De sloppenwijken van Moskou

On 13 december 2017, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC handelsblad van 12 mei 2017:

Afbeeldingsresultaat voor plan moscow renovation

 

Correspondent Steven Derix in Moskou schetste in NRC Handelsblad  in mei dit jaar een dramatisch beeld van een Russische overheid die met een sloopwet in de hand een miljoen inwoners van Moskou hardhandig zou willen verjagen. “Nog voor het einde van het jaar moet een miljoen Moskovieten gedwongen verhuizen.” Een ware exodus dreigde. Het jaar is inmiddels bijna verstreken. Hoeveel Moskovieten zijn er door de burgemeester verdreven? Niet veel. De zogenoemde ‘renovatie’ van 7900 appartementenblokken van 5 verdiepingen in wijken die door voormalig partijleider Chroesjtov in de jaren ‘50 en ‘60 van de twintigste eeuw rond het centrum van Moskou waren gebouwd stuit op felle weerstand van de bewoners. In mei gingen ze al de straat op. Het gaat om industrieel gefabriceerde complexen van goedkope woningen in een zeer lage dichtheid met heel veel groen maar zonder straten, doorgaans gesitueerd dicht bij de metrohaltes, een soort van Amsterdam Nieuw-West, maar dan goedkoper en van slechtere kwaliteit. Moskovieten noemen het sloppenwijken: de trushchoby. Na vijfentwintig jaar waren de woningen afgeschreven, maar mensen wonen er nog steeds. Niet gek om deze wijken aan te pakken. Echter na het einde van het Sovjetbewind hebben veel bewoners de huizen kunnen verwerven, dus weg gaan ze niet.  Ook niet vreemd dus dat dit voornemen van de overheid op verzet stuit van de prille huizenbezitters.

Voormalig burgemeester Loetsjkov was al in 1999 begonnen met de vervanging van de in slechte staat verkerende laagbouw door hoge woontorens van zeker vijfentwintig verdiepingen. Of beter gezegd, hij had dit aan de marktpartijen overgelaten. In de economische crisis van 2008 stokten echter deze commerciële praktijken. In 2013 had de nieuwe burgemeester Sobjanin er een definitief einde aan gemaakt, destijds tot grote opluchting van de bewoners. Het bewind van Lutschkov bleek corrupt. Ze had de projectontwikkelaars in de chroesjtsjovski teveel speelruimte gegeven. De enorme winsten die deze met de verwerving van de grond hadden gemaakt waren geheel in hun zakken verdwenen; de huiseigenaren hadden het nakijken. Amper vier jaar later besloot de burgemeester ineens het programma opnieuw te starten. Niemand die erop had gerekend. Ongetwijfeld heeft de economische recessie in Rusland met dat besluit te maken, evenals de verkiezingen van maart 2018. Maar ook past de renovatie in de transitie van Moskou naar moderne metropool. Sobjanin werd er geliefd mee. De burgemeester zegt van zijn kant 300 miljard roebels in de renovatie te willen steken; in totaal zou het gaan om een investering van 3 triljoen roebels (53 miljard dollar). Ook startte hij eind april een stedenbouwkundige competitie. De angst bij de bewoners voor corruptie en verdrijving is echter begrijpelijk. Alles hangt af van de wijze waarop de burgemeester omgaat met de belangen van de zittende bewoners. Tachtig procent denkt dat ze gecompenseerd zal worden, twintig procent vreest van niet. Een miljoen stemmers in maart verliezen zal de renovatie de burgemeester niet waard zijn. Maar dat de grondwaarde stijgt en de metropool Moskou verder zal verdichten is iedereen wel duidelijk.

Tagged with:
 

Stedelijke verbazing

On 7 december 2016, in politiek, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Jongens, maak het maar mooi’ (2016) van Max van den Berg:

Dramatisch keerpunt in de ambtelijke carrière van gemeentelijk topambtenaar Max van den Berg (1938-2016) is het rampjaar 1971. Dat las ik in zijn onlangs bij uitgeverij Thoth verschenen memoires. De grond in Amsterdam wordt hem dan te heet onder de voeten. Veel van zijn plannen worden in dat jaar afgeblazen door wethouder Han Lammers. Lammers zwicht voor de bewoners en actievoerders en wil voortaan behoud en herstel. Van den Berg ziet dat absoluut niet zitten. Hij wil juist een sterk verdicht centrum met veel cultuur, een nieuwe universiteitscampus en nieuwe attracties en daarvoor is sloop nodig. In een ‘bitter kroeggesprek’ vertelt Van den Berg zijn wethouder dat hij de handdoek in de ring gooit, hij heeft een adempauze nodig. De wethouder neemt het laconiek op. In de herfst vertrekt Van den Berg voor bijna twee jaar naar Den Haag, naar de toenmalige Rijksplanologische Dienst. In Amsterdam begint ondertussen de stadsvernieuwing, ambtelijke projectgroepen nemen de macht over van de centrale diensten. In zijn afwezigheid breekt de pleuris uit, want Lammers handhaaft de metroplannen in de Nieuwmarktbuurt, zeer tegen de zin van diezelfde bewoners-actievoerders. 

In Den Haag, ver weg van het Amsterdamse stadsgewoel, kijkt Van den Berg zijn ogen uit. Deftige departementen strijden er over ambtelijke beleidsnota’s. Men ontwikkelt er abstracte stadsmodellen. Vooral provincies manifesteren zich er, op jacht naar het grote geld. In Den Haag vindt men Amsterdam ‘arrogant’. Wat Van den Berg vooral opvalt: “Tot mijn stedelijke verbazing zie ik dat de landbouwkongsi van het departement van LNV, landbouworganisaties, de RABO-bank en de Universiteit van Wageningen veel sterker is dan de versnipperde stedelijke belangen.” Is het ooit anders geweest? Het Rijk heeft nooit belangstelling voor de grote steden gehad, de arrogantie die het Amsterdam verwijt is eerder een teken van Haagse afkeer van grootstedelijkheid dan van Amsterdamse hoogmoed, rijksdepartementen laten het hoofd hangen naar het sterke front van agrarisch Nederland, waartoe ook de provincies behoren. Dat heeft een verstrekkende invloed, want de staat neemt in die tijd alle dossiers over dankzij sterk groeiende rijksfinanciën. Van den Berg: “Rijk en provincies investeren zwaar in regionale infrastructuren.” Het grote geld ging, kortom, naar asfalt, ruilverkavelingen, zeehavens en deltawerken, niet naar steden. Op Amsterdam stuurde de regering de marechaussee af, om lastige relschoppers in de boeien te slaan en te detineren.

Tagged with:
 

Buurten omkatten

On 23 juli 2011, in stadsvernieuwing, stedenbouw, wonen, by Zef Hemel

Gezien in Amsterdam-West op 21 juli 2011:

Vandaag begin van de vakantie. Vier weken zonder blog. Dat wordt lastig. Op de valreep maakte ik nog een excursie door Amsterdam Nieuw-West. Wijkaanpak in de praktijk, opbouwwerk en stedenbouw met elkaar verenigd, maar ook: stilgevallen herstructurering. We bezochten wijk 5 in Slotermeer, we bleken in de voetsporen te treden van de wethouder Wonen, die ons nog niet zo lang geleden was voorgegaan. Wat me vooral opviel was de stilte op straat, het gebrek aan stadsleven, de verlaten sfeer. De onder handen genomen Burgemeester Roellstraat leek, geheel ontdaan van zijn hoge populieren, op een Atlantic Wall, de Burgemeester van Leeuwenlaan met zijn elegante winkelplint was uitgestorven, het nieuwe Confusiusplein, op wat voetballertjes na, oogde vernieuwd maar was compleet verlaten. Verrassend mooi oogde het oude laagbouwbuurtje ten zuiden van de Socratesstraat, de ruimtelijke werking van de haakjes rijtjeswoningen was ronduit overrompelend. Deze wederopbouwpanden bleken echter slecht onderhouden, ze schreeuwden om een grondige opknapbeurt. Elders was stevig gesloopt, maar door de stilgevallen productie gaapten hier nu grote gaten. Met bakken aarde waren daar nu wat groentetuintjes gefabriceerd. Ondertussen spraken we met de mensen van de woningcorporatie over self esteem van de bewoners. Hier waarde onmiskenbaar het spook van de stadsvernieuwing. Kun je dit soort buurten, verwikkeld in grootschalige omkatprocessen, met opbouwwerk aan de praat houden? Met groeiende twijfel sloeg ik het gade.

‘s Avonds stuitte ik via Twitter op een filmpje op SustainableCitiesCollective, gedateerd 21 juli 2011. http://bit.ly/npP3AX. Was het toeval? Het filmpje gaat over Neighborhoods, Placemaking & Active Living. Het is gemaakt door de Robert Wood Johnson Foundation. Ik kan het filmpje iedereen aanraden, het is bijzonder instructief. Het bevat een interview met de Amerikaanse urbaniste Jane Jacobs. Op hoge leeftijd legt ze nog één keer uit hoe je levendige stadsbuurten moet maken: geen verkeersstraten maar altijd gemengd verkeer, korte blokken, niet alleen wonen, een stevige dichtheid, veel straathoeken, netwerken van mensen, mensen die gezond bewegen, veel ogen op de straat. Zeg maar, stedenbouw en opbouwwerk met elkaar verenigd.

Tagged with:
 

Stadsvernieuwing volgens het Rode Boekje

On 3 juni 2010, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam op de helling’ (2010) van Herman de Liagre Böhl:

Eerder al schreef ik een item over het nieuwste boek van De Liagre Böhl, gewijd aan de Amsterdamse stadsvernieuwing. Ik vond het toen opvallend hoe positief de schrijver oordeelde. Ikzelf heb van de Amsterdamse stadsvernieuwingstijd een veel lagere dunk. Vandaag sprak ik Ab Oskam, oud-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam. Hij trad aan in 1981. Toen was de stadsvernieuwing in Amsterdam net op of over zijn hoogtepunt heen. Hij schetste me een beeld van die tijd. Het deed me denken aan de Culturele Revolutie van Mao die rond dezelfde tijd in China speelde. Het vernederen van de stedenbouwkundigen door de bureaucraten van de projectbureaus en de actievoerders in de wijken, het per definitie en op voorhand weigeren van elk ontwerp dat door de dienst was gemaakt, de onttakeling van de Afdeling Stadsontwikkeling, de opheffing van de Dienst der Publieke Werken in 1979. Oskam moest na zijn aantreden de hele dienst weer opbouwen. De meesten waren vertrokken, zij die waren gebleven hadden een ernstig trauma opgelopen. Het was allemaal vernederend geweest, verschrikkelijk.

In ‘Amsterdam op de helling’ wordt een heel ander beeld van dit tijdperk geschetst. Tegenstellingen tussen de diensten overheersten, zo luidt het. "Vooral de tegenstelling tussen het grootstedelijk denken van SO en de buurtgerichte visie van Volkshuisvesting bemoeilijkte de werkzaamheden. Bovendien ontbrak het de projectgroepen aan een mandaat om zelfstandig beslissingen te nemen." Even verderop wordt klakkeloos Frans van de Ven van de PPR geciteerd toen deze in een nota uit 1972 beweerde dat de structuur van de stad pas ontstaat wanneer mensen daarover met elkaar en met de overheid gaan praten. De Liagre Böhl: “Tot zo’n benadering van onderop was SO pertinent niet in staat.”  Ineens wordt me duidelijk dat hier wel heel eenzijdig over de stadsvernieuwing wordt geschreven, alsof Mao nog steeds regeert. Ook besef ik pas goed dat de antistemming anno 2010 (weg met de overheid!) in Nederland al een aanvang neemt in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het wordt tijd voor een nieuw, groot boek. Een echte aanklacht. Een aanklacht tegen de wrede, onmenselijke stadsvernieuwing.

Zo grondig mogelijk

On 14 maart 2010, in stedenbouw, by Zef Hemel
Gelezen in ‘Amsterdam op de helling’ (2010) van Herman de Liagre Böhl:
Afgelopen week begon Piet de Rooy over het boek. Ik kende het nog niet. Het gaat over de Amsterdamse stadsvernieuwing. Auteur is Herman de Liagre Böhl, hoofddocent politicologie aan de UvA. Niet iemand uit het vak dus. Steekproefsgewijs begin ik te lezen. Omdat ik gisteravond bij Gert Urhahn was, die me vertelde over zijn beginjaren bij de Dienst Ruimtelijke Ordening en waarbij de vernieuwing van Kattenburg de revue passeerde, lees ik in ‘Amsterdam op de helling’ het hoofdstuk over de vernieuwing van de Oostelijke Eilanden. Voor de goede orde, het betreft hier de vroegste stadsvernieuwing in Amsterdam. Het is direct smullen.
Het ‘wederopbouwplan’ voor de Oostelijke Eilanden kwam in 1953 gereed. Begonnen werd met Kattenburg. Aanvankelijk verliep de sanering langzaam. De ambtenaren kregen de opdracht een plan voor dit eerste eiland te maken. Hun oordeel: ‘De sanering moet zo grondig mogelijk gebeuren.’ Alle woningen zouden worden gesloopt. Dit ambtelijke advies werd aanvaard. Rond 1400 gezinnen zouden moeten verhuizen. En dat terwijl er woningnood heerste. Vanaf 1963 begint men met onteigenen en ontruimen. Woningen die leegkomen worden niet gesloopt, maar komen leeg te staan. Leegstaande panden worden clandestien bezet. Het zijn de eerste ‘stadsnomaden”. In 1966 kopt De Telegraaf: ‘Kattenburg: vergaarbak van menselijke ratten.’ In 1969 worden de laatste Kattenburgers ontruimd. Burgemeester Samkalden viert dit in Frascati met de leuze ‘Tot ziens op Kattenburg!’ Vrijwel geen enkele bewoner zal later echter terugkeren. Want het zal nog tot 1973 duren voordat met de nieuwbouw een begin wordt gemaakt. Wat in de jaren ’50 werd bedacht, wordt pas ruim twintig jaar later uitgevoerd.
 
Wat de auteur niet vermeldt is dat het nog tot begin jaren ’70 de bedoeling was de Kattenburger Vaart geheel te dempen en Kattenburg en Wittenburg samen te voegen. Gert Urhahn vertelde me gisteravond dat hij tijdens het samenwerken met de architecten het water wist te redden. Een deel moest worden versmald, dat wel. Maar de verkaveling op het eiland werd toch aangepast aan dit stedenbouwkundige reddingsplan, dat mede werd ingegeven door praktische redenen: de fabrieken aan de overzijde, op Wittenburg, dreigden te verzakken als het water werd gedempt. In die twintig jaar tijd waren de gedachten van de stedenbouwkundigen dus wel degelijk veranderd. Althans van sommige. Want de directie van de Dienst Ruimtelijke Ordening was over de actie van een van zijn medewerkers not amused. Het bestemmingsplan was namelijk al vastgesteld. Urhahn had zich er niets van aangetrokken. Dat plan moest dus worden herzien. En zoiets kost drie jaar.
 
Tagged with:
 

Verhelderend

On 24 oktober 2009, in stadsvernieuwing, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 23 oktober 2009:

Remco Daalder, stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening, was moderator deze avond. Er werd gesproken over het ontwerp van Karres en Brands voor de Oostelijke Eilanden. Motto: Bedreigde vrijheid. Zelf kwam Daalder van Kattenburg, een van de eilanden. Bijna zijn hele familie kwam van Kattenburg: zijn ouders, grootouders en overgrootouders – vier generaties Daalder. Niemand in de zaal kon daaraan tippen, ook geen van de aanwezige bewoners. Hij schilderde met scherp oog voor detail het leven op de eilanden, het isolement, de dicht opeengepakte mensenmassa, de slechte woningtoestanden, het anarchisme, de vrijheid, de eigen wetten, maar ook de vele kroegen, het drankmisbruik en de knokpartijen tussen de Kattenburgers en de Wittenburgers op de brug die de beide eilanden van elkaar scheidde, het familieleven per woningblok, de intense sociale controle waaraan zijn moeder na de oorlog maar wat graag ontvluchtte. Want na de oorlog werden de bouwvallige huizen op de eilanden afgebroken en in stadsvernieuwing opnieuw opgetrokken. Weg kroegen, weg sociale leven, weg isolement. "We hebben het vanavond over vrijheid en isolement. Laten we niet vergeten dat het isolement van de eilanden twee kanten heeft, evenals die zogenaamde vrijheid."

Marco Broekman van bureau Karres en Brands construeerde daarna het verhaal over ‘bedreigde vrijheid’. Het ontwerp, dat niet als een plan mocht worden opgevat, was opgebouwd uit drie interventies: het autovrij maken van de eilanden, het terugbrengen van het isolement door het terugbrengen van het water en het introduceren van tien ‘vrijdenkplaatsen’ – ommuurde open ruimtes die telkens voor tien jaar werden uitgegeven aan bedreigde kunstenaars, politici en intellectuelen. De ‘evenementisering’ van de binnenstad zou aan de Oostelijke Eilanden voorbij gaan, want de ontwerpers "wilden niet alles met elkaar in verbinding brengen" – de toeristenstromen gingen over fiets- en voetgangersbruggen via de Valkenburgerstraat naar de cruiseterminal via de mond van de IJtunnel, die herschapen was in een heus ”Museumsinsel’ met nog drie musea erop en de tunnel buiten werking gesteld. Zo ontstond het paradoxale beeld van een druk bezocht NEMO-eiland en een verstild eilandenrijk dat de ontwerpers nota bene vergeleken met Venetië: een geheel autovrij eilandenrijk, bevolkt door 60.000 Venetianen, maar tegelijk bezocht door miljoenen toeristen uit de hele wereld. Broekman rook onraad; helemaal consequent, gaf hij toe, was zijn redenering niet.

Enfin, het isolement hoefde van de aanwezige bewoners niet terug en helemaal autovrij maken, daar geloofden ze niet in. "Mensen moeten toch met hun auto, af en toe." Daalder geloofde zelfs dat auto’s op straat goed is voor de sociale controle. "Mensen kijken eerder op straat als ze iets horen, bang als ze zijn dat hun auto wordt beschadigd". Maarten Kloos, directeur van ARCAM, richtte zich op de versterking van het isolement. Hij was teleurgesteld in de ontwerpers, zei hij. Hij wilde nog veel meer water graven. Maar het gesprek concentreerde zich al snel op de derde interventie, want vooral tegen de ‘vrijdenkplaatsen’ rees bezwaar. Fons Elders, de filosoof, bewoner en initiatiefnemer van het Vierwindenhuis op de kop van Wittenburg, dacht dat het ‘gated communities’ waren en vertelde van het binnenterrein van zijn bouwwerk, waar ‘nooit een politieman zou mogen komen’, maar dat wel vier ingangen kende die altijd open stonden, al twintig jaar. De curator bracht in dat hier de overheid de vrijheid van het zwakke beschermde en zijn rol van ‘nachtwakerstaat’ op zich nam. De verwijzing van Broekman naar het gedwongen verblijf van Ayaan Hirshi Ali gedurende de bedreigingen aan haar adres op de eilanden, in het Marine-etablissement, bracht Kloos in verwarring, die dacht dat bunkers in het spel waren en die vertelde hoe hij vanuit zijn raam bij ARCAM op de commandantswoning uitkeek waar Ayaan verbleef. "Ze woonde er schitterend, in een prachtige villa, aan het water, omringd door groen!" Daalder verwees naar de activiste LaDonna Redmond, die in de ghetto’s van West-Chicago groenten in moestuinen was begonnen te kweken. "Waarom de ommuurde ‘vrijdenkplaatsen’ alleen voor bedreigde kunstenaars bestemmen? Waarom niet voor het kweken van groenten en andere vrije initiatieven?" Jeroen, die ook in het Vierwindenhuis woonde, vertelde hoe de bewoners de inrichting van de eilanden het liefste zagen. Het klonk alleszins redelijk en sloot in veel opzichten op het ontwerp van Karres en Brands aan. Ze hadden moeite met de wijze waarop het stadsdeelbestuur de eilanden zag en hoopten op een nieuw bestuur met andere inzichten. Hij verwees naar de vrijplaatsen langs de Dijksgracht. Die vond hij in orde, hij noemde ze vrijplaatsen en hoopte dat ze zouden blijven.

In de loop van de avond begonnen de aanwezigen steeds meer te begrijpen dat de maquette geen plan verbeeldde, maar heel iets anders. Er ontspon zich een gesprek waarbij hele praktische zaken werden afgewisseld met de meest abstracte filosofische redeneringen. Fons Elders miste bijoorbeeld een filosofische basis onder de ideeën rond vrijheid in het ontwerp waardoor alles aanvechtbaar was en uiteengeslagen kon worden, terwijl de curator vroeg of we niet ergens op de eilanden zouden kunnen beginnen met het autovrij maken. En als de bewoners er niets voor voelden, zouden we het ontwerp dan niet kunnen realiseren op de eilanden van IJburg Tweede Fase? "Stel je voor, 8000 huishoudens zonder auto voor de deur, overal kinderen spelend op straat, op elke hoek weer een winkeltje of een kroeg, een Vlieland-gevoel voor de kust van Amsterdam, tien Blijburgen erbij!" Wiebe Eijbers verwees naar het GWL-terrein in Westerpark. Ook daar was de auto radicaal uit de buurt gehaald. Het kan! Tuinen waren ervoor in de plaats gekomen, en café restaurant Amsterdam. Al tien jaar wonen de mensen daar zeer tevreden. Vrolijk eindigde de avond met een commentaar van Remco Daalder op alle ideeën. Daarmee sloot hij de cirkel die hij twee uur eerder geopend had.

Tagged with:
 

Zinkend schip

On 9 november 2008, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 8 november 2008:

Twee omstreden kwesties domineren op dit moment de Rotterdamse politiek. Ze hangen onderling sterk samen. De ene is het voornemen om een ‘urban culture podium’ te vestigen op het arme, kinderrijke Zuid. Dat gaat ten koste van poppodia op Noord. En het kost ook nog eens 11 miljoen euro. Plus het uitkopen van een ondernemer op Zuid voor 2,9 miljoen. De tweede is de uit de hand gelopen renovatie van een oud cruiseschip op datzelfde Rotterdam-Zuid. Dat schip zou aanvankelijk 6 miljoen kosten, maar blijkt nu liefst 200 miljoen euro te vergen. Beide projecten komen voort uit de politieke behoefte om Rotterdam-Zuid op te nemen in de vaart der volkeren. Beide projecten zijn uitgelopen op financieel omsteden kwesties. En ze staan niet op zichzelf. Want vele mislukte projecten gingen eraan vooraf. "Dat roept in Noord keer op keer afgunst, wantrouwen en woede op," schrijft De Volkskrant deze zaterdag. SP en Leefbaar Rotterdam – nou niet direct de partijen die domineren op Noord – vinden dat ‘schandelijk’ veel gemeenschapsgeld in deze ‘bodemloze put’ wordt gestort. Ze dienden een motie van wantrouwen in. Maar die haalde het net niet.

De situatie toont een treffende gelijkenis met de die van de Randstad. Ook daar heb je een dynamische Noordvleugel en een stagnerende Zuidvleugel. Er wordt enorm veel gemeenschapsgeld gestopt in de Zuidvleugel (Kop van Zuid, Tweede Maasvlakte, Betuwelijn, Randstadrail enzovoort), maar het lijkt niet echt te helpen. Het blijken vaak prestigeprojecten die veel geld kosten en maar één dimensie van ontwikkeling bedienen. Overigens gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de Noordvleugel ook zijn deel krijgt. Toch worden de projecten daar minder heilzame  werkingen toegedicht. "Seeing like a State," noemt James Scott dat. Het is gesimplificeerd denken, grootschalig van karakter, met een overmaat aan zelfvertrouwen. Wordt het niet eens tijd voor een andere benadering? Een bescheiderner, meer organische? Een minder politiek gestuurde? Met wat meer reflectie? Minder doenerig, maar vruchtbaarder.

Tagged with: