deskundigen te spreken over het onderwerp. Na veel moeite vond hij een hoogleraar in Enschede en ook een medewerker van de Vereniging Deltametropool in Rotterdam. En zo werd het wereldnieuws van vrijdag 4 augustus beheerst door het bespottelijke idee om heel Nederland tot één grote metropool te verklaren, met het Duitse Ruhrgebied als lichtend voorbeeld. Fijn voor de burger. Ook dat nog. Blij dat ik juist vertrokken was naar Afrika.

Kennelijk denken maar weinigen na over hoe noodlottig zo’n sterk uiteengelegd stedelijk systeem zou zijn. De ruimtelijke overdrijving in het modernistische idee van de Randstad was al buitensporig, maar het opblazen van de Randstad tot een verstedelijkte koek die ook Brabant en Gelderland omvat is ronduit megalomaan en in termen van duurzaamheid zelfs desastreus. Ik vraag me ook af of mijn burgemeester zoiets heeft bedoeld. Volgens mij begrijpt hij heel goed dat er naast een Amsterdam ook nog zoiets als een Rotterdam en Den Haag bestaan en dat hij daarmee als pragmatisch lokaal bestuurder heeft rekening te houden. Het idee van de metropool moet eindelijk eens landen in de zompige delta. Dan doe je af en toe concessies. Maar dit niet. Wat door deze geraadpleegde deskundigen in naam van de burgemeester wordt aanbevolen is niet minder dan een liberaal scenario van eindeloze VINEX-wijken, snelwegcorridors, shopping malls en golfterreinen en bovendien een heen en weer gesleep met toeristen, migranten en forensen, kortom een gruwelijk toekomstbeeld. Is het Ruhrgebied niet afschrikwekkend genoeg? Een boek over het onderwerp schrijven helpt kennelijk niet. Hoeveel bewijs is er nog nodig dat mijn vakgebied – ruimtelijke planning – bankroet is? Of was het gewoon komkommertijd?

Tagged with:
 

Randstadsprookje

On 23 januari 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Geschreven in ‘Waar verzet jij je tegen?’ (2017) van Mark Geels en Tim van Opijnen (red.):

Waar verzet jij je tegen?

Het duurde even voordat ik erachter kwam dat de Randstad een mooi, maar kostbaar sprookje is. Het verzet ertegen kwam direct daarna. De discussie over Het Groene Hart eind jaren ’90 van de twintigste eeuw was voldoende om me te doen beseffen dat het verhaal van de Randstad opvallende gelijkenis vertoont met ‘De kleren van de keizer’. Ook in het geval van Randstad en Groene Hart had de keizer namelijk helemaal geen kleren aan. Het ruimtelijke concept van de Randstad dateert van de jaren vijftig, maar heeft nooit in werkelijkheid bestaan en was zelfs op kaarten nimmer te traceren. Toch verschenen er midden jaren zestig buitenlandse publicaties over deze zogenaamde ‘Greenheart Metropolis’ en ‘Randstad Conurbation’ die onze voorvaderen verblindden en met intense trost vervulden. De Randstad was volgens de jonge Britse geograaf Peter Hall zelfs toegetreden tot het rijtje van zeven ‘Wereldsteden’. Wie had dat ooit gedacht? Voor niemand echter kan het een geheim zijn geweest dat de Randstad een fictie was, maar je dorst het gewoon niet toe te geven, want dan zou je voor je ambt niet deugen of je zou waarschijnlijk onvergeeflijk dom gevonden worden. Iedereen bleef de keizer dus roemen om zijn kostbare gewaden en iedereen leek erop gebrand om te zien hoe slecht of dom zijn buurman was. Vakgenoten noemen dat een planningsdoctrine.

De inliggende steden – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – dorsten al helemaal niet in de spiegel te kijken. En er waren ministers die Het Groene Hart verkochten als Central Park en de Randstad voorstelden als New York, net zoals er nu ministers zijn die aan ons, burgers, Nederland als één grote stad proberen te slijten. Allemaal onzin natuurlijk. Ik weet het nog goed. Als topambtenaar uit een van de grote steden zat ik in een stuurgroep Randstad 2040. In de vergaderingen op het Haagse departement deed de keizer zijn kleren uit en reikten de ontwerpers hem kledingstukken aan: koeien in de wei, grutto’s in de lucht, magneetzweefbanen in de polder, Randstadrail tot aan Roelofarendsveen, en verder heel veel asfalt en beton. We moesten vervolgens allemaal bevestigen dat de Randstad daarmee werkelijk schitterend zou worden en dat het Groene Hart zou worden behouden. Ja, zeiden alle hovelingen. Maar we zagen niets, want er was helemaal niets. De kamerheren deden echter net alsof ze de sleep opnamen en tastten met hun handen over de vloer, ze durfden niets te laten merken. De zoveelste publicatie over de Randstad werd voorbereid. Deze nieuwste zou nog mooier worden dan alle voorgaande. Ik voelde me net een klein kind dat de anderen toeriep: ‘Maar hij heeft niets aan!’ Wat waren ze boos! Het is ook nooit meer goed gekomen. Toch blijft de keizer nog altijd doen alsof hij de mooiste kleren aanheeft. Maar het volk weet beter en de keizer zelf beseft het ook. Hij durft zijn paleis niet meer uit. Sindsdien verzet ik me tegen het hele idee, want wie de naaktheid eenmaal heeft gezien kan alleen maar verzet aantekenen. Niet dat het helpt. Het westen van Nederland slibt onherroepelijk dicht en de minister smeert asfalt dat het een lieve lust is. Echte steden bouwt men in dit land nog steeds niet. Het volk zou zich een betere toekomst moeten dromen.

Tagged with:
 

Kiezen voor Tel Aviv

On 28 december 2016, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Urburb’ (2014) van Roy Brand en Ori Scialom:

Afbeeldingsresultaat voor the urburb

Nog voordat ik in zijn auto stapte gaf hij me een exemplaar van zijn boek in handen. Voor onderweg, zei hij, om in te lezen. Ori Scialom, die mij een lift gaf van Tel Aviv naar Jeruzalem, wilde dat ik kennismaakte met de ruimtelijke orde van de jonge Israëlische staat. In ‘The Urburb’ hebben hij en zijn collega Roy Brand nauwkeurig beschreven hoe die moderne orde na 1948 is ontstaan. Het boek begeleidde de inzending van Israël aan de 14e Architectuurbiënnale van Venetië, die van curator Rem Koolhaas. Een eerste nationale plan, opgemaakt door Aryel Sharon, een Israëlische architect die nog aan het Bauhaus had gestudeerd, zag, zo lees ik, in 1951 het licht. Het ging uit van ruimtelijke spreiding van de toekomstige bevolking van 2,6 miljoen Israëlieten over het gehele grondgebied van de jonge joodse staat. In die eerste decennia van staatsvorming werden door de regering liefst 400 dorpen gebouwd en meer dan 30 nieuwe steden gesticht. Niet meer dan 45 procent van de bevolking zou in grote steden mogen wonen, de meerderheid moest op het platteland, dat was het doel van de staat. Een Europees patroon werd nagestreefd, onderbouwd met quasi-wetenschappelijk onderzoek zoals de Centrale Plaatsentheorie van de Duitser Walter Christaller, alles op modernistische leest geschoeid: met ruimtelijk gescheiden functies, in afzonderlijke woonwijken, steden van een begrensde omvang, onderling goed verbonden, dus voorzien van veel infrastructuur, zonder de nadelen van de grote stad, anti-stedelijk dus. De overeenkomsten met de naoorlogse Nederlandse ruimtelijke ordening zijn opvallend, nee treffend.

Juist de nieuwe steden, aldus Brand en Scialom, zijn achteraf geen succes gebleken: te lage dichtheid, te weinig samenhang, te haastig neergezet, onvoldoende stedelijk, te afgelegen. Scialom: “The ‘alienation, degeneration and low quality of life’ in the big city, so consistently denounced by official State propaganda, were replaced in no time with homogeneity, remoteness and deprivation.” Vooral de vele infrastructuur die nodig was om de nieuwe steden te ontsluiten en met elkaar te verbinden bleek achteraf erg duur. Israël is hierdoor verslaafd geraakt aan de auto, het openbaar vervoer is er ondermaats. En uiteindelijk kozen veel burgers toch voor de grote steden: Jeruzalem, Haifa en Tel Aviv. Die koken nu over. Echter, toen de Likud partij in 1977 aan de macht kwam werd het alleen nog maar extremer. Rechtse regeringen handhaafden de ‘geconcentreerde’ spreidingspolitiek, die ze radicaliseerden en waarmee ze nu ook politiek wilden bedrijven. Mensen mochten van premier Menachem Begin hun eigen huis bouwen, later zelfs in bezet gebied: “The satellites were perplexing from the outset and seemed like a vengeful costume party of former public housing residents.” Terug in Nederland las ik over de resolutie van de VN-Veiligheidsraad die tijdens mijn bezoek was aangenomen. Dit is wat ik dacht. Los van het omstreden politieke karakter is het Israëlische spreidingsbeleid zwaar verouderd. Het is te kostbaar, niet duurzaam, onvoldoende inclusief, niet stedelijk gebleken. De regering zou voor de grootstedelijkheid van Haifa en Tel Aviv moeten kiezen.

Tagged with:
 

March of Folly

On 19 november 2016, in infrastructuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in Den Bosch op 10 november 2016:

Afbeeldingsresultaat voor verstedelijking nederland

De uitnodiging kwam van VVAO Tilburg-Den Bosch, de Vereniging van vrouwen met hogere opleiding in Brabant. Ik zou spreken over ‘De toekomst van de stad’, mijn nieuwste boek. De reis ging van Amsterdam naar Den Bosch. De trein naar het zuiden zat die avond afgeladen vol. Maar de snelweg bood geen alternatief, want ook daar zat alle verkeer muurvast. Het weer was guur, nou ja het regende. Niet veel aan de hand dus, zou je zeggen. Maar met 900 kilometer file (dat is een file over een lengte van Amsterdam naar Zürich) bevond ik mij in de drukste avondspits van het jaar. Vanaf het Bossche station kreeg ik een lift met de auto naar kasteel Maurick in Vught. Ook aan de achterkant van het station stonden al lange files. Welkom in de Nederlandse polder. Geen betere aanleiding om die avond mijn betoog af te steken over de noodzaak van een metropool. Ik toonde de verstedelijkingskaart van Nederland waarop het leek alsof een fragmentatiebom in de twintigste eeuw een denkbeeldige metropool uiteen had doen spatten. Overal lagen brokjes stad verspreid over het land. Direct stuitte ik op verzet. Dat we een ernstige fout maken door wonen en werken ruimtelijk te spreiden, provincie bij provincie, alles in een extreem lage dichtheid, en daar maar aan vast te houden, wilde er bij de hoogopgeleide dames niet in. Dat inzicht groeide pas later die avond.

De dagen erna las ik de kranten. Opnieuw pleitten lezers voor nog meer asfalt, nog snellere treinen, zelfs weer voor de invoering van rekeningrijden. In De Volkskrant stelde een lezer voor om het spreidingsbeleid van de rijksoverheid te hervatten. Volgens deze meneer waren de grote steden de oorzaak van alle ellende: ‘Grote steden, grote files’ stond er boven zijn ingezonden brief. Nee meneer, het is andersom. Juist door het ontbréken van grote steden kampen wij met het ernstigste verkeersinfarct op aarde. En het wordt de komende jaren nog veel erger. Want de regering wil onze treinen door het land laten rijden alsof ze metro zijn en spendeert daartoe miljarden aan nieuwe wissels en perronverleningen; ze koerst bovenal op verdere wegverbredingen die het fileleed op termijn alleen nog maar zullen verergeren. Net als u begrijpt Den Haag niet dat Nederland behoefte heeft aan één grote stad. In plaats daarvan stimuleert ze verdere ruimtelijke spreiding, ook richting Brabant, en zet ze volop in op mega-infrastructuur. Het geheel duidt ze aan als Deltametropool. Wat een misvatting. Barbara Tuchman noemde zo’n collectieve actie richting afgrond een ‘March of Folly’. De wereld heeft er volgens haar verscheidene gekend. Zo’n mars kan alleen worden gestopt door oorlog of, in dit geval, door bevolkingskrimp.

Gemiste kans

On 10 november 2016, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De emancipatie van de periferie’ (2016) van Floris Alkemade:

 

Charmant maar flets essay van de rijksbouwmeester, Floris Alkemade. Of eigenlijk is het een gesproken tekst bij plaatjes. Op 1 november lanceerde Alkemade zijn ‘Emancipatie van de periferie’ in Scheveningen tijdens het zogenoemde rijksbouwmeesterscongres. In het verhaal, aldus het bijgeleverde persbericht, “ageert hij tegen de focus van planners op de stadscentra en pleit hij voor het benutten van de dynamiek en ruimte die de periferie biedt.” Hoezo focus van de planners op de stadscentra gericht? Was het maar waar. De focus van VINEX  en post-VINEX is juist op netwerken gericht, op dit moment ontbreekt zelfs elke focus. Het is een oude retorische truc: je afzetten tegen een denkbeeldige vijand. Geen woord over duurzaamheid, want daar is deze nationale bouwmeester niet van. Wel iets over leegstand. Maar denk niet dat dit tot inkeer leidt. Leegstaande woningen zullen verloederen en moeten dus worden gesloopt, maar Alkemade bestemt ze voor werken. Dream on! Opnieuw een pleidooi voor suburbanisatie en ruimtelijke spreiding afkomstig uit Haagse kokers. We komen er maar niet van af. Nee het is nog veel erger. Volgens de Brabander Alkemade heeft de Randstad afgedaan en moeten we het stedelijke veld nog veel groter trekken. Hij spreekt van een uitvergrote Randstad richting zuiden en oosten, precies zoals de bedenkers begin jaren ‘60 hadden voorspeld.

Wanneer hij over de structuur van de nationale verstedelijking schrijft, noteert Alkemade het volgende:  “Binnen deze structuur valt de zelfstandige kracht van Amsterdam op dat als enige echte Nederlandse metropool een uitzonderlijk sterke identiteit en aantrekkingskracht heeft.” Dit rangschikt hij onder “het fenomeen van de ongeremd aantrekkelijke hoofdsteden (…).” Een kaartje van Parijs zet hier de toon. Ja, Parijs! Banlieus! Het leidt volgens hem tot een ‘altijd weer pijnlijke segregatie van kansrijken en kansarmen’. Niet goed dus. Waarop hij de zoveelste lofzang op de polynucleaire structuur van de Nederlandse verstedelijking zingt. Alkemade: “Juist de open structuur biedt condities en een dynamiek die een palet aan gespreide ontwikkelingen mogelijk maakt.” Niet dus, juist een compacte, verdichte structuur biedt gunstige condities voor innovatie, ontwikkeling en bloei. Maar nee hoor, we gaan weer ruimtelijk spreiden. “Op het moment dat het verstedelijkte midden van Nederland in al zijn samenhang onderzocht en ontwikkeld wordt, ontstaat een metropool met ongekende kwaliteiten.” Nee joh, dan ontstaat er een zeer dunbevolkte metropool van bizarre afmetingen en gedomineerd door infrastructuur en verstoken van grootstedelijkheid. Zullen we dit maar beschouwen als een gemiste kans?

Keeping Amsterdam small

On 16 juli 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in Het Parool of 2 July 2015:

On Friday we would meet. Thursday he published his strong opinion in the local newspaper Het Parool: ‘Maak van Mokum geen megastad’ (‘Do not turn Amsterdam into a megacity’). Friso de Zeeuw, professor at Delft Technical University, always prompts his readers to use more common sense. His approach is mostly temperate, stolid. He loves to warn for eggheads, and yes, he’s very conservative. So my proposal to double Amsterdam made him furious.  “It is a very bad idea’. In his article he calls a city of only two million inhabitants a ‘megacity’. Worse even, he thinks Amsterdam just should not grow (sic!), “our relatively small scale urban structure has huge advantages.” Then he praises the Dutch landscape of water, cows and villages, which he thinks is favorable in terms of climate change. To proof that urban density is not a precondition to mass transit, he mentions the buslanes north of Amsterdam (Mr. De Zeeuw lives in the village of Monnikendam). The system functions all very well, he states. He also warns for social inequality: ‘Our small-scale  urban structure prevents social segregation, so from a social point of view this is a great thing’. Lastly he thinks a new governance structure will be needed if Amsterdam doubles. That will only cause trouble, he knows, so keep Amsterdam small.

It is not easy to reflect on things if somebody tries to ridicule your argumentation, exaggerates your thoughts, simply does not want to change anything at all. I only wish Mr. De Zeeuw would study the Dutch ecological footprint, which is one of the worst in the world, and would consider a more sustainable way of living. And maybe – no less important – he would enter the discussion on the agglomeration economies, where it all started. He simply missed it. Those agglomeration economies are considerably higher in dense urban structures than in networks of small-sized cities and villages, at least that is what I’m trying to proof. But what irritates me most, is Prof. De Zeeuw accusing me of a lack of scientific argumentation. Mentioning the Territorial Review 2014 of OESO in his view is not enough. Did he read it? Mr. de Zeeuw, who is also director New Markets at developer BPD (Bouwfonds), gives no scientific argumentation himself. He only scatters strong opinions. I need a break now. Let’s fly to London.

Polynuclear nonsense

On 19 juni 2015, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Read in ‘The World Cities’ (1966) by Peter Hall:

 

Dutch planners love polynuclear patterns of urbanisation. They think these patterns are the most sustainable. Polynuclearity, they say, is the best you can get. The Dutch became world champions in developing polynuclearity and are still proud of it. It became part of the Dutch planning paradigm. It has to do with planning history. The Golden Age of Modernist planning were the sixties, when the young Peter Hall praised the socalled Randstad concept in The Netherlands. In his ‘The World Cities’ (1966) the Randstad is one of the seven ‘World Cities’, next to London, Paris, New York, Ruhr Area, Moscow, and Tokyo. Mind you! The little country next to the big Germany was praised by a young teacher from Birkbeck College London, who described it as a planning paradise. It made Peter Hall world famous, at least in The Netherlands. Problems of a world city in general, Hall declared, were its sheer size, its fast growth and complexity. Big cities would become too crowded. The biggest problem by far was the city-centre. So Hall advocated solutions he adopted from his hero-pioneer Ebenezer Howard. These were all utopian ideas – nineteenth-century schemes which were very anti-urban, something of a fusion of city and countryside. It was all nonsense of course, but Hall became the evangelist of decentralization: build new towns! Add green belts! Develop new centres! Dismantle the exisiting city! The Dutch promised to do all this. They were full of good intentions.

Polynuclearity fitted remarkably well in the existing Dutch geography of small cities, lacking real urban centres. So ironically the only thing Dutch planners had to do was avoid the coming of a big city. Which they did with fervour. Postwar planning in The Netherlands became vehemently anti-urban from the start. Polynuclearity is not wrong of course. If only you develop it within an existing agglomeration. The Dutch polynuclear pattern is different. It isn’t sustainable. The ecological footprint of The Netherlands is one of the worst in the world. Congestion though isn’t evil either, on the contrary, it is admirable, something really to aim for. And megacities are, in fact, the best and the most sustainable you can get. If only you keep them livable. For that, you don’t need huge amounts of countryside, but parks, not highways, but public transport, not many centres, but one big city-centre with many subcentres. Peter Hall thought the megaregion was not social. Again he was wrong. He just hated heterogeneity, diversity, chaos, density, and he was afraid of complexity. So are the Dutch. And the problem is: they all agree.

Amsterdam verdubbelen

On 18 mei 2015, in demografie, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 22 januari 2015:

Drukte op het Damrak - foto copyright Hauptillusionator via Flickr (cc)

De aanleiding was de drukte in Amsterdam. Het televisieprogramma Nieuwsuur wilde er een item over maken. Was het er nou werkelijk zo druk? Ze zochten iemand die het onderwerp wilde relativeren. Ik moest onmiddellijk denken aan de recente demografische studie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Die ging over de bevolkingsgroei in Nederland. In ‘De stad: magneet, roltrap en spons’ (2015) wordt geconstateerd dat veel jongeren naar de grote steden trekken. Tussen 2000 en 2014 is Amsterdam met 80.000 inwoners (IJburg) gegroeid. Ook Utrecht (95.000, Leidsche Rijn), Groningen (20.000, De Held) en Den Haag (70.000, Ypenburg, Leidscheveen) zijn groeiers. Of die groei doorzet vindt het Planbureau onzeker. Het aantal jongeren zou immers afnemen. Werkelijk? Volgens mij is een nieuwe generatie VINEX-locaties in de grote steden veel bepalender voor doorgaande groei. En vergeleken bij die lichte demografische rimpeling zijn cijfers over groeiende bezoekersstromen in ieder geval voor steden veel relevanter. Waar is het rustig, waar wordt het druk?

Om hoeveel bezoekers gaat het eigenlijk?, wilde de reporter weten. Zelf kwam hij uit Haarlem. Daar was het niet zo druk. Zeventien miljoen bezoekers per jaar, antwoordde ik. Hij wilde het niet geloven. Het waren er toch niet meer dan 5 miljoen? Nee, lichtte ik toe, dat zijn alleen de buitenlandse toeristen die hier in hotels overnachten. De werkelijke bezoekersaantallen liggen veel hoger. Stephen Hodes hanteert een getal van 8 miljoen. Ik put uit de laatste Amsterdam City Index. Je hebt immers ook dagjesmensen, winkelend publiek, gasten die op campings in de regio logeren, de 0,6 miljoen mensen die op cruiseschepen in de haven overnachten, mensen die congressen en evenementen in de hoofdstad bezoeken, enzovoort. En, voegde ik eraan toe, de prognoses wijzen op een verdubbeling in de komende tien jaar. In 2005 kwamen 11 miljoen mensen naar de hoofdstad, in 2014 waren dat er al 17,3 miljoen. Elk jaar groeit hun aantal met circa 1 miljoen. Daarover maken de Amsterdammers zich zorgen. Worden zij straks een minderheid die onder de voet wordt gelopen? De wereld is groot, de urbanisatie zet door, de middenklasse groeit, iedereen wil reizen, en Amsterdam is klein. Wat moeten we doen?, vroeg de reporter vertwijfeld. Amsterdam verdubbelen, zei ik.

Tagged with:
 

De opslingering van Amsterdam

On 10 maart 2015, in economie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Besproken in B.Amsterdam op 6 maart 2015:

couleurlocale

Couleure Locale klinkt misschien kneuterig, maar is het beslist niet. Het betreft een initiatief van Emilie Vlieger en Kris Oosting. In het kader van het Jaar van de Ruimte 2015 organiseren deze twee jonge Utrechtse ondernemers het komende jaar een aantal Ruimteverkenningen op verschillende plekken in Nederland. De eerste vond afgelopen vrijdag plaats in Amsterdam. Daarvoor kozen ze als locatie B.Amsterdam – de nieuwe broedplaats naast IBM in Nieuw-West – , ze namen de internationale concurrentiepositie van Amsterdam als thema en, getriggerd door een interview met hem in Vrij Nederland, vroegen ze Zef Hemel als spreker.  Aansluitend nam Vincent Kompier, overgekomen uit Berlijn, de circa dertig deelnemers mee op metro-excursie. Het gezelschap, afkomstig uit heel Nederland en Vlaanderen, bezocht o.a. de Zuidas en het Marineterrein, waar Startup Delta is gevestigd. Wat was hun indruk? Ik vermoed, na de lezing, dat ze vooral in verwarring waren gebracht.

De lezing van Hemel ging over ‘De opslingering van Amsterdam’. Daarmee wilde hij zeggen dat er feitelijk geen keuze is: Amsterdam wordt door mondiale krachten opgeslingerd. Wie goed oplet ziet dat aan de lokale toeristenmarkt (‘drukte in de stad’), de woningmarkt (‘Amsterdam is een spons’), de kantorenmarkt (verziekt, maar op de Zuidas geen leegstand), enzovoort. Die opslingering komt door de verknoopte mondiale netwerken, de waarde van het merk ‘Amsterdam’ in de wereld, glasvezel en internet en nog zo wat zaken waarvan de betekenis de landsgrenzen verre overstijgt. Het enige wat we kunnen doen is de groei van Amsterdam proberen af te remmen. Dat doen we dan ook met volle kracht. Amsterdam zelf creëert bewust schaarste om vastgoedprijzen hoog te houden, haar bevolking wil liefst niet groeien en klaagt over de drukte, de regering, gesteund door het Interprovinciaal Overleg en in de nek geblazen door de Tweede Kamer, spreidt en smeert programma’s en geld uit over de provincies onder het mom van verdelende rechtvaardigheid, ruimtelijke ordening in Nederland is per definitie distributieplanologie opgevat als eng-nationaal gezelschapsspel, Europa ten slotte gedraagt zich als een fort dat immigratie verhindert. “Waarom zou je als Amsterdam ook moeten willen groeien?”, was de vraag die het bij de aanwezigen opriep. Inderdaad, de vraag stellen alleen al. De Nederlanders vonden het maar negatief, de Vlamingen juist verfrissend. Ik vlieg vandaag naar Seoul, waar men wel bereid is op te slingeren.

Tagged with:
 

Go with the flow

On 29 januari 2015, in economie, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Agglomeratievoordelen en de REOS’ van Roderik Ponds en Otto Raspe:

Figuur 3: Grondwaardesurplus meet baten van lokale investeringen in de stad van Moe Green

REOS staat voor Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsstrategie. Het betreft een nationale strategie-in-wording. Het Planbureau voor de Leefomgeving en Atlas voor Gemeenten schreven samen een position paper hiervoor. Dat gaat over agglomeratievoordelen. Agglomeratievoordelen zijn voordelen die je hebt als je elkaars nabijheid zoekt. Die voordelen lijken sterk te groeien. Hoe kan je daar maximaal van profiteren? Aanleiding is de discussie die door de OESO vorig jaar is aangezwengeld. De Nederlandse economie, schreef deze Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, mist grote kansen omdat ons land onvoldoende van agglomeratievoordelen profiteert. Waarom? Omdat onze steden te klein zijn. Waarop vakgenoten direct voorstelden het gebrek aan agglomeratievoordelen te ondervangen door snellere verbindingen te maken tussen de steden en de steden zelf bij elkaar ‘leentje buur’ te laten spelen. Die strategie heet ‘borrowed size’. Het voorstel gaat ervan uit dat  onze steden niet zullen groeien. Wat zeggen het Planbureau en Atlas voor Gemeenten?

Agglomeratievoordelen, aldus de onderzoekers, kun je in Nederland op twee manieren vergroten: door in te zetten op de groei van één grote stad of door de bestaande polycentrische structuur als uitgangspunt te nemen en de regio’s beter met elkaar te verbinden. De Haagse departementen kozen met REOS voor de tweede optie en vroegen de onderzoekers voor die ‘borrowed-size’ strategie voorstellen te doen. Alsof er iets te kiezen valt. Maar wat constateren de onderzoekers? Zij stellen vast dat agglomeratievoordelen zich op een veel lager schaalniveau voordoen dan gedacht. Die doen zich vooral voor op het niveau van de stad en haar directe omgeving. Meer infrastructuur tussen de stedelijke regio’s is duur en levert weinig op. De steden moeten zich ook niet specialiseren, maar juist grotere diversiteit nastreven. ‘Go with the flow’, zou de strategie moeten zijn. Dus niet geforceerd agglomeratievoordelen stimuleren, maar belemmeringen voor groei wegnemen. Anders gezegd, in hun position paper adviseren de onderzoekers het Rijk om af te zien van haar voornemen om voor polycentrische oplossingen te kiezen en in plaats daarvan de grote steden verder te laten groeien. Mits ze groeipotentie hebben, dat wel, dus niet geforceerd.

Tagged with: