Duivelsnest Houston

On 1 september 2017, in water, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Edward Glaeser:

Bron: Newgeography 2016.

Ineens was daar Houston, Texas; de Amerikaanse stad werd wereldnieuws. Met de komst van de orkaan Harvey begon het in deze zuidelijke stad in de Verenigde Staten extreem te regenen: 1300 mm neerslag in een paar uren tijd. Alles liep onder, mensen verdronken, de schade is enorm. Veel las ik in de Nederlandse kranten over kustbescherming en waterwerken, weinig over de stad zelf. Houston, de vierde stad van de VS, telt inmiddels al 2,5 miljoen inwoners. Ze beslaat een oppervlak bijna zo groot als heel Nederland (10.000 vs 13.000 vierkante mijl), voornamelijk prairiegrond. Sinds 2000 zijn er meer dan een miljoen mensen in Houston gaan wonen. De stad groeit explosief, mensen wonen er in een extreem lage dichtheid. De Amerikaanse econoom Edward Glaeser gebruikt in ‘Triumph of the City’ (2011). Houston als voorbeeld van een stad die buitengewoon succesvol is in het aantrekken van nieuwe bewoners. Maar, schrijft hij, Houston is ook mikpunt van spot. Mensen aan de Oost- en Westkust kijken op de stad neer en beschouwen haar als niet minder dan een duivelsnest. Glaeser vraagt om begrip.

Voor de middenklasse, schreef hij in 2011, is Houston een geweldig alternatief. Wonen in deze Texaanse stad is gewoon veel goedkoper dan wonen in New York, San Francisco, Los Angeles of Boston. Vooral de middenklasse weet ze aan te trekken, ook al moet die gemiddeld 98 dagen per jaar een temperatuur van boven de 32 graden Celsius verdragen. Glaeser: “You get much more house in Houston, and you pay a lot less for it.” En scholen zijn er niet slechter dan in New York. “For middle-income people, the biggest economic advantage of Texas is not lower taxes or higher incomes, but affordable housing.” Waarop Glaeser zich afvraagt waarom huizenprijzen in Houston zoveel lager zijn dan elders. Antwoord: de grond is er goedkoop. En geef toe, Amerika heeft grond genoeg. Slechts 3 procent van het landoppervlak is stedelijk. Daarom ook spenderen Amerikanen gemiddeld niet meer dan 25 procent van hun inkomen aan huisvesting. Behalve in de grote steden. In Los Angeles is wonen 350 procent duurder dan in Texas, in New York nog veel meer. En dat heeft niets te maken met bouwkosten. Er is genoeg land, maar daarop mag niet worden gebouwd. Vandaar dat Houston maar blijft groeien terwijl de bevolking van New York, San Francisco, Chicago en Los Angeles stagneert. Glaeser: “If older cities with high prices are going to compete, then they must act more like Houston and allow more building.” En ze moeten verder de hoogte in. Echter, doordat ze dat niet doen groeit de bevolking spectaculair juist op de plaats waar Harvey afgelopen week genadeloos toesloeg: in Houston.

Tagged with:
 

Schijnbare chaos

On 3 juli 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schijnbare chaos’ (1989) van Götz Nassuth:

De conservator van Het Nieuwe Instituut te Rotterdam zocht contact. In het archief van onderzoeker Theo van Lohuizen (1890-1956) waren kaartenbakken met fiches aangetroffen. Op elk fiche is een uitsnede uit de topografische kaart van Nederland geplakt, telkens rond een nederzetting, een gehucht, dorp, stad, grootstedelijke kern. Ernaast staan systematisch gegevens over de omvang en groei met pen geschreven. De herkomst van de bakken was onduidelijk. Er zat een verwijzing bij naar mij. Vandaar het contact. Ineens herinnerde ik me weer mijn bezoek aan Götz Nassuth, oud-medewerker van de Rijksplanologische Dienst en voormalig student-assistent van Van Lohuizen op de Technische Hogeschool te Delft. Het moet rond 1995 zijn geweest. Daar, aan de kade in Amsterdam-Zuid, had ik de kaartenbakken gezien. Ze dateerden uit de Delftse periode van Nassuth. Ze zagen er aandoenlijk uit. Götz had me gevraagd wat hij ermee aan moest. Waarop ik hem adviseerde ze af te leveren bij de Droogbak in Amsterdam, bij het toenmalige Documentatiecentrum voor de Bouwkunst. Wat hij daarna ook deed. Korte tijd later stierf hij.

Nassuth was met Cornelis van Eesteren de ontwerper van Lelystad, net zoals zijn broer Siegfried samen met Van Eesteren de ontwerper was van de Bijlmermeer. Anders dan zijn broer school bij Götz de interesse eerder in het wetenschappelijke onderzoek naar verstedelijking dan in het tekenen van verkavelingen. Hoe groeien steden? Welke patronen zijn daarin te ontwaren? Nassuth ontdekte de chaostheorie. Deze bijzondere belangstelling had hij geërfd van zijn leermeester Van Lohuizen. Bij zijn afscheid in 1989 van de Rijksplanologische Dienst publiceerde Nassuth zijn levenswerk, gebundeld in een fraai boekwerk, getiteld ‘Schijnbare chaos’. Ik heb nog een exemplaar. Op het omslag staan fractale patronen. Steden, schreef hij, groeien organisch. Ze planmatig ontwikkelen heeft weinig zin; ze gaan hun eigen gang. Nassuth: “Met die alles hou ik geen pleidooi voor luiheid en achteloosheid met betrekking tot concepties van een wereld die ons de dag van morgen wacht. Wat hier wordt bepleit is juist meer eenheid in die concepties te bevorderen door erop te wijzen dat het streven naar het mechanistische ideaal van perfectie in al ons doen en laten een gepasseerd station is.” Dat schreef hij daags na publicatie van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988), waarin de woningcontingenten door overheidsinstanties planmatig over de verschillende kernen werden verdeeld. Het resultaat? Ga maar rijden door Nederland. Ondanks alle planning schijnbaar chaotisch.

Tagged with:
 

Paleis van de toekomst

On 14 januari 2017, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Zhang Jian and the World Exposition in the Early Years of the 20th Century’  van Ma Min en Ai Xianfeng:

 

Bezoek gebracht aan Tokio. Met zijn 36 miljoen inwoners is de Japanse hoofdstad nog altijd de grootste stad op aarde. Opnieuw vond ik het indrukwekkend. Met Japan gaat het al jaren niet goed – er is sprake van een sterke demografische en economische krimp -, maar in Tokio zelf merk je daar weinig van. Haar bevolking groeit nog steeds, zij het bescheiden, terwijl haar grootstedelijke diensteneconomie onverminderd goed presteert. Dat krijg je als een stad groot en divers is. De opbloei van de stad begon in 1868, toen het geïsoleerde Japan onder druk van de Amerikanen zijn grenzen opende voor de buitenwereld en de keizer besloot Kyoto als hoofdstad in te ruilen voor het centraal gelegen Edo, het huidige Tokio. De modernisering verliep daarna verrassend snel. Wat heet, Tokio maakte een ongekende bloeiperiode door, een gouden eeuw die duurde tot de grote aardbeving van 1923, zes jaar later gevolgd door de economische crisis van de jaren dertig. Tokio was destijds de eerste Aziatische stad die haar economie volledig industrialiseerde. Haar bevolking verdubbelde in korte tijd, waardoor ze definitief uitgroeide tot de grootste stad op aarde, een positie die ze daarna niet meer prijs zou geven.

Wat was eigenlijk de katalysator van die snelle opbloei en modernisering? Ik zocht ernaar in de vakliteratuur en vond allerlei keizerlijke maatregelen van bestuurlijke vernieuwing. Is bestuurlijke vernieuwing dan werkelijk zo belangrijk? Ik twijfelde, dus ik zocht verder. Aan de basis, las ik, lag een door de keizer benoemde commissie die in 1871 naar Europa en Noord-Amerika was gereisd om de industriële revolutie daar te bestuderen. Haar aanbevelingen zouden later per keizerlijk decreet worden uitgevoerd. Een van de aanbevelingen betrof de bouw van een Crystal Palace, bedoeld voor grote toekomstgerichte tentoonstellingen. De eerste tentoonstelling – die van 1851 – had in Londen miljoenen mensen op de been gebracht en geïnspireerd; Londen had er zijn hernieuwde opbloei aan te danken. In datzelfde Londen had de commissie de tweede versie van Crystal Palace in Sydenham bezocht. Bij terugkomst beval ze de keizer aan een soortgelijk Paleis voor Volksvlijt in de hoofdstad te bouwen.  Het kwam te staan in het pas geopende Ueno Park. In 1877 vierde Tokio hier zijn eerste grote industriële expositie. In totaal zouden vijf tentoonstellingen in de Meiji-periode hun deuren in Ueno Park openen. In de Dazheng periode volgden nog eens twee. De laatste was in 1922, dat was een jaar voor de fatale aardbeving. Afgelopen week bracht ik een bezoek aan Ueno Park. Het paleis van de toekomst bestaat niet meer. Wel trof ik er zes musea aan in een bruisende metropool van inmiddels ongekende omvang.

Tagged with:
 

Hoe groter, hoe beter

On 12 december 2014, in innovatie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Sociale Big Data’ (2014) van Alex Pentland:

Sociale Big Data

Alex Pentland, hoogleraar Big Data aan MIT Cambridge, schreef een boek over hoe gedrag en ideeën zich verspreiden. Onlangs verscheen een Nederlandse vertaling bij Maven Publishers. Die verspreiding vindt plaats, aldus Pentland, door besmetting, een mechanisme dat hij met grote hoeveelheden data in kaart heeft gebracht. Ook geeft hij tips hoe dergelijke ideeënstromen te verbeteren. Belangrijk voor organisaties, maar ook voor steden. Deel III (‘Data-gedreven steden’)gaat namelijk over steden. In hoofdstuk 9 legt hij zelfs uit “hoe de sociale fysica en big data onze opvattingen over steden en ontwikkeling radicaal veranderen.” Als bèta-man geeft hij daar suggesties omtrent het beter ontwerpen van steden. Beter in de zin van: creatiever, innovatiever, socialer, welvarender. Ik kreeg het boek gisteren in handen en ben het direct geboeid gaan lezen.

Pentland onderscheidt sociale banden en exploratieve. De eerste betreffen vertrouwde ideeën zonder veel vernieuwing. De tweede zijn verkennend, op vernieuwing gericht. Hoe groter de bevolking(sdichtheid) van een stad, hoe zwakker de sociale en hoe sterker de exploratieve banden. Grote steden zijn daarmee dus in principe vernieuwender dan kleine steden. Voor goede sociale banden blijkt een omvang van 100.000 inwoners optimaal (zeg: Amstelveen). Maar dan heb je nog geen vernieuwing. En juist vernieuwing blijkt de aanjager van stedelijke groei. “Kennelijk bevordert exploratie niet alleen de groei en de welvaart van steden, maar is het proces ook zelfversterkend.” Grote steden hebben dus de neiging steeds groter en welvarender te worden. Mits de exploratieve ideeën kunnen stromen en de sociale banden niet worden veronachtzaamd (lees: anders stijgt de criminaliteit). De metropool moet dus zijn opgebouwd uit eenheden van 100.000 inwoners, maar voor de maximale creatieve output zijn zakelijke en culturele gebieden in een centrale kern nodig die zoveel mogelijk gelegenheid geven voor exploratie. Dat vraagt om snel openbaar vervoer binnen de metropool en een rijk, op uitwisseling gericht centrum. Ziedaar de ideale stad van Pentland, gevonden op basis van ‘big data’. Herkent u het beeld?

Tagged with:
 

Surprising San Francisco

On 13 september 2014, in internationaal, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseilandcampus in Amsterdam op 11 september 2014:

Richard Walker, hoogleraar geografie aan de University of California, Berkeley, sprak afgelopen donderdag bij het Center for Urban Studies van de Universiteit van Amsterdam. Titel van zijn lezing: ‘Surprising San Francisco’. Wat was er zo verrassend aan San Francisco? De stad in het noorden van Californië, zei Walker, is veel groter en belangrijker dan haar zuidelijke buurt, Los Angeles. Ze is de absolute ‘Tech Capital of the World’, bovendien een metropool van tien miljoen inwoners, want Walker telt niet alleen de stad (800.000 inwoners), maar ook de Bay Area (8 miljoen inwoners) plus de nieuwe ex-urbane ontwikkeling rond Stockton en Sacramento in het oosten – hij vergeleek het gebied met de Randstad. Daarbij liet hij veel statistieken zien, die allemaal niet deugden en volgens hem het gebied onderschatten. De economie van dit bijzondere grootstedelijke gebied is namelijk nog groter dan die van heel Nederland. Er wonen evenveel miljonairs als in New York. Zeven van de tien grootste web-portals staan in Silicon Valley. Het is een van de rijkste steden van de wereld, rijker nog dan Londen of Singapore.

Zijn lezing eindigde Walker grimmig met het opsommen van failures and contradictions. Het stedelijke gebied, zei hij, is buitengewoon gesegregeerd; er is nog altijd veel racisme; de zwarte bevolking woont ver buiten het kerngebied, zelfs buiten de vallei; grote groepen worden buitengesloten; wonen is extreem duur, zeker in San Francisco zelf; de overheid is machteloos en met 101 gemeenten en zes counties sterk verbrokkeld; de ‘techies’ zijn extreem liberaal en willen geen regulering. Uit Californië kwam Ronald Reagan en Steve Jobs zag men als ‘the second coming of Our Ford.’ De grootste vraag echter was volgens Walker hoe je het gebied open houdt voor nieuwkomers, hoe je het in beweging houdt. Kan dit doorgaan? Moet er niet worden ingegrepen? Walker pleitte hartstochtelijk voor een vorm van sociaal kapitalisme in de Valley, maar veel hoop had hij niet. Over waterschaarste sprak hij trouwens niet, evenmin over duurzaamheid of over de kans op aardbevingen, zoals die van afgelopen zomer – schaal 6 op de schaal van Richter.

Tagged with:
 

Gliding into disorder

On 21 augustus 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2008) van Nassim Nicholas Taleb:

Beter nog dat Thomas Piketty’s ‘Capital in the 21st century’ vind ik ‘The Black Swan’ van Nassim Nicholas Taleb. Eerder al schreef ik over de wereld van Extremistan die wij volgens deze Libanees-Amerikaanse wiskundige binnentreden. Het is een gevaarlijke en oneerlijke wereld, met extremen die wij niet meer kunnen beheersen. Schaalbare verschijnselen kennen steeds hogere pieken en een hele lange staart. Voordelen zijn hier cumulatief. Anders gezegd, de duivel schijt op de grote hoop. En het midden valt steeds meer weg. Dat geldt voor taal, boeken, informatie, geld, bedrijven, vliegvelden, steden. "The bigger get bigger and the small stay small, or get relatively smaller." Oorzaak? De steeds omvattender netwerken, de groeiende wederzijdse afhankelijkheid, de toenemende complexiteit.

Het goede nieuws is dat in de staart van alles kan gebeuren. Eerst was iets nog klein, even later kan het heel groot zijn. En omgekeerd. "Nobody is truly established. The little guy is very subversive." Het slechte nieuws: "We are gliding into disorder, but not necessarily bad disorder." Dat is gek, want de wereld lijkt juist meer onder controle dan ooit. Maar als een Zwarte Zwaan – ‘the perfectly unexpected event’ – eenmaal toeslaat, zal deze een grotere impact hebben dan ooit tevoren. Alles hangt af van de lengte van de staart. In de financiële sector ontbreekt deze staart bijvoorbeeld; de ramp van 2008 is daar bijna niet te overzien. ‘Too big to fail’ betekende hier: de oude reuzen die faalden moeten moeizaam overeind worden gehouden ten koste van heel veel overheidsgeld. En er is niets geleerd. Erger: economen, aldus Taleb, begrijpen er nog altijd niets van. Hun held is Carl Friedrich Gauss. Nu ja, met uitzondering van Thomas Piketty dan. En steden? De grote steden worden groter, de kleine kleiner. Maar die hebben tenminste een hele lange staart.

Tagged with:
 

Stervende forensen

On 6 december 2013, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic Cities van 4 december 2013:

Opzienbarend artikel van Emily Badger in The Atlantic over de afname van het autoverkeer in Amerikaanse steden. In ‘The US Cities Leading the Decline in Driving’ put Badger uit een recent verschenen rapport van het US PIRG Education Fund en de Frontier Group. Cijfers over het autogebruik in de periode 2007-2011 werden door medewerkers van deze instanties vergeleken met die uit het jaar 2000. Wat blijkt? In 99 van de 100 grootste metropolitane regio’s van de Verenigde Staten nam het forensenverkeer de afgelopen tien jaar af. De grootste afname deed zich voor in de regio’s New York-Newark, Washington DC, Austin, Texas. Daar bedroeg deze meer dan 4 procent. De enige uitzondering is New Orleans waar als gevolg van orkaan Kathrina het autoverkeer licht groeide. Dat betekent dat nota bene in het land waar in de twintigste eeuw de suburbs en de autoindustrie groot zijn geworden het autoverkeer al tien jaar daalt. Dat zei ik toch, opzienbarend.

U dacht misschien dat de files, ook in Nederland, alleen afnemen door straffe maatregelen van de regering, zoals wegenbouw en benutting van spitsstroken tussen en rond de steden. Of u meende dat het vooral de crisis is die voor een tijdelijke afname van het forensisme zorgt. Dat lijkt dus niet te kloppen, althans, dit zijn niet de werkelijke oorzaken van de vermindering van de filedruk. Er is al jaren sprake van een trend: mensen forensen minder. Of beter: het verschijnsel forens sterft langzaam uit. Jonge mensen zijn dichter bij hun werk gaan wonen en oudere, autoverslaafde mensen stoppen met werken. In ruimtelijke termen, de grote steden groeien weer, terwijl de groeikernen krimpen. Alweer een voorbeeld van overschatting van de effecten van beleid. Wordt het niet tijd dat het verkeers- en vervoerbeleid aan de nieuwe situatie wordt aangepast en dat de enorme rijksbudgetten voor wegenbouw naar de grote steden gaan? Voor woningbouw, die daar nu eenmaal veel duurder is. En voor grootstedelijke voorzieningen.

Tagged with:
 

Griekse idealen

On 12 augustus 2013, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Paestum, Italië, op 6 augustus 2013:

In Zuid-Italië onder andere Paestum bezocht. De drie Griekse tempels, ooit eindbestemming in de Europese Grand Tour waarin vooral Engelse jongeren uit de betere kringen met de antieke beschaving in aanraking moesten worden gebracht, blijken opgenomen in een belangrijke Grieks-Romeinse nederzetting die pas na de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd opgegraven. In Leonardo Benevolo´s ´Die Geschichte der Stadt´ (1975) wordt Poseidonia nauwkeurig gekarteerd. De stad had in aanvang alle kenmerken van een vrije Griekse nederzetting. Benevolo noemt in dat verband vier bepalende factoren, te weten 1. geen stadsdelen of andere interne geledingen, maar lange rechte straten en woonhuizen die alle, groot en klein, op dezelfde architectonische principes waren gebaseerd, 2. een duidelijke ruimtelijke scheiding tussen wonen, heiligdom en bestuurscentrum, elk met een eenvoudige architectonische vormentaal, 3. de stad als ruimtelijke eenheid harmonieus in het landschap ingepast, 4. begrensde groei van de stad en, bij het bereiken van een bepaalde maximale omvang, de stichting van nieuwe steden.

Bij het nalezen van Benevolo valt me weer op hoe het twintigste eeuwse Modernisme van Le Corbusier, Van Eesteren en Hilbesheimer zich moet hebben gespiegeld aan deze kenmerken van de antieke Griekse stedenbouw. Amsterdam Nieuw-West naar het voorbeeld van het oude Athene. Benevolo: ´Die geometrische Anlage der Stadt erlaubte es, die Stadtentwicklung zu steuern und die bebaute Flaeche bis zu einem gewissen Grade problemlos auszudehnen. Die Moglichkeiten, die diese Form der Stadtplanung bot, wurden auch in der hellenistischen Epoche weidlich ausgeschopft.´ Alleen Alexandrië groeide uit tot een ware metropool, met rechte wegen van wel vier tot vijf kilometer lengte. Telde Athene ten tijde van Pericles niet meer dan 40.000 inwoners, Alexandrië aan de monding van de Nijl bereikte een omvang van liefst 300.000 stedelingen, de voorsteden niet meegerekend. Over het verstedelijkte gebied als geheel spreekt Benevolo in termen van een antieke ´Megalopolis´. Benevolo: ´Das Ergebnis war ein gleichermassen chaotisches wie geordnetes Stadtbild, insofern in vieler Hinsicht dem moderner Grossstaedte aehnlich.´Poseidonia in Zuid-Italië bleef beperkt tot 6.000 stedelingen. Allen zouden later door de malaria om het leven komen.

Tagged with:
 

De Sprong Omhoog

On 1 juli 2013, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 maart 2013:

Ongelezen bleef de rede van Deirdre McCloskey op de grote stapel liggen. Deze econoom en historica aan de universiteit van Illinois sprak dit voorjaar een interessante lezing uit op het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen over innovatie. Eindelijk las ik hem. Haar verklaring voor de enorme economische groei na 1800 gaat terug op wat er rond 1600 in Amsterdam gebeurde en na 1700 in Londen en Boston: permanente innovatie door een opkomende stedelijke middenklasse. “Dat de wereld tussen 1600 en 1848 als een bezetene aan het innoveren sloeg, kwam door de langzaam veranderende denkbeelden over de stedelijke middenklasse en over haar materiële en institutionele innovaties.”  Na Amsterdam, aldus McCloskey, volgde de rest van Europa “en ook zijn uitlopers, en ten slotte in onze tijd China en India.” De opkomst van de onderneming – door McCloskey aangeduid als ‘de zakelijke versie van moed en hoop’ –, gecombineerd met vertrouwen – door haar aangeduid als ‘de zakelijke versie van rechtvaardigheid en matigheid’ – , maakte ondenkbare innovaties mogelijk.

In haar verklaring voor de versnelling van innovaties legt McCloskey sterk de nadruk op waarden en normen. Weliswaar wijst ze op het belang van steden, maar het wil er bij haar niet in dat innovatief vermogen in de eerste plaats met stedelijke groei te maken heeft. Echter, valt de enorme spurt in innovaties niet verdacht opvallend samen met een versnelling van de urbanisatie wereldwijd? McCloskey: “Lang voor West-Europa hadden de Chinezen al enorme steden, maar zakendoen oogstte in hun beschaving geen bewondering. Daar draait het om: waardigheid voor het zakendoen, of zakenmensen die gewicht of macht bezitten.” Stedenbouw, aldus de Amerikaanse econoom, biedt daarom onvoldoende verklaring. Maar is dat wel zo? De Chinese beschaving met zijn grote steden was juist buitengewoon innovatief. Pas toen de Chinese steden niet meer groeiden, verloor de Chinese beschaving aan innovatief vermogen. McCloskey schrijft het zelf: “Natuurlijk hebben de burgerlijke notabelen in de geschiedenis van de steden helaas ook herhaaldelijk het plaatselijke bestuur gekaapt, met het oogmerk om zonder innovatie winst te maken. Dit gebeurde in Nederland in de achttiende eeuw.” Inderdaad, vanaf eind zeventiende eeuw groeiden de Nederlandse steden, Amsterdam incluis, niet meer. Londen nam het stokje over. Dankzij Hollands kapitaal. Wie geen grote steden wil zal ook niet innoveren.

Tagged with:
 

Te laat, in verval

On 22 april 2013, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Generating Culture’ (2002) van Jonathan Israel:

Afgelopen 18 april 2013 vierde Felix Meritis zijn 225-jarig bestaan met de opening van een kunstwerk op het oude observatorium op het dak van het pand aan de Keizersgracht. Het kunstwerk – Amsterdam of above  Amsterdam of Below – van Joseph Semah verbindt, aldus de beknopte catalogus, de sterren, de grachten en de stad. Het betreft in neon verlichte citaten op diverse gebouwen in de hele stad die vanaf het oude observatorium voortaan ‘s nachts te zien zijn. Felix Meritis (‘Gelukkig door Verdiensten’) opende in 1788 haar deuren als sociëteit waar de burgers van Amsterdam de Verlichtingsidealen deelden en uitdroegen. Het gebouw is opgetrokken in neoclassicistische stijl – de stijl van de Verlichting -, de architect is Jacob Otten Husly. Het observatorium aan het Keizersgracht is het oudste van Nederland.

De opening herinnerde me aan de prachtige lezing van de Britse historicus Jonathan Israel tijdens het congres in het KIT in 2002, gewijd aan creatieve steden. In ‘The Conditions for Creativity, Prosperity and Stability in the Cities of the Dutch Golden Age’ beschreef hij niet alleen de opkomst en bloei van de Hollandse steden, maar ook hun verval. Het onvermogen om in de late zeventiende eeuw in het bloeiende Amsterdam wetenschappelijke academies op te richten zette volgens Israel de hoofdstad van de republiek op een achterstand. Londen en Parijs kregen ze namelijk wel. Het grote observatorium dat Lodewijk XIV in Parijs liet bouwen is nog altijd een van de meest eloquente herinneringen aan zijn regeerperiode. Uitgerekend Amsterdam, waar sinds 1640 nota bene de belangrijkste wetenschappelijke instrumenten waren ontwikkeld en vervaardigd, kreeg géén academie en géén observatorium. Christiaan Huygens vertrok daarom in de vroege jaren 1660 naar Parijs. Israel begrijpt wel waarom Nederland in verval raakte: “Had there been a proposal before the States of Holland for an academy of sciences, whichever town was proposed as its site would have been sure to arouse the jealousy, and very likely the non-cooperation of the rest.” Pas honderd jaar later kreeg Amsterdam zijn observatorium. Maar toen was het te laat.

Tagged with: