Transitie naar energie-efficiency

On 27 augustus 2018, in duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Entrepreneurialism and the Conquest for Sustainability’ (2018) van Maurits Bongenaar:

Afbeeldingsresultaat voor transitietheorie geels

Bron: Geels, 2011.

Interessante doctoraalscriptie van Maurits Bongenaar. Deze zomer studeerde Bongenaar cum laude af aan de Universiteit van Amsterdam in de research master Urban Studies. In ‘Urban Entrepreneurialism and the Conquest for Sustainability’ (2018) vergeleek hij de aanpakken van twee metropolen – New York City en Amsterdam – ten aanzien van praktijken van energie-efficiënt bouwen. Hoewel de ontwikkeling van beide ‘Global Cities’ de afgelopen decennia gekenmerkt raakte door neoliberale, op groei en competitie gerichte praktijken (speculatieve ruimtelijke ontwikkelingen, kapitalistische groeicoalities en markante symboolprojecten), timmeren ze de laatste tien jaar aan de weg als het gaat om CO2-reductie en duurzaamheid in de gebouwde omgeving. Bongenaar vergeleek de uitkomsten, maar keek ook naar het achterliggende beleid van de beide gemeenten. Daarbij paste hij transitietheorieën toe uit de sociale wetenschappen, waaronder het ‘multi-level perspectief’, zoals ontwikkeld door de Nederlandse school van transitie studies (Geels, 2011). Hij maakte onderscheid tussen ‘landscapes’, ‘regimes’ en ‘niche innovations’. Beide steden, stelde hij vast, maakten de laatste jaren grote vorderingen als het gaat om transitie richting duurzaamheid, maar hun aanpakken verschillen sterk.

In New York speelt politiek leiderschap in de transitie naar duurzaam bouwen een grote rol. Het was burgemeester Michael Bloomberg die het lokale regime van bovenaf veranderde, zijn persoonlijk inzet was sterk op een collectieve inspanning van de hele metropolitane gemeenschap gericht. Leiderschap, concludeerde Bongenaar, is in New York veel nadrukkelijker aanwezig dan in Amsterdam, waar het bestuur bijna onzichtbaar is. Ook de impact van New York op de omgeving is groter, of zoals een betrokkene opmerkte: “When a cold-blooded, calculating city that is all about money, develops a sustainability strategy, it sends a message.” Overigens stelde Bongenaar vast dat de lokale autonomie van New York vele malen groter is dan die van Amsterdam, waardoor de eerste veel sneller en krachtiger kan acteren. Het beleid van Bloomberg was in feite een reactie op de intertie van president Bush, die de noodzaak van CO2-reductie totaal negeerde. Daarbij komt dat het ‘landschap’ in New York abrupt veranderde door 9/11 en later door hurricane Sandy (2012). Amsterdam blijkt sterk afhankelijk van Den Haag en wacht af. Bijgevolg bespeurde Bongenaar in Amsterdam een tamelijk geleidelijke en planmatige overgang naar duurzaamheid, waarbij de transitie eerder managerial is dan politiek. Het Amsterdamse beleid is technocratisch. Wie goed kijkt ziet dat verandering in Amsterdam in werkelijkheid van onderop komt. Zelfs op de Zuidas zijn het ontwikkelaars die het voortouw nemen. Groot zijn dus de verschillen, maar de in Amsterdam geboekte resultaten doen zeker niet onder voor die in New York. Mondiale competitie tussen steden, concludeert Bongenaar, is niet negatief. Concurrentie stimuleert steden juist om duurzaam te worden. Laat ze experimenteren, laat ze concurreren, geef ze bestuurlijke armslag, geef ze de ruimte.

Tagged with:
 

Nieuwe werkelijkheden creëren

On 14 april 2018, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metaphors we live by’ (1980) van G. Lakoff en M. Johnson:

Gerelateerde afbeelding

Objectiviteit is een mythe, net zoals subjectiviteit een mythe is. Met mythes is niets verkeerd, ze geven betekenis aan ons leven. Alle culturen gaan uit van mythes, mensen kunnen niet zonder. Aldus Lakoff en Johnson in ‘Metaphors we live by’ (1980). “And just as we often take the metaphors of our own culture as truths, so we often take the myths of our own culture as truths.”  Objectivisme heeft als bondgenoten wetenschappelijke waarheid, rationaliteit, nauwkeurigheid, eerlijkheid, en onpartijdigheid. Allemaal zeer belangrijk. Subjectivisme heeft als bondgenoten emoties, intuïtie, verbeelding, menselijkheid, kunst en een ‘hogere waarheid’. Ook die zijn nodig, objectivisme en subjectivisme elk in hun eigen domein. Dus waarom die angst voor metaforen? Het is, denken Lakoff en Johnson, de angst voor emotie en verbeelding. In de Industriële revolutie ging het Westen steeds sterker leunen op de ratio. De Romantici wezen rationaliteit juist af en hielpen de tegenstelling groot en onoverbrugbaar worden. Daarom komen de twee auteurs met een derde richting: de experiëntialistische synthese. “What the myths of objectivism and subjectivism both miss is the way we understand the world through our interactions with it.” Hoe begrijpen wij ons gedrag door de wijze waarop wij met de wereld interacteren?

Experiëntialistische synthese houdt in dat we ons bewust worden van de metaforen waarmee we leven en wat deze betekenen in ons alledaagse leven; voorts dat we de mogelijkheid hebben om nieuwe metaforen te ontwikkelen; dat we in het schakelen tussen metaforen flexibel worden (‘experiential flexibility’); dat we, ten slotte, betrokken kunnen raken in een oneindig proces van ons leven zien door telkens nieuwe alternatieve metaforen: “engaging in an unending process of viewing your life through new alternative metaphors”. Gedeeltelijk zijn de metaforen waarmee wij leven vastgelegd in rituelen. Door nieuwe metaforen te ontwikkelen zijn we in staat om nieuwe rituelen te introduceren en nieuwe werkelijkheden te creëren: “New metaphors are capable of creating new understandings and, therefore, new realities.” Dit bevrijdende gedachtegoed is nog lang geen gemeengoed, ook niet in de academische gemeenschap. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan. Maar de mogelijkheden zijn volgens de auteurs schier eindeloos. Wat zijn de nieuwe mythes en metaforen van de ruimtelijke planning?

Tagged with:
 

Minder slim, minder vrij

On 7 maart 2018, in technologie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Roeterseiland Campus, Amsterdam op 26 feburari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor max welling

Bron: Max Welling, UvA

Of mensen zullen mee-evolueren met machines wist hij niet. Slimmer worden mensen zeker niet, eerder dommer. Tenzij onze hersenen door implantaten of DNA-technologie worden opgewaardeerd, wat zeer goed mogelijk is. Tijdens de derde Amsterdamlezing van 2018 sprak Max Welling over algoritmes en intelligente machines die ons leven ingrijpend zullen veranderen. Welling is natuurkundige en hoogleraar Machine Learning and Artificial Intelligence aan de Universiteit van Amsterdam. De toekomst die hij schetste was er een waarin machines met mensen interacteren. Beide vergroeien met elkaar. Hij verwachtte hiervan de komende jaren opzienbarende resultaten in de gezondheidszorg, het openbaar vervoer, mobiliteit, onderwijs, wetenschap en ook in onze steden, ook al verloopt alles bijna ongemerkt. Veel van wat wij doen zal uiteindelijk veel sneller, beter en efficiënter door machines kunnen worden gedaan. We zullen op een andere manier zin aan ons leven moeten geven. Erg vond hij dit niet. Maar het blijft wel gek te moeten vaststellen dat machines slimmer zullen zijn dan wijzelf. Maar robots die de macht overnemen? Nee, dat geloofde hij stellig niet. Dat zal nog heel lang duren.

Welling schetste een beeld van de toekomst waarin de hoeveelheid data exponentieel groeit en ook de snelheid van computers elke twee jaar zal verdubbelen als gevolg van de wet van Moore. Tegelijk groeit de intelligentie van algoritmes. Computer science, data science, AI, machine learning, deep learning, al deze kennisvelden ontwikkelen zich razendsnel en versterken elkaar onderling. Iemand in de zaal vroeg of algoritmes ook met elkaar kunnen wedijveren. Zou de beste ooit boven komen drijven? Groeit er superieur algoritme dat alle andere algoritmes overneemt? Welling sloot zo’n evolutie niet uit. De wijze waarop algoritmes – AlphaGoZero en AlphaZero – met elkaar het spelletje Go speelden was daarvan misschien een voorproefje. Risico’s zag hij zeker. Die lagen volgens hem vooral op ethisch vlak. Als Amazon straks verzekeringen gaat aanbieden en jou via Alexa op basis van jouw persoonlijke gegevens een aanbod doet, wat dan? Onze vrijheid, dacht hij, wordt hoe dan ook geringer. Mooi was het filmpje dat hij liet zien van een robot die leerde pannenkoeken bakken. Het zag er stuntelig uit. Eenvoudig is het opgooien van een pannenkoek ook niet. Maar na vijftig keer gooien bleef de koek keurig in de pan. Het was een voorbeeld van reinforced learning. Heeft een machine zoiets eenmaal geleerd, dan blijft dit altijd bewaard en kan het over de hele wereld worden verspreid. Zo gaat onze vooruitgang steeds sneller.

Tagged with:
 

Amsterdamlezing 2018 #3

On 24 februari 2018, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor max welling deep learning

Max Welling, vijftig jaar oud, is hoogleraar Machine Learning en Kunstmatige Intelligentie aan de Universiteit van Amsterdam. Welling is mede-oprichter van Scyfer, een scuccesvolle spin off van de Universiteit van Amsterdam en gevestigd op Amsterdam Science Park. Scyfer, nog maar vier jaar oud, werd vorig jaar tegen een onbekend bedrag opgekocht door de Amerikaanse chipproducent Qualcomm. Het jonge bedrijf maakt chips intelligent, het doet aan deep learning. Met zijn algoritmes zoekt het in grote hoeveelheden data naar patronen. Op dit moment richt het zich vooral op spraakherkenning. Qualcomm probeerde tevens de Nederlandse chipmachinebouwer NXP te kopen, waar het 47 miljard dollar voor wilde betalen. NXP levert vooral aan de autoindustrie. En Qualcomm verwierf de Amsterdamse AI-startup Euvision Tech; samen met de Universiteit van Amsterdam richtte deze in 2015 het onderzoekslab QUVA Lab op, waar onderzoek gedaan wordt naar cutting edge machine learning technieken. Ook dat bevindt zich op Amsterdam Science Park. Als we het over de toekomst hebben, kun je niet om Max Welling en Amsterdam Science Park heen.

Innovatie gaat steeds sneller, data is de brandstof en kunstmatige intelligentie is de motor. Op 24 november 2017 gaf Welling, die ook les geeft in Californië en Canada, een interview aan NRC Handelsblad. Lerende algoritmes stonden daarin centraal. Over Scyfer vertelde hij: “Kunstmatige intelligentie breidt zich uit naar de ‘randen van het netwerk’: nu zit de rekenkracht voor machine learning nog vooral in de cloud, de grote computernetwerken. We willen chips ontwikkelen die algoritmes soepeltjes kunnen draaien op een telefoon of in een auto.” Welling sprak van de mogelijkheid om data te anonimiseren door het toevoegen van ruis. Daarmee zou kunnen worden voorkomen dat bedrijven of overheden in bezit van privacygevoelige data elk individu op de voet kunnen volgen. Op de UvA wordt hiernaar onderzoek gedaan. En hij sprak over hoe algoritmes proefondervindelijk kunnen leren te plannen en beslissingen te nemen. “Computers moeten leren vooruitkijken als mensen.” Dat heet reinforcement learning. Op maandagavond 26 februari 2018 vertelt hij er meer over in de derde Amsterdamlezing van 2018. Meld je aan, op: http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen-uva.html Het is gratis.

Tagged with:
 

Waar blijft de ecopolis?

On 30 januari 2018, in duurzaamheid, economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in Masterstudio The Circle City van de UvA op 8 januari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor masterstudio the circle city

 

Een week lang spraken we op de UvA over een circulaire economie. Welkom in de Masterstudio The Circle City van het Centre for Urban Studies. Zowel de eerste als de laatste spreker was duidelijk hierover, nee, de hele week heerste er grote eenstemmigheid. Een circulaire economie realiseren vereist pure systeemverandering, we kunnen zo’n omwenteling niet realiseren binnen de bestaande economische en politieke verhoudingen. Erik Swyngedouw noemde de huidige politieke hype rond circulariteit zelfs een ‘hysterical fanasy’ en Herbert Girardet vond de brede omarming van circulariteit ronduit verdacht. Alsof wij burgers niet hoeven te veranderen; alsof we gewoon kunnen doorgaan met meer groei en nog meer consumeren. Girardet, van de World Future Council, wees erop dat de prijzen van grondstoffen en energiebronnen gewoon bizar laag zijn. Ze moeten veel zwaarder worden belast. En arbeid verdient juist verlichting. Nu is het omgekeerd. Erik Swyngedouw van de University of Manchester vond dat er een politieke omwenteling nodig is. Er is domweg niet voldoende natuur om onze groeiende honger naar grondstoffen te stillen. Mensen worden van hun land verdreven. Alles wordt te gelde gemaakt. De effecten van onze consumptie zijn in de hele wereld voelbaar. “We need a new political fantasy!” Nee, we mogen niet langer wachten, er zit niets anders op dan the hysterical act te verlaten en the political act te omarmen. 

Het grote gevaar in het master narratief van de circulaire economie zit, aldus Swyngedouw, in het monetariseren van afval. Zodra dit gebeurt ontstaat een perverse prikkel om nóg meer afval te produceren. “If you economize it, you need more waste!” Afval, zei hij, is een commons. En Girardet wees er fijntjes op dat de ecologische voetafdruk van steden als Londen, Hongkong en Amsterdam nu al veel te groot is. Londen gebruikt een grondgebied dat 125 keer groter is dan zijn eigen oppervlak om zich te voeden en te kleden, in totaal 20 miljoen hectare. Dat kan helemaal niet. En geeft Londen iets terug aan de natuur? Nee. Hij vond dat stadsbestuurders doordrongen zouden moeten zijn van de langetermijn-effecten van hun stedelijke economie. Ze zouden keihard moeten oproepen tot minder consumeren en echte green politics moeten introduceren. Politici vond hij maar lui. Ze bewijzen lippendienst aan een duurzame economie. Waar, vroeg hij zich af, blijft het vergezicht van de Ecopolis?

Tagged with:
 

Bringing Ostrom to the City

On 29 januari 2018, in bestuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in Masterstudio The Circle City van de UvA op 10 januari 2018:

 

Afbeeldingsresultaat voor labgov bologna

 

Christian Iaione van Labgov (Laboratory for the Governance of the City as a Commons), was de derde internationale spreker tijdens de Masterstudio The Circle City van het Centre for Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. De Italiaan Iaione is van huis uit jurist, gespecialiseerd in ruimtelijk recht, en doceert in Rome. Zijn bijdrage was allesbehalve juridisch en oversteeg verre zijn discipline. In ‘The Co-City’ vertelde hij over zijn samenwerking met Sheila Foster, hoogleraar Publiek Recht aan Georgetown University, Washington DC, en hun gezamenlijke zoektocht naar een ander besturingsmodel voor steden. Want zonder een gewijzigde governance kunnen steden nooit circulair worden. In hun werk hadden ze zich laten inspireren door Elinor Ostrom (1933-2012), de Nobelprijswinnares economie 2009. Die had ontdekt dat gemeenschappen zeer wel in staat zijn hun hulpbronnen duurzaam te beheren zonder privatisering of dictaten van bovenaf. De ‘tragedie van de meent’ bestaat, maar mensen kunnen door op een bepaalde manier samen te werken wel degelijk voorkomen dat individuen zichzelf overeten of zich verrijken ten koste van anderen. Iaione’s boeiende verhaal over Co-City ging over het overstijgen van de tegenstelling tussen publiek en privaat. Het ging over hoe kennis tussen alle partijen kan worden gedeeld en hoe zelforganisatie praktisch in zijn werk gaat. Het ging over, zoals hij samenvatte, “bringing Ostrom to the city.”

In ‘Governing the Commons’ (1990) vatte Ostrom de acht ontwerpprincipes samen die tot een gemeenschappelijk beheer van hulpbronnen leiden:  “1) Clearly defined boundaries; 2) Congruence between rules and local conditions; 3) Collective choice arrangements; 4) Monitoring; 5) Graduated sanctions; 6) Fast and fair conflict resolution; 7) Local autonomy; 8) Appropriate relations with other tiers of rule-making authority (polycentric governance).” Aan al deze voorwaarden moet worden voldaan om een stad duurzaam te maken. Zeker, een overheid is nodig, maar deze moet in de eerste plaats anderen in staat stellen om verantwoord te handelen. De werkelijke besluitvorming moet plaatsvinden in grootstedelijke platforms die quintuple helix zijn. Ook de stedelijke infrastructuur zou als een commons beheerd moeten worden. ‘Tech justice’ moet niet worden vergeten. Verder zou iedereen in staat moeten worden gesteld om te experimenteren. Iaione schetste de werkwijze als: open gesprekken voeren, alles in kaart brengen, vervolgens gezamenlijk ontwerpen, dan  het prototype testen, daarna reguleren, ten slotte het resultaat modelleren. Een dergelijke werkwijze leidt tot een verbetering van de lokale democratie. Met meer publieke investeringen. Het betekent wel dat de overheid minder dominant moet zijn en een deel van zijn macht afstaan. En toch, “there should be institutional diversity in the city.” Het was alsof ik de handleiding bij de gemeentelijke leergang De Nieuwe Wibaut (2012-2014) las.

Tagged with:
 

Wanneer wordt planning intelligent?

On 27 december 2017, in boeken, innovatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Machine Platform Crowd’ (2017) van Andrew McAfee en Erik Brynjolffson:

Afbeeldingsresultaat voor machine platform crowd

Hoe maken we de ruimtelijke planning intelligenter? Sinds mijn aantreden in 2012 op de Wibautleerstoel aan de UvA houd ik me met die fundamentele vraag bezig. Platforms, verhalen en aggregatie van veelsoortige kennis zijn daarvoor de sleutels, schreef ik in mijn intreerede ‘De stad als brein’ (2012). Burgers moeten voortdurend actief worden geraadpleegd, experts weten het niet beter en de governance van stad en land moet worden gedecentraliseerd, uit handen van de staat. Nu lees ik het nieuwste boek van Andrew McAfee en Eri Brynjolfsson, twee hoogleraren aan MIT en auteurs van ‘The Second Machine Age’ (2014), over de fundamentele principes die ten grondslag liggen aan alle innovatie en disruptie. Om werkelijk slim te worden, schrijven zij in hun nieuwste boek, moeten we open vragen durven stellen aan letterlijk iedereen. Eeuwenlang werd kennis in bibliotheken opgeslagen door vorsten, kerken, universiteiten, regeringen. Maar met de komst van het internet zijn bibliotheken onderdeel geworden van een veel groter geheel. Met hun algoritmes bieden zoekmachines snelle toegang tot alle beschikbare kennis. “As they accumulate the contributions of many people, they spontaneously generate new kinds of knowledge. This is a kind of magic that actually happens, all the time.” Centrale, gecoördineerde planning werkt niet meer. Door het internet kunnen nee moeten we verder decentraliseren.

Hoe kun je een grote massa mensen dusdanig organiseren opdat deze intelligent wordt? Die vraag zouden democratieën en planners zich moeten stellen. Hier putten de twee wetenschappers uit de kennis die is opgedaan bij de ontwikkeling van sofwaresysteem Linux. Een aantal principes stonden daarbij voorop: 1. openheid van het platform, dus iedereen heeft toegang, 2. massa-amateurisatie, dus geen diploma’s of lidmaatschap meer nodig om mee te mogen doen, 3. testen van bijdragen op kwaliteit en vervanging van oudere bijdragen door telkens nieuwe en betere bijdragen, 4. een helder einddoel dat bij iedereen bekend is, 5. zelforganisatie, dus het loslaten van rollen, taken en bevoegdheden, 6. geeky leiderschap, dat is een vreemd, beetje studieus, soms onhandig, maar wel visionair leiderschap. Dit is de les van Linux: “When things get really complex, don’t look to the experts. Instead, call in the outsiders.” Waarom? Omdat de kern van een discipline altijd stolt, de neiging heeft om staalhard te worden. Innovatie komt van buiten. Experts zien hun kennis razendsnel verouderen, en vaak hebben ze het zelf niet in de gaten. “It’s that many problems, opportunities, and projects, if not most, benefit from being exposed to different perspectives – to people and teams, in other words, with multiple dissimilar backgrounds, educations, problem-solving approaches, intellectual and technical tool kits, genders, and so on.” Hoezo een plan maken en dat ter inspraak aan de bevolking voorleggen? Heerlijk boek.

Tagged with:
 

United in one great city

On 1 november 2017, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Invention of Nature’ (2015) van Andrea Wulf:

Gerelateerde afbeelding

 

Welke ecoloog, geograaf of bioloog kent niet het werk van Alexander von Humboldt (1769-1859), Duits ontdekkingsreiziger, geleerde en wereldberoemd auteur van onder andere ‘Views of Nature’ en ‘Essay on the Geography of Plants’? De meeste van zijn vernieuwende boeken schreef Humboldt in Parijs, hoewel zijn reizen hem naar Zuid-Amerika en Rusland voerden en zijn opdrachtgever in Berlijn woonde. Humboldt koos Parijs en vermeed Berlijn, totdat hij om financiële redenen de hoofdstad van Pruisen niet langer links kon laten liggen. Biograaf Andrea Wulf beschrijft het zo: “There was no other place in Europe where thinking was allowed to be so liberal and free.” In een metropool als Parijs kon een geleerde als Humboldt zijn goddelijke gang gaan. In 1827 echter voelde hij zich gedwongen om zich bij zijn geldgever, Friedrich Wilhelm III, te voegen nadat Frankrijk in de ultra-royalisten de macht hadden overgenomen en Friedrich Wilhelm hem de wacht had aangezegd. De Pruisische politiek was op dat moment antiliberaal; van nieuwlichterij wilde kanselier Metternich niets weten. Overigens, in de rest van de wereld was het nauwelijks beter. De erfenis van Bolívar in Zuid-Amerika bleek autoritair; in Noord-Amerika was met de dood van John Adams en Thomas Jefferson in 1826 een conservatieve wind gaan waaien; de slavernij was er nog steeds niet afgeschaft. De conservatieve middenklasse regeerde. Dus besloot Humboldt na twintig jaar eindelijk Parijs voor Berlijn te verruilen.

Bij terugkeer vroeg hij zijn vriend Goethe, die inmiddels bijna 80 jaar oud was, waarom er van zo weinig innovatie sprake was in Pruisen. Goethe vond dat het metropolitane Parijs in dat opzicht veel meer mogelijkheden bood dan welke Duitse stad dan ook, Berlijn incluis. Met de ene wetenschapper in Berlijn, de andere in Königsberg en de derde in Bonn, was uitwisseling van wetenschappelijke kennis gewoon heel lastig. “Unlike Paris, he complained, where French thinkers were united in one great city, the problem in Germany was that everybody lived too far apart.” Humboldt gedijde in revolutionaire sferen – alleen de enorme kritische massa van Parijs kon hem die atmosfeer verschaffen. Ook toen hij weer in Berlijn woonde, keerde hij regelmatig voor maanden naar de Franse hoofdstad terug, waar hij een klein appartement aan de Seine bewoonde, met een slaapkamer, een bed en een bescheiden studeerkamer. Veel had hij niet nodig. De Parijse straten met hun grootstedelijke sfeer boden hem alles, ondanks de conservatieve bekrompen politiek van de royalisten. En zo is het nog steeds. In Europa leven de grote geesten te verspreid; buiten Londen en Parijs is er geen metropolitane conditie. En ook Europa is, net als de rest van de wereld, weer even conservatief als destijds. Onze tijd lijkt op die van 1827.

Tagged with:
 

A science of cities

On 5 oktober 2017, in boeken, ruimtelijke ordening, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Scale’ (2017) van Geoffrey West:

Afbeeldingsresultaat voor the universal laws of life and death in organisms cities and companies

Daar is het langverwachte boek van Geoffrey West, hoogleraar en voormalig voorzitter van het Santa Fe Institute van Los Alamos National Laboratory in de USA. Zijn artikel ‘Growth, Innovation, Scaling, and the Pace of Life in Cities’, dat hij samen met Louis Bettencourt, José Lobo, Dirk Helbing en Christian Kühnert schreef, dateert alweer van april 2007. Dat artikel was ronduit opzienbarend. Kort gezegd constateerde de groep wetenschappers op basis van data van ruim driehonderd steden in de wereld dat omvang ertoe doet. De verhouding tussen omvang en inhoud is zelfs non-lineair. Dus hoe groter de stad, hoe minder infrastructuur, water, voedsel, olie etc. nodig is per inwoner. Grote steden zijn dus duurzamer. West: “Typically, the fractal dimension of a healthy, robust city steadily increases as it grows and develops, reflecting a greater complexity as more and more infrastructure is built to accommodate an expanding population engaging in more and more diverse and intricate activities.” Deze stelling heeft West verder uitgewerkt in een heus boek over groeiwetten, inclusief dus een groeitheorie van steden. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ wil hij de lezer duidelijk maken dat de aarde van het Antropoceen razendsnel naar het Urbanoceen tendeert en dat vooral de wijze waarop wij steden ontwikkelen de sleutel is naar een duurzame toekomst.

In de groei van steden schuilt volgens West ook een gevaar. Want de versnelling die de urbanisatie door de jaren laat zien vereist ook een versnelling van innovaties. Dus als we doorgaan op de weg van groei met een open einde, zullen we als mensheid zodanig versneld moeten innoveren dat we het op een gegeven moment gewoon niet meer kunnen bijbenen. Tempoverhoging kan er toe leiden dat de hele wereldbeschaving als het ware in elkaar klapt. Zoiets gebeurt ook in ecosystemen. “So how can such a collapse be avoided, and can it be achieved while still ensuring open-ended growth?” Hier blijft West zijn lezers een antwoord schuldig. Is er een einde aan de groei? “Can we have the kind of vibrant, innovative, creative society driven by ideas and wealth creation as manifested by the best of our world’s cities and social organizations, or are we destined to a planet of urban slums and the ultimate specter of devastation raised by Cormac McCarthey’s novel ‘The Road’?” West weet het antwoord niet, maar denkt dat we ons zullen moeten richten op de toekomst van de wereldwijde urbanisatie. Als wetenschapper ambieert hij niet minder dan een nieuwe wetenschap van steden. Zijn boek is daarvan het begin. Ik vond het fascinerend om te lezen.

Tagged with:
 

Digital Storytelling

On 29 juni 2017, in film, innovatie, participatie, by Zef Hemel

Gelezen op Storyplacers.tumblr.com:

image

 

Ze promoveert binnenkort op de Universiteit van Helsinki in participatieve planning. We raakten met elkaar in gesprek. Ze vertelde me over Telephonoscope. Telephonoscope is een in Japan ontwikkelde methode, waarbij mensen hun verhalen over hun eigen leven in een bepaalde buurt inspreken in een telefoon. De verhalen worden opgenomen en digitaal gedeeld. Ik bezocht de website die ze me doorspeelde. Het gaat om Storyplacers, een transdisciplinair project van Japanse en Finse wetenschappers. Gewerkt wordt met een ouderwetse bakelieten telefoon, maar onder de omhulling zit moderne opnameapparatuur verborgen. Alleen een Japanner kan zoiets grappigs verzinnen. Op diverse plekken in Helsinki stond de telefoon tijdelijk opgesteld: een bibliotheek, een supermarkt, een kantoor, een keer betrof het zelfs een Finse sauna. Per keer werden circa twintig verhalen opgenomen. Elk verhaal duurde niet langer dan 3 minuten. Die verhalen werden gedeeld.

Telephonoscope is een vorm van digital storytelling (DST), een methodiek die midden jaren ’90 werd ontwikkeld door het Centre for Digital Storytelling in San Francisco. De methode is gericht op het leren, delen en creëren door gewone mensen, alles ondersteund door digitale technologie met dragers als film, fotografie, animatie, muziek of geluid. Kort gezegd gaat het om het delen van korte verhalen die door beeld en geluid worden ondersteund. Digital storytelling maakt gebruik van zowel creatief schrijven, orale geschiedenis als kunsttherapie. Kunstenaars, wetenschappers en activisten hebben de methode gezamenlijk ontwikkeld. Door de verhalen digitaal te delen kunnen alledaagse ervaringen van gewone mensen in lokale gemeenschappen de hele wereld over reizen en uiteindelijk een enorme impact hebben. Ook voor planners lijkt me dit buitengewoon interessant. Voor wie meer wil weten  http://sphera.ucam.edu/index.php/sphera-01/article/viewFile/262/243.

Tagged with: