Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with:
 

Braaf, vol vuur en nostalgisch

On 22 oktober 2009, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 21 oktober 2009:

Het waren allemaal ‘brave ambtenaren’ die aan het woord kwamen op de avond die was georganiseerd door Rietveld Landscape en Atelier De Lyon. Onderwerp: tijdelijkheid als strategie: Westpoort als creatieve vrijhaven. Wim Vlemmix van Haven Amsterdam liet in een korte presentatie zien hoe HA omgaat met kunstenaars in Ruigoord en op de ADM. Vervolgens liet hij zien welke nieuwe initiatieven in het havengebied worden geaccommodeerd, zoals het REM-eiland dat volgend jaar naar de kop van de Minervahaven wordt gesleept, en welke niet en waarom niet. Het goede nieuws van het initiatief om in de Minervahaven een grote loods toe te voegen aan het arsenaal Vrijplaatsen liet Vlemmix aan Ronald Rietveld om te vertellen. Hoe genereus kan de haven zijn. En hoe ingenieus kunnen de kunstenaars zijn?, vroeg Vlemmix zich af. Er valt te praten met Haven Amsterdam, maar het bedrijf moet wel als havenbedrijf kunnen blijven draaien. Ook Rob Vooren, projectleider vanuit de gemeente voor het NDSM-gebied, toonde zich, toen hij door moderator Chris Keulemans werd ondervraagd over de vrijheid die kunstenaars nog werd geboden in de nieuwe plannen, alleszins redelijk en vroeg om begrip. Voor de kunstenaars, die spontane initiatieven wilden op verrassende plekken, was het lastig door al deze braafheid en redelijkheid heen te breken. Mooie voorbeelden van hun werk kregen we te zien, daar niet van: Damoclash op de ADM, het zomerse Openluchtfilmfestival op het Stenen Hoofd, Gecekondu in de Tsaar Peterstraat, Robodock op de ADM en later in de NDSM. Ze waren allemaal spontaan, origineel, buiten het alledaagse tredend, vaak ook bere-gezellig, met veel drank en stuf.

Maar ondertussen was het experiment van de Stubnitz alweer de nek omgedraaid. Vanwege de regelgeving. En de kunstenaars vonden de nieuwbouw in het Oostelijk Havengebied maar niets; een dooie boel. Keer op keer kwam de kaart terug van het verleden, toen al die vrijplaatsen, met Vrieshuis Amerika bovenaan met stip, het centrum van de Vrijstaat waren. Waar was die goede oude tijd gebleven?

Maik ter Veer, initiatiefnemer van Robodock, was het beu. Ook na een half jaar sabbatical in het buitenland had hij de energie niet terug die hij verloren was geraakt door de tegenwerking van de gemeente. Vol vuur prees hij nog één keer zijn Robodock aan. Hij wilde niet nog een keer verhuizen met zijn festival, hij had geldgebrek, hij wilde een plek aan het IJ, hij wilde een eigen gebouw, hij wilde eindelijk rust. Een maquette werd voor het podium gezet. Het bleek een gestrekte hal naar het voorbeeld van de ADM. Kunstenaars uit de hele wereld zou worden gevraagd een gevelelement te ontwerpen, waardoor de gevel ‘out of control’ zou zijn. In de hal zou een werkplaats komen waar de gevelelementen werden vervaardigd. Zo zou het gebouw groeien en onderdak gaan bieden aan festivals en tal van activiteiten. De hal leek op het Fun Palace van Cedric Price (1961), even eerder op de avond vertoond door Hans Vermeulen van DUS architecten. Gaat de gemeente deze man helpen zijn droom te verwezenlijken?, vroeg Keulemans aan de curator. Wat moest deze zeggen? De hele zaal zat vol kunstenaars die graag iets in de stad willen doen, op mooie plekken, voor weinig geld, liefst zonder regelgeving, spontaan, niet gehinderd door wie of wat dan ook. Hier werd een belang verdedigd door een eisende groep. En was het iedereen uiteindelijk niet te doen om een vaste stek? "Als de gemeenteraad positief beslist, dan krijgt Ter Veer zijn kunsthal; we leven in een democratie," antwoordde de brave ambtenaar. Keulemans ging nog verder: "Kan het principe van de Gecekondu – wat in één nacht stiekem is opgebouwd, mag van de autoriteiten blijven staan – ook van toepassing worden verklaard op Amsterdam?" Geen tijdelijkheid dus, maar vaste rechten via de route van de anarchie. Is dat de Vrijstaat? Willen we, was het ontwijkende antwoord, slums in Amsterdam? De afschrijvingstermijn van ontwikkelaars is nog maar 16 jaar. Nog even en ze bouwen inderdaad slums. Eric de Lyon stelde voor dat de gemeente een kaart produceert met alle lege plekken die voor tijdelijk gebruik door kunstenaars kunnen worden gebruikt. Een officiële kaart voor tijdelijkheid. Was het werkelijk tijdelijk? Keulemans, die zelf de Tolhuistuin van de gemeente had gekregen voor de duur van vijf jaar, bekende dat hij nu al in onderhandeling was met de gemeente om de termijn te verlengen. "Terecht zegt de gemeente: vijf jaar is vijf jaar." Maar afgaande op de avond leek de kaart van De Lyon inderdaad een verborgen agenda voor vaste rechten, kostenloos.

Het sluimerende ongenoegen van de kunstenaars kwam helemaal aan het eind van de avond pas goed naar boven. Een van hen stond op en maakte van zijn hart geen moordkuil: de hele avond had hem zo onrustig en boos gemaakt. Waarin, vroeg Keulemans, school dan zijn ongenoegen? Nou, verzuchtte hij, dat het allemaal maar tijdelijk was.

Tagged with:
 

Best denkbare toekomst

On 12 augustus 2009, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 4 juli 2009:

Vlak voor de zomervakantie verscheen een interessante ‘opruim’- column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Over de toekomst. En over vrijheid. Eindelijk rekent een econoom af met de ‘maakbaarheidsgedachte’ die nog altijd in de economische wetenschap domineert. Want als er één discipline is die denkt dat de toekomst maakbaar is, dan is het de economie, meer nog dan de planologie. Steeds wordt de economie door economen in modellen gegoten en voorspeld en moet er worden ingegrepen om de economie te vormen naar het economische wensbeeld. Ooit gehoord van Nederland Distributieland? En van de zogenaamde ‘mainports’ en ‘greenports’? En nu wil de minister van Economische Zaken van Nederland de ‘gasrotonde’ van Europa maken. Ga zo maar door.

Kalshoven zegt dat de economen de toekomst niet kunnen kennen. Maar ze kunnen wel aangeven hoe je de best denkbare toekomst kan bereiken. "In de best denkbare toekomst kunnen individuen hun voorkeuren volgen en daarnaar handelen. Daar worden ze het gelukkigst van." (…) De burgers geven de toekomst vorm – als mens, als consument, als oprichter van een onderneming, als werknemer etcetera – en uit al die botsende toekomstbeelden ontstaan vanzelf opeenvolgende hedens en toekomsten." Een visie van de regering op de toekomst? Ja, dat is best, maar is dan een van de vele visies, dus alsjeblieft, regering, ga je centrale visie niet ontvouwen en de realisatie ervan opleggen of afdwingen. Aldus Kalshoven.

Ik vroeg me af: geldt dit nou ook voor de ruimtelijke ordening? Zouden hier ook toekomstbeelden moeten botsen? In plaats van een centrale visie die door de regering wordt afgedwongen? Ja inderdaad, ook in de ruimtelijke ordening zou vrijheid veel centraler moeten staan. Niet dat iedereen z’n gang maar moet gaan en dat het land rustig kan worden volgebouwd. Net als in de economie zijn er spelregels nodig, maar de wereld laat genoeg voorbeelden zien van planologische stelsels die anders werken dan het Nederlandse, die meer vrijheidsgraden kennen en minder uitgaan van gedetailleerde maakbaarheid. En het zou al enorm schelen als er in dit land een vrijheidslievende metropool werd gebouwd. Metropolen zijn per definitie niet maakbaar. Mooie paradox trouwens.

Tagged with:
 

Vrije wil

On 24 juni 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 24 juni 2009:

Fraai motto voor de Amsterdamse inzending van de komende Architectuur Biënnale gevonden. Hij is afkomstig van de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804). Het motto luidt: "Verlichting is de bevrijding van de mens uit zijn zelf opgelegde onmondigheid. Durf te weten!" Dat adagium is nog verbluffend actueel.

Vooral die zelf opgelegde onmondigheid waaruit mensen zich moeten bevrijden. Nog steeds zijn er mensen die twijfelen aan de eigen vrije wil. Ze voelen zich slachtoffer, onmondig, ingekapseld door regelgeving, wetten, het niet kunnen, het niet mogen, de wereldproblemen, de grote aantallen, de onmacht enzovoort. Bevrijding uit dit zelf opgelegde keurslijf, dat is verlichting.

En dan dat ‘durven weten’. In het internettijdperk klinkt het bijna belachelijk. Alles kan je weten. Maar je moet het wel durven. Waarom zou je niet durven? Peter Giesen in De Volkskrant: "Hoe meer de mens van zichzelf wist, hoe minder hij in de vrije wil ging geloven. Sigmund Freud wees op onbewuste driften, Karl Marx op economische belangen. Sociologen spinden het individu in een web van sociale verhoudingen. De jongste aanval komt van neurowetenschappers die gedrag verklaren uit hersenprocessen waar de vrije wil niet aan te pas komt." Durven dus!

Tagged with:
 

Strategische tolerantie

On 21 juni 2009, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 30 mei 2009:

Ze heet Amy Chua. Ze is Chinese en hoogleraar rechten aan Yale University, USA. Ze schreef een boek, getiteld ‘Wereldrijk voor een dag’. Ze was in Nederland om haar boek te promoten. In genoemde boek beweert ze dat tolerantie en vrijheid steeds tot grote welvaart hebben geleid, niet een groot leger, veroveringen, macht. Ze gelooft ook niet dat China of India of Brazilië grote welvaartstaten zijn of worden. De USA blijft superieur – niet vanwege haar leger, maar vanwege haar grote openheid. Chua en haar ouders zijn er zelf het product van. Zij emigreerden van China naar Amerika en denken er niet over om terug te keren naar hun vaderland. Ze hebben het in Amerika ver geschopt. "Laten we reëel blijven. In de Aziatische landen leeft 80 procent van de bevolking nog van minder dan twee dollar per dag. Kijk eens naar het probleem van schoon water in India en je weet dat dat land nog niet in de buurt komt van de welvaart in de VS. Denk aan de diepgewortelde corruptie, aan de milieurampen die zich daar voltrekken, aan het oprukkende fundamentalisme, ook onder de hindoes in India." Haar relativering doet denken aan de opmerking van Paul Krugman dat het geloof in het Chinese wonder sterk doet denken aan het ontzag voor de prestaties van de Sovjet Republiek eind jaren vijftig.

De wens van de USA om hypermacht te zijn en oorlogen te winnen, aldus Chua, doet afbreuk aan haar ongekende vermogen tot welvaartscreatie. Die welvaartscreatie valt alleen met openheid en tolerantie te bewerkstelligen. De VS doet er daaom goed aan ‘strategisch tolerant’ te zijn. Wat ze nog altijd overwegend is. Haar boek is slechts een waarschuwing. "In de VS hebben we het principe van strategische tolerantie beter begrepen dan in Europa."

Een uitstekende observatie van Chua Maar wel een die vertrekt vanuit de dominante rol van de natie-staat en die de rol van steden onderbelicht laat. Wie nauwkeuriger kijkt ziet open steden en gesloten steden, ook binnen hypermachten, en het zijn de open steden die floreren en die talent aan weten te trekken vanuit de hele wereld. Zij creëren welvaart, niet de staat waarin ze liggen.

Tagged with:
 

Grote sprong voorwaarts

On 19 juni 2009, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien tijdens MLA-presentatie op 17 juni 2009:

Je managementopdracht uitvoeren in de vorm van een film, het is gewaagd. In de film ‘Een grote sprong voorwaarts’ interviewen de makers – vijf gemeenteambtenaren die de managementleergang Amsterdam volgen – mensen op straat over ‘de kracht, het unieke van Amsterdam als metropool’. Ik zag de film in IJmuiden, in hotel Augusta, tijdens de afsluitende bijeenkomst. De film was knap gemaakt.

Wat was dan die kracht, dat unieke volgens al die mensen op straat? Het ging volgens hen om ‘vrijheid, kleinschaligheid’. Het ging om fietsen, om ramen, gevels, gezelligheid. De opgave, zei men, was het kleine met het grootschalige te verbinden. Ineens kwam daar Jan Wolff in beeld – de oud-directeur van het Muziekgebouw aan het IJ. Hij vergeleek Amsterdam met New York. Ik weet niet meer precies hoe hij het zei, maar New York stond voor hem voor het grootkapitaal, voor grootschaligheid, voor een hele grote maat. Amsterdam had dezelfde kwaliteiten, maar dan op een menselijke schaal. Zoiets.

Ik dacht terug aan mijn laatste bezoek aan de Big Apple. Dat was in mei dit jaar. Opvallend vond ik toen de relaxte sfeer op straat, ondanks de grote dynamiek. De mensen waren zo ongelooflijk ontspannen in die krankzinnig overkokende metropool. Veel ontspannener dan in Amsterdam. Na terugkomst verlangde ik direct weer terug naar de Amerikaanse miljoenenstad aan de Hudson en vond ik Amsterdam aan het IJ allesbehalve gezellig, de mensen snel geïrriteerd, ontevreden, bozig. Misschien moet Amsterdam echt nog een maatje groter groeien voordat die zeurderige toon uit de stad verdwijnt.

Tagged with:
 

Zichzelf regeren

On 11 juni 2009, in geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het stadspaleis’ (1997) van Geert Mak:

Vandaag opent de koningin haar herbouwde paleis op de Dam. Kosten noch moeite zijn gespaard om het oude stadhuis van Amsterdam weer koninklijke allure te geven. Ik sla Geert Mak er nog maar eens op na. Hij wijst op het unieke concept van het zeventiende eeuwse raadhuis, dat alle bestuursfuncties van de toenmalige ‘superstad Amsterdam’ verenigde. "Dat had te maken met de toenmalige bestuursfilosofie, die nog helemaal gebaseerd was op de zogenaamde nachtwakersstaat, een simpele staatsvorm die alleen voorzag in de meest elementaire basisvoorzieningen. Belangrijke activiteiten van de huidige verzorgingsstaat – bijvoorbeeld de zorg voor ouderen, zieken en armen – lagen bij de Kerken, en voor de rest ging men ervan uit dat de stad zichzelf regeerde. De overheid diende alleen in te grijpen als iets misging – bijvoorbeeld als kinderen opeens ouderloos rondliepen, of als er ruzie ontstond – bijvoorbeeld in de Krakeelkamer." Veel functies waren bovendien geprivatiseerd, voegt Mak daaraan toe. "Dat scheelde de stad een fors administratiekantoor."

Gek. We lezen hier de tijdgeest van 1997. Mak projecteert het neoliberale klimaat van de jaren 90 van de twintigste eeuw op het zeventiende eeuwse Amsterdam. Maar het is wel een fascinerend idee: een stad die zichzelf regeert, met een simpele staatsvorm die veel ruimte geeft aan burgers.

Tagged with:
 

De wieg der vrijheid

On 11 juni 2009, in stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kleine geschiedenis van Amsterdam’ (1995) van Geert Mak:

Soms moet je dingen herlezen. Als Geert Mak in 1995 het zeventiende eeuwse Amsterdam beschrijft, gebruikt hij zowaar het begrip ‘metropool’. Amsterdam, schrijft hij, moet in die tijd "dezelfde aantrekkingskracht" hebben gehad "als New York in de onze." Hij doelt dan met name op de onstuimige bevolkingsgroei en de vele immigranten. "Amsterdam had zo de dynamiek gekregen van een stad van outsiders, van mensen die de middeleeuwen van zich afgeschud hadden, die innig verbonden waren met hun nieuwe stad, maar die ook hun banden met talloze steden en dorpen in Europa vasthielden, via een netwerk van brieven, handelscontacten, vriendschappen en familierelaties. Het was een stad van het hier en nu." Vervolgens noemt hij het zeventiende eeuwse Amsterdam de stad van de handel en het geld. "Het Amsterdam van de ‘gouden’ zeventiende eeuw was één grote geldmachine."

Even verderop duidt hij de omwenteling preciezer als hij de Franse historics Henri Mechoulan citeert: "Maar in de eerste plaats moet Amsterdam worden gezien als de wieg der vrijheid." Genua, Venetië en Antwerpen mochten dan evenzogrote handelssteden zijn geweest, "ze hebben nooit een omwenteling in het Europese bewustzijn teweeggebracht." Dat was uniek. Amsterdam noemden de Portugese joden ‘het Jerusalem van het Westen.’ En ziedaar, John Locke, Baruch de Spinoza en René Descartes, ze proefden allemaal de vrijheid die de stadsstaat Amsterdam hen bood. "Zo ontstond paradoxaal genoeg juist na het wegroeien van de laatste middeleeuwse regenten, een stad waarbinnen alsnog de utopie van de middeleeuwer werd gerealiseerd: de veilige, omsloten plek, waar de niet-stedeling zijn juk eindelijk kon afleggen."

Tagged with:
 

Het begint op straat

On 9 juni 2009, in cultuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 27 maart 2009:

Zomaar een oude krant opgediept. De kop van het artikel: ‘Mode begint in Londen op straat’. Het is een vooraankondiging van een documentaire op Nederland 3, Trendspotting geheten. Die heb ik natuurlijk weer gemist. Hij ging over de modescene in Londen. In Londen? Het was toch Parijs? Suzy Menkes, invloedrijk modejournalist van The International Herald Tribune, verklaart: "Ontwerpers uit Londen zijn zo succesvol omdat ze weten wat er speelt. Ze zijn jong, ze hebben voeling met de straat." De straat? "Natuurlijk begint het allemaal op straat. Bijna nergens ter wereld gaan de mensen zo divers gekleed als in Londen. Verschillende gympen worden achteloos tegelijkertijd gedragen, panty’s hebben luipaardprintjes in roze en paars, onder opgerolde broeken prijken nerdy schoenen en opvallend veel jongeren dragen een bril met opzichtig zwart montuur – ook wel de ‘kijk-mij-ik-ben-een-designer-bril’ genoemd."

Dat zal best, maar hoe krijg je dan succesvolle ontwerpers? Hillary Alexander van The Daily Telegraph: "In Londen hangt een bepaalde vrijheid. Ontwerpers leren hier om volgens hun eigen patroon te denken en zich niet direct aan de industrie te conformeren. Zo zijn mensen als Alexander McQueen, John Galliano en Hussein Chalayan groot geworden." Vrijheid dus. Vrijheid op straat. En diveristeit. De grootst mogelijke diversiteit.

Tagged with:
 

Descartes’ lijf

On 14 mei 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in De botten van Descartes (2008) van Russell Shorto:

Als Descartes nog zou leven, dan zou hij, denk ik, menen dat wij mensen werkelijk vrij zijn. Vrijheid was voor hem in de eerste plaats lang en gezond leven. Wij worden tegenwoordig oud. Heel oud. Zelden sterven er nog mensen voor hun vijftigste levensjaar. Kindersterfte is tot een minimum teruggebracht. Hoe anders was het in Descartes’ tijd. Descartes was in zijn jeugd een fragiel jongetje, dat weinig kans had te overleven. De gemiddelde ouderdom van mensen in de zeventiende eeuw was beperkt: men werd gemiddeld niet ouder dan twintig jaar. Ziektes, plagen maakten het leven ongewis. De zestig jaar die Descartes uiteindelijk toch nog bereikte was uitzonderlijk.

‘Beheersing van de natuur’ was voor Descartes in de eerste plaats behoud van het menselijk lichaam en verlost zijn van ziekte en pijn. In het verlengde daarvan wilde hij met zijn ‘methode’ de mens van nog veel meer verlossen. Vooruitgang heette dat. ‘Beheersing van de natuur’, aldus Russell Shorto in zijn schitterende boek over de botten van Descartes,"zou leiden tot ‘vrijheid’, en daarmee bedoelde hij "(Descartes, ZH) verlost zijn van geestdodend werk, verlost zijn van vooroordelen en dwalingen, en natuurlijk verlost zijn van pijn en ziekte." Descartes woonde in 1636 in de Kalverstraat, waar de slagers koeien en kalveren slachtten. "Hij hoefde maar een klein eindje te lopen, langs de rijen van twee of drie verdiepingen hoge huizen met puntgevels, in de schaduw van de barokke klokkentoren die de Munt werd genoemd, om vers geslachte kadavers te vinden, die hij vervolgens op een kar naar huis reed. Daar sneed hij ze open om de geheimen van de oogbal, de duistere kluwen van de darmen of de hartkamers te doorgronden. Tijdens zijn jaren van medisch onderzoek ontleedde hij konijnen, honden, palingen en koeien."

Dat hebben we allemaal bereikt. Die vrijheid hebben we de afgelopen eeuwen veroverd. Mede dankzij Descartes. Maar we gaan nog steeds dood. Dat vinden we een onverdraaglijke gedachte. En nog steeds kwellen we onszelf met dwaze gedachten, dwalingen, kwaadsprekerij, achterdocht, woede, ruzie, enzovoort. Dat doen we zelf. Omdat we de ‘methode’ van Descartes maar niet willen toepassen. Kan de stad ook nu nog bijdragen aan vrijheid? Ik denk het zeker. Doordat steden creatief zijn, innovatiemilieus, laboratoria van het denken en het ondernemen. Met de beste medische voorzieningen, de grootste ziekenhuizen, onderzoekscentra, academische complexen. Maar ook omdat metropolen relatief veilig zijn, vrijhavens in een turbulente wereld. De metropool is het milieu van Descartes. De metropool is op zijn lijf geschreven.

Tagged with: