Wereldreis door de geschiedenis

On 8 april 2019, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Beneath another sky’ (2017) van Norman Davies:

Afbeeldingsresultaat voor beneath another sky davies

De Britse historicus Norman Davies schreef een boeiende wereldgeschiedenis in de vorm van een lang reisverslag. Zijn vuistdikke boek is eigenlijk meer geografie dan geschiedenis. In ‘Beneath another sky’ neemt hij een voorbeeld aan ‘Pilgrim’s Progress’, de roman van John Bunyan, waarin het leven wordt opgevat als een reis, met als uiteindelijke doel het bezoek aan ‘de hemelse stad’. Niet dat Davies werkelijk iets met Bunyan heeft, maar het was nu eenmaal het lievelingsboek van zijn moeder, schrijft hij. In de introductie geeft de belezen Davies, die jarenlang hoogleraar aan London University was, een overzicht van alle reisboeken die hij in zijn lange leven heeft verslonden, waarna hij zich ten slotte voorneemt om zijn reis dan maar aan te vatten. Cornwall is de langtong waar de Britse geleerde begint. Daarna reist hij naar Bakoe, Teheran, Delhi, Maleisië, Singapore, Mauritius, Tasmanië, Nieuw Zeeland, Tahiti en Polynesië, Houston, Texas, New York, Madeira. Dit is geen denkbeeldige reis, hij onderneemt die ook daadwerkelijk. Hij landt op vliegvelden, bezoekt steden. En overal leest hij boeken, put hij uit een rijke geschiedenis en citeert hij uit films en literatuur. Maar ontdekt hij, net als Bunyan, ten slotte ook de ‘hemelse stad’? Na in totaal meer dan 30.000 mijl te hebben afgelegd landt Davies ten slotte op de luchthaven van Frankfurt. Waarom daar? Waarom uitgerekend in Duitsland?

Misschien niet de grootste, maar de luchthaven van Frankfurt is wel de beste verbonden luchthaven ter wereld. “Frankfurt, of course, was no more than a stopover.” Met zijn vrouw dwaalt hij door de bossen en mijmert over de wilde zwijnen die hier ooit in grote aantallen rondstruinden. Boven hem stijgen de vliegtuigen op. Eeuwenlang, bedenkt hij, bereisde de mensheid de wereldzeeën. Sinds betrekkelijk kort neemt vrijwel iedereen het vliegtuig. Zo hopte ook Davies met zijn vrouw van luchthaven naar luchthaven. Homerus mag dan nooit Frankfurt hebben aangedaan, zijn boeken zijn wel te koop op de Duitse luchthaven, noteert hij geamuseerd. Waarna hij zichzelf vergelijkt met Odysseus, de Griekse held uit de Toyaanse oorlog die tien jaar lang rondzwierf op de Middellandse Zee, om uiteindelijk terug te keren naar zijn Ithaka. Davies is ook weer bijna thuis. Heeft hij een les geleerd? In ‘Pilgrim’s Progress’ gaat het om het weggooien van het droesem en het bewaren van het goud; de Odyssee eindigt met de verzoening door Athena. Davies probeert iets vergelijkbaars te verzinnen. Hij besluit met een hoofdstuk over Europa en de imperiale erfenis van de voormalige koloniën door Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal, Nederland. Dat wordt al snel pijnlijk: “Oh dear! This is getting interesting. I now wish I had talked less during my peregrinations on the panorama of imperialism and more on modern attitudes and the language, both ancient and modern, in which imperialism is debated.” Te laat. Tot een slotsom komt hij niet. Ondertussen heb ik wel een kostelijk boek gelezen.

Tagged with:
 

De waarde van alledaagse verhalen

On 20 maart 2019, in boeken, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Planning as Persuasive Storytelling’ (2003) van James Throgmorton:

Afbeeldingsresultaat voor james throgmorton planning

Afgelopen week moesten mijn studenten (tweedejaars bachelor Planologie op de UvA) een artikel van Jim Throgmorton lezen. Throgmorton is emeritus hoogleraar Ruimtelijke planning aan de University of Iowa, Verenigde Staten. Zijn artikel gaat over de ontvangst van een boek uit 1996, waarin hij ruimtelijke planning beschreef als ‘op een overtuigende manier toekomstverhalen vertellen’. Toen zijn boek verscheen werd hij door collega-academici amper serieus genomen. Verhaaltjes vertellen? Dat zou toch al te eenvoudig zijn. Het gaat in ons vakgebied om waarheidsvinding. En planning is in de eerste plaats een strijd om macht, niet om verhalen vertellen. En wat te denken van de enorme krachten van globalisering, maatschappelijke ongelijkheid, armoede, dat zijn toch contexten die veel belangrijker zijn dan lokale verhalen van gewone planners? Maar Throgmorton hield vol. Zeven jaar later schreef hij een artikel in ‘Planning Theory’ waarin hij zijn critici van repliek diende. Ik vind zijn boek nog steeds een van de helderste theoretische werken in mijn vakgebied en dat artikel uit 2003 is glashelder. Dat laatste moesten mijn studenten dus lezen.

Het aspect van toekomstverhalen vertellen, aldus Throgmorton, wordt binnen de discipline sterk ondergewaardeerd. In ‘Planning as Persuasive Storytelling in a Global Scale Web of Relations’ (Planning Theory 2003 Vol 2 (2): 125-151) laat hij zien dat modernistische planners liefst heroïsche verhalen vertellen: verhalen die doordrongen zijn van een diep vooruitgangsgeloof. Modernistische planners vertellen het ‘officiële verhaal’ waarin de planners helden zijn die de draken van de irrationaliteit verslaan. Die heldenepossen vind je ook in Nederland, rond de Tweede en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en bij grote projecten zoals de Kop van Zuid. Daartegenover stelt Throgmorton ruimtelijke planning die wordt gevoed door alledaagse verhalen van gewone stervelingen. Van deze in buurten en wijken verankerde ‘common urban narratives’ kunnen planners veel leren, net zoals ze van gewone praktijkverhalen van collega-planners veel zouden kunnen opsteken. Dat amalgaam van talrijke kleine levensverhalen, schrijft hij, weerspiegelt eerder de complexiteit dan de heroïsche verhalen van de modernistische planners. Bovendien ontroeren ze. Ze stellen planners in staat om te spreken over angst, woede, cynisme en hoop, en al die andere politieke hartstochten die nu eenmaal horen bij het vak van ruimtelijke planning. Als planners slechts verhalen vertellen, vertellen ze dan geen leugens? Feiten, aldus Throgmorton, zijn minder belangrijk dan hun interpretaties. “To ask about meaning and persuasiveness rather than truth is to shift attention from technical accuracy to a combination of accuracy and normative evaluation.”

Tagged with:
 

Family, friendship, and community

On 5 februari 2019, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Prosperity without Growth’ (2009) van Tim Jackson:

Afbeeldingsresultaat voor tim jackson prosperity without growth

 

In voorbereiding op de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam las ik onder andere Tim Jackson’s ‘Prosperity without Growth’. Jackson, die verbonden is aan de University of Surrey, was Economics Commissioner voor de Sustainable Development Commission (SDC) in het Verenigd Koninkrijk. De SDC adviseert de Britse regering over zaken rond duurzaamheid. Het boek schreef Jackson na de financiële crisis, toen duidelijk werd dat de Britse regering er alles aan zou doen de economie weer te laten groeien. Onze welvaart, schrijft hij, zijn wij steeds meer in termen van consumptie en economische groei gaan uitdrukken. We móeten en zúllen groeien. En dat is ons grote probleem. Want er zijn duidelijke limieten die we in acht moeten nemen, maar dat doen we niet. We zijn onverantwoordelijk bezig. We moeten veranderen, maar hoe? Technologie en innovatie zullen ons niet redden. Alle groeiprikkels moeten eruit. Jackson: “While social progress depends on the self-reinforcing cycle of novelty and anxiety, the problem can only get worse. Material throughput will inevitably grow. And the prospects for flourishing will evaporate.” Uiteindelijk zal ook onze welvaart eronder lijden. Betekent dit het einde van de kapitalisme? Zelf denkt hij van niet. Er zijn allerlei tussenvarianten denkbaar waarin waarden voorop staan van ‘family, friendship, and community’ en waarin markt en staat redelijk samenwerken. Minder groei? Jazeker, maar een groter welzijn van mensen en een herstel van het ecologisch evenwicht.

Dus wat te doen? Volgens Jackson is er een ‘stille revolutie’ gaande van mensen die afstappen van het denken in termen van meer consumptie en die niet langer status ontlenen aan het nieuwste. Zij bewegen naar alternatieve leefwijzen. Maar dat is, begrijpt hij ook, niet genoeg. Harde maatregelen zullen moeten worden getroffen. Dat kan alleen de overheid. Waarom wordt particulier vervoer bevoordeeld ten opzichte van openbaar vervoer? Waarom krijgen auto’s en brommers voorrang boven voetgangers? Waarom wordt energieopwekking gesubsidieerd en waarom is energie-afname zo slecht geregeld? Waarom is afval storten goedkoop en het recyclen van afval vaak armetierig? En waarom zijn lonen in het bedrijfsleven zoveel hoger dan de salarissen in de ambtenarij? Jackson pleit voor een economie waarin welvaart en welzijn niet langer volgens materialistische maatstaven worden gemeten en waarin veel meer aandacht is voor gelijkheid, gemeenschapszin en participatie. De enorme opgave waar we de komende decennia voor staan gaat niet lukken binnen de bestaande systemen. Vooral van dat laatste wil Jackson ons overtuigen. Geen spoor van utopisch denken in dit boek. Eerder stof voor een politiek programma.

Tagged with:
 

Sluisbuurt als collage

On 14 januari 2019, in boeken, hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2019:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ronnie Zijp

De Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) was afgelopen week in Amsterdam om de Nederlandse vertaling van zijn recent verschenen boek ‘Building and Dwelling’ te promoten. Journalist Bernard Hulsman sprak met hem. In NRC van afgelopen zaterdag verscheen van zijn hand een interview met de grote meester over hoe ‘het grote geld de steden koloniseert’. ‘Stadsleven’, de Nederlandse titel van het Britse boek, is een pleidooi voor een open stad. “En ook een stad die kan veranderen en ruimte biedt aan onverwachte activiteiten.” Terecht stelt Sennett dat het adagium ‘function follows form’ eigenlijk leidend zou moeten zijn en niet het modernistische ‘form follows function’. Maak eerst de vorm, want die functies veranderen toch voortdurend, en zorg ervoor dat die vorm functieverandering toelaat. “Het gaat in architectuur en stedenbouw niet om eenvoud en eenduidigheid, maar juist om complexiteit en contradictie.” In zijn boek gebruikt Sennett de collage als metafoor, in het interview refereert hij aan de Amerikaanse architect Robert Venturi. Beter kon mijn zaterdag niet beginnen. Totdat ik het einde las. Hulsman is al jaren kritisch over de plannen voor Sluisbuurt in Amsterdam. Aan het slot van het interview gebruikt hij Sennett om zijn gelijk te halen.

Eerst confronteert Hulsman Sennett met de Sluisbuurt. De Amerikaan weet van niets. Waarop de journalist zegt dat het gaat om een buurt “van zo’n 25 woonnaalden van omstreeks honderd meter hoog met 5500 woningen.” Sennett: “Echt? Waarom wil Amsterdam dat?” Waarop Hulsman antwoordt dat de gemeente meent “dat dit de enige manier is om veel vloeroppervlak op een beperkt stuk grond te krijgen.” Sennett, die zijn jeugd doorbracht in de Bijlmer van Chicago (Cabrini Green), schrikt zich een hoedje. “Torens zijn saai, niet duurzaam en ze vormen geen fijne buurt waar zich een community kan vormen.” Let op, hier wordt de socioloog die bekendstaat om zijn genuanceerde kijk in de val gelokt. Zijn uitspraak is een algemene. Amsterdam zou de oude Sennett moeten uitnodigen om, nu serieus, het plan voor de Sluisbuurt te bestuderen. Heus, het wordt geen Bijlmer. De in Shanghai woonachtige stedenbouwkundige Joost van den Hoek voerde onlangs in De Architect (19 november 2018) een interessant pleidooi voor een ‘verticale VINEX’. Zelf woont hij op de 22ste verdieping van een toren in een dichtbebouwde wijk dicht bij de Franse concessie. “Ik zou pleiten voor een model waar je ook als gezin comfortabel kunt ontsnappen aan het dogma van tuin en auto.” ( https://www.dearchitect.nl/architectuur/blog/2018/11/blog-kom-maar-op-met-die-verticale-vinex-101202943) Net als hij geniet ik van de skyline van Rotterdam, en wij verheugen ons op de Sluisbuurt. Als collage.

Tagged with:
 

De gentrificatie van Parijs

On 29 augustus 2018, in boeken, politiek, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Sociologie de Paris’ (2014) van Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot:

Afbeeldingsresultaat voor sociologie de paris pinçon charlot

Elegant boekje van het sociologenechtpaar Pinçon over de gentrificatie van Parijs. Het origineel stamt uit 2004, een herziene druk zag het licht in 2014. Ik las het afgelopen week tijdens mijn verblijf in het 19de arrondissement. Beide echtelieden zijn verbonden aan het Centre National de Recherche Scientifique (CNRS), Michel doet er onderzoek naar arbeiders, Monique naar stedelijke gentrificatieprocessen. Pinçon steunt openlijk het linkse kamp van Jean-Luc Mélenchon. Het boekje is elegant omdat het de sociale stratificatie van Parijs helder uiteenzet langs historisch-geografische lijnen. De segregatie van Parijs is al heel oud. De verburgerlijking van Parijs die in het boekje wordt beschreven is echter nieuw. Eeuwenlang was Parijs overwegend een arme en revolutionaire arbeidersstad, de rijkdom was er altijd geconcentreerd in het westelijke deel. Nu raakt de hele stad – althans binnen de contouren van de rondweg – de Périphérique – zwaar gegentrificeerd. Het centrum wordt zelfs extreem rijk, met buurten bestaande uit overwegend pieds-à-terres van chique lui uit de hele wereld. Tegelijkertijd proletariseren en verkleuren de buitenwijken buiten de ring, dus het contrast wordt steeds groter. De snelle verburgerlijking van Parijs wordt voortgestuwd door de komst van zogenoemde ‘bobo’s’: bourgeois-bohèmes, dat zijn jonge stedelingen overwegend werkzaam in de creatieve industrie. Alleen het 19e en 20ste arrondissement in het noordoosten rond het Bassin de la Villette, waar ik verbleef, blijven hardnekkig weerstand bieden.

Het echtpaar verbaast zich over het feit dat Parijs ondertussen politiek steeds linkser stemt. Parijs stemde altijd juist rechts, maar sinds 2001 ontstaan er lokaal voortdurende linkse meerderheden. Ze brengen dit in verband met het feit dat de nieuwe bourgeois-bohèmes overwegend linkse sympathieën koesteren. Ze denken dat het te maken heeft met de gelijktijdige toestroom van arme migranten, want Parijs oefent ook grote aantrekkingskracht op hen uit. Die confrontatie is voor jonge mensen moeilijk te verdragen. Jonge stedelingen die de arbeidersbuurten, de fabrieken en de oude cafés juist zo aantrekkelijk vinden en die zelfs heimwee hebben naar de Parijse revoluties van 1968 en 1871 (de Commune), lijken met een heus schuldgevoel te kampen. Misschien, schrijven de echtelieden, kopen deze zelfbenoemde erfgenamen van de linkse revoluties hun schuldgevoel af door links te stemmen. Want tegelijk zijn ze voor economisch liberalisme. Het is als: wij werken hard en willen feest vieren; laat de gemeente voor de armen zorgen. Dat is wat je in Parijs op straat ook ziet: jonge feestvierders gecombineerd met gemeentelijke reinigingsdiensten, gemeentelijke voedselbanken, gemeentelijke opvanghuizen. Het viel me vooral op in mijn 20ste arrondissement: verslaafden en vluchtelingen mengden zich met jonge stedelingen op een door de gemeente georganiseerde ‘Paris Plage’. Het beeld wijkt overigens sterk af van de rest van Frankrijk. Ook dat verschil wordt steeds groter.

Tagged with:
 

Dromen als opdracht

On 30 juli 2018, in boeken, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Expect Great Things’ (2017) van Kevin Dann:

Afbeeldingsresultaat voor kevin dann expect great things

 

Op 6 mei 1862 om 9 uur ‘s ochtends stierf in Concord, Massachusetts, Henry David Thoreau. De schrijver, 43 jaar oud nog maar, was al een tijdje ziek en hij wist dat zijn einde naderde. Menig vriend kwam hem nog even opzoeken. Die ochtend zeilde hij weg. Kevin Dann schreef een prachtige biografie over de Amerikaanse schrijver en filosoof, auteur van onder andere ‘Walden. Life in the Woods’ (1854). In ‘Expect Great Things’ (2017), verschenen tweehonderd jaar na zijn geboorte, gaat het vooral over Thoreau als mysticus. De wereld, het hele leven, was in de ogen van de schrijver iets wonderbaarlijks, iets dat tot in elk detail was vervuld van raadsels en mysterie. De werkelijkheid, in de eerste plaats de natuur, was vervuld van geesten. Elk seizoen was in de ogen van Thoreau bijzonder, bomen, stenen, schelpen, sterren, ze waren alle goddelijk en ook elk mens was een goddelijk wezen. Poëzie drukte daarom de werkelijkheid beter uit dan proza, vond de schrijver. Woorden zijn als zeldzame planten. Sympathie was een woord dat hij dikwijls gebruikte. Het was de kunst om betekenis aan je eigen leven te geven. Als iemand zich kon verwonderen over gebeurtenissen en details, dan was het Thoreau. Achter alles lag de mogelijkheid van een nieuw, rijker leven. Thoreau was een optimist.

De wijze waarop de jonge transcedentalist, die goed bevriend was met Ralph Waldo Emerson, zijn korte leven leidde grensde aan pure extase. Het verhaal van Prometheus die het vuur stal van de goden om zo onafhankelijk te worden, boezemde hem al op jonge leeftijd grote belangstelling in. Volgens Dann was Thoreau vooral geïnteresseerd in het vuur opgevat als kennis en beschaving. Hij las veel. Niet minder dan zelf god worden was zijn doel. “The goal in all the mystery traditions was the freeing of the life body from the imprisonment of the physical body, to facilitate clairvoyance of the spiritual world.” Thoreau leefde spiritueel, alsof elke dag nieuw en vol betekenis was. Een ‘thrilled and expectant mood’ die hij cultiveerde bood hem de mogelijkheid om intens te leven. Sociaal leven was niet aan hem besteed. Hij koos bewust voor individualisme en ging uit wandelen, trok zich terug in de natuur. Het getuigde van moed, aldus Dann, om je twee jaar op te sluiten in een hut en uitsluitend de menselijke verbeelding zijn werk te laten doen. Dan ga je pas de werkelijkheid zien. “There is just as much beauty visible to us in the landscape as we are prepared to appreciate, not a grain more.” Dromen en verbeelding helpen mensen om te zien en te ontdekken. Dromen was daarom belangrijker dan observeren. “Our truest life is when we are in dreams awake.” Alles is er al, je moet het alleen leren zien en kennen. Droom daarom het allermooiste en je zult het vinden. “In the long run, we find what we expect. We shall be fortunate then if we expect great things.” Dromen als opdracht. Om na te leven.

Tagged with:
 

A World City

On 12 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Solar’ (2010) van Ian McEwan:

Afbeeldingsresultaat voor solar mcewan

Genoten van ‘Solar’ van de Britse schrijver Ian McEwan. In de roman raakt de Britse Nobelprijswinnaar Michael Beard betrokken bij een ambitieus project om de wereld te redden. Het gaat om nieuwe technologie waarmee energie zal worden opgewekt uit zonlicht en water. Fossiele brandstoffen worden overbodig. De regering Blair investeert miljoenen in een Brits studiecentrum naar duurzame energie. Beard wordt het vlaggenschip van de politieke operatie. Maar hij maakt een puinhoop van zijn leven. En er gebeuren vreselijke dingen die ik de lezer van deze blog zal besparen. Het begin van deel twee van het boek is ronduit schitterend. Beard zit in een vliegtuig en cirkelt boven Londen. Hij is op weg terug naar huis. Onder zich ziet hij zijn hele leven terug in een stadslandschap dat Newton en Dickens zou hebben verpletterd. “As unplanned as a giant termite nest, as a rain forest, and a thing of beauty, gathering itself to great human intensity at the centre, along the rediscovered river between Westminster and Tower Bridge, dense with confident, playful architecture, new toys.” De metropool deed hem denken aan al die andere grote steden op aarde. “The pressure of numbers, the abundance of inventions, the blind forces of desires and needs looked unstoppable and were generating a heat that had become, by clever shifts, his subject, his profession. The hot breath of civilisation.”

Het wordt twee bladzijden verderop nog ironischer. De gedachten van Beard gaan uit naar de toekomst en hoe groot en mateloos groot Londen dan zal zijn. “One day this brash and ancient kingdom might yield to the force of multiple cravings, to the dreamy temptations of a giant metropolis, a Mexico-City, Sao Paulo and Los Angeles combined, to effloresce from London to the Medway to Southampton to Oxford, back to London, a modern form of quandrillateral, burying all previous hedges and trees. Who knew, perhaps it would be a triumph of racial harmony and brilliant buildings, a world city, the most admired world city in the world.” Hoe, vraagt Beard zich tijdens het landen af, zal de mensheid zichzelf ooit gaan inhouden? “We appeared, at this height, like a spreading lichen, a ravaging bloom of algae, a mould enveloping a soft fruit – we were such a wild success.” Nee, met de wereld komt het niet goed, dat is wel duidelijk. McEwan laat zijn held flink spartelen. En Londen en het Verenigd Koninkrijk zullen uiteindelijk op de klippen lopen in de woestijn van de Verenigde Staten. Kon McEwan bevroeden dat zijn land zes jaar later in een referendum zou stemmen voor Brexit?

Tagged with:
 

Vraatzuchtig monster

On 11 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010) van Auke van der Woud:

Afbeeldingsresultaat voor koninkrijk vol sloppen

Tussen 1870 en 1900 groeiden de steden in het westen van Nederland ineens als kool. Amsterdam, aldus historicus Auke van der Woud in ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010), kreeg in drie jaar tijd, tussen 1880-1883, liefst 100.000 nieuwe inwoners erbij. De instabiliteit van die instroom was overigens wel groot, want tegelijk vertrokken er 70.000. Een positief saldo dus van 10.000 nieuwe Amsterdammers elk jaar. Nederland volgde in dat opzicht industriële grootmachten als Engeland en Duitsland. In die tijd ontstond het beeld van de grote stad als een gezwel dat op zijn landelijke omgeving parasiteert. De trek naar de stad werd zelfs rechtstreeks in verband gebracht met de landbouwcrisis. Volgens Van der Woud hadden die twee tendensen maar zeer gedeeltelijk met elkaar te maken gehad, maar het beeld was geboren en het bleek onweerstaanbaar: steden waren hongerige octopussen die het platteland verslinden en globalisering werd als de zondebok gezien. Allerlei marxistische en socialistische theorieën circuleerden die steden gingen zien als puur economische verschijnselen. Kritische intellectuelen keerden zich tegen de grote stad. De bezorgdheid over de stedengroei en de nieuwe stedelijke samenleving was volgens Van der Woud overigens typisch Europees, want in Amerika waren weinig critici te vinden die de grote stad als een tumor beschouwden.

Van der Woud wijst erop dat de wetenschappelijke onderbouwing van de parasiterende grootstad met name geleverd werd door Darwins evolutietheorie. Steden werden, net als planten en dieren, als organismen gezien die zich ontwikkelden tot een steeds hogere complexiteit.  Er was sprake van een ‘survival of the fittest’.  Volgens negentiende eeuwse geografen en economen kostte die stedelijke groei veel energie: energie die steden, net als bomen en planten, via infrastructuur uit hun omgeving naar zich toe zogen. Het beeld van de grootstad als vraatzuchtige monster was geboren. Maar Van der Woud stelt in zijn boek daar een heel ander beeld tegenover. Dat beeld is in de eerste plaats cultureel, niet economisch. De grootstad, schreef hij, was voor veel mensen in de eerste plaats een zintuiglijke ervaring en juist daarin school een grote aantrekkingskracht. “Grote stad, wereldtentoonstelling van snoep, machines, schrijfpapier, geplukte eenden, meikaas, glaswerk, strohoeden, kamizolen, rubberen slangen, taarten en lakense jassen.” Eind negentiende eeuw was de metropool de plaats waar de moderne beschaving werd geboren. Wonen in een stad, dikwijls klein, benauwd en vierhoogachter, was voor de meeste mensen een geschenk uit de hemel.

Tagged with:
 

Bouwen en wonen

On 3 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Building and Dwelling’ (2018) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor building dwelling richard sennett

De erudiete Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) koos er op hoge leeftijd voor om alsnog praktiserend planoloog te worden. Zo adviseerde hij kleine gemeenschappen en één internationale organisatie. Deze ontboezeming doet hij in ‘Building and Dwelling’, zijn nieuwste boek, dat een titel draagt die lijkt afgeleid van een van Martin Heideggers beroemde essays. Planoloog zijn was een bijzondere ervaring. “It took time to find ways to engage the gap between the built and the lived, the ville and the cité.” In ‘Building and Dwelling’ wijst hij op de scheiding tussen de gebouwde en de geleefde stad en hoe deze de discipline van de planologie door de tijd heeft gespleten: aan de ene kant de stedenbouwkundige vormgevers met hun gedurfde toekomstvisies en stedenbouwkundige projecten, aan de andere kant de planologen en sociologen met hun diepgaande kennis van het stadsleven en hoe mensen op de gebouwde omgeving reageren. Lewis Mumford stond dichter bij het eerste, Jane Jacobs dichter bij het tweede. Op een gegeven moment dreven beide uit elkaar. Deze scheiding tekent het vakgebied tot op heden. De scheiding markeert ook de inhoudsopgave van zijn boek.

Volgens Sennett kan de stad alleen goed functioneren als gebouwde omgeving en stadsleven elkaar weten te vinden. Dat vergt veel van de stedelingen. Maar het vraagt ook iets van de planners. Stedelingen moeten wennen aan al die drukte en al die vreemde mensen om hen heen. Omgekeerd moet de gebouwde stad zich aanpassen aan voortdurende verandering. Sennett noemt vijf open vormen die tot een betere, meer flexibele fysieke structuur kunnen leiden: openbare ruimte die een veelheid van activiteiten synchroniseert; poreuze grenzen tussen wijken en buurten; eenvoudige materialen en symbolen die, willekeurig over de stad verdeeld, onopvallende plekken karakter geven; het spelen met thema’s en variaties; een complex patroon laten ontstaan door scholen, parken, winkels en woningen als zaden te planten, het resultaat is iets als een collage. Sennett is geen voorstander van master planning. Maar kleinschaligheid hoeft wat hem betreft ook niet. “Master-planning of Mumford’s well-intentioned sort assumes people want to live a stable, balanced life. The simplification of the city follows from making this assumption, and the result is not good.” Een stabiel, evenwichtig leven is een leven dat energie verliest – “and so is a stable, balanced city.” Geen overzichtelijke tuinsteden dus. In de ogen van Sennett zijn steden lastige plekken waar mensen hun ervaring van collectief leven kunnen, nee moeten verdiepen. Steden bestaan bij de gratie van complexiteit.

Tagged with:
 

Tijd voor nieuwe marsmannetjes

On 28 februari 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The War of the Worlds’ (1898) van H.G.Wells:

 Afbeeldingsresultaat voor the war of the worlds wells arie storm

In ‘The War of the Worlds’ van H.G.Wells, gepubliceerd in 1898, wordt Londen door marsmannetjes vernietigd. De Britse hoofdstad, die begin twintigste eeuw zes miljoen inwoners telde, was toentertijd de grootste stad op aarde. De schok die het boek onder tijdgenoten teweegbracht school misschien niet eens zozeer in de komst van de marsmannetjes, maar in de krankzinnig grote metropool Londen en de vergeefse evacuatie die Wells nauwgezet beschreef. Hoe ontruim je zo’n enorme mensenmassa en hoe proberen de buitenaardse wezens dat te verhinderen? Een fragment (in de vertaling van Arie Storm):“De volledige populatie van de grote zes miljoen inwoners tellende stad was in beweging gekomen, rijdend, slippend, rennend; spoedig zouden ze en masse noordwaarts trekken.” De onafzienbare stroom vluchtelingen leek op ‘een zwerm’, een ‘ordeloze meute’, “zes miljoen ongewapende en onbevoorrade mensen die zich naar voren stortten.” Nooit eerder in de geschiedenis, zo benadrukte Wells, was zo’n grote massa mensen in beweging gekomen en op de vlucht geslagen. “Het was het begin van de totale ineenstorting van de beschaving, het was het begin van de uitroeiing van het mensdom.” Die immense stad veroveren en vernietigen, dat was dus het begin van het einde. Ik denk dat Hitler en Stalin ervan moeten hebben gesmuld, zeker nadat Orson Welles er in 1938 een hoorspel op de radio van had gemaakt. Wat heet, in 1934 vond er een ontmoeting plaats tussen H.G. Wells en Jozef Stalin in Moskou. Roosevelt’s New Deal en Stalin’s vijfjarenplan leken volgens de Britse schrijver treffend op elkaar. In beide plannen wilden de twee wereldleiders de bevolking spreiden over het land. Door de twee mannen bij elkaar te brengen hoopte Wells het kapitalisme te vernietigen en het urbane monster te temmen. Stalin ging er niet op in.

Het kan niet anders of  de socialist Wells raakte met zijn boek een gevoelige snaar bij zijn tijdgenoten. Begin twintigste eeuw vond vrijwel iedereen Londen onbeheersbaar groot. Een kapitalistische stad van zes miljoen inwoners kon niet bestaan. Die moest vernietigd worden. Dit is hoe Wells de snel groeiende metropool beschreef: “als een gigantische kaart, en naar het zuiden toe beklad. Het zou lijken alsof er over Ealing, Richmond en Wimbledon uit een monsterlijke pen inkt op de kaart was gegoten. Elke zwarte vlek liep uit en verspreidde zich gestaag en voortdurend, vertakkingen schoten alle kanten op en stapelden zich tegen glooiingen op, om vervolgens weer snel uit te stromen over een top naar een nieuw gevonden vallei, precies zoals een druppel inkt zich zou verspreiden op vloeipapier.” In 1898, dus in hetzelfde jaar als waarin The War of the Worlds verscheen, verspreidde ene Ebenezer Howard zijn later door planologen veelgelezen pamflet, getiteld ‘Garden Cities of Tomorrow. A Peaceful Path to Real Reform’. Dat ging over de noodzakelijke afbraak van Londen en de vervanging ervan door talrijke overzichtelijke tuinsteden. Even buiten Londen bouwde de radicaal Howard even later de eerste tuinstad in de vorm van een coöperatie. Het einde van de Britse hoofdstad kwam daarmee in zicht. Een vredig einde, zonder hulp van marsmannetjes. Toch is het hem en de planologen later niet gelukt. Londen groeit weer. En hoe! Volgens sommigen is het tijd voor nieuwe marsmannetjes.

Tagged with: