Drukte in de stad

On 12 juli 2017, in boeken, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Language of Cities’ (2016) van Deyan Sudjic:

Afbeeldingsresultaat voor the language of cities sudjic

 

Grappig. Net als ik heeft Deyan Sudjic afgelopen jaar een toegankelijk boekje geschreven over steden. In twee zomers tijd pende hij het neer in zijn buitenhuis bij Siena. Sudjic is directeur van het Design Museum in Londen. Wat is een stad? Hoe maak je een stad? Hoe verander je een stad? Hoe wordt een stad bestuurd? Dat zijn de vragen die hij, net als ik, zich stelde. In elk hoofdstuk wijdt hij uit over allerlei steden, schrijft boeiende anekdotes, zoomt in op architecten en politici, graaft telkens diep in de recente geschiedenis van vooral Londen. Net als de meeste Londenaren toont hij zich ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling van zijn eigen stad zeer kritisch. Canary Wharf  is daarbij een dankbaar mikpunt van spot. Dat dit werkgebied in Oost-Londen een succes is geworden, verbaast hem nog steeds. Het slothoofdstuk is opmerkelijk. Dat gaat over menigten, en over hun onvrede. Extreme drukte, aldus Sudjic, hoort bij de grote stad. En wanneer een grote menigte bezit neemt van een stad, valt ze niet te negeren. In de allergrootste steden op aarde zijn sommige straten zelfs permanent geblokkeerd, afgeladen vol als ze zijn met mensen. Hier ervaart men aan den lijve hoe zeven miljard mensen deze aarde bewonen en hoe vervoermiddelen al die mensen op sommige plekken samenbrengen. Londen kan er als geen ander over meepraten.

Maar het is niet alleen Londen. In 2012 bezochten 9,7 miljoen mensen het Louvre in Parijs. Al die bezoekers komen voor hetzelfde: de Mona Lisa. Na de laatste verbouwing wacht het museum alweer een nieuwe uitbreiding. Vliegvelden, aldus Sudjic, weten hoe je met enorme stromen mensen moet omgaan. Heathrow, bij Londen, verwerkte in 2014 73,4 miljoen passagiers. Londen zelf ontving dat jaar ‘slechts’ 16,8 miljoen toeristen. Vliegvelden worden permanent aangepast aan de groeiende mensenstromen. Steden, en zeker de historische steden van Europa, lenen zich daarvoor veel minder. Toch zal hier permanent geïnvesteerd moeten worden in de openbare ruimte en in het openbaar vervoer. Wat in Tokio al jaren normaal is, aldus Sudjic, begint ook in westerse steden normaal te worden. Mensen zullen zich moeten aanpassen aan de enorme mensenmassa’s. Waarop hij besluit: “The city is humankind’s most complex and extraordinary creation. It can be understood as a living organism. By their nature, living organisms can die when mistreated, or starved of resources, including people. (…) Planned in the right way, it can support growing numbers of people.” Wanneer wordt de drukte in Amsterdam eindelijk eens een serieuze planningsopgave, anders dan aanleiding tot opnieuw een vergeefse poging tot ruimtelijke spreiding?

Tagged with:
 

Schijnbare chaos

On 3 juli 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schijnbare chaos’ (1989) van Götz Nassuth:

Afbeeldingsresultaat voor van eesteren lelystad

Foto: C. van Eesteren, ontwerp Lelystad, 5 februari 1964 (tekening G.A.Nassuth)

De conservator van Het Nieuwe Instituut te Rotterdam zocht contact. In het archief van onderzoeker Theo van Lohuizen (1890-1956) waren kaartenbakken met fiches aangetroffen. Op elk fiche is een uitsnede uit de topografische kaart van Nederland geplakt, telkens rond een nederzetting, een gehucht, dorp, stad, grootstedelijke kern. Ernaast staan systematisch gegevens over de omvang en groei met pen geschreven. De herkomst van de bakken was onduidelijk. Er zat een verwijzing bij naar mij. Vandaar het contact. Ineens herinnerde ik me weer mijn bezoek aan Götz Nassuth, oud-medewerker van de Rijksplanologische Dienst en voormalig student-assistent van Van Lohuizen op de Technische Hogeschool te Delft. Het moet rond 1995 zijn geweest. Daar, aan de kade in Amsterdam-Zuid, had ik de kaartenbakken gezien. Ze dateerden uit de Delftse periode van Nassuth. Ze zagen er aandoenlijk uit. Götz had me gevraagd wat hij ermee aan moest. Waarop ik hem adviseerde ze af te leveren bij de Droogbak in Amsterdam, bij het toenmalige Documentatiecentrum voor de Bouwkunst. Wat hij daarna ook deed. Korte tijd later stierf hij.

Nassuth was met Cornelis van Eesteren de ontwerper van Lelystad, net zoals zijn broer Siegfried samen met Van Eesteren de ontwerper was van de Bijlmermeer. Anders dan zijn broer school bij Götz de interesse eerder in het wetenschappelijke onderzoek naar verstedelijking dan in het tekenen van verkavelingen. Hoe groeien steden? Welke patronen zijn daarin te ontwaren? Nassuth ontdekte de chaostheorie. Deze bijzondere belangstelling had hij geërfd van zijn leermeester Van Lohuizen. Bij zijn afscheid in 1989 van de Rijksplanologische Dienst publiceerde Nassuth zijn levenswerk, gebundeld in een fraai boekwerk, getiteld ‘Schijnbare chaos’. Ik heb nog een exemplaar. Op het omslag staan fractale patronen. Steden, schreef hij, groeien organisch. Ze planmatig ontwikkelen heeft weinig zin; ze gaan hun eigen gang. Nassuth: “Met die alles hou ik geen pleidooi voor luiheid en achteloosheid met betrekking tot concepties van een wereld die ons de dag van morgen wacht. Wat hier wordt bepleit is juist meer eenheid in die concepties te bevorderen door erop te wijzen dat het streven naar het mechanistische ideaal van perfectie in al ons doen en laten een gepasseerd station is.” Dat schreef hij daags na publicatie van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988), waarin de woningcontingenten door overheidsinstanties planmatig over de verschillende kernen werden verdeeld. Het resultaat? Ga maar rijden door Nederland. Ondanks alle planning schijnbaar chaotisch.

Tagged with:
 

Bouwen, sociale ingenieurs, bouwen!

On 20 maart 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in De Bazel, Amsterdam, op 16 maart 2017:

Afbeeldingsresultaat voor een betere stad 1958 amsterdam

Mooie tentoonstelling over de naoorlogse uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, nu te zien in De Bazel aan de Vijzelstraat. Afgelopen week werd hij geopend door burgemeester Van der Laan. De tentoonstelling bestaat uit vier stijlkamers. Elke kamer heeft betrekking op een periode: 1935, 1958, 2006, 2017. Telkens waan je je in een ruimte waar ambtenaren, na te hebben vergaderd, net hun hielen hebben gelicht. Een stem praat je bij over de stand van het denken. Die uit 1958 vormt voor mij de kern: dan bevinden we ons midden in de naoorlogse uitvoering van het grote plan. De ruimte is gevuld met tekentafels en allerhande maquettes, op een groot prikbord aan de wand wordt de uitvoering van elke wijk en buurt nauwgezet bijgehouden. Met man en macht wordt geprobeerd om in tien jaar tijd liefst 50.000 arbeiderswoningen in Amsterdam bij te bouwen. Dat begint in 1946 en is in 1958 grotendeels gelukt. Ondertussen zien de in witte jassen geklede sociale ingenieurs zich geconfronteerd met reorganisaties en bezuinigingen. 1958 is ook het jaar waarin Cornelis van Eesteren als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling wordt opgevolgd door mejuffrouw Mulder. Eerder al, in 1953, had zijn kompaan Van Lohuizen er de brui aan gegeven.In de tentoonstelling wordt niet vermeld dat Van Eesteren juist dan van de Minister van Verkeer en Waterstaat de opdracht kreeg om Lelystad te ontwerpen, een nieuwe stad in de polder van 100.000 inwoners, bedoeld voor Amsterdammers die van hogerhand moesten ‘overlopen’. 

Ik zag opvallende parallellen met de Sovjet-Unie van Nikita Chroetsjov: ook daar was de naoorlogse opgave om tegen de laagst mogelijke kosten zoveel mogelijk arbeiderswoningen te bouwen. In Nederland en in Rusland werd dit alles destijds door politici bedisseld en door overheidsdiensten loyaal uitgevoerd. Woningbouw was de grootste zorg in het naoorlogse berooide Europa, zowel in Oost als in West. En het AUP zelf (1935) was een plan uit de crisisjaren dat tien jaar werkloos op de plank was blijven liggen. De joodse wethouder Van der Velde had het plan nog als raadslid vastgesteld en verordonneerde in 1946, amper teruggekeerd uit de kampen, versnelde uitvoering. De begroting van Publieke Werken ging van 15 miljoen in 1945 naar meer dan 120 miljoen gulden in 1957. En warempel, het lukte de ambtenaren om de onmogelijke klus te klaren. Maar zijn opvolger Van ‘t Hull wilde de opgebouwde macht van de ambtelijke diensten alweer breken. Zijn gedwongen vertrek wachtte Van Eesteren niet af. Tentoonstelling en teksten lezen als een Sovjet-epos met haar vijfjarenplannen, economische beloftes, nadruk op arbeiderswoningen, politieke heroïek, overheidsplanning, het breken van de ambtelijke macht, alles op een ongekend grote schaal. Lenin en Stalin als de helden van de sociale ingenieurs, ze hadden zowaar hun evenknieën in de Nederlandse polder. Nee heus, de opgave waar Amsterdam anno 2017 voor staat is een andere dan in 1945. Laat de overheid niet opnieuw 50.000 woningen in tien jaar tijd uit de grond willen stampen. Dit keer liever een metropolitane ambitie van de nieuwe middenklasse.

Tagged with:
 

Beyond Big Plans

On 27 februari 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

 

Gehoord op 20 februari 2017 op de Universiteit van Amsterdam:

Afbeeldingsresultaat voor seun sangga seoul aerial view jongmyo

Nederland exporteert de laatste tijd zeer grootschalige gebiedsontwikkeling naar Azië. Wat in VINEX ooit klein begon, is nu internationale big business, althans het ingenieursdeel ervan. In haar gastcollege op de UvA besteedde stedenbouwkundige Hyeri Park veel aandacht aan Seun Sangga, de buurt met het langgerekte modernistische bouwwerk in het oude stadscentrum van Seoul, Zuid-Korea. Samen met andere Koreaanse architecten had zij gestreden voor het behoud van dit unieke erfgoed uit de jaren ’60. Het congres dat ze drie jaar geleden daarover organiseerde, heette niet voor niets ‘Beyond Big Plans’. Het behoud van het monument is inmiddels verzekerd. Nu is haar stedenbouwkundige bureau (KCAP uit Rotterdam) verwikkeld in een competitie rond een reusachtige kavel die grenst aan het bouwwerk, juist in de hoek waar deze een oude Confusiaanse schrijn raakt. De tempel, Jongmyo geheten, staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco (foto, achtergrond) en maakt dat de bouwhoogte in de aangrenzende buurt is gelimiteerd. De oude buurt zelf is verlopen en bestaat uit allemaal kleine ambachtelijke bedrijfjes: restanten van een typisch werkgebied in het stadscentrum dat al jaren worstelt met snel stijgende grondprijzen en waarvoor al vele plannen voor sloop en grondige vernieuwing zijn gemaakt. De kavel bestaat uit een labyrint van stegen en gebouwtjes (foto, rechts). De plot is verdeeld over vele eigenaren. Als het gevolg van het behoud van Seun Sangga en de recent verworven monumentenstatus van het tempelcomplex is een nieuwe situatie ontstaan die een alternatief stedenbouwkundig plan nodig maakt dat rekening houdt met de omgeving. Het vorige bestond uit een reeks van hoge glazen torens. In het college toonde ze haar ontwerp.

In het Nederlandse ontwerp zijn de historische straatjes bewaard gebleven en is de bouwhoogte gelimiteerd tot 70 meter. Ook is het gebouw duurzaam gemaakt doordat het regenwater wordt opgevangen en opnieuw gebruikt. Onder de hele kavel is de kelderruimte uitgespaard, bedoeld om de archeologische resten van de middeleeuwse bebouwing te kunnen laten zien. Seun Sangga maakte namelijk deel uit van het oude keizerlijke Seoul (het keizerlijke paleis staat even verderop). Desondanks valt op dat het ontwerp feitelijk één kolossaal bouwwerk betreft, in totaal gaat het om liefst 280.000 m2 (dat is 14 maal de Amsterdamse Bijenkorf). Haar gevraagd naar wat er met al die ambachtelijke bedrijfjes gaat gebeuren, vertelde ze me dat die onlangs al het veld hadden geruimd; ze waren door de ontwikkelaar een voor een uitgekocht. De reusachtige kavel – ooit een stad op zichzelf – zou over een tijdje in één keer worden ontwikkeld, de constructie ervan mocht niet langer dan drie jaar duren. Waarom die snelheid en grootschaligheid? De ontwikkelaar, legde ze me uit, had enorme kosten gemaakt, de rentemeter tikte, het kon helaas niet anders. Om voorbij de grote schaal te komen moet er in Seoul dus meer gebeuren dan het maken van goede architectuur. Nodig is een andere grondpolitiek en stedelijke planning. Die zou Nederland ook eens moeten exporteren.

Tagged with:
 

In de voetsporen van Geddes

On 1 januari 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Worlds of Patrick Geddes’ (1978) van Philip Boardman:

Afbeeldingsresultaat voor Patrick Geddes jerusalem plan

Mijn bezoek aan de Bezalel Academy in Jeruzalem herinnerde me aan de reis die Patrick Geddes (1854-1932) bijna honderd jaar eerder had gemaakt. Drie maanden lang verbleef de Schotse planoloog Geddes in de heilige stad, om precies te zijn van eind augustus tot midden november 1919. De uitnodiging dankte hij aan Chaim Weizmann, de Zionist die een planoloog zocht voor de reconstructie van zijn geliefde Jeruzalem, tevens voor de bouw van een Hebreeuwse universiteit aldaar, en die door de vrouw van de mede-Zionist David Eder op de figuur van Geddes was gewezen. Weizmann was geschokt geweest over de deplorabele staat waarin Jeruzalem verkeerde, “een stad die van liefdadigheid leeft, een ellendig getto”, waar “we geen enkel fatsoenlijk gebouw hadden – de hele wereld had een steunpunt in Jeruzalem, behalve de Joden.” (Simon Sebag Montefiore, Jeruzalem, de biografie, 2011) In november 1917 had Groot-Brittannië Palestina in bezit genomen en zag Weizmann zijn kans schoon om ‘de stad van David’ onder het bewind van militair gouverneur Ronald Storrs in ere te herstellen. Storr was een domineeszoon, een erudiet militair die wilde voorkomen dat Jerusalem ‘een tweederangs Baltimore’ zou worden. Geddes tekende een plan, gebruik makend van de dagelijkse voorlezingen uit de bijbel door zijn vader, maar vooral door alles ter plekke nauwkeurig te observeren. Het veldwerk resulteerde in een gestencild document ‘Jerusalem Actual and Possible’, plus een beknopt plan voor de universiteit.

Opvallend in het plan was de aandacht voor de waterhuishouding, de restauratie van de vijvers, de aanleg van een parkenstelsel, het tegengaan van erosie door bomenaanplant op de hellingen en beplanting in het algemeen. Ten aanzien van de bebouwing koos Geddes voor restauratie en zorgvuldige reconstructie en keerde hij zich tegen moderne doorbraken, nieuwbouw en grote civieltechnische ingrepen. Zichtlijnen op de oude stad bleken voor hem belangrijk: “Most visitors come to séé Jerusalem, and these desire to feel as deeply as possible what Jerusalem has meant to the world, or at least to their faith.” Ook maakte hij subtiele voorstellen voor de Klaagmuur, heel anders dan de latere doorbraken die tot het huidige grote plein zouden leiden. De nieuwe universiteit plande hij in het oosten op de Scopus berg, met zicht op de Olijfberg, waar Weizmann in juli 1918 al de eerste steen voor had gelegd. De nieuwe stad dacht hij zich minder als een religieus centrum dan als een ‘Stad van Onderwijs’, gebouwd op kennis uit alle culturen in de hele wereld. Zijn haastig gemaakte plan, samengevat in slechts 36 gestencilde pagina’s, was het begin van een grondige survey, uit te voeren door archeologen, historici, geografen en sociologen van vele universiteiten. Het definitieve plan zou later wel volgen. Het is zoals goede planning hoort te zijn. Gelukkig nieuwjaar!

Tagged with:
 

Niek de Boer 1924-2016

On 31 januari 2016, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 20 januari 2016:

Onlangs overleed op 91-jarige leeftijd de Nederlandse stedenbouwkundige Niek de Boer. De Boer was een talent, een fenomeen. Zijn doorbraak beleefde hij al jonge leeftijd met zijn vroege werk in Emmen, Drenthe, waar hij in 1955 direct na zijn afstuderen de taak kreeg om de nieuwe industriestad op de Hondsrug te ontwerpen. Hij begon er in de buitendorpen met hele kleine fraaie uitbreidingsplannetjes. Daarna ontwierp hij, samen met André de Jong, de stad. Na tien jaar verliet hij het Noorden om te gaan werken als directeur bij de provinciaal planologische dienst van Zuid-Holland. Kort daarop werd hij hoogleraar stedenbouwkundig ontwerpen aan de Technische Universiteit Delft. Daar zou hij tot aan zijn pensioen blijven. In Emmen ontwierp hij eerst de woonbuurt aan de Valtherzandweg in Emmermeer, daarna de woonwijk Angelslo en ten slotte, in eerste aanleg, Emmerhout.  Het woonerf maakte hem op slag beroemd, maar fundamenteler was zijn ontwerp van de stad als geheel. De Emmer Es wilde hij sparen, de Emmer Dennen gedeeltelijk bebouwen, het nieuwe winkelcentrum De Weijert moest autovrij, tussen centrum en woonwijken dacht hij zich alle openbare voorzieningen als scholen, sportcomplexen en zwembad, maar niet het theater. De Muzeval wilde hij juist in het historische centrum. En de Hondsrugweg had wat hem betreft veel westelijker gemoeten. In alles heeft hij achteraf gelijk gekregen. Als hij in Emmen was gebleven, dan waren al de fouten misschien niet gemaakt.

Niek de Boer zocht ik eind jaren zeventig op in Den Haag. Aan het werkblad vertelde hij me hoe hij in Emmen eigenhandig de lantaarnpalen weer uit de grond had getrokken toen hij merkte dat ze verkeerd waren geplaatst. Jeugdig elan. Ik smulde ervan. Hij nam me mee op een wandeling door de buurt en liet me woningen van Duiker zien. Hij bewonderde Kopenhagen. Midden jaren tachtig zocht ik hem weer op, maar toen woonde hij al aan de Keizersgracht in Amsterdam in een pand dicht bij de Westertoren. We hadden het over zijn ontwerp voor het nooit gebouwde dorp Larsen in Flevoland (1963). De Boer was een gepassioneerde ontwerper. Naast zijn uitspraken over Emmen en wat daar was misgegaan, staat me vooral zijn latere boek ‘De Randstad bestaat niet’ (1996) nog voor de geest. Met de strekking was ik het hartgrondig eens. De Randstad is een geloofsartikel. Vooral de opmerking dat Amsterdam wakker moet worden en eindelijk zijn verantwoordelijkheid moet nemen herinner ik me nog goed. Als Amsterdam het niet doet, gebeurt het niet. Dan blijven we met die zogenaamde netwerkstad in het westen zitten die maar geen stad wil worden. We zullen Niek de Boer node missen.

Tagged with:
 

Back on the map

On 28 mei 2015, in economie, stedenbouw, by Zef Hemel

Seen in Belgrade, Serbia, on 23 Mai 2015:

What is the difference between Belgrade waterfront and Rotterdam Kop van Zuid? Not much. Both are proud cities. Both lack a powerful economy. Both want something special, some icon, something new, to let the world know they are still attractive. Both developed bold plans that consist of glamourous highrise development on the waterfront in an area that could be described as a brownfield situation where the land value is low. Everything looks unreal, too expensive, too big. In Rotterdam (600.000 inhabitants) planning started at the end of the seventies, in Belgrade (2 million inhabitants) around the same time. Both plans need costly public infrastructure: bridges, metro, land clearance, otherwise it would never work. Because Dutch government was willing to pay, Rotterdam could start building its Kop van Zuid in the early nineties. Belgrade had to wait for the end of the Balkan war. Now it seems to have found its private money. Developers from the United Arab Emirates pour in. Everybody knows that this could not be done without the help of promises, tax reductions, soothing gifts, special laws. Citizens will have to pay for it anyway.

So in the end there remains this one big question: does it work? Can it boost an economy? Does it make the city any better? And does it improve the lives of its citizens? We don’t know. There will be a shopping mall, so people will start consuming, but shops in the inner city will go bankrupt. Tourists and visitors from abroad will come to spend their money. Belgrade might even become a regional centre in Southeastern Europe. You never know. Air Serbia is in arab hands now; its new owners are introducing transfer traffic, turning Belgrade airport into a minor regional hub. Was it really worth all the public money? Time will tell. Kop van Zuid at least costed a fortune (a bridge and metrostation of 500 mio euro, a palace of justice, a harbour office tower, subsidized housing etc.). In the end the most important goal was to put the city ‘back on the map’. A kind of global citymarketing. Just want to remind you of John Friedmann’s words: “Sustainable development is never bestowed from the outside but must be generated from within the regional economy itself.” This, the American planner wrote in 2004, was the key point in Jane Jacobs’s analysis with which he was in full accord. So am I.

Tagged with:
 

Democratie

On 11 mei 2015, in boeken, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A pattern language’ (1977) van Christopher Alexander:

A Pattern Language.jpg

Ik geef toe, ik schiet weer vanuit mijn boekenkast. Overigens, tot mijn schuld moet ik bekennen dat ik het boek pas onlangs in New York kocht, terwijl het al dateert van 1977: Christopher Alexander’s ‘A pattern language’. Direct na aanschaf las ik het. Dat dan weer wel. Want wat een geweldig boek is dit! Tien jaar had hij eraan gewerkt. In werkelijkheid ging het om drie boeken, geschreven door een team van onderzoekers onder aanvoering van Alexander, hoogleraar architectuur aan University of California, Berkeley. Zelfhulpboeken waren het voor architecten, stedenbouwkundigen en planners. Of beter: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, street and communities.” Het hele democratische idee is op dit moment weer actueel. “This idea may be radical (it implies a radical transformation of the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.”  Die observatie waren we na 1977 helemaal vergeten. Of wilden we het liefste toedekken, bang als we waren om werk te verliezen.

Gemeenschappen tellen niet meer dan 7.000 personen, aldus Alexander. Het is een oud idee. Ook in het antieke Athene was dit de maat van politieke gemeenschappen. De overheid, aldus de architect, moet steeds decentraliseren tot op dit niveau en mensen zelf hun gemeenschappen van maximaal 10.000 laten samenstellen. Grenzen zouden daarbij zoveel mogelijk moeten samenvallen met natuurlijke en historische barrières. “Give each community the power to initiate, decide, and execute the affairs that concern it closely: land use, housing, maintenance, streets, parks, police, schooling, welfare, neigborhood services.” Zelfbestuur is belangrijk, ook in een grote stad. Mensen moeten elkaar persoonlijk kennen. Elke subcultuur heeft recht op een eigen  gemeenschap. Een zekere mate van autonomie is goed. Fora moeten ook duidelijke plekken hebben. Allemaal grote waarheden. Deed me denken aan de intreerede van Job Cohen aan de Universiteit van Leiden. In ‘De vierde D’ (9 januari 2015) wijdt hij uit over nieuwe vormen van lokale democratie. De onlangs door Den Haag doorgevoerde decentralisatie vormt de aanleiding. Die gaat nog lang niet ver genoeg. Ook de gemeenten moeten decentraliseren. Dit is wel de richting.

Global City

On 20 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseiland campus op 16 april 2015:

Een geweldig betoog stak Ruurd Gietema af over Moskou afgelopen week bij Urban Studies. Gietema is partner bij KCAP, het Rotterdamse stedenbouwkundige bureau dat overal in Europa stedelijke projecten ontwerpt. In een gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam vertelde hij over zijn avonturen in Russische steden, met name Moskou. De vraag was of Moskou een ‘global city’ is. Het begon allemaal in Londen, vertelde hij, waar KCAP betrokken was geweest bij de planning van de Olympische Spelen 2012. Daar leerde hij een Russische zakenman kennen die hem vroeg met hem mee te gaan naar Perm. Na aanvankelijke schroom vloog hij naar de Oeral en betrad daar een stad die decennialang van de buitenwereld afgesloten was geweest. In Perm, het centrum van het militair-industriële complex van de voormalige Sovjet-Unie, begon hij een planningstraject dat met recht Europees genoemd kan worden, met groene en rode contouren, maar dat eindigde als Russische roulette. We zagen jets en dure hotels in Siberië. Het leek op ‘Leviathan’ van Andrei Zvyagintsev. De middag kon niet meer stuk. Met rode oortjes luisterden we naar zijn surrealistische belevenissen.

Via Perm raakte Gietema betrokken bij twee grootschalige stadsuitbreidingen in Moskou: een in het noorden, dicht bij luchthaven Sjeremetevo, de ander in het westen, in een bocht van de Moskva rivier. Beide terreinen bevinden zich ver buiten de MKAD – de reusachtige ringweg rond Moskou –, beide zijn ook privaat geïnitieerd. Een puissant-rijke Rus wilde op eigen grond een enorme campus bij de luchthaven bouwen, in het andere geval wilde een Russische bank een Internationaal Financieel Centrum in Rublyovo-Arkhangelskoye ontwikkelen op 460 hectare grond waar al talrijke eerdere vergeefse pogingen waren gedaan om iets te bouwen. Vooral in het laatste geval kreeg zijn betoog surrealistische trekken. Een groot financieel centrum bouwen in ‘the middle of nowhere’ zonder goede verbindingen met het centrum en de luchthaven is zelfs in het snel groeiende Moskou nauwelijks geloofwaardig te noemen. Maar avontuurlijk is het wel. Een mooi ontwerp trouwens. Hoe moesten we dit nu interpreteren? De studenten zag je peinzen. Gietema vertelde dat de crisis roet in het eten heeft gegooid. Op de plek komen nu waarschijnlijk woningen. Zo wordt Moskou nooit een ‘global city’.

Tagged with:
 

City of Opportunity

On 8 april 2015, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Power Broker’ (1975) van Robert Caro:


Op een zonnige zondagmiddag reden we met de metro naar Queens, New York, om het grootste park van Robert Moses te bekijken. Een echte halte heeft Flushing Meadows niet, dus stapten we uit in Forest Hills. Vandaaruit liepen we in noordelijke richting door een laagbouwwijk van overwegend duur verbouwde bungalows. Daar, beneden ons, lag ineens Flushing Meadows, aangelegd in een voormalig moeras tevens vuilnisbelt, omzoomd door brede autosnelwegen. Welkom in Queens, welkom in de wereld van Robert Moses! Moses, de machtige directeur stadsontwikkeling van New York en liefhebber van autosnelwegen en stadsparken, realiseerde hier op het eind van zijn veertigjarige carriėre het grootste park van New York – anderhalf maal Central Park. Midden in Queens, wist Moses, betekent centraal in de metropool. Om het aan te leggen had de man twee grote Wereldtentoonstellingen nodig: die van 1939 en die van 1964, beide in New York gehouden. Na afloop lag in de barre locatie een megalomaan park met stadion, museum en paviljoens, goed bereikbaar per auto, maar niet met de  metro (want dan kreeg je maar arme mensen in je park). Het was zijn grote droom. Kosten destijds: 59 miljoen dollar.

Het paviljoen van New York City bleek in 1994 verbouwd door Rafael Vignoli. We namen er een kijkje. Binnen is nog altijd de enorme maquette van de metropool te zien die destijds, in 1964, op de Wereldtentoonstelling figureerde en die door honderd man in drie jaar tijd was gebouwd. Wat een ongelooflijke sensatie! Minutieus gedetailleerd ligt hier de machtigste stad ter wereld anno 1964 zoals de stadsbouwer die op het eind van zijn indrukwekkende carrière had afgeleverd in de schaal 1:1200. Tijdens de Wereldtentoonstelling kon men eroverheen vliegen in een gesimuleerde indoor helikoptervlucht van 9 minuten. Met een ‘God’s eye view’ ervoer men ‘The City of Opportunity’. We ervoeren het opnieuw. We zagen de modernistische metropool van 1964, groots, uitgestrekt, suburbaan, regelmatig, strak geregisseerd, keurig geordend. Iedereen moet ‘The Power Broker’ lezen, de maquette zien en dan beseffen dat die tijd voorbij is. Voorgoed voorbij.

Tagged with: