Buiten raakt het kwik 25 C aan en het is nog maar eind juni, 10 uur ‘s ochtends. De hele nacht was er spookachtig onweer, na dagen met temperaturen van 35 C en hoger. Klimaatverandering viel al niet te ontkennen, maar nu slaat de paniek toe. Als dit de voorbode is van nog iets veel ergers, wat te doen? Kunnen we het tij nog keren? Ik lees Bruno Latour in Het parlement der dingen (2021). In ‘Wachten op Gaia’ stelt de Franse filosoof precies dezelfde vraag – het betreft een lezing die hij hield in Londen, in november 2011. Daarin spreekt hij van een peilloos diepe kloof tussen onze egocentrische zorgen en de grote ecologische vraagstukken en vraagt zich af hoe die te overbruggen. Want zo lang als dat niet gebeurt voelen mensen zich niet verantwoordelijk. Maar eerst zijn voorspelling dat het aantal klimaatontkenners alleen maar zal toenemen. Latour begrijpt het wel. “Wanneer je oren tuiten van de apocalyptische bazuinen, word je door melancholie overmand! Geen enkel nieuw ritueel zal je redden. Laten we gewoon maar in een magisch hutje gaan zitten en blijven ontkennen, ontkennen, ontkennen, tot het bittere eind.”
Mensen, schijft hij, vinden de wetenschappelijke bewijsvoering te indirect. Ze geloven alleen onmiddellijk toegankelijk bewijs. Maar atmosfeer en biosfeer werken heel anders. De kennis daarover is als een wandkleed; het is allemaal wonderlijk complex en veerkrachtig en kennis erover vergt moeizame samenvoeging waarvoor bemiddelende instanties nodig zijn. De vraag is of zulke pogingen tot samenvoeging beklijven. Feiten en meningen lopen door elkaar, politiek en wetenschap zijn niet meer van elkaar te scheiden. En dat klopt, want dat is precies wat het antropoceen behelst: mensen die de gedaante van de aarde veranderen. En zo komt hij uit bij Gaia, het door James Lovelock ontwikkelde concept van de kritieke zone. “Het hele punt van Lovelocks Gaia is dat Ze reageert, voelt en zich van ons kan ontdoen, zonder dat Ze in ontologische zin één geheel vormt.” Het dichten van de kloof tussen schaal en omvang van de problemen en onze zorgen is weliswaar noodzakelijk, maar kan alleen indien we komen tot een vergelijk met Gaia, indien we een nieuw ritueel vinden, de juiste artistieke representatie kiezen. Onze lotsbestemmingen zijn immers met elkaar vervlochten. Voor zo’n beeld denkt hij niet aan de torsende Atlas, maar eerder aan Christoffel, patroonheilige van de reiziger, drager van mensen in nood.

Geef een reactie