Tuinieren

On 21 oktober 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor Manifesta 12 palermo book

Iemand twitterde dat ze maar niet begreep wat ik in ‘Een nieuwe historische binnenstad’ met de binnenstad als tuin bedoelde. Waar komt die metafoor van de tuin toch vandaan? Zeker nooit Voltaire’s ‘Candide’ gelezen. Vorig jaar sprak de burgemeester van Palermo, Leoluca Orlando, in een afgeladen Pakhuis de Zwijger over de twaalfde editie van de nomadische kunstmanifestatie Manifesta die dat jaar was gehouden in zijn stad. Deze uiterst succesvolle editie heette ‘Planetary Garden. Cultivating Coexistence’. Wij, de mensheid, zijn de tuiniers van planeet Aarde, maar we onderhouden onze tuin slecht. Daar kwam het op neer. In Palermo werd gerefereerd aan klimaatverandering, droogte en massale migratiestromen. De stad op Sicilië neemt al die stromen uit Afrika en het Midden-Oosten gastvrij in zich op. ‘Becoming Garden’ was een van de kunstprojecten in de stad, dat ging over het samen zorgdragen voor een gemeenschappelijke plek. Het Franse team van Coloco en Gilles Clément had op een ongebruikt stuk land – een illegale dumpplaats  – in een noordelijk gelegen stadsbuurt letterlijk een tuin aangelegd en de bewoners uitgenodigd deel te nemen. Doel: door samenwerking de vruchtbaarheid van de aarde herstellen. “Clément’s metaphor of the planet as a manageable garden is still attractive, not as a place for humans to take control, but rather as a site where agents of diverse species recognise their interdependency and share responsibility.”  Even verderop speelde de Botanische tuin – de Orto Botanico – met zijn 12.000 plantensoorten een hoofdrol in het politieke kunstenprogramma.

Het stadsbestuur van Palermo begreep dat globalisering niet zal overwaaien en dat de migratiestromen van Afrika naar Europa structureel zijn en een logisch gevolg van enorme krachten. Ze wees de bezoekers op het feit dat uitgerekend migranten het stadscentrum van Palermo overeind houden. Want veel kerken en paleizen staan leeg, bepaalde delen ogen zelfs als een oorlogsgebied. Terwijl elders yuppen en toerisme-industrie zich meester maken van de centra, strijken in Palermo de meeste migranten neer in het lege hart. Ze verkopen er hun producten, die ze vaak zelf gemaakt hebben. Arthur Weststeijn van de Universiteit Utrecht schreef destijds in Het Parool: “In plaats van krampachtige kortetermijnoplossingen om toeristenstromen te verleggen van de ene straat naar de andere, biedt Palermo een radicaal alternatief: zorg dat het historisch centrum van de bewoners blijft door er armlastige migranten te huisvesten. Ze zullen er kleine winkeltjes openen, oude markten weer nieuw leven inblazen, zorgen voor reuring als natuurlijk tegenwicht tegen klagende yuppen en slempende toeristen. (…) Want als migranten wegkwijnen in provinciale asielzoekerscentra en geen leven bieden aan het hart van de stad, dan hebben yuppen en toeristen vrij spel.” Zoiets zou je tuinieren kunnen noemen. Te vergelijken met het tuinieren in de Amsterdamse binnenstad: Amsterdammers terugbrengen naar het stadscentrum. Met Artis in de hoofdrol.

Tagged with:
 

Amateurs worden experts

On 15 oktober 2019, in kunst, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 augustus 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor rineke dijkstra night watching

Bron: Rijksmuseum

Eerder vergeleek ik mijn werkwijze bij de voorbereiding van de toekomstvisie van de Amsterdamse binnenstad in de Oude Kerk met ´True Tales of American Life´ van de Amerikaanse schrijver Paul Auster: via een oproep op de radio verzamelde Auster concrete verhalen van gewone mensen en rangschikte deze alledaagse werkelijkheid opnieuw in tien categorieën waardoor ze zin en betekenis krijgen. Bij het zien van het video drieluik ´Night Watching´ van fotografe Rineke Dijkstra in het Rijksmuseum zag ik opnieuw parallellen. Ik was er afgelopen zondag. Gisteren was ik er weer. In de video vertellen veertien groepen wat hen zoal opvalt bij het kijken naar Rembrandt´s Nachtwacht. Ieder vertelt vanuit zijn eigen perspectief wat hij of zij waarneemt. Het is een oefening in zien. Om haar installatie te bouwen had Dijkstra groepen in het Rijksmuseum eerst aandachtig geobserveerd. Dat casten van groepen had ze, zei ze, erg belangrijk gevonden. Na haar selectie had ze in de Eregalerij zes avonden lang een mobiele studio gebouwd: vier groepen op een avond, iedere sessie duurde veertig minuten. Stipt op 23.00 uur moest iedereen weer het museum verlaten. Sommige mensen had ze gevraagd iets voor te bereiden. Maar dat betrof alleen iets inlezen. Niets aan haar video installatie is vooraf gescript. Iedereen kon vrijelijk praten. Dijkstra: “Het is allemaal spontaan ontstaan.”

Het resultaat is gevarieerd, mooi, humoristisch, verrassend. Tegen NRC Handelsblad vertelde Dijkstra wat haar in haar werkwijze was opgevallen: “Dat iedereen toch vanuit zijn eigen perspectief kijkt. De Nachtwacht is het bekendste schilderij van Nederland en is eindeloos vaak gereproduceerd. Je denkt dat je dat wel kent. En toch krijg je ontzettend veel verschillende ideeën en invalshoeken te horen.” Sommige observaties noemde ze rolbevestigend, andere, viel haar op, betroffen minuscule details. “Uiteindelijk gaat Night Watching over herinnering en collectief geheugen. Over hoe verschillend mensen zijn, en hoe anders mensen kijken.” Mooi woord: collectief geheugen. Zelf zie ik al die verschillende ideeën en invalshoeken eerder als een vorm van collectieve intelligentie. Ga de installatie maar eens bekijken. Amateurs worden experts. Wat een rijkdom! Jane Jacobs noemde dat ‘redundancy’; de stad zit er vol meer. Zelf heb ik tachtig mensen, ieder anderhalf uur lang, laten spreken over de Amsterdamse binnenstad. Uit al hun verhalen destilleerde ik later een narratief: ‘Een nieuwe historische binnenstad’. Dat verhaal gaat over een mogelijk gedeelde toekomst. En ja, de werkelijkheid kennen en delen we helemaal niet. Iedereen ziet en hoort vanuit zijn eigen herinnering. Wie een gedeelde toekomst wil bepalen moet met al die verschillende werelden rekening houden.

Triomftocht door de binnenstad

On 14 oktober 2019, in boeken, stedenbouw, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘P.J.H.Cuypers en het gotisch rationalisme’ (2009) van Aart Oxenaar:

Afbeeldingsresultaat voor cuypers oxenaar gotisch

Afgelopen zondagmiddag burgemeester Chen Jining van Peking begeleid op zijn tocht door de Amsterdamse binnenstad. Een bleek zonnetje brak door na de zoveelste regenbui. Met een bootje voeren we over de Amstel, dwars door de historische binnenstad, stapten even uit bij de Oude Kerk, toen door over het IJ langs het Centraal Station, en terug via Prinsengracht naar eindpunt Rijksmuseum. Daar bezochten we de Nachtwacht. Overal was het druk, levendig, veel toeristen. Aan het begin van zijn rondleiding vertelde een gids in het Rijksmuseum over architect Pierre Cuypers, die niet alleen de schepper van het Rijksmuseum was, maar ook van Amsterdam Centraal station: twee laat-negentiende eeuwse ‘poorten’ die toegang verschaften tot de binnenstad van de hoofdstad van het koninkrijk. Zijn betoog sloot naadloos aan op onze bijzondere tocht en mijn uitleg bij de toekomstvisie (‘Een nieuwe historische binnenstad’), maar deed vooral denken aan het proefschrift van kunsthistoricus Oxenaar over P.J.H. Cuypers uit 2009. Cuypers, schreef Oxenaar, tekende twee poortgebouwen voor een herrijzend Amsterdam dat na een lange periode van stagnatie eind negentiende eeuw weer opkrabbelde. Cuypers refereerde daarbij aan het gegeven dat de hoofdstad vanouds een rituele orde kende, die tot uitdrukking kwam in de openbare gebouwen. Ze moesten de maatschappelijke en religieuze orde van de ‘civitas’ tot uitdrukking brengen in het stadsbeeld. Zijn toevoegingen, waaronder ook een aantal kerken, zouden die orde bevestigen.

In de wachtkamer derde klasse van het Centraal Station liet Cuypers een enorme stadsplattegrond aanbrengen met daarop de belangrijkste openbare gebouwen in een contrasterende kleur afgebeeld. De nieuwbouw van Centraal Station en Rijksmuseum krijgen daar hun rituele betekenis. Boven een van de uitgangen van het station ontwierp hij een tweede kaart, waarop hij de belangrijkste routes door de stad aangaf. Station, museum en voormalig raadhuis op de Dam markeren nu een symbolische route. Oxenaar: “De gang van de aankomende reiziger door de stad krijgt zo de lading van een allegorische optocht. Zijn wandeling van gebouw naar gebouw wordt voorgesteld als een tocht tot lering en vermaak, vergelijkbaar met de triomftocht van de vooraanstaande zeventiende eeuwse burgers van Amsterdam langs het stadhuis en de Westerkerk.” Tegenwoordig valt deze route samen met de processiegang die miljoenen toeristen dagelijks afleggen op hun zoektocht naar de door ons afgeschreven Gouden Eeuw. Maar in 2030 klapt deze optocht om als de entree naar de stad naar het zuiden wordt verlegd. Dan opent station Amsterdam Zuid zijn deuren. Dat is het moment waarop Amsterdam zijn nieuwe rituele orde kan tonen en daarover gaat dus mijn visie. Tijd voor een bijzonder station en een ambitieus toeristisch programma op de Zuidas.

Tagged with:
 

Amsterdam ontmoet Peking

On 12 oktober 2019, in planningtheorie, toerisme, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De kunst van het oorlogvoeren’ van Sun Tzu:

De kunst van het oorlogvoeren

Afgelopen donderdag overhandigde ik de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad aan burgemeester Halsema in de Beurs van Berlage. Dat gebeurde in aanwezigheid van bijna vierhonderd burgers. ‘Een nieuwe historische binnenstad’ staat op de website van de gemeente. Dit weekeinde leidde ik burgemeester Chen Jining van Peking rond over de Amsterdamse Wallen. Peking worstelt als geen andere stad met overtoerisme. Lees de ‘City Tourism Performance Research Survey’ van de World Tourism Cities Federation over Peking er maar op na. In 2015 ontving de Chinese hoofdstad liefst 273 miljoen toeristen (in Amsterdam 18 miljoen). Tussen 2010 en 2015 groeide het toerisme naar Peking met 48 procent, dat is gemiddeld 8 procent per jaar. Dat zijn zelfs voor Amsterdamse begrippen astronomische cijfers. Maar overtoerisme is slechts een deel van het probleem, zowel in Peking als Amsterdam. Daarom zal mijn rondleiding dit weekeinde ook over prostitutie, drugs, ondermijning en criminaliteit gaan. Het was een van de opmerkingen die afgelopen donderdag in de Beurs van Berlage werden gemaakt: waarom schrijft u zo weinig over ondermijning in uw visiedocument ‘Een nieuwe historische binnenstad’? Mijn antwoord stelde de aanwezigen duidelijk teleur. Er werd gejoeld, iemand nam de benen. Ik denk dat de burgemeester van Peking mij straks wel begrijpt.

Een van de grootste denkers op het gebied van oorlogvoeren was namelijk Sun Tzu. Iedere Chinees kent hem. Zijn ‘kunst van het oorlogvoeren’ vormt een van de oudste verhandelingen over strategie en tactiek en niemand heeft het ooit in wijsheid overtroffen. Al zo’n 500 jaar voor Christus schreef Sun Tzu dat de hoogste kunst van oorlogvoering is de vijand onderwerpen zonder te vechten. “Een leger is te vergelijken met water: water laat de hoogten droog en zoekt de laagten op; een leger keert zich van kracht en valt leegte aan. De stroming van het water wordt bepaald door de vorm van de grond; de zege wordt behaald door te handelen overeenkomstig de staat van de vijand.” Een veldheer neemt nauwkeurig waar en beschikt over grote verbeeldingskracht. De morele, intellectuele en omgevingselementen vindt hij belangrijker dan de fysieke, die van militaire kracht. Bij Sun Tzu ligt de nadruk op het doen van het onverwachte en het volgen van de indirecte aanpak. Ik heb zijn wijsheid en kunde aan de basis gelegd van mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. Wie de Amsterdamse Wallen wil veranderen, slaat er niet met een hakmes op in. Een aanval levert hem geen voordeel op. Hij gaat tuinieren.

Tagged with:
 

An archive of facts

On 9 oktober 2019, in literatuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘True Tales of American Life’ (2001) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor true tales of american life auster

Gisteren college gegeven op de Amsterdam School of Real Estate. Mijn verhaal ging over mijn methodiek om complexe, venijnige vraagstukken te ontrafelen: hoe greep te krijgen op de realiteit. Mijn college werd met cynisme en ongeloof onthaald. Morgen volgt de visie die uit die zoektocht is voortgevloeid. Dan wordt de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad in de Beurs van Berlage officieel gepresenteerd. Die visie is beslist geen luchtfietserij. Bij thuiskomst greep ik onwillekeurig in mijn boekenkast. Daar stond ‘True Tales of American Life’ van Paul Auster langzaam te vergelen. Ik was opnieuw getroffen. Diens werkwijze van ruim tien jaar geleden lijkt sterk op de mijne. Want wat had Auster gedaan? Op de nationale radio had hij een oproep gedaan aan luisteraars om korte persoonlijke verhalen in te sturen die sterk leken op fictie maar die echt waren gebeurd. Hij ontving er meer dan vierduizend. Hij las ze allemaal. Auster: “I was hoping to put together an archive of facts, a museum of American reality.” Uiteindelijk selecteerde hij er 180. Die ordende hij in tien categorieën. Dat werd een dik boek. Wie het leest raakt diep ontroerd, die gelooft niet dat dit mogelijk is. De werkelijkheid is vaak fantastischer dan fictie.

Auster: “If I had to define what these stories were, I would call them dispatches, reports from the front lines of personal experience.” De ingezonden verhalen gingen over alles. Verderop noemt hij ze ‘images’ die tegelijk helder zijn, compact en gewichtloos – klein genoeg om in je broekzak te passen. “Like the snapshots we carry around of our own families.”  Zo’n museum van de realiteit probeerde ik ook ten aanzien van de binnenstad maken. Daartoe interviewde ik meer dan tachtig mensen die door anderen voor mij waren geselecteerd. Ik kende ze vaak niet, of alleen van naam. Iedere persoon sprak anderhalf uur over zijn of haar leven. Die persoonlijke verhalen konden over alles gaan. Ze raakten allemaal aan de realiteit, aan concrete ervaringen. Al die gesprekken heb ik daarna letterlijk uitgeschreven. Dat is een compleet boek geworden. Dat boek gaat over de realiteit. En ja, die realiteit is vaak nog fantastischer dan ik had kunnen dromen. Mijn ervaring na afloop was dezelfde als die van Auster: “Even after you have read through all fifteen dozen of them, they continue to stay with you, and you find yourself remembering them in the same way that you remember a trenchant parable or a good joke.” Een scherpe parabel of een goeie grap die je niet meer vergeet. Inderdaad, dat is het.

Tagged with:
 

De toekomst zal het leren

On 2 oktober 2019, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘IJzeren ambitie’ (2019) van Gabri van Tussenbroek:

IJzeren ambitie

Onlangs verscheen een nieuw boek over het Paleis voor Volksvlijt en de opkomst van de Nederlandse industrie van de hand van de Amsterdamse historicus Gabri van Tussenbroek. Het leest als een trein. Het prettige boek valt in twee delen uiteen: ‘toen het gebouwd werd’ en ‘toen het gebouwd was’. ‘Het’, dat is het gebouw. Simpel dus. Het Paleis opende zijn deuren in 1864 en het brandde af in 1929. Het glazen gevaarte schitterde vijfenzestig jaar onafgebroken op het Frederiksplein. Als vergankelijk monument staat het in het geheugen van de Amsterdammers gegrift. Het was een gewaagde onderneming van de Amsterdamse arts Samuel Sarphati, die in 1851 in Londen het Crystal Palace had gezien en die een soortgelijk gebouw van glas en staal in de hoofdstad van Nederland wilde realiseren. Dit wilde hij om de Nederlandse industrie te promoten en om de armoede en honger te bestrijden. Zijn premier, Thorbecke, zag het nut niet. Of misschien toch wel. Want die wilde ook naar Londen, maar is uiteindelijk niet gegaan. Koning Willem III vond het namelijk niet nodig dat hij ging. De overheid, aldus Van Tussenbroek, moest de industrie en handel niet proberen te beïnvloeden, maar aan zichzelf overlaten. De Nederlandse inzending in Londen was dan ook schraal, nee het was een regelrechte wanprestatie.

Benieuwd was ik naar de conclusie van Van Tussenbroek. Dit is wat hij schrijft: “De les die we uit de bouw van het Paleis voor Volksvlijt kunnen trekken, is dat de financiële kosten weliswaar niet opwogen tegen de baten, maar dat het gebouw op zichzelf voor Amsterdam en de Amsterdammers een waardevolle onderneming was. Het Paleis laat zien dat er andere waarden bestaan dan louter financiële.” De schrijver doelt hier op het financiële echec, want de kosten waren uit de hand gelopen en de opbrengsten bleven gering, maar ook op de morele overwinning: idealen die door anderen werden overgenomen en verder ontwikkeld, met als doel het bouwen aan een betere maatschappij. Dat laatste is zondermeer gelukt. Maar die idealen lijken ondertussen weer achter de horizon te verdwijnen, merkt Van Tussenbroek fijntjes op. Op de plaats van het Paleis, of eigenlijk daar net achter, staat nu De Nederlandsche Bank. Die heeft verbouwingsplannen. Van Tussenbroek is voorzichtig. Hij schrijft: “Of dat gebouw van De Nederlandsche Bank ooit dezelfde symboolwaarde zal krijgen als het Paleis is ongewist. Dat is afhankelijk van nieuw te vormen idealen en vooral aan de uitvoering die daaraan wordt gegeven.” De toekomst, schrijft hij, zal het leren. Wat hij daarmee bedoelt is me niet duidelijk. Verbouwing van de bank en herbouw van het paleis kunnen heel goed samen.

Tagged with:
 

Vliegen in Amsterdam Noord

On 1 oktober 2019, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gezien in Museum Amsterdam Noord op 27 september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor elta amsterdam noord kaart

Bron: Nederlandse luchtvaart

In het voormalige badhuis van Vogeldorp, Amsterdam Noord, is een alleraardigste tentoonstelling te zien over de ELTA, de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam, gehouden in de zomer van 1919 in Amsterdam Noord. ELTA was een initiatief van twee militaire vliegers Albert Plesman en Marinus Hofstee. Ik heb nooit geweten dat er zo’n groot vliegveld in de Buiksloterham heeft gelegen, het was de voorloper van Schiphol. De ELTA, die zes weken duurde, markeerde het begin van de Nederlandse burgerluchtvaart, tevens het begin van de KLM en van vliegtuigbouwer Fokker. Niets is ervan terug te vinden. Fokker hoopte en verwachtte dat Amsterdam zijn vliegveld in Noord zou uitbouwen, maar dat gebeurde niet. De stad wilde in Noord arbeiderswoningen ontwikkelen. Vliegen was destijds elitair en de honderdduizenden bezoekers van de ELTA kwamen vrijwel zonder uitzondering uit gegoede milieus. Ze namen de pont vanaf CS en liepen langs de huisjes van de Van der Pekbuurt naar het tentoonstellingsterrein. De sociaal-democraten vonden het maar niets. De enige keer dat het volk uitliep was voor het parachutespringen. Dat was spannend. Geruchten deden de ronde dat de springer doodsangsten had uitgestaan en uiteindelijk een duwtje van de mecanicien had gekregen. Zijn parachute ging te laat open, maar hij overleefde de sprong.

Het lunapark in de Buiksloterham bleek een regelrechte mislukking en verdween na zes weken van de aardbodem. Alleen de loodsen van de ELTA bleven overeind. Daarin startte Fokker zijn fabrieken. Hij zou er tot 1951 vliegtuigen blijven bouwen. Maar omdat de bodem ongeschikt bleek voor een vliegveld en de gemeente liever arbeiderswoningen wilde bouwen, werden in de fabrieken alleen onderdelen gefabriceerd, die vervolgens op dekschuiten naar Schiphol moesten worden getransporteerd om daar geassembleerd te worden. Is er een verband tussen de scheepswerven en vliegtuigbouwer Fokker? Ik kan er niks over vinden. Waarom een ELTA in Amsterdam Noord? Dit is wat ik las. Aanvankelijk wilde men de wereldtentoonstelling in Den Haag houden, maar om commerciële redenen werd voor Amsterdam gekozen. En Noord leek geschikt, want daar was veel ruimte. Bovendien was het beoogde terrein goed te bereiken met de trein. In 1913 was hier de Eerste Nederlandse Tentoonstelling op Scheepvaartgebied (ENTOS) gehouden. Fokker kwam uit het verslagen Duitsland met smokkelwaar: in zes treinen met elk zestig wagons vervoerde hij een kleine honderd vliegtuigen, machines en onderdelen naar de hoofdstad. Fabricage begon dus met Duitse onderdelen. In 1921 vertrekt Fokker naar Amerika. Zeven jaar later is hij de grootste vliegtuigbouwer ter wereld. In 1951 verhuizen de fabrieken naar Schiphol. In 1990 gaat de Flying Dutchman failliet. Voor luchtvaarttentoonstellingen moet je tegenwoordig naar Parijs of Dubai.

Tagged with:
 

Dezelfde opgave, maar dan anders

On 29 september 2019, in landschap, by Zef Hemel

Gehoord in het Van Eesteren Museum op 26 september 2019:

Bron: Van Eesteren Museum

Landschapsarchitect Rob van Leeuwen schonk onlangs een bijzondere kaart aan het Van Eesteren Museum, gevestigd aan de Sloterplas te Amsterdam. Die kaart was ooit ontvreemd uit het Wibauthuis en is nu weer opgedoken. Vrij gedetailleerd toont hij het landschap rond Amsterdam, van Leiden tot Castricum en van de duinen tot het Gooi, anno 1930. Het land oogt dan nog maagdelijk. Het enorme, loodzware hoek hing bij de directie van de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam aan de wand. Ter gelegenheid van de overdracht organiseerde het museum een avond waarin het metropolitane landschap van Amsterdam centraal stond. De vraag lag voor: “Hoe Amsterdam goed ruimtelijk en programmatisch in het omliggende landschap in te passen.” Sprekers waren Rob van Leeuwen, Vincent van Rossem en ondergetekende. Van Leeuwen vertelde anekdotisch over het verdwijnen en weer opduiken van de kaart bij hem thuis, Van Rossem schilderde nogmaals de achtergronden bij de totstandkoming van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (1935),  ikzelf probeerde de link van de historische kaart met de toekomst te leggen. In mijn bijdrage stonden de figuren van Theo van Lohuizen (1890-1956) en Dirk Hudig (1872-1934) centraal.

Van Lohuizen was pionier in de Nederlandse ruimtelijke planning. Hij maakte het eerste gewestelijke plan van Nederland, te weten dat voor Zuid-Holland West, in 1927. De jurist Hudig schreef op dat moment een landschappelijke studie van het droogmakerijenlandschap in Noord- en Zuid-Holland, die hij in 1929 publiceerde. Waar Van Lohuizen fietsend het landschap rond Rotterdam en Den Haag uitkamde en systematisch in tekst en tabellen vastlegde, daar fotografeerde Hudig losjes met zijn camera de Hollandse polders vanuit zijn auto. Hudig was secretaris-directeur van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw, Van Lohuizen planologisch medewerker van de Woningdienst te Rotterdam. Op voorspraak van Hudig verhuisde Van Lohuizen in 1928 naar Amsterdam. Daar ontmoette hij Cornelis van Eesteren. In de weekeinden maakten beide planologen fietstochten rond Amsterdam. Van Lohuizen leerde de jonge Van Eesteren het polderlandschap appreciëren. Uit zijn cijferreeksen maakte Van Lohuizen op dat rond de hoofdstad een metropool moest verrijzen. Daarover spraken die twee. Deze stedenbouwkundige opgave, die neerkwam op een verdubbeling van Amsterdam, beschouwden zij als een culturele daad. Een nieuw landschap moest worden ontworpen. De kaart dus. Dat was Van Lohuizen. En toen kwam in mijn korte lezing de actualiteit. Wij, zei ik, staan voor eenzelfde opgave.

Tagged with:
 

Mr. Visserplein

On 10 september 2019, in boeken, openbare ruimte, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Building and Dwelling’ (2018) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor richard sennett building and dwelling agora

Zoals zo vaak in zijn boeken schakelt de Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett in het vorig jaar verschenen ‘Building and Dwelling’ moeiteloos tussen de oudheid en het heden. Veel veranderd is er in zijn ogen niet. Een binnenstad is per definitie een agora. De begrippen ‘agora’, ‘pnyx’ en ‘gymnasium’ hanteert hij dan ook graag als hij komt te spreken over hoe vijf open vormen het ontwerp voor de binnenstad kunnen dynamiseren. In de binnenstad, schrijft hij, gaat het over mensenmenigten. In de agora bewegen die menigten synchroon, in de pnyx opeenvolgend. In de pnyx – het theater -verzamelen de burgers zich om naar politieke redevoeringen en voorstellingen te luisteren. Naar het ‘gymnasium’ vluchten ze voor de rust. Want in de agora is het druk en kan iedereen vrij bewegen, ook al is de ruimte met name bedoeld voor de erkende burgers van de stad in kwestie. In de antieke Griekse steden was dat niet meer dan twintig procent van de bevolking, de rest was slaaf, vrouw of vreemde. “By strolling from group to group, a person could find out what was happening in the city and discuss it.” In de open ruimte van de agora werden vrije burgers zelfs uitgenodigd om aan politiek, cultuur, nieuwsgaring en rechtspraak deel te nemen. Men liep rechtop, gezwind, en als men stilhield had men oogcontact met vreemden.

Synchrone ruimten als de agora zijn volgens Sennett veel moeilijker te ontwerpen dan opeenvolgende. Die eerste zouden vooral uitnodigend moeten zijn. Maar hoe doe je dat? Het probleem is dat wanneer er teveel stimulansen zijn, mensen gedesoriënteerd raken. Dan trekken burgers zich terug. Maar bij te weinig is er weer geen stimulans. Dus om te profiteren van voldoende stimulansen zonder de burgers te verwarren, is het zaak dat de ruimte van de agora voldoende oriëntatiepunten bevat en ook voldoende stimulansen, maar ook weer niet teveel. Het betoog deed me denken aan het Mr. Visserplein in Amsterdam. Het plein ligt dicht bij de gecombineerde Stopera, maar wordt hiervan afgesneden door het drukke IJtunneltracé. Bovenop het plein ligt een koperen deksel dat een ondergrondse speeltuin aan het oog onttrekt. Die ligt daar in een restant van een oude half afgedekte tunnel. Een wankel tramspoor voert dwars door het deksel over de holle ruimte heen. Bezoeker die het Waterlooplein verlaten en in de richting van de Plantage bewegen kijken hier doorgaans verdwaasd om zich heen en keren dan weer om richting Jodenbree en Wallen. Burgers fietsen of rijden gehaast aan het plein voorbij. Noem het desoriënterend: een verwarrend pleinachtig ensemble, af en toe opgeschrikt door het denderende geluid van een tram die over het dak van de kinderspeelplaats rolt, een stadhuisomgeving onwaardig. Bepaald géén voorbeeld van een agora.

Tagged with:
 

Best bestuurde stad op aarde

On 4 september 2019, in benchmarks, bestuur, by Zef Hemel

Gelezen op CNN Travel op 29 augustus 2019:

Afbeeldingsresultaat voor safest cities in the world 2019 economist

Bron: Statista

U wilt gaan reizen? Naast uw favoriete top-drie van topattracties die u altijd al wilde bezoeken en de kwaliteit van de lokale keuken, speelt voor u vooral één ding: is het er wel veilig? Zo begon CNN Travel onlangs haar introductie van de nieuwste benchmark van wereldsteden, gerangschikt op mate van veiligheid. Sinds drie jaar wordt deze specifieke benchmark opgemaakt door The Economist Intelligence Unit te Londen. Zestig steden wordt doorgelicht op digitale veiligheid, gezondheidszorg en hygiëne, veiligheid van transport en persoonlijke veiligheid. Ook de veerkracht van steden wordt gemeten, dat wil zeggen hoe een stad weer opveert na een aanslag of ernstige tegenslag. In totaal worden 57 indicatoren betrokken. Veel vormen van veiligheid, schrijven de samenstellers, hangen sterk met elkaar samen. Eigenlijk gaat de index over hoe goed een stad wordt bestuurd. Al drie jaar staat megastad Tokio solide op plaats een. Japan in het algemeen doet het steevast goed. Dat verbaast niemand. De Japanse samenleving is in hoge mate geordend. Ze wordt op de voet gevolgd door Singapore. Ook dat is alleszins begrijpelijk, want iedereen weet hoe goed deze stad ruimtelijk wordt gepland. (En ja, zelfs op het weggooien van kauwgom staat daar een flinke boete). Nummer drie is Osaka, opnieuw Japan. Tot dusver is de lijst niet verbazingwekkend. Nee, de grote verrassing deze zomer betrof, naast de val van Hongkong, de nieuwkomer op plaats vier: Amsterdam. Niemand had dit ooit verwacht. Amsterdam?? Het grote nieuws ging afgelopen week als een lopend vuurtje de hele wereld over.

Amsterdam scoort beter dan Parijs of Londen, het keurige Wenen of het aangeharkte Kopenhagen. Hoe kan dat nou? Ik spitte het rapport er eens op na. Volgens de onderzoekers wordt Amsterdam inderdaad uitstekend gerund, alle instanties werken er goed samen, het gemeentebestuur doet het voortreffelijk, iedereen is alert en sterk toekomstgericht. Opmerkelijk is steeds de nadruk die in het rapport wordt gelegd op onderlinge samenwerking. Want veiligheid en veerkracht hangen sterk af van de wijze waarop instanties en bevolking met elkaar communiceren, elkaar willen begrijpen. Veiligheid organiseren noemt men een sociale activiteit, gevoed door een geëngageerde bevolking en een transparant bestuur, uitmondend in geïntegreerde gezamenlijke planning (integrated joint planning). Juist in planning munt Amsterdam uit. Amsterdam als het Europese Singapore. Een mooier compliment kan een wereldstad zich nauwelijks wensen. Is het Amsterdamse gemeentebestuur nu niet ongelooflijk trots en blij? Niets van gemerkt. Ergens las ik een reactie van een Amsterdamse burger: zo’n hoge score zal wel weer leiden tot een sterke toename van expats, migranten en, o jee, toeristen.

Tagged with: