Regels voor het sublieme

On 23 juli 2018, in kunst, landschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘IJsselmeergebied’ (2018) van Frits Palmboom:

Afbeeldingsresultaat voor ijsselmeergebied een ruimtelijk perspectief

De afgelopen drie jaar (2013-2016) bezette landschapsarchitect Frits Palmboom (1951) de Van Eesteren-leerstoel aan de Technische Universiteit Delft. Over zijn onderzoekswerk publiceerde hij onlangs een boek. In ‘IJsselmeergebied. Een ruimtelijk perspectief’’ lezen we over tijdlijn, kustlijn, watervlak, achterland, schakelpunten en compositieprincipes. Zijn tekst is er een van instructies, aanwijzingen, regels en principes voor het ontwerpen van het landschap. Voor Palmboom is het IJsselmeergebied feitelijk één grote compositie. En dat is wel gek. Dat voorschrijven, als van een receptuur, verhoudt zich slecht met de heftige en onvoorspelbare dynamiek, het sublieme. “Het water van de delta, met zijn vaak heftige en onvoorspelbare dynamiek, vertegenwoordigt ‘het sublieme’ in het zo geordende alledaagse Hollandse landschap.” Zijn vele tekeningen zijn echter helder en ronduit schitterend en willen die compositieleer vooral illustreren. Ook de landschapsfotografie van Theo Baart is opzettelijk fraai, alsof de fotograaf het sublieme heeft proberen te vatten. Bij het doorlezen bekroop me zelfs het gevoel dat ik eerder met ‘land art’ te maken had, dan met complexe ruimtelijke inrichting. En misschien is dat ook wel zo. Palmboom is in de eerste plaats kunstenaar, een echte estheet.

Metropolitanisering is een van de twee grote tendensen die volgens Palmboom spelen in het gebied. De andere is ecologisering. Aan de basis van metropoolvorming liggen herwaardering  en intensivering van de grote steden, maar Palmboom ziet ook in de omgeving ‘sluipenderwijs’ verandering optreden, met krimp in de periferie. Er moet, vindt hij, worden geïnvesteerd in het leefklimaat op regionale schaal. “Kan de krimpende periferie op eigen kracht overleven of ook profiteren van de tendens tot metropolitanisering?” Hier en ook later verwijst hij naar San Francisco. Rond de baai is daar het Bay Trail Project waarin negen regiobesturen en 41 steden (!) samenwerken en dat de oevers ‘over de volle lengte’ toegankelijk maakt. Zo’n platform is ook rond het IJsselmeer nodig. Helemaal achterin het boek schrijft hij: “Er is een sterke neiging om binnen complexe planprocessen de ideevorming over ruimtelijke kwaliteit uit te stellen (of over te slaan) en voorrang te geven aan het debat over functies, doelstellingen en belangen.” Alsof men zijn compositieleer niet aanvaardt. In het voorwoord wordt zijn klacht ook niet geadresseerd. Palmboom wordt bedankt, zijn werk, schrijft de Regeringscommissaris voor het Deltaprogramma Wim Kuijken, is een ‘belangrijke bouwsteen voor Agenda IJsselmeergebied 2050.” Jammer dat Palmboom het planproces niet heeft kunnen beïnvloeden. Zijn boek lijkt een zoektocht naar een opdrachtgever.

Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with:
 

Voorbeeldige stedelijke verdichting

On 22 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Parijs op vrijdag 18 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor plan clichy batignolles metro

Toch jammer dat Amsterdam zijn bid voor de Olympische Spelen van 2028 niet heeft doorgezet, nee zelfs ruimtelijk nooit heeft ingevuld. Het bleef bij vage opties (op de Zuidas respectievelijk Coen- en Vlothaven) en ook nog in een vervelende strijd verwikkeld met Rotterdam en de rest van de Randstad. Totdat de regering Rutte de stekker uit de kandidatuur trok, om financiële redenen. Ook Parijs verloor van Londen voor de Spelen van 2012, maar de Franse hoofdstad beschikte tenminste wel over een plan voor een Olympisch dorp in Clichy-Batignolles en heeft, ondanks het verlies van destijds, dit plan uitgevoerd. In 2007 kwam het eerste deel gereed. In 2014 volgde het tweede deel. Nog een jaar en dan zal het hele plan voltooid zijn: circa 3.500 woningen in een zeer hoge dichtheid, een nieuwe rechtbank naar een ontwerp van Renzo Piano, kantoren als op de Amsterdamse Zuidas (maar dan veel beter) en een aantrekkelijk nieuw park van 10 hectare in het midden. Afgelopen week ging ik met een gezelschap van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing kijken. Aanleiding: 35 jaar stedelijke vernieuwing in Nederland. We werden rondgeleid door Stéphane Kirkland van Arcadis. Indrukwekkende woningbouw. Maar dat niet alleen. Het dichtbebouwde gebied wordt met verlengde metrolijnen (lijn 14) aangesloten op het bestaande netwerk, de buitenwijken en de vliegvelden en wel op zodanige wijze dat het voelt alsof je straks in de binnenstad van Parijs woont. Porte de Clichy is om de hoek. Wat een uitzonderlijke prestatie! Hier wordt een belangrijke stap gezet van stedelijke vernieuwing naar stedelijke verdichting.

Clichy-Batignolles ligt op voormalige rangeerterreinen van de Franse spoorwegen in het 17e arrondissement in het uiterste noordwesten van de Parijse binnenstad. Bij zijn aantreden in 2001 als burgemeester namens de Groenen had Bertrand Delanoë zijn oog al laten vallen op het rangeerterrein in de periferie. Het voornemen om het terrein te bebouwen dateert dus al van voor het Olympische plan. Het moest een groene en ecologische woonwijk worden in zeer hoge dichtheid, met sociale woningbouw en veel nieuwe werkgelegenheid. Vervolgens nam de regering-Hollande dit idee over als onderdeel van het Olympische bid. De nieuwe burgemeester, Anne Hidalgo van de Parti Socialiste, kan binnenkort het ecologische park openen. Vrijwel alle linkse idealen werden hier gerealiseerd. Ondertussen gaan de vrijesectorwoningen in het gebied van de hand voor prijzen die de miljoen euro gemakkelijk overtreffen. Kwaliteit betaalt zich altijd terug. Geen van de appartementen in dit gebied is overigens groter dan 100 vierkante meter. Zoals gezegd, in Nederlandse steden hoef je op zo’n uitzonderlijke prestatie niet te rekenen. Niet alleen ontbreekt het bij ons aan zo’n gezamenlijke ambitie, ook missen onze steden de kritische massa die nodig is om zo’n dicht en veelzijdig programma te realiseren. Clichy-Batignolles is zelfs geraffineerder dan wat ik in Londen heb gezien. Nederland raakt steeds verder achterop als het gaat om het toevoegen van duurzame programma’s in hoge dichtheid in een grootstedelijke context. Wij zijn al tevreden met stedelijke vernieuwing.

Tagged with:
 

Parijs heruitvinden

On 18 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 3 augustus 2017:

Gerelateerde afbeelding

Op 3 december 2014 lanceerde de toen pas aangetreden burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, in het Pavillon d’ Arsenale het programma ‘Reinventer Paris’. Voor 23 locaties binnen de Franse hoofdstad vroeg zij om voorstellen, in te dienen in een internationale open inschrijving. Informatie over alle locaties was op een publiek toegankelijke website te vinden. De meeste betroffen plekken die verlaten waren of waar op dat moment weinig gebeurde. Gevraagd werd om innovatieve voorstellen voor een beter gebruik: flexibeler, gemengder, ecologischer, socialer. “These sites form a diverse supply of land and housing, spread over the Paris area and rapidly available. They comprise land and property owned by the City or its partners – social housing landlords or developers. For each of them, a specific procedure will be implemented so that the winning innovative project can be brought to fruition.” Het leek er op dat de winnende voorstellen ook zouden worden uitgevoerd. De hele wereld kon meedoen. In het voorjaar van 2015 stroomden de eerste voorstellen binnen, waarna in de zomer een jury de meest aansprekende inzendingen koos uit de in totaal 372 inzendingen. Inmiddels zijn de winnaars bekend en is er in 2017 alweer een tweede ronde locaties uitgeschreven. Afgelopen maart werden daarvan de finalisten bekend gemaakt. En daarna volgden ‘Reinventer la Seine’ en ‘Reinventer le Metropole’.

De beproefde werkwijze bleek succesvol en werd in korte tijd zeker driemaal herhaald. Maar in Le Monde verscheen er in de zomer van 2017 kritiek op de oogst van de eerste ronde. Op dat moment was het werk van de prijswinnaars voor het groot publiek tentoongesteld. Frédéric Edelman vond de meeste voorstellen tamelijk naïef en getuigen van ‘groen infantilisme’. Ze deden hem denken aan ‘Banlieu ‘89’ uit 1984, toen de tweehonderd inzendingen volgens betrokkenen van dezelfde naïviteit hadden getuigd. Men had het beschouwd als politieke propaganda. Erger vond hij dat de professie nog altijd niet in staat was gebleken om hardnekkige maatschappelijke vraagstukken op te lossen met doorwrochte ontwerpen. Is dit een nieuw model over stadsontwikkeling?, vroeg de architectuurwebsite AMC zich af. De prijsvraag had de stad weinig gekost, maar had een oogst aan ideeën opgeleverd voor grondprijzen tegen een waarde van in totaal 565 miljoen euro. Ook zij vond de meeste ontwerpen zeer matig. De kritiek werd door het stadhuis verworpen. De waarde van haar aanpak, beweerde ze, moest  in de onorthodoxe samenstelling van de teams worden gezocht, waarin architecten hadden samengewerkt met gebruikers, ontwikkelaars en NGO’s. Zo’n aanpak vond ze beter dan projectontwikkeling. En de meeste architecten, voegde ze eraan toe, waren keurig door de betrokken private partijen betaald, daar was de overheid niet voor nodig. Waarop de redactie concludeerde: “La polémique sur la rémunération n’est en réalité que le symptôme d’une époque marquée par la privatisation grandissante de la commande publique."

Tagged with:
 

Voorbeeldig gotisch

On 27 april 2018, in geschiedenis, stedelijkheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Praag op 18 april 2018:

Afbeeldingsresultaat voor map townplan prague charles

Amper twee uur hadden we de tijd. Gehaast liepen we door het zonovergoten centrum van de Nieuwe Stad van Karel IV in Praag. Yvette Vasourkova, druk pratend en gebarend, liet me eerst de middeleeuwse kaarten zien op haar smartphone en leidde me vervolgens in sneltreinvaart rond. Karel IV, geboren in 1316 en tot hoofd van het Heilige Romeinse Rijk gekroond in 1346 in het Duitse Bonn, had van Praag het machtscentrum van middeleeuws Europa gemaakt. Na Rome en Constantinopel was het Tsjechische Praag nu de belangrijkste stad in de christelijke wereld. Dat is nog steeds goed in de stadsplattegrond terug te zien. Op 8 mei 1348 besloot Karel tot de belangrijkste stadsuitbreiding uit de middeleeuwse periode: de aanleg van de Nieuwe Stad van Praag. Aanleiding was de overbevolking van de bestaande stad, de extreme drukte en overlast die de vorst in feite dwongen tot een verdubbeling van het stedelijke oppervlak. Karel besloot er iets bijzonders van de maken. Het ging om een enorm areaal omzoomd door een vestingmuur over een lengte van liefst 3,5 kilometer, met 24 torens en vier poorten, drie grote pleinen en vijf kerken, alle op regelmatige afstand van elkaar geplaatst, samen de plattegrond van een kruis vormend: de Nieuwe Stad opgevat als het Nieuwe Jeruzalem. Vasourkova duidde het plan consequent aan als ‘gothisch’.

De indrukwekkende stadsuitbreiding van Praag kreeg zijn definitieve beslag met de overkomst van de kroonjuwelen in 1350. Vanaf dat jaar werden de sieraden elke zondag na Goede Vrijdag aan het gelovige volk getoond op een van de drie markten, het huidige Karlovo plein. Alle overlastgevende bedrijven in de oude nederzetting werden naar de nieuwe stadsuitbreiding overgeheveld. Er was daar ruimte genoeg. Het bijzondere is dat Praag eeuwenlang mateloos van de ruime middeleeuwse stadsuitbreiding heeft geprofiteerd. Wat Vasourkova me vooral wilde laten zien dateerde zelfs van het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw: reusachtige stedelijke bouwblokken langs het Wenceslasplein waar ontwikkelaars met labyrintische passages winkels, bioscopen, zwembaden, kantoren en woningen ingenieus met elkaar hadden verknoopt, een FSI (floor area ratio) van niet minder dan 6 bereikend. Dankzij de passages met hun ontsluitingen op de begane grond was een flexibiliteit in het gebruik gecreëerd die de functionaliteit van deze honderd jaar oude complexen tot op de dag van vandaag garandeert. Moeiteloos hadden de blokken twee wereldoorlogen en een communistisch regime overleefd; zelfs het eigendom was in die honderd jaar in de meeste gevallen onveranderd gebleven. Stedelijkheid, zorgvuldigheid en duurzaamheid waren hier harmonieus samengegaan. En dat in een middeleeuwse plattegrond. Ik was diep onder de indruk. Hadden we maar bestuurders als Karel IV.

Tagged with:
 

Hoe Haussmann aan zijn einde kwam

On 23 maart 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris Reborn’ (2013) van Stéphane Kirkland:

Afbeeldingsresultaat voor paris reborn kirkland

Hoe kwam de grote stedenbouwkundige Haussmann eigenlijk aan zijn einde? In ‘Paris Reborn. Napoléon III, Baron Haussmann, and the Quest to Build a Modern City’ van de Franse architectuurhistoricus Stéphane Kirkland kon ik het nalezen. Haussmann was bijna zestien jaar de prefect van Parijs geweest, hij was door de keizer benoemd want een burgemeester had Parijs niet. In die jaren zette hij de hele stad op zijn kop. De boulevards, passages en de parken zijn zogezegd alle van hem, al zou zijn politieke baas Napoléon III het hem allemaal op een enveloppe hebben voorgetekend. Echter, zo eenvoudig is stadsontwikkeling niet, zelfs niet in Parijs. Kirkland beschrijft nauwgezet hoe eerdere regeringen nalieten om Parijs te moderniseren en uit te breiden. De problemen waar Haussmann voortdurend op stuitte hadden zeker ook met die opgelopen achterstand te maken. Wat hij overhoop haalde was niet mals en ook de burgers van Parijs kunnen behoorlijk lastig zijn, zeker in zijn tijd. Uiteindelijk moest hij het veld ruimen vanwege enorme budgetoverschrijdingen. Weggaan wilde hij echter niet. De schulden die de stad had gemaakt kon hij goed verklaren en vond hij ook gerechtvaardigd. Latere generaties moesten gewoon aan het kostbare karwei meebetalen. Per decreet werd hij op 5 januari 1870 op een zijspoor gezet. Op19 juli verklaarde Napoléon III aan Pruisen de oorlog. Die winter al lagen de Pruisische legers voor de poorten van Parijs. Daar brak vervolgens een burgeroorlog uit, die aan duizenden Parijzenaars het leven kostte. En Haussmann?

In 1873 begon Frankrijk als Derde Republiek. Het waren moeilijke tijden. In die drie jaar na zijn aftreden had Parijs al drie prefecten versleten. Nog vijf jaar te gaan en Frankrijk zou het herstel van de oorlog met opnieuw een wereldtentoonstelling, die van 1878, vieren. Haussmann leefde al die tijd teruggetrokken in een klein appartement in rue Boissy d’Anglas, vlak achter place de la Concorde. Hij had het eerst nog geprobeerd als ondernemer, maar was daarin niet geslaagd. Nog even had hij een rentree in de politiek gewaagd, maar ook dat avontuur liep op niets uit. In 1878 was hij, aldus Kirkland, totaal uit beeld verdwenen. Niemand die nog over de grote openbare werken van Haussmann sprak. “He was now a relic, a man of a bygone era whose key protagonists were mostly dead and whose precepts seemed irrelevant.” In de bitterkoude januarimaand van 1891 stierf hij aan een longontsteking, 81 jaar oud. Laat het einde van Haussmann voor ieder die aan de stad werkt een waarschuwing zijn. Stedenbouw is een hard en ondankbaar vak. Ook Kirkland vond dat de ingrepen van Haussmann bruut waren geweest en dat er een mildere vorm van stadsontwikkeling denkbaar was geweest. Desalniettemin, het was een groots idee en een even grootse uitvoering. “It can only invite us to consider the urban vision of our society and ask ourselves what kind of world we wish to build for our own posterity.” Zeker, dat moeten we doen.

Tagged with:
 

Bouwen en wonen

On 3 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Building and Dwelling’ (2018) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor building dwelling richard sennett

De erudiete Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) koos er op hoge leeftijd voor om alsnog praktiserend planoloog te worden. Zo adviseerde hij kleine gemeenschappen en één internationale organisatie. Deze ontboezeming doet hij in ‘Building and Dwelling’, zijn nieuwste boek, dat een titel draagt die lijkt afgeleid van een van Martin Heideggers beroemde essays. Planoloog zijn was een bijzondere ervaring. “It took time to find ways to engage the gap between the built and the lived, the ville and the cité.” In ‘Building and Dwelling’ wijst hij op de scheiding tussen de gebouwde en de geleefde stad en hoe deze de discipline van de planologie door de tijd heeft gespleten: aan de ene kant de stedenbouwkundige vormgevers met hun gedurfde toekomstvisies en stedenbouwkundige projecten, aan de andere kant de planologen en sociologen met hun diepgaande kennis van het stadsleven en hoe mensen op de gebouwde omgeving reageren. Lewis Mumford stond dichter bij het eerste, Jane Jacobs dichter bij het tweede. Op een gegeven moment dreven beide uit elkaar. Deze scheiding tekent het vakgebied tot op heden. De scheiding markeert ook de inhoudsopgave van zijn boek.

Volgens Sennett kan de stad alleen goed functioneren als gebouwde omgeving en stadsleven elkaar weten te vinden. Dat vergt veel van de stedelingen. Maar het vraagt ook iets van de planners. Stedelingen moeten wennen aan al die drukte en al die vreemde mensen om hen heen. Omgekeerd moet de gebouwde stad zich aanpassen aan voortdurende verandering. Sennett noemt vijf open vormen die tot een betere, meer flexibele fysieke structuur kunnen leiden: openbare ruimte die een veelheid van activiteiten synchroniseert; poreuze grenzen tussen wijken en buurten; eenvoudige materialen en symbolen die, willekeurig over de stad verdeeld, onopvallende plekken karakter geven; het spelen met thema’s en variaties; een complex patroon laten ontstaan door scholen, parken, winkels en woningen als zaden te planten, het resultaat is iets als een collage. Sennett is geen voorstander van master planning. Maar kleinschaligheid hoeft wat hem betreft ook niet. “Master-planning of Mumford’s well-intentioned sort assumes people want to live a stable, balanced life. The simplification of the city follows from making this assumption, and the result is not good.” Een stabiel, evenwichtig leven is een leven dat energie verliest – “and so is a stable, balanced city.” Geen overzichtelijke tuinsteden dus. In de ogen van Sennett zijn steden lastige plekken waar mensen hun ervaring van collectief leven kunnen, nee moeten verdiepen. Steden bestaan bij de gratie van complexiteit.

Tagged with:
 

Dromen najagen

On 23 oktober 2017, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Ondanks de zwaartekracht’ (2017) van Suzanna Jansen:

Afbeeldingsresultaat voor ondanks de zwaartekracht

Suzanna Jansen schreef een mooi boek over twee mensen die in het machinetijdperk aan een nieuwe wereld bouwden, Steffa Wine en Cornelis van Eesteren, de eerste balletdanseres, de tweede stedenbouwkundige. Beider levens komen samen in woonwijk Slotermeer in Amsterdam, de geboortegrond van Suzanna Jansen. Steffa opende er een balletschool, Cornelis werd van het geheel de ontwerper – de man van de strenge rechte lijnen. “Wat gebeurt er als je je dromen najaagt?” Van Eesteren, die ik in 1982 persoonlijk leerde kennen en die ik drie jaar lang regelmatig opzocht in zijn bungalow in Buitenveldert om over zijn levenswerk te praten, verdiende al langer een biografie. Nu is er eentje. Nu ja, een halve. In het boek komt Van Eesteren naar voren als een ernstige man. Een harde werker. Een tobber ook, die instort en maandenlang met ernstige rugklachten bed moet houden nadat hij het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam heeft voltooid en kort voordat de tentoonstelling van CIAM in het Stedelijke Museum over de functionele stad zal worden geopend. “Hij nam zichzelf heel serieus,” typeerde vriendin Titia Frieling hem. Hij wilde, schreef Jansen, niet minder dan ‘de aarde organiseren’, te beginnen met de Sloterdijkermeerpolder. En dan die ongerijmdheid: tot z’n 33ste woonde hij nog bij zijn ouders in Den Haag, ondertussen reisde hij de Europese avant-garde achterna, af en toe zijn Zwitserse geliefde in de armen sluitend.

Geloven in je eigen dromen, het jezelf absoluut niet makkelijk maken.  Suzanna Jansen vindt het prachtig en neemt het tot uitgangspunt van haar boek. Ik lees vooral over een van zichzelf overtuigde, ernstige en erg veel van zichzelf vergende man. Want opnieuw, halverwege de jaren vijftig, krijgt Van Eesteren last van hoge bloeddruk, oppervlakkige ademhaling, hartpijnen en slapeloosheid. Er komt steeds meer kritiek op zijn werk, zijn leidinggevende positie in Amsterdam moet hij opgeven. Zijn aandacht verlegt hij naar de IJsselmeerpolders, waar hij in 1959 de opdracht krijgt Lelystad te ontwerpen. Maar na vijf jaar ruzie volgt zijn oneervol ontslag. Men gelooft niet in zijn ontwerp. “Ineens was Cor uitgerangeerd. Zo snel kon het gaan.” Maar het ergste moest toen nog volgen. In 1974 overleed zijn vrouw in een hotel in Luzern. Hartinfarct. Van Eesteren was er niet bij. “Cor moest verder zonder Fritz, nog bijna veertien jaar.” Ergens halverwege die veertien jaar ontmoette ik hem. Onderuit gezakt zijn werkkamer in Buitenveldert vertelde hij me over het stroomdal van de Rijn. Achter hem een portret van zijn Fritz.  Zij, geboren aan de oevers van de Bodensee, en hij, een kind uit Kinderdijk. Zijn ontwerp van Amsterdam en de IJsselmeerpolders, vertelde hij me, pasten in dat grote geheel. Zo begon ook ik te dromen.

Tagged with:
 

Negatief over flats

On 6 oktober 2017, in boeken, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De betonnen droom’ (2016) van Daan Dekker:

Afbeeldingsresultaat voor daan dekker de betonnen droom

Er gaat zeker een prachtig verhaal schuil achter de Bijlmer en zijn bouwmeester, Siegfried Nassuth. Daan Dekker, auteur van ‘De betonnen droom’, groeide op in een doorzonwoning in Bunnik, maar raakte in de ban van de Amsterdamse Bijlmermeer nadat hij anderhalf had gewoond in een flat in Sao Paulo. Zo leerde hij de geschiedenis van Siegfried Nassuth kennen, de stedenbouwkundige van de Bijlmer. En zo groeide zijn achting voor de  beginselen van de Bijlmerplanning en voor de persoon die deze tegen alle verdrukking had uitgedragen. Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Dekker schrijft prettig en is eerlijk over het feit dat hij in de hoogbouw ‘een positieve woonervaring’ heeft gehad. “Waarom dacht ik, en met mij vele Nederlanders, zo negatief over flats? Wat wist ik eigenlijk van Nederlandse hoogbouwwijken? Hoe vaak was ik er geweest’?” Critici van het plan voor de Amsterdamse Sluisbuurt op Zeeburgereiland mogen het zich aantrekken. Laat ze tenminste dit onderhoudende boek van Daan Dekker tot zich nemen.

Hoe kon het zo misgaan met de Bijlmer? Dekker beschrijft het fraai, tot in de fijnste details. Hoe de Nederlandse regering het de gemeente Amsterdam tien jaar lang onmogelijk maakte om de Bijlmer te bouwen. Hoe in 1971 de film ‘Blue Movie’ heel Nederland de flat Hoogoord voorschotelde als ‘een kooi vol seksmaniakken’, een ‘parenclub in hoogbouw’ en het stigma was geboren. Hoe die andere flat Gliphoeve eerst nog een fantastische flat was met Surinaamse feesten en hoe alles er kon, maar ook hoe chaos heerste in de flat en autoriteiten overbewoning vaststelden. Hoe de bewoners al vanaf 1973 protesteerden tegen de hoge huren en tegen de kosten van de peperdure parkeergarages. Hoe in 1974 honderd woningen in Gliphoeve werden gekraakt. Hoe in 1980 de geldkraan werd dichtgedraaid en hoe dit de situatie in de flat alleen maar verergerde. Hoe de Ghanese gemeenschap in de Bijlmer na 1983 snel groeide. Hoe in 1984 burgemeester Van Thijn begon de Zeedijk schoon te vegen, waarop steeds meer dealers op de metro stapten richting Ganzenhoef. Hoe hierdoor de Gliphoevefeestjes geïnfecteerd raakten met karrenvrachten drugs.  Hoe in 1992 een Israëlische Boeing zijn neus boorde in een Bijlmerflat. En wat dacht Nassuth, de geestelijke vader, al die tijd? “Langzaam maar zeker was Siegfried de grip op zijn magnum opus kwijtgeraakt.” Dat was al in de zomer van 1965. “Het betekende het begin van de afkalving die sluipenderwijs verliep.” De afloop kennen we.

Tagged with:
 

Drukte in de stad

On 12 juli 2017, in boeken, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Language of Cities’ (2016) van Deyan Sudjic:

Afbeeldingsresultaat voor the language of cities sudjic

 

Grappig. Net als ik heeft Deyan Sudjic afgelopen jaar een toegankelijk boekje geschreven over steden. In twee zomers tijd pende hij het neer in zijn buitenhuis bij Siena. Sudjic is directeur van het Design Museum in Londen. Wat is een stad? Hoe maak je een stad? Hoe verander je een stad? Hoe wordt een stad bestuurd? Dat zijn de vragen die hij, net als ik, zich stelde. In elk hoofdstuk wijdt hij uit over allerlei steden, schrijft boeiende anekdotes, zoomt in op architecten en politici, graaft telkens diep in de recente geschiedenis van vooral Londen. Net als de meeste Londenaren toont hij zich ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling van zijn eigen stad zeer kritisch. Canary Wharf  is daarbij een dankbaar mikpunt van spot. Dat dit werkgebied in Oost-Londen een succes is geworden, verbaast hem nog steeds. Het slothoofdstuk is opmerkelijk. Dat gaat over menigten, en over hun onvrede. Extreme drukte, aldus Sudjic, hoort bij de grote stad. En wanneer een grote menigte bezit neemt van een stad, valt ze niet te negeren. In de allergrootste steden op aarde zijn sommige straten zelfs permanent geblokkeerd, afgeladen vol als ze zijn met mensen. Hier ervaart men aan den lijve hoe zeven miljard mensen deze aarde bewonen en hoe vervoermiddelen al die mensen op sommige plekken samenbrengen. Londen kan er als geen ander over meepraten.

Maar het is niet alleen Londen. In 2012 bezochten 9,7 miljoen mensen het Louvre in Parijs. Al die bezoekers komen voor hetzelfde: de Mona Lisa. Na de laatste verbouwing wacht het museum alweer een nieuwe uitbreiding. Vliegvelden, aldus Sudjic, weten hoe je met enorme stromen mensen moet omgaan. Heathrow, bij Londen, verwerkte in 2014 73,4 miljoen passagiers. Londen zelf ontving dat jaar ‘slechts’ 16,8 miljoen toeristen. Vliegvelden worden permanent aangepast aan de groeiende mensenstromen. Steden, en zeker de historische steden van Europa, lenen zich daarvoor veel minder. Toch zal hier permanent geïnvesteerd moeten worden in de openbare ruimte en in het openbaar vervoer. Wat in Tokio al jaren normaal is, aldus Sudjic, begint ook in westerse steden normaal te worden. Mensen zullen zich moeten aanpassen aan de enorme mensenmassa’s. Waarop hij besluit: “The city is humankind’s most complex and extraordinary creation. It can be understood as a living organism. By their nature, living organisms can die when mistreated, or starved of resources, including people. (…) Planned in the right way, it can support growing numbers of people.” Wanneer wordt de drukte in Amsterdam eindelijk eens een serieuze planningsopgave, anders dan aanleiding tot opnieuw een vergeefse poging tot ruimtelijke spreiding?

Tagged with: