Canadese huizenbubbel lek geprikt

On 4 september 2017, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 27 mei 2017:

 

 

Een klein berichtje in de Volkskrant was het, meer niet. De huizengekte in Toronto, Canada, blijkt te zijn omgeslagen in een crisis. Huiseigenaren proberen in paniek hun pas verworven vastgoed kwijt te raken nu een einde is gekomen aan de krankzinnige waardestijging, afgelopen jaar liefst 33 procent. Aanleiding: een nieuwe belastingmaatregel (15 procent) die de regering van Ontario voor buitenlandse kopers van vastgoed in de oververhitte woningmarkt van de hoofdstad afkondigde. Vooral vanuit Azië werden op grote schaal laagbouwwoningen opgekocht. In en rond de stad werd gevochten om grond, maar Toronto hanteert een Green Belt-politiek die het aanbod van bouwgrond ernstig belemmert. In het centrum verrezen overal woontorens. Het bleek niet genoeg. De vraag bleef vooral gericht op de laagbouwwoningen. Het gevolg was dat Toronto onbetaalbaar dreigde te worden voor grote groepen inwoners. Midden 2016 bleek meer dan 90 procent van de laagbouw van Toronto meer dan 1 miljoen dollar te kosten. Er was onmiskenbaar sprake van een housing bubble. Met de maatregel hoopte Ontario de woningmarkt te stabiliseren. Maar men had niet verwacht dat hij zo snel zou inklappen. Toch liggen de huizenprijzen nog steeds ruim 5 procent boven de waarde van afgelopen jaar. Je zou kunnen zeggen dat de lokale woningmarkt is genormaliseerd.

In Amsterdam stegen de huizenprijzen afgelopen jaar met liefst 21 procent. Dat is weliswaar minder dan in Toronto, maar toch ruim voldoende om te kunnen spreken van een ernstige situatie. Ook in de hoofdstad dreigen veel woningen voor grote groepen onbetaalbaar te worden. Michiel Couzy en Ton Damen beschreven in Het Parool van 13 juli 2017 hoe dat werkt: omdat er veel geld te verdienen valt, steken rijke particulieren en beleggers hun kapitaal in Amsterdamse bakstenen, met als gevolg dat de prijzen verder stijgen. “Het is een duizelingwekkend rendement, waaraan bijvoorbeeld de aandelenbeurs een puntje kan zuigen.” Niemand heeft nog opgemerkt dat Amsterdam, net als Toronto, een restrictief ruimtelijk beleid voert waardoor bouwgrond hier bijna niet beschikbaar is. Rond de stad is bouwen simpelweg verboden. Een groot deel grenst aan het zogenoemde Groene Hart. Veel groen behoort tot de veelgeroemde scheggen. Ook de bouwhoogte is in een groot deel van de stad gelimiteerd. Het opspuiten van wat eilanden bij IJburg is het enige dat resteert. Geen wonder dat de woningprijzen uit de pan rijzen. Als Amsterdam niet wil expanderen, dan is een belastingmaatregel als de Canadese ook bij ons het enige alternatief.

Tagged with:
 

Onjuist

On 16 december 2016, in hoogbouw, stadsvernieuwing, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rise and Sprawl (2016) van Hans Ibelings:

Afbeeldingsresultaat voor rise and sprawl

De Canadees-Nederlandse architectuurcriticus Hans Ibelings stuurde me een mail naar aanleiding van mijn blog over zijn nieuwste boek ‘Rise and Sprawl’. ‘Rise and Sprawl’ gaat over de opmerkelijke opmars van hoogbouw in het centrum van Toronto, Canada. Zelf, schreef hij me, was hij het meest tevreden over de wijze waarop hij in zijn boek had afgerekend met ‘Death and Life of Great American Cities’ van Jane Jacobs. Dus sloeg ik zijn boekje er nog eens op na. Het werk van ‘patroonheilige’ Jacobs was eenzijdig op de stoep en de voetganger gericht, ze had zich vooral tegen de overheid gekeerd, in de persoon van de machtige stedenbouwkundige Robert Moses, veel minder tegen het Modernisme als zodanig. Alle planners waren in haar ogen fout, alle andere mensen goed. Ibelings, eerst nog spottend en badinerend, stelt Jacobs vervolgens op één lijn met tijdgenote en communistenhater Ayn Rand. Ibelings sluit niet uit dat het redacteurschap van Jacobs van het propagandatijdschrift ‘Amerika Illustrated’ in de Koude Oorlog hiermee te maken heeft gehad. Zou het werkelijk?

Het vertrouwen van Jacobs in deregulering gíng volgens Ibelings heel ver. Daarvoor haalt hij een interview aan in The Atlantic van Richard Florida met Jacobs. Hun gesprek ging over gentrificatie. Jacobs hekelde de door de overheid gestuurde stadsvernieuwingsprogramma’s, maar ze keerde zich ook tegen de commerciële vastgoedpraktijken. Florida: “She went on to describe how cities have an amazing capacity to reorganize and reenergize themselves.” Daarna gaf ze Florida een lesje in een levenscycli van buurten en wijken, die eindigde met de uitspraak ‘Well, Richard, you must understand: when a place gets boring, even the rich people leave.’ Voor Ibelings is dit een bewijs dat Jacobs tegenstander was van overheidsinmenging. De recente, in zijn ogen ongereguleerde hoogbouw-hausse in Toronto acht hij dan ook in overeenstemming met het type stad dat Jacobs kennelijk voor ogen stond. Bij deze ironische conclusie haakte ik af. Afgezien van alle eerdere retoriek is het gewoon niet waar. Jacobs hoorde bij een protestgeneratie die zich fel verzette tegen grootschalige sloop en arrogantie van overheden, ontwerpers en projectontwikkelaars. Ze dacht vanuit de mensen. Later ontwikkelde ze een theorie over organische gentrificatie. In ‘Systems of Survival’ (1994) zou ze de verhouding tussen private sector en overheid als twee syndromen tegenover elkaar plaatsen, elk met een eigen moraliteit. Beide waren nodig, geen van beide mocht domineren. “So perhaps we have a useful definition of civilization: reasonably workable guardian-commercial symbiosis.” Jacobs was een pragmatist. Haar op één lijn stellen met objectivist Ayn Rand is onjuist, nee erger.

Tagged with:
 

Nog even wennen

On 2 december 2016, in hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rise and Sprawl’ (2016) van Hans Ibelings:

 

Is hoogbouw aan een stevige opmars begonnen in Amsterdam? De commotie over het gedurfde ontwerp voor Sluisbuurt op het Zeeburgereiland doet vermoeden van wel. Ook dat het verschijnsel niet onopgemerkt zal blijven lijkt me evident. De wereld verandert. In Toronto, Canada, bijvoorbeeld zijn ze er de afgelopen tien jaar snel vertrouwd mee geraakt. Architectuurcriticus Hans Ibelings, tegenwoordig woonachtig in Montréal, Canada, schreef er een aardig boekje over. In ‘Rise and Sprawl’ hekelt hij de kritiekloze acceptatie van de ‘condo towers’ in de grootste Canadese stad. Volgens hem is het allemaal begonnen in Vancouver, toen de Chinezen uit Hong Kong na de aansluiting van hun kolonie bij China overhaast aanspoelden op de Canadese Westkust. Ze namen hun hoogbouw mee. Nu is het verschijnsel overgeslagen naar het veel oostelijker gelegen Toronto. Net als in veel Chinese steden wordt hier de ene na de andere toren opgetrokken, geen enkele is architectonisch bijster interessant, alles gebeurt vlug en oogt gemakzuchtig, zonder dat rekening wordt gehouden met de stedenbouwkundige context.  Er moet vooral geld worden verdiend. Ibelings kan het niet zo waarderen. Ten slotte ben je daar criticus voor.

Sinds 2000 zijn er in Toronto al 80.000 condo’s gebouwd, de meeste op voormalige parkeerterreinen; eenzelfde aantal zit op dit moment in de pijplijn. Vrijwel alle torens bevinden zich in het stadscentrum. De bevolking van het centrum is daardoor met liefst 18 procent gegroeid. Door de schaarste aan grond poppen de torens de laatste tijd ook elders op. Tussen de 23 en 40 procent is koop, maar wordt doorverhuurd. Doordat Canada als een veilig en stabiel land te boek staat, trekt ze beleggers en investeerders aan, die maar wat graag in de toekomst van Toronto willen investeren. Veel torens zijn pure vastgoedinvesteringen. Sinds 2014 betreft het vooral Chinees geld. Prijzen rijzen de pan uit. Zelfs in Toronto wordt wonen in hoog tempo onbetaalbaar. Maar, concludeert Ibelings, de stad is wel levendiger en gezelliger geworden. Wat we hier van kunnen leren? Niet alleen Afrikaanse steden, maar ook Canadese en Amerikaanse steden gaan steeds meer op Chinese steden lijken. Straks volgen de Europese, dus ook Amsterdam. Het is nog even wennen, maar de wereld verandert ingrijpend en snel.

Tagged with:
 

Toronto populism

On 16 november 2016, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘What Toronto needs now’ (2013) van Richard Florida:

Weet u aan wie Donald Trump me doet denken? Aan Rob Ford, de voormalige burgemeester van Toronto, Canada. In 2010 werd Ford (1969) met een ruime meerderheid verkozen als burgemeester van de grootste stad van Canada. Zijn openbare functie behield hij tot 2014. Daarvoor was hij jarenlang lid geweest van de gemeenteraad van Toronto. Net als Trump was Ford een ondernemer met zeer uitgesproken standpunten. Hij vertegenwoordigde Etobicoke North, een buurtschap in het uiterste westen van Toronto, voor 40 procent bestaande uit laagbouw, voor 35 procent uit hoogbouw, met een arme multi-etnische bevolking. Etobicoke heeft een slechte reputatie vanwege aanslagen en geweld, gepleegd door jongerenbendes. Ford was een populist die de overheid wilde reduceren, hij beloofde zware infrastructuur aan te leggen maar liet de fietspaden in de stad afbreken en keerde zich tegen homoseksualiteit, hij beledigde zijn collega’s, zelf werd hij beschuldigd van racisme. Ford werd ook beschuldigd van huiselijke geweldpleging, drankmisbruik en gebruik van verdovende middelen. In 2014 werd kanker bij hem geconstateerd. In maart 2016 stierf hij. Gedurende zijn ambtstermijn raakte de politiek van Toronto totaal verlamd.

Hoe kon Ford ooit aan de macht komen in het rijke Toronto? Zijn verkiezing dankte hij aan stemmen in de buitenwijken van de Canadese metropool. Greater Toronto Area fungeert feitelijk als één kiesdistrict, dit keer kwam een populist uit de boze buitenwijken in het centrum aan de macht. Met die buitenwijken gaat het al jaren niet goed, de bevolking krimpt er en de jongeren trekken massaal naar het centrum. In 2013 schreef Richard Florida, directeur van het Martin Prosperity Institute: “At a time when we need a denser urban core, more affordable housing, better transit and less reliance on cars—a way of living that clusters people together naturally, allows them to interact more freely and produces the sort of innovation that spurs economic progress—we have a mayor who stokes the urban-suburban divide for political gain, and a deputy mayor, Doug Holyday, who believes that downtown Toronto is no place to raise a family.” Globalisering genereerde een beperkt aantal ‘powerhouse mega-regio’s’ en Toronto moest daar één van zijn, maar met deze zwakke burgemeester kwam daar volgens Florida niets van terecht. Florida was geen voorstander van een neoliberale topdown aanpak van stadsontwikkeling, aangevoerd door het bedrijfsleven, hij zocht juist een brede coalitie die vanuit een lange termijnvisie de hele stedelijke regio kon activeren. Gaan de VS met Trump de komende vier jaar hetzelfde als Toronto beleven?

Tagged with:
 

Meer verbeeldingskracht

On 17 oktober 2016, in film, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 15 oktober 2016:

 

Hoe ziet Amsterdam er uit in 2030? Als het aan de Rotterdamse socioloog Wim Derksen (1952) ligt nog net zo als in 2016. Althans dat meende ik dit weekeinde te lezen in Het Parool (15 oktober 2016). Ik denk dat hij zich ernstig vergist. Maar hoe dan wel? Zoiets vergt verbeeldingskracht. Neem ‘Her’. In 2013 verscheen deze sciencefiction film van Spike Jonze over Los Angeles in het jaar 2025. Hoofdpersoon Theodore Twombly (Joaquin Phoenix) wordt in de film verliefd op een computerstem. Het is een flinterdun, melancholisch verhaal, al laat het goed zien hoe mens en technologie versmelten. Hoe ziet Los Angeles eruit in 2025? Op die vraag lichtte Colin Marshall het scenario van ‘Her’ door. Op YouTube kun je zijn filmcollege mooi volgen. Los Angeles over tien, twintig jaar wordt door Spike Jonze verbeeld als een stad van torens, autovrije straten en veel metro. Twombly zelf woont in een wolkenkrabber. Voor een dagje op het strand neemt hij de ondergrondse. Voor een ritje naar de natuur kiest hij voor een hogesnelheidstrein. Dat is niet het Los Angeles dat wij van vroeger kennen. Wat is er gebeurd? Zelfs autostad Los Angeles verdicht snel en krijgt de trekken van een Aziatische metropool. Dat is nu al gaande.

Veel opnamen in ‘Her’ zijn gemaakt in Shanghai. Dat is niet zo gek. Los Angeles telt op dit moment 18 miljoen inwoners, Shanghai is de grens van 22 miljoen inwoners al gepasseerd. LA groeit echter ook snel en die sterke groei vindt op dit moment vooral plaats door verdichting, niet door verdere suburbanisatie. Toen Jonze zijn filmopnamen maakte was dit precies wat Bianca Barragan vaststelde in Curbed Los Angeles: “Los Angeles is changing its identity. It’s moving away from the car and the single-family house and toward transit and denser living. And now it’s even getting dramatically less sprawly.” Het zijn vooral jonge hoogopgeleide mensen en ouderen die weer voor de grote stad kiezen en die het centrum prefereren boven de buitenwijk. Zij zijn zelfs bereid om in hoogbouw te wonen, ook in het aardbevingsgevoelige LA. Barragan citeerde een wetenschapper die Los Angeles binnen de USA zelfs de kampioen noemde van succesvolle verdichtingsstrategieën. Natuurlijk wordt Amsterdam geen Shanghai zoals Het Parool met haar fotokeuze suggereerde, maar ze gaat wel lijken op een stad als Toronto (2,6 miljoen inwoners, de regio 5,4 miljoen). Ik denk dat Wim Derksen de film moet bekijken. Een beetje meer verbeeldingskracht kan bij deze oude sociaal-democraat geen kwaad.

Tagged with:
 

Keesmaat will win

On 22 april 2016, in regionale planning, by Zef Hemel

Heard on 21 April 2016 at the University of Amsterdam:

Burton Hamfelt, Canadian architect, gave a great guest lecture on Toronto in the Cities in Transition Programme at the University of Amsterdam. It was a tale of two Toronto’s: one suburban (the Ford Nation), one urban, one poor, one rich, one neglected, one mediatised. Over the last ten years Toronto has changed in a tremendous way, so did the way people talk about the city. In the sixties and seventies, Toronto was viewed as a boring, social city, nowadays it is a keen investment in real estate, an expensive city ranked high in many global city bench marks. Sure, Toronto is immigrant friendly and booming, every years it grows with another forty thousand inhabitants, the metropolitan region counts 6 million people, the city itself 2,8 million. There are no refugee camps like in the Netherland. Refugees are staying with Toronto families. Downtown is densifying in an unknown pace, high rise is the new normal, housing is getting unaffordable, it seems everybody wants to live on those few square meters, which is strange, because Canada is such a big country. Downtown is a walkable space, which has been turned into a festival playground. Polynuclearity seems to be totally absent. The only thing that counts is the land value in the inner section. Will it continue to rise? Can it hold on?

Hamfelt showed films of Jane Jacobs walking on the sidewalks of Toronto in the sixties, Glenn Gould driving through Toronto suburbs, chief planner Jennifer Keesmaat talking to Richard Florida on sound infrastructure planning. Why is Toronto becoming a cosmopolitan global city, while other Canadian cities like Calgary are becoming provincial and even shrinking? And why are the suburbs neglected? It seems everybody wants to live in the city centre nowadays. Hamfelt tried to explain: it’s either you want a car or not. A car is expensive. If you don’t want one, you prefer to live in the city centre, if you do, your future is in the suburbs. Out of this  alchemy came mayor Rob Ford, who died last year at the age of forty-six. Hamfelt showed maps of Toronto, illustrating the political landscape after the last elections: it’s the landscape of obesity, is the landscape of the suburbs, is the political landscape of Ford and his populist party. Nicholas Köhler in The New Yorker of 24 March 2016: “Ford was articulating the grievances of a forgotten, largely suburban constituency, but his strategy also resonated with others, and on election day voters in some of the city’s most progressive neighborhoods cast ballots for him.” Hamfelt opposed the thick, vulgar Ford against the slim, intellectual Keesmaat. He thinks Keesmaat will win.

Tagged with:
 

Elephant Cities

On 20 maart 2016, in duurzaamheid, Geen categorie, wetenschap, by Zef Hemel

Read in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) of Jane Jacobs:

At the Pakhuis de Zwijger meeting of last Friday, Nikki Brand and Jaap-Evert Abrahamse criticized my ‘plan’ for doubling the size of Amsterdam. Sure, I have to admit, I did not respond to their anxiety Amsterdam will turn into an ‘elephant city’ by letting it grow from one million inhabitants into two million within thirty years from now. By calling the enlarged Amsterdam an elephant city, they referred to Jane Jacobs, who wrote in ‘Cities and the Wealth of Nations’ that elephant cities are the result of faulty feedback systems. Her theory was that some cities would profit more from the national currency and get the right feedback, while other cities don’t. Paris, London, Sydney and Toronto are all one brain-stem breathing centers: so-called elephant cities. “Whichever city in a nation happens to be contributing most heavily to the international export trade is apt to be the city whose needs are best served by the national currency.” As far as small countries are concerned, she wrote, this was not really a problem – think of Finland (Helsinki), Sweden (Stockholm), Norway (Oslo) or Denmark (Copenhagen) –, but in big nations most cities will become inert and provincial because they get less feedback. How lucky we are, the Low Countries with our Ring City!

Amsterdam becoming an elephant city? Since the introduction of the euro in 2000 there is no Dutch currency any more, so Amsterdam cannot be or become an elephant city that is profiting exceedingly from the currency system. Two: a city of 2 million in a small country of 17 million people should not be disquieting. Three: it’s only normal that there is one city the biggest in the national city-ranking, and according to the rank-size rule the biggest has double the size of the second biggest city. In every country in the world this Zipf’s Law holds. Only in the Netherlands, Amsterdam is just a tiny bit bigger than Rotterdam, which is abnormal. Four: In the future the Dutch pattern will resemble more the Danish, Norwegian, Swedish and Finnish pattern, which is one of the city-state. Nothing wrong with that. And five: Jane Jacobs wrote she had just presented a hypothesis, so her theorising might be false. But she was right in pointing at the fact that elephant city-region patterns create miserable resentments and exacerbate bitterness or hatreds. The doubling of Amsterdam will not go unnoticed. By the way, what’s wrong with elephants? Wanna know more about Zipf’s Law? Read ‘A Tale of Many Cities’ of Edward Glaeser: http://economix.blogs.nytimes.com/2010/04/20/a-tale-of-many-cities/?_r=0

Tagged with:
 

Public-Private-People

On 16 oktober 2014, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in One Whitehall Place, Londen, op 15 oktober 2014:

Annex D: Toronto Waterfront Region

Het congres Cities 2014 van Marketforce en Ernst & Young in Londen bracht afgelopen woensdag steden uit het hele Verenigd Koninkrijk bij elkaar. Opvallend veel bestuurders waren aanwezig. Hun bijdragen vielen op door hun grote inhoudelijkheid. Je kunt het een mooi voorbeeld noemen van Benjamin Barber’s droom: “if mayors ruled the world.” Steden willen van elkaar leren. De burgemeester van Newham, Robin Wales, vertelde over de legacy van de Olympische Spelen 2012 in zijn gemeente, de burgemeester van Bristol, George Ferguson, maakte indruk met zijn verhaal over lokale duurzaamheid en de burgemeester van Stoke-on-Trent pleitte voor een tussenstop op de nieuwe hogesnelheidslijn HS2 tussen Manchester en Birmingham. Centraal stond het idee van Smart Cities en veel bijdragen gingen over nieuwe vormen van governance waarin publiek-privaat nauw samenwerken met burgers aan stedelijke smart grids. De gedachte dat grotere betrokkenheid van de bevolking nodig en ook nuttig is kwam vooral naar voren in de mooie bijdrage van Tom Shakhli uit Lambeth, Zuid-Londen. Zijn verhaal over ‘Made in Lambeth’ ging over hoe een vaste groep van vierhonderd burgers voortdurend door de gemeente wordt geconsulteerd, “using online communities to do good for nothing.” Boodschap: het werkt.

Meeste indruk op de aanwezigen maakte de bijdrage over Toronto Waterfront. De Canadees William Hutchison van het Centre for Smart City Innovation van Ernst & Young vertelde over twintig jaar zorgvuldige planning langs de stedelijke oevers van de Don. Het betreft hier een transformatie van oude industrieterreinen op land dat voor 70 procent in bezit is van de gemeente, een vastgoedinvestering ter waarde van liefst 34 miljard Canadese dollar. In 1999 begonnen, toen nog bedoeld voor de Olympische Spelen 2008, leek het project in 2011 vast te lopen door verzet van de even eerder aangetreden rechtse burgemeester Rob Ford. Die wilde de publieke planners van Toronto Waterfront eruit gooien en het plan verder geheel door marktpartijen laten ontwikkelen. Terwijl aan de basis van het megaplan juist uitgebreide publieke consultatie ligt, een gevoelige samenwerking tussen stad, provincie en ministeries, en parken, pieren, infrastructuur en openbare ruimtes (o.a. van West8) juist de kern van het plan uitmaken. In 2013 werd het project daarom geëvalueerd. Uitslag: positief. Op dit moment speelt de omstreden komst van een vliegveld in het waterfront, en de bouw van een casino. En afgelopen zomer ontstond er heibel over parasols die waren geplaatst op Sugar Beach en die elk liefst 12.000 dollar zouden hebben gekost. Ai, de burgers! En dat terwijl Toronto Waterfront op dit moment 1,65 miljard dollar extra vraagt om het karwei af te maken. Eind oktober zijn er in Toronto verkiezingen.

Tagged with:
 

Heldenstatus

On 29 maart 2012, in duurzaamheid, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Welcome to the Urban Revolution’ (2009) van Jeb Brugmann:

Het laatste hoofdstuk van Jeb Brugmann’s ‘Welcome to the Urban Revolution’ is getiteld ‘Cocreating the Citysystem: toward a World of Urban Regimes’. We zijn hier aangeland bij de oplossingsgerichte strategieën voor het vraagstuk van de snelle mondiale verstedelijking in tijden van crisis. Tal van voorbeelden komen in het boek voorbij. Nederlandse steden schitteren door afwezigheid. Welke steden noemt Brugmann dan wel? Zijn voorbeelden zijn Silicon Valley, Chicago, Curitiba, Bangalore, Toronto. Zijn grote held is David Crombie, de burgemeester van Toronto die dertig jaar de Canadese stad bestuurde, van de jaren ‘60 tot de jaren ‘90. Hij was het die Jane Jacobs als adviseur van de stad aan zich bond. In zijn tijd was de volle omvang van het stedelijke vraagstuk nog niet duidelijk. Maar zijn benadering sneed wel hout. “A city must know its purpose in a world that demands so much from it. To fullfill that purpose, the city must suck from its own roots.’’ Crombie was ervan overtuigd dat een stad niet andere steden moet imiteren en ook geen wereldklassestatus moet nastreven. Toen Toronto door de Verenigde Naties als voorbeeld werd aangemerkt, raakte de stad uit zijn doen, ze werd arrogant. “Toronto ended up in a golden funk.” Crombie zag wat Boston deed en wat Detroit naliet, en besloot het allemaal heel anders te doen.

Wat deed burgemeester Crombie dan wel? Hij koos de stadsbuurt als eenheid van planning en daagde elke buurt uit zich te organiseren en te vernieuwen. Daarop besloten de burgers van Toronto hun wapens thuis te laten en te gaan samenwerken. Voor de burgervader bleef de rol over van mediator; Crombie genoot van die rol. “Mediation is not about compromise. You have to find out what the new space is. You have to spend time finding out where you’re going. When you see the new space emerge, then you help others to see it.” Brugmann noemt Crombie zowel strateeg als activist, een echte leider. Voor de burgemeester waren de ruimtelijke ordening en de sociale ordening één ondeelbaar geheel. Laat Amsterdam dus Toronto vooral niet imiteren en ook niet de wereldstedenstatus ambiëren, maar teruggaan naar haar wortels en haar eigen weg bewandelen. Welk ‘urban regime’ past bij Amsterdam?

Tagged with:
 

Learning from Toronto II

On 17 februari 2011, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Dark Age Ahead (2004) van Jane Jacobs:

Een infrastructuurautoriteit werkt dus niet (zie voorlaatste blogitem). De stelling van Jane Jacobs is dat de infrastructuurplanning in dat geval scherp in het nadeel van het openbaar vervoer zal uitvallen. Immers, zo’n regionale of provinciale autoriteit beslist dikwijls in het voordeel van de suburbane gebieden, hetgeen zal neerkomen op de aanleg van onrendabele lijnen. Alleen de grote steden hebben voldoende dichtheid om openbaar vervoer te laten renderen, maar zij vissen achter het net. Beter is een belastinghervorming waarbij een deel van de inkomstenbelasting rechtstreeks toekomt aan de steden, die in dat geval zelf verantwoordelijk worden voor de infrastructuur en de aanpalende gebiedsontwikkeling. Onmogelijk? Voor Jane Jacobs was niets onmogelijk. Het was in ieder geval bespreekbaar. We hebben het over Toronto.

De gedachte, schrijft Jacobs, besprak ze met Paul Martin, toentertijd Canadees minister van financiën, later werd hij premier. Eerst verweerde Martin zich met de stelling dat de grondwet zulks verbood. Waarop mevrouw Jacobs dit weerlegde. Ze vermoedde dat de minister vervolgens dacht dat dit zou neerkomen op belastingverhoging, hetgeen natuurlijk onbespreekbaar was. “Het quickly shot out. Impossible! Everybody wants money.” Het was einde gesprek. Hier botsten twee wereldbeelden, aldus Jacobs in Dark Age Ahead. “A reform that meant to me a correction of a grave social and economic disconnection that is unravelling the country’s complex modern functional networks meant to him, I saw as his ears and face closed up, a nasty power struggle with the premiers of ten provines who are determined to keep their power instead of sharing it with their more knowledgeable, anachronistic wards.” In Nederland is het niet anders, al heeft niemand nog de moed gehad de proef op de som te nemen. Denkt u dat CDA-minister De Jager, in tegenstelling tot de Canadese premier, vatbaar zal zijn voor zo’n valide argument en de machtsvraag niet zal stellen? Subsidiariteit kent zijn grenzen, ook in het CDA. Vandaar dus: Dark Age Ahead.

Tagged with: