Tokio wordt als Hongkong

On 16 juli 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

Gerelateerde afbeelding

Niemand weet wat de toekomst voor Shibuya, Tokio, in petto heeft. Maar hoog en dicht wordt het zeker. De jonge Japanse historicus Masakazu Ishigure, verbonden aan Tokyo University of Science, vertelde er boeiend over tijdens New Tokyo Story, het symposium van het Centre for Urban Studies van de Universiteit van Amasterdam over wonen, leven en bewegen in Tokio in Pakhuis de Zwijger op zaterdag 23 juni jongstleden. Shibuya behoort tot de top drie van treinstations van de wereld. In 2015 maakten er 3,24 miljoen passagiers dagelijks gebruik van het station (op Amsterdam CS zijn dat er 250.000). Shibuya is eigendom van de Tokyo Group en het geprivatiseerde JR. Het ligt aan de Yamanote Line die in de jaren ‘30 gereed kwam en die de belangrijkste stations van Tokio en alle aanvoerlijnen met elkaar verbindt. Later die dag hoorden we dat de Yamanote Line zo groot is als de binnenring van de Randstad. Bij het gereedkomen werd de ringvormige aarden wal ook wel aangeduid als ‘the Great Wall of China’, want ondoordringbaar was ze in die eerste jaren. Net als de andere grote stations groeide Shibuya dankzij zwarte markten in de directe omgeving, zo vertelde Ishigure het geïnteresseerde publiek. Hij had er onlangs een boek over geschreven.

De geschiedenis van Shibuya vangt aan in 1917 als langs de Oyama-Kaido road een spoorlijn wordt aangelegd. De Yamanote was al eerder gereedgekomen en dateert van 1885. Wanneer in 1927 de Tokyu Toyoko Line op hetzelfde punt aanlandt, is er geen houden meer aan: Shibuya groeit als kool. Er worden plannen gemaakt voor een stationsplein om de drukte in de omgeving in goede banen te leiden. Het Amerikaanse bombardement uit 1945 doet de rest. Na de oorlog dient zich een proces aan dat Ishigure aanduidt als “a process of formation and demolition of black markets’. Langs de aanvoerroutes worden houten stallen gebouwd waar kooplieden op illegale markten handelswaar aanbieden. De spoorwegmaatschappij voegt zich hierbij en bouwt zelf de Daichi Market. Dit heeft tot gevolg dat de illegale markten in de jaren ‘50 het veld moeten ruimen. In 1954 opent de spoorwegmaatschappij het eerste officiële warenhuis tegenover het station. De illegale markten worden nu verplaatst. Ishigure maakte de dynamiek in historische kaarten aanschouwelijk. Hij eindigde zijn presentatie met de actuele verbouwing van het station en de enorme hoogbouwplannen voor de directe stationsomgeving. We vroegen hem wat al die torens konden betekenen. De metrages waren gigantisch, niemand, zei hij, kon deze projectontwikkeling stoppen. Hij schatte dat het station deze gebiedsontwikkeling helemaal niet aankon. En bij de andere stations in het centrum van Tokio is het niet anders. Tokio, althans het centrum, gaat op Hongkong lijken.

Tagged with:
 

Groeipijn

On 13 juli 2018, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in het Amsterdam Museum in de Kalverstraat op 16 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor de mooiste stad museum

bron: Amsterdam Museum

‘De mooiste stad’ heet de tentoonstelling die wijlen burgemeester Eberhard van der Laan samenstelde over heden en verleden van Amsterdam. Een jaar na zijn uiteindelijk toch nog plotselinge dood is de expositie te zien in de Amsterdam galerij in het Amsterdam Museum, vlak achter de drukke Kalverstraat, tot 4 november 2018. Het is een echte politieke tentoonstelling geworden, bestaande uit tachtig objecten bijeengegaard door de geliefde burgemeester, die een gesprek wilde met zijn inwoners over wat er aan de hand is met de stad en hoe daarmee om te gaan. Omgaan met wat? Met groei en drukte. Twee periodes van snelle groei koos Van der Laan: de Eerste en Tweede Gouden Eeuw van Amsterdam. De mogelijkheid van een Derde Gouden Eeuw had de burgemeester al genoemd in zijn Amsterdamlezing van 2011. Later sprak hij van een ‘schaalsprong’. En inderdaad, zo’n schaalsprong heeft de hoofdstad zeker tweemaal eerder in de geschiedenis meegemaakt. Wat wilde de burgemeester met zijn historische tentoonstelling bereiken? Ik denk meer begrip van zijn burgers voor de ‘groeipijn’ die de mooiste stad op aarde op dit moment ervaart.

Politiek is de tentoonstelling zeker. Floor Wibaut, Monne de Miranda en Jan Schaefer figureren prominent in de uitgestalde verzameling objecten. Vooral Wibaut is de held van Van der laan. Terecht. Maar Wibaut treedt pas aan als wethouder in 1914 en dan is Amsterdam al een eind gevorderd in zijn tweede gouden eeuw. De Beurs van Berlage was in 1905 aan het Damrak geopend, Berlage had al sinds 1904 zijn opdracht voor het ontwerp van Amsterdam-Zuid op zak. Wibaut hoeft het plan alleen maar vast te stellen. De machtige wethouder profiteerde van de opbloei van de stad, kwam als het ware terecht in een gespreid bedje, ook al was de Eerste Wereldoorlog net begonnen. Nee, ik miste de buste van Samuel Sarphati. Die staat in het Sarphatipark. De partijloze Sarphati staat aan het begin van de tweede gouden eeuw: zijn Vereniging voor Volksvlijt zorgde destijds voor veel beroering in de stad. Bij de opening in 1864 was zijn Paleis van glas en staal het grootste en hoogste van Nederland. De stad puilde uit, zat mudjevol. Twee jaar later publiceerde stadsingenieur Van Niftrik zijn schitterende uitbreidingsplan. Het werd door de politiek en de pers meedogenloos neergesabeld. Voor zoiets moois was het nog veel te vroeg. ‘Het is hier geen Londen of Parijs!’ De echte held is wat mij betreft de joodse arts-ondernemer Sarphati, zomaar een burger van de stad. Alles wat hij deed stond in het teken van de toekomst, veel was te danken aan zijn initiatief. Had die buste nou even uit het park gehaald!

Tagged with:
 

Vastklampen aan een spreidingsdoctrine

On 11 juli 2018, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2018:

Afbeeldingsresultaat voor economische verkenningen metropoolregio amsterdam 2018

Op 20 juni 2018 werden de nieuwste Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam gepresenteerd in Theater Amsterdam tijdens de ‘Facts of the Region’. Ze kreeg nauwelijks publiciteit, heel vreemd. Kort samengevat luidde de boodschap van Henri de Groot, hoogleraar Economie aan de Vrije Universiteit: het gaat uitstekend met de economie van Groot-Amsterdam, er is sprake van een hoogconjunctuur, Amsterdam presteert gemiddeld beter dan de rest van Nederland en andere stedelijke regio’s in Europa. Vooral Amstelland-Meerlanden en Amsterdam zelf deden het opmerkelijk goed. In de eerste domineert de logistiek, in de tweede de specialistische dienstverlening: advocaten, consultants, informatiekenniswerkers, communicatiekenniswerkers. Vooral de dienstensector blijkt een sterke banenmotor. De druk op centrumstad Amsterdam is immens, de arbeidsmarkt is zeer krap. De pendelstromen uit de rest van Nederland richting Amsterdam groeien sterk. En vergeet het toerisme niet. Ondertussen groeit de bevolking van Groot-Amsterdam ongeveer tweemaal sneller dan het landelijk gemiddelde.

Ziedaar een metropool die bloeit en expandeert omdat hij economisch voortreffelijk presteert. Zo’n expansie en groeiende dichtheid van economische activiteit vergen forse publieke investeringen om de leefbaarheid te bewaren. Het deed me denken aan een artikel van hoogleraar Ewald Engelen in Follow the Money van 20 maart 2018. In ‘Waarom ik lijstduwer ben van de Partij voor de Dieren’ pleitte de hoogleraar Financiële geografie voor ruimtelijke spreiding in plaats van concentratie. De groei van Amsterdam vond hij allesbehalve duurzaam. Een verdubbeling van Amsterdam noemde hij ‘de megalomanie ten top’. In plaats daarvan moest Nederland behouden wat karakteristiek voor haar is: zijn ‘prachtige middelgrote provinciesteden’. Max Weber haalde hij aan om een dicht netwerk van niet al te grote steden aan te bevelen. Hij was zelfs een voorstander van Amsterdamse krimp. Ik vrees dat het standpunt van Engelen op best veel steun kan rekenen. Zijn pleidooi spoort met de Nederlandse planningsdoctrine en klinkt ook geruststellend en lekker anti-Amsterdam. Gaat de politiek hem volgen, dan moeten we ons echter voorbereiden op nog grotere pendelstromen en nòg hogere huizenprijzen in en rond Amsterdam. Waarop Engelen zich nog meer zal vastbijten in zijn spreidingsdenken en andersdenkenden neerzetten als onverbeterlijke ‘neoliberalen’. Barbara Tuchman noemde dat ‘The March of Folly’.

Tagged with:
 

Krimpstrategie op z’n Japans

On 9 juli 2018, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

 

Afbeeldingsresultaat voor zef hemel new tokyo story

Ome City is een stad van circa 130.000 inwoners aan de rand van Tokio, Japan. De stad ligt op vijftig kilometer afstand van het stadscentrum van Tokio, met de trein vanaf Shinjuku duurt de reis amper 50 minuten. Junko Kunihiro vertelde over de sterke bevolkingskrimp van Ome tijdens New Tokyo Story op 23 juni in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam. Terwijl Tokio groeit, krimpen de randen. En hoe. Kunihiro is stadsmanager van Ome City Center Vitalisation Council. Haar taak is de leegstand in het centrum van de industriestad te bestrijden. Die nadert de 55 procent, dus dat valt beslist niet mee. Waar ze vooral mee worstelt is het conservatieve gemeentebestuur en de voortdurende bezuinigingen en besparingen. De situatie verslechtert daardoor keer op keer. De nationale Act on Improvement and Vitalization in City Centers van 1998 was volgens haar belangrijk, al moest Ome wachten op de sluiting van de lokale Hitachi fabriek in 2014 voordat het gemeentebestuur tot actie overging. Na die klap werd eindelijk besloten tot de instelling van een City Center Vitalization Council met een klein uitvoerend apparaat. Kunihiro, die zelf jarenlang bij een Japanse bank in Tokio had gewerkt, besloot om de aanval op de leegstand in te zetten. Hoe, dat moest ze daarna zelf zien uit te vinden.

Kunihiro ontdekte dat zoiets simpels als feitelijke informatie verschaffen over de leegstand al helpt om partijen in beweging te krijgen. In een van de leegstaande panden opende ze daartoe een ‘Vacant Stores Gallery’ waar geïnteresseerde ondernemers konden navragen wat er zoal leeg stond en tegen welke prijs ze dit eventueel konden huren of kopen. Daarnaast begon ze wandelingen en bezichtigingen in het stadscentrum die veel publiek trokken. Persoonlijk contact was belangrijk. Het ging ook om educatie, activisme en leren samenwerken. Al snel begonnen twaalf nieuwe bedrijfjes hun activiteiten in leegstaande panden. Deze uitkomst was veel gunstiger dan ze had verwacht. Na verloop van tijd constateerde ze zelfs een kentering: terwijl 49 panden kwamen leeg te staan, openden er 64 hun deuren. Dit was zeer bemoedigend. Ze liet zien hoe deze kentering zijn weerslag had op de voorspelde leegstand: die werd voortdurend naar beneden bijgesteld. Mensen kregen weer vertrouwen in de toekomst van Ome, er was sprake van ‘synergetische effecten’. Niet dat Ome zal herrijzen, maar de krimp is minder ernstig en de sfeer in de stad is veel positiever. Kunihito vergeleek zichzelf met een renpaard. Ze zei dat ze nooit meer een kantoorbaan bij een zakenbank ambieerde.

Tagged with:
 

Urban identity in de maak

On 6 juli 2018, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 april 2018:

Afbeeldingsresultaat voor caroline de gruyter

Net als in Nederland worden in Zwitserland de grote steden door linkse meerderheden bestuurd. Daarbuiten domineren de lokale en populistische partijen. Caroline de Gruyter schreef er onlangs een interessante column over in NRC Handelsblad. De NRC-correspondente in Wenen wees op buurland Zwitserland. Dat land loopt volgens haar meestal voorop in politieke trends. Het populisme in de randen van de steden is daar op zijn retour. “Was ist los mit der SVP?” Dit is wat er in het recente verleden gebeurde: “Door de groei van de steden worden omliggende dorpen de stedelijke agglomeratie ingetrokken. Gezinnen en bedrijven ontvluchten de stad, die te vies, te krap en te duur wordt, en vestigen zich in die dorpen.” Hierdoor zijn de dorpen snel van karakter veranderd, verdween de authentieke dorpse sfeer en werd er vaak meer Engels dan Zwitserduits gesproken. Volgens De Gruyter beangstigde dit de zittende bewoners. Uit een afkeer van het nieuwe stemden de mensen in de ‘tussensteden’ massaal op de SVP, een van oorsprong diep-conservatieve partij. Het leidde tot extreme campagnes tegen vreemdelingen, tegen moslims en tegen de EU. De SVP werd de grootste politieke partij van Zwitserland.

Maar dat is nu voorbij. De bevolking van de stedelijke agglomeraties verandert ten gunste van stedelingen en de oude zittende bewoners sterven uit. De Gruyter: “Veel nieuwkomers werken in Basel, Zürich, Luzern of Genève, en pendelen. Zij willen goed openbaar vervoer, sociale huisvesting en enig cultureel aanbod, en willen er ook voor betalen.” En daarvoor moeten ze bij linkse politieke partijen zijn. “Kortom, in deze eens rurale gebieden ontstaat een soort urban identity.” En daarom zijn de scenario’s van de populistische en conservatieve partijen aan dit electoraat niet langer besteed. Bij lokale verkiezingen dit voorjaar braken overal in de tussensteden in Zwitserland socialisten, groenen en links-liberalen door. De Gruyter concludeert: “De steden groeien. De tussensteden groeien. Overal in Europa.” Ze hoopte dat de politiek en de media hieruit de juiste lessen zouden trekken. Welke lessen bedoelde ze? Steeds meer mensen willen in grote steden wonen, ze zoeken grootstedelijke voorzieningen en zijn bereid hiervoor te betalen. De angst voor het nieuwe is op zijn retour. Eindelijk.

Tagged with:
 

Wordt Noord het nieuwe centrum?

On 4 juli 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor ichizo kobayashi rail

 

‘Wordt Noord het nieuwe centrum als de NoordZuid-lijn straks rijdt?’, was de vraag die de reporter van de Amsterdamse nieuwszender AT5 mij stelde. Dezelfde vraag had ze eerder gesteld aan architect Sjoerd Soeters, de ontwerper van het stedenbouwkundige plan rond de metrohalte Buikslotermeerplein. Zijn antwoord luidde dat er allang een centrum had moeten worden gebouwd. Ik antwoordde ontkennend. Een beginhalte van een metrolijn zal nooit tot een nieuw centrum uitgroeien. Kijk maar naar Gaasperplas, Gein, Westwijk en Isolatorweg: allemaal doodnormale plekken met stuk voor stuk weinig attractiewaarde. Zo’n metrolijn trekt eerder alle verkeer naar het bestaande centrum. Iemand die dit als geen ander begreep was de Japanse bankier en spoorwegondernemer Ichizo Kobayashi (1873-1957). Hidetoshi Ohno, emeritus-hoogleraar Architectuur aan de University of Tokyo vertelde er onlangs over tijdens New Tokyo Story in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. In 1911 ontwikkelde Kobayashi een model voor een ideale stedelijke spoorverbinding. Als directeur van de Minoo Arima Electric Railway Company, later Hankyu geheten, zocht hij naar een optimalisatie van de Hankaku spoorlijn buiten Osaka. Om verkeer in beide richtingen te trekken trok hij de spoorlijn door naar Arima, waar zijn bedrijf een warmwaterbron als zwembad ging exploiteren.

In het model van Kobayashi concentreerden de grote warenhuizen zich in de binnenstad van Osaka, dicht bij het hoofdstation. Aan het andere uiteinde van de lijn ontwikkelde zijn spoorwegbedrijf een grote toeristische attractie. Op de tussenhaltes kwamen suburbane ontwikkelingen op gang die de Minoo Arima Electric Railway Company veelal zelf ging bouwen en exploiteren. Hierdoor kreeg de spoorlijn een ideale voeding en werd zij een commercieel succes. Het model van Kobayashi werd later door andere spoorwegmaatschappijen gekopieerd en zou de basis worden van de stadsontwikkeling van alle grote Japanse steden. Overigens functioneerde het zwembad aan het beginpunt van de spoorlijn aanvankelijk helemaal niet naar tevredenheid. Waarop Kobayashi er plankieren overheen legde en er een muziekhal begon: de Takarazuka Operetta Troupe. Dit operettegezelschap vormde het begin van een compleet amusementspark dat uiteindelijk enorme aantallen dagjesmensen uit Osaka en Kobe zou trekken. Geen regionaal winkelcentrum dus aan het Buikslotermeerplein in Amsterdam. Als Noord iets bijzonders wil en het GVB naar een voeding zoekt voor haar nieuwe metrolijn, dan luidt de les van Kobayashi: laat de winkels aan het centrum, zoek het liever in amusement, begin klein en maak veel fouten.

Tagged with:
 

Tokio tegen de rest

On 2 juli 2018, in demografie, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor map tama city tokyo

 

Zijn laatste boek, ‘How Can Suburbs Grow Again’, is een regelrechte bestseller in Japan. Atsushi Miura sprak over ‘Gender in Urban and Suburban’  in ‘New Tokyo Story’ vorige week zaterdag in Amsterdam. De Japanse socioloog Miura verdiepte zich in de nieuwe steden en buitenwijken van het naoorlogse Japan. Waarom waren ze ooit zo succesvol en waarom zijn ze dat nu niet meer? De suburbs, stelde hij, dankten hun succes aan de groei van jonge gezinnen tijdens de babyboom direct na de Tweede Wereldoorlog, aan de opkomst van de auto, aan het moedwillige verval van de grote steden en aan de dominantie van ‘The American Dream’. Na de Tweede Wereldoorlog werden de Japanners niet minder dan gebrainwashed door hun overwinnaar: de VS waren beter, moderner, de suburbs waren het beste wat Amerika te bieden had. Aan die Amerikaanse marketingmachine dankte Tokio, net als Nederland, zijn vele ‘new towns’, zoals Tama en Chiba. De uitbundige groei van de buitenwijken en nieuwe steden viel samen met een explosieve bevolkingsgroei. De ‘housewification’ van de Japanse vrouw deed de rest. Echter, al snel kampten de buitenwijken van Tokio en andere Japanse steden met problemen: dat zat hem in de homogeniteit van de bevolking, de afwezigheid van werk, de privatisering van de ruimte, het isolement, de vergrijzing van de bevolking en de functionaliteit. Met name vrouwen voelden zich buitengesloten. Buitenwijken vonden ze saai. Eind jaren negentig beleefde Japan wat de VS al eind jaren zestig hadden meegemaakt: de rebellie van de huisvrouwen.

Sindsdien constateert Miura een sterke trek van overwegend vrouwen naar Tokio. Vrouwen willen werk met kinderen en huishouden combineren. Dat kan alleen in de grote stad. In kaarten en diagrammen liet hij zien hoe name jonge ongehuwde vrouwen voor het oostelijke deel van het centrum kiezen, zo dicht mogelijk bij de kantoorwijken. Daar zijn de oude pakhuizen vervangen door reeksen van woontorens met condominiums. De rijkere, gehuwde vrouwen kunnen zich een grotere afstand permitteren – zij hoeven niet te werken – en wonen in het westelijke deel van de metropool.  Hoe dan ook, sinds 2000 is het in Japan ‘Tokio tegen de rest’, want in de rest van Japan blijven de ouderen en de mannen achter. De conclusie van Atsuhi Miura is dat de buitenwijken en nieuwe steden ingrijpend zullen moeten veranderen. Ze moeten aantrekkelijk worden voor de werkende vrouw. Veel suburbs zullen niet overleven, maar dichtbij de openbaarvervoerknooppunten is een toekomst mogelijk. Hier zouden co-working spaces moeten komen en gemeenschappelijke keukens voor ouderen en jongeren, en vooral een bloeiend nachtleven. Want het allergrootste probleem van de buitenwijken is de overwegende saaiheid. Vrouwen willen geen saai leven. Daarom omarmen zij de metropool. Wat betekent dit voor Almere?, vroeg iemand. Miura vertelde dat hij er die vrijdag juist was geweest. Ook Almere zal een nachtleven moeten programmeren. En thuiswerk voor vrouwen ontwikkelen. Een nieuw gemeenschapsleven verzinnen. En afscheid nemen van de auto.

Tagged with:
 

Toerisme in Tokio

On 30 juni 2018, in economie, toerisme, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor tourisme tokyo growth

Bron: Japan National Tourist Organization

Shu Yamamura is planoloog, tevens wetenschappelijk onderzoeker aan Waseda University, Tokio. Als een van de zes sprekers tijdens ‘New Tokyo Story’, het seminar over de ruimtelijke dynamiek in megastad Tokio na het tijdperk van de groei gehouden op 23 juni in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam, ging hij in op de zonnige kanten van de recente bouwwoede, maar noemde ook de schaduwzijde. De Japanse bouwindustrie, zei hij, viert op dit moment zijn ‘last party’. De bouwproductie is opgevoerd van 72.000 naar liefst 160.000 nieuwe woningen jaarlijks, ook de productie van kantoortorens is op dit moment ongekend. De slogan van de Japanse regering is ‘bouwen, bouwen, bouwen’. Liefst twintig CBD’s zijn er in de jaren tachtig en negentig in Groot-Tokio ontwikkeld. Met name in het hart van Tokio is hierdoor een ernstig tekort aan infrastructuur ontstaan. Hij vergeleek het stadsdeel Chue in het centrum met Chiba aan de andere zijde van de baai. In Chiba is sprake van snelle leegloop en een gestaag ouder wordende bevolking, in Chue stromen de jongeren toe en schieten de torens met condominiums uit de grond. De baai met zijn kunstmatige eilanden noemde hij het nieuwe oostfront van de metropool.

Al jaren doet Yamamura onderzoek naar met name de ontwikkeling van de kantorenmarkt in Tokio. Sinds de jaren ‘80 groeit die sector explosief. Maar er gebeurt iets merkwaardigs, vertrouwde hij mij toe. De laatste jaren hebben zelfs nieuwe kantoren het moeilijk gekregen. Hun plaats wordt ingenomen door een tomeloze expansie van hotels, die bereid zijn extreem hoge prijzen te betalen. Alle hotels strijken neer in het centrum van Tokio, dat ongeveer zo groot is als de Randstad. Hun snelle groei wordt opgestuwd door de Olympische Spelen van 2020. Het toerisme naar Japan en naar Tokio in het bijzonder groeit de laatste jaren razendsnel: in 2017 bezochten al 28,7 miljoen toeristen Japan, dat is een groei van liefst 19 procent. Tien jaar geleden was dat nog maar 8 miljoen. In 2020 schat men het aantal toeristen op niet minder dan 40 miljoen. De meeste komen uit China en Zuid-Korea. In heel Oost-Azië en de Pacific trouwens groeit het toerisme explosief, met name vanuit China. Op 14 april 2018 berichtte The Economist hier al over (‘China whirl’). Het vraagstuk is urgent. Yamamura begreep er niets van. Hij had ontdekt dat Amsterdam nu hetzelfde overkomt en dat de Nederlandse hoofdstad al maatregelen neemt om het toerisme aan banden te leggen. Daarvan was in Tokio nog geen sprake. Een delegatie van bevoegdheden van de centrale overheid naar regionale autoriteiten leek hem essentieel. De grote steden moeten meer armslag krijgen. Hij vroeg me hoe het daar in Nederland mee stond. Ik verwees hem door naar de Nederlandse regering en naar het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen in Den Haag.

Tagged with:
 

Struggling Tokyo

On 28 juni 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam op 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor hino struggling cities

 

In 2013 maakte de Japanse architect Naohiko Hino een tentoonstelling over ‘Struggling Cities’. Zijn overzicht van de zogenoemde ‘Metabolisten’ reist sindsdien de hele wereld over en is op dit moment te zien in Bangkok, Thailand. Hino sprak in Pakhuis de Zwijger tijdens de conferentie New Tokyo Story afgelopen zaterdag over wonen, leven en mobiliteit in de Japanse megastad in het tijdperk na de groei. Geen van de voorstellen van destijds, vertelde hij, is ooit gerealiseerd, en ze bieden ook geen oplossing voor de vraagstukken waar Tokio anno 2018 voor staat. Vervolgens gaf hij een overzicht van de veranderingen die zich de laatste honderdvijftig jaar in de Japanse hoofdstad hebben voltrokken. Harmonie en orde waren ooit typerend voor het oude Edo, maar chaos is wat het moderne Tokio kenmerkt. Hino zag twee krachten op de stad inwerken: van bovenaf en van onderop. Die van bovenaf gaat over modernisering en verwestersing, die van onderop gaat over weerstand tegen het westen en de goddelijke vrijheid om op je eigen kavel te doen wat je wilt. Rampen als de verwoestende aardbeving van 1923 en de bombardementen van 1945 deden de rest.

Naar verwachting zal Tokio zijn grootste omvang bereiken in 2025. Daarna zal de bevolking langzaam krimpen. Ondertussen wordt er driftig doorgebouwd. Tot 2050 zal Tokio de allergrootste stad op aarde blijven. De private sector krijgt van de regering steeds meer ruimte. De Japanse bouwindustrie is ‘een staat in de staat’ en realiseert aan de lopende band reusachtige projecten vooral in de binnenstad en in de baai, daartoe in staat gesteld door soepele regelgeving. Kortom, het zijn de krachten van bovenaf die domineren. Dankzij het spoorwegennet treedt gelukkig weinig segregatie op in de stad. Dagelijks stappen een half miljoen mensen in de metro of trein. Dit openbaar vervoer houdt de stad leefbaar. Zijn hoop had Hino gevestigd op, wat hij noemde, intuïtieve stedenbouw: dat zijn de krachten van onderop die nog altijd aanwezig zijn en die weerstand bieden aan het geweld van bovenaf. Dit illustreerde hij met talrijke zelfgemaakte foto’s van straatbeelden, doorkijkjes, privésferen. Die zagen er stuk voor stuk fantastisch uit. Op bijna perfecte wijze verbeeldden ze de ingenieuze strijd van inwoners, bouwers, overheden en partijen om de stedelijke ruimte. Toch stonden zijn schitterende foto’s en milde toon van presenteren bijna haaks op zijn sombere boodschap: die van een worstelende metropool.

Tagged with:
 

Lobbenstad

On 26 juni 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Stedebouwkundige ontwerpen in woorden’ (2018) van MaartenJan Hoekstra:

Afbeeldingsresultaat voor stadsrandcommissie 1959

 

Op 21 juni 2018 promoveerde MaartenJan Hoekstra aan de Technische Universiteit Delft op honderd jaar stedenbouwkundige begrippen. Drie periodes in de recente stedenbouwkundige geschiedenis van Amsterdam had de promovendus Hoekstra doorgelicht op gehanteerde begrippen in officiële plandocumenten: Berlage voor Amsterdam-Zuid, Stadsontwikkeling voor de Bijlmermeer en de Dienst Ruimtelijke Ordening voor IJburg. Wat is de taal van de stedenbouw?  Na honderd jaar, stelt hij in de inleiding, hebben we behoefte aan meer eenduidige begrippen, stedenbouwkundigen zouden zich meer bewust moeten zijn van taal en framing, maar woorden komen en gaan en kunnen in de tijd ook gemakkelijk van inhoud en betekenis wisselen. Met steeds meer partijen die hun plek in de arena van het stedenbouwkundige discours opeisen, ligt volgens Hoekstra begripsverwarring op de loer. Welke woorden gebruikten ontwerpers en betrokkenen met welke betekenis en welke verschillen en veranderingen zijn daarin waar te nemen? Hierover ging zijn onderzoek. De planvorming voor de Bijlmer interesseerde me het meest.

Het taalgebruik van de makers van de Bijlmer duidt Hoekstra aan als ‘abstract, technocratisch en soms zelfs hermetisch’, hun ontwerpen noemt hij een ‘maakbare machine’. Ook de plantoelichtingen lazen als ‘technische handleidingen’, de uitvoering vond hij ‘zeer machinaal’. Klopt dat wel? Neem ‘lob’, ‘Zuidoostlob’ en ‘’lobbenstad’. Deze begrippen werden ontwikkeld voor de Bijlmer, ze werden voor het eerst gebruikt in 1958 door Cornelis van Eesteren en verschenen het jaar daarop in het Stadsrandplan van 1959. In de plantoelichting van 1965 werden ze zelfs op vrijwel elke pagina aangetroffen; de tekst daarvan schrijft Hoekstra toe aan het toenmalige hoofd van de Afdeling Stadsontwikkeling, mejuffrouw Mulder. Daarna werden de begrippen nauwelijks meer gebruikt. Een ‘lob’ is een deel van een blad tussen twee ondiepe insnijdingen. Een ‘lobbenstad’ is een stad die als een plant een reeks van geplooide, neerhangende kragen kent. Zulke metaforisch taal moet zijn gebezigd in de felle strijd rond de annexatie van de gemeente Weesperkarspel. Immers, het Rijk gunde Amsterdam de zeggenschap over de Bijlmer niet en wilde deze toekennen aan de gemeente Ouderamstel. Het organische verband tussen Amsterdam en de Bijlmer diende in beeld en taal te worden benadrukt. In 1965 werd de strijd om de zeggenschap over de Bijlmer in het voordeel van Amsterdam beslecht. Daarna werden de begrippen ‘lob’, ‘Zuidoostlob’ en ‘lobbenstad’ overbodig. Zulk taalgebruik is allerminst abstract of technocratisch. Beeldende taal kenmerkte het ontwerpproces rond de Bijlmer. Het voorbeeld laat zien dat stedenbouwkundigen zich ook toen terdege bewust waren van de framing.

Tagged with: