Hou je vast, Amsterdam!

On 12 november 2019, in benchmarks, vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen op Worldatlas van 25 oktober 2019:

 

Afbeeldingsresultaat voor cbre ranking cities

Bron: CBRE

De stad met het duurste vastgoed in de wereld is nog altijd Hongkong, op de voet gevolgd door Londen. In Hongkong heeft een gemiddelde werknemer 22 jaar nodig om een woning van 60 vierkante meter te kopen. In Londen duurt dat gemiddeld 15 jaar.  Parijs staat op plek 3 en Singapore op 4. Amsterdam is gestegen van 10 naar 7. Dat is een verontrustende trend. Daarmee is Amsterdam duurder geworden dan Vancouver, München en Sydney. In Amsterdam duurt het nu gemiddeld 10 jaar voordat iemand zich de koop van een woning van 60 vierkante meter kan veroorloven. Dat meldt althans World Atlas op haar website (25 oktober 2019). In de ranking van CBRE komt Amsterdam echter niet voor in de top tien. Ook daar domineert Hongkong, gevolgd door Singapore, Shanghai en Vancouver. Londen staat daar op 8, Parijs op 10. Maar deze laatste ranking zet niet de woonkosten niet af tegen het gemiddelde inkomen ter plaatse. In de Real Estate Outlook 2019 spreekt CBRE wel van verhoogde activiteit van beleggers op de Nederlandse vastgoedmarkt. Ook buiten Amsterdam wordt steeds meer geïnvesteerd, zelfs in middelgrote steden. Probleem bij ons is te weinig aanbod.

Let op Singapore. Daar dreigde het wonen simpelweg te duur te worden voor haar inwoners. De regering moest stevig ingrijpen in de plaatselijke vastgoedmarkt. Onder andere besloot ze de woningbouwproductie flink op te voeren; tegelijk legde ze restricties op aan de bewoning van het vastgoed. Sindsdien stijgen de koop- en huurprijzen daar nauwelijks meer. Nee, volgens CBRE’s ‘Global Living 2019’ behoort Amsterdam niet tot de duurste woningmarkten ter wereld. Maar de koopprijzen zijn wel opvallend sterk gestegen na 2015 en daarmee veel te hoog. Een bubbel dreigt, zeker sinds de stikstofcrisis. Op de UBS Global Real estate Bubble Index staat de Nederlandse hoofdstad nu op plaats 3, na München en Toronto. Waardoor dit komt? UBS: “The city owes these developments to its strong regional economy and rapidly loosening financing conditions amid a wave of speculative buying.” Amsterdam deelt de derde plaats met Hongkong. Sinds juni gaan de mensen in die laatste stad de straat op om te protesteren. Prijsdaling is daar gaande. Zo kan het dus ook. Het wordt een harde val met deze plattelandsregering. Hou je vast, Amsterdam!

Tagged with:
 

Opstand tegen de niet-groei beweging

On 11 november 2019, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 18 oktober 2019:

Bron: Terner Center for Housing Innovation

Marietje Schaake werkt voor Stanford University, Silicon Valley, ze houdt zich daar bezig met kunstmatige intelligentie. Haar taxichauffeur bleek dakloos te zijn, althans dat schreef ze onlangs in NRC Handelsblad; ze ontdekte dat hij de nachten doorbracht in zijn auto. Conclusie van Schaake: Uber geeft weinig zekerheid, het leven van de taxichauffeur wordt door algoritmes gestuurd. Zeker, dat is waar. Maar er is wel daar iets meer aan de hand. Silicon Valley beleeft een gouden eeuw, maar voor al die nieuwe arbeidsplaatsen worden veel te weinig nieuwe woningen gebouwd. De prijzen gaan door het lint. Het aantal dak- en thuislozen groeit sterk. Alleen al in San Jose gaat het om 4.300 daklozen, in Santa Clara County zelfs 7.000. De stad probeert nu dorpen met tiny houses te ontwikkelen voor tijdelijke verhuur, maar ze wordt daarin tegengewerkt door hoogopgeleide stedelingen die zich hevig verzetten tegen elke stadsuitbreiding. Velen zijn bang dat de waarde van hun bezit en hun buurt achteruit zal gaan door de komst van de nieuwe bewoners, anderen willen gewoon een einde aan de groei. Heel Silicon Valley zit daardoor op slot.  Ondertussen zijn de bouwkosten door de hoogconjunctuur extreem gestegen. Zelfs de provisorische woningen dreigen veel te duur te worden. Circa 30.000 mensen verlieten het afgelopen half jaar San Francisco vanwege de woningcrisis.

Al tien jaar kampt Silicon Valley met extreem veel daklozen, de laatste twee jaar groeit hun aantal echter versneld, in 2017 groeide hun aantal zelfs met 32 procent. Achttien procent van de daklozen woont nu in auto’s; hun wagens staan overal in de stad geparkeerd. De burgemeester van San Jose wil daarom keihard doordrukken en ondanks alle tegenstand de tijdelijke dorpen gewoon gaan bouwen. Hij ziet geen alternatief meer en roept zijn collega’s in de regio op hetzelfde te doen. Ook Boston, Los Angeles en Seattle proberen het vraagstuk van de dak- en thuislozen op te lossen door kampementen te ontwikkelen met woningen die niet groter zijn dan 8 vierkante meter, waarbij bewoners faciliteiten als keukens en douches met elkaar delen. Deze week maakte Apple bekend dat ze 2,5 miljard dollar gaat bijdragen aan de oplossing van het woningvraagstuk. CEO Tim Cook: “Affordable housing means stability and dignity, opportunity and pride. When these things fall out of reach for too many, we know the course we are on is unsustainable, and Apple is committed to being part of the solution.” Een deel van het geld van Apple gaat naar ruimtelijke ordening: langetermijnplanning waarop de overheid jarenlang heeft bezuinigd. Een foto in het persbericht toont Cook met de gouverneur van Californië, gebogen over de kaart van San Jose waar Apple grond beschikbaar stelt voor betaalbare woningen. 

Tagged with:
 

Meldt u op het Malieveld!

On 8 november 2019, in vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor push documentary gerrten

Op 11 september 2019 ging in Londen de film ‘Push’ in première. The Guardian schreef er dezelfde dag over. Zondag 24 november volgt Amsterdam (Idfa). Push is de nieuwste documentaire van de Zweedse filmmaker Fredric Gertten die gaat over keiharde gentrificatie in tal van steden. Of beter, er is sprake van niet minder dan een wereldwijde woningcrisis waar steden als Londen, New York en Amsterdam de dupe van worden. Gertten, die eerder een film maakte over de dominantie van de auto-industrie in binnensteden, volgt VN-rapporteur Leilani Farha in haar zoektocht naar de oorzaken van een uit de hand gelopen vastgoedmarkt die woningprijzen opdrijft en minvermogende mensen uit hun huizen jaagt. “On the one hand is a $217tn (£176tn) global property business, worth more than twice the world’s total GDP. On the other is the human right to adequate housing, which is referred to in the Universal Declaration of Human Rights and recognised in international human rights law under the International Covenant on Economic Social and Cultural Rights of 1966.” Grote boosdoener in de film is Blackstone, het grootste private equity bedrijf ter wereld, dat sinds de financiële crisis op grote schaal geld belegt in woningen. Blackstone koopt in de belangrijkste steden wooncomplexen en verhoogt stelselmatig de huren om het juiste rendement te halen. In de film komen Saskia Sassen en Joseph Stiglitz aan het woord, die dit soort ondernemingen vergelijken met mijnbouwbedrijven. Het gaat ze niet om het wonen, maar om pure winstmaximalisatie. Wat hun praktijken met de bewoners doen interesseert ze niet.

De strekking van de film, die ik overigens nog niet gezien heb, herinnert aan het werk van de marxistisch geograaf Neil Smith die in 1979 een theorie ontwikkelde over gentrificatie. Zijn zogenoemde ‘Rent Gap Theory’ beschrijft de kloof tussen actuele huuropbrengsten en potentiële huuropbrengsten. Indien deze kloof maar groot genoeg is, stappen investeerders in de lokale vastgoedmarkt. Anders gezegd, prijsstijgingen in steden zijn niet zozeer het gevolg van schaarste of van gewijzigde woon- of smaakvoorkeuren, maar veeleer van bedenkelijke financiële praktijken. Vaak is het de staat die de voorwaarden creëert voor omvangrijke vastgoedinvesteringen door aantrekkelijke belastingregimes te ontwikkelen voor mondiaal opererende beleggers (en ongunstige voor lokale woningcorporaties). Het verklaart ook waarom er in bepaalde steden op grote schaal leegstand optreedt, terwijl er een schreeuwend gebrek is aan woonruimte. Dat geldt zeker in Angelsaksische landen. Waarom bewoners niet in opstand komen? Bekijk het eind van de film. Alles verzandt in oeverloos overleg van burgemeesters. De staat komt ermee weg. Bewoners van Amsterdam, meldt u op het Malieveld!

Tagged with:
 

First Mountain City

On 6 november 2019, in boeken, ethiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Protestantse Diaconie te Amsterdam op 9 oktober 2019:

Afbeeldingsresultaat voor second mountain brooks

Een maand geleden ontmoette ik hem. Hij had me via Linkedin uitgenodigd. Uiteindelijk kwam het ervan, op de dag voor de presentatie van de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad in de Beurs van Berlage. We spraken elkaar in de Protestantse Diaconie aan de Nieuwe Herengracht, want Tim is stadspredikant. Het regende pijpenstelen. Natuurlijk ging het over de binnenstad, over mijn verblijf in de Oude Kerk dit voorjaar en over mijn bevindingen, maar we hadden het ook over mijn boek, dat hij afgelopen zomer had gelezen. Tim Vreugdenhil vertelde over David Brooks, de columnist van de New York Times. In ‘The Second Mountain’ beschrijft Brooks het gebrek aan commitment in onze hedendaagse samenleving. Het individualisme is te ver doorgeschoten. Dat gold ook voor hemzelf. Alles draait tegenwoordig om carrière, spullen, toffe dingen, aanzien, macht, geld. In zijn boek gebruikt hij het beeld van de twee bergen. We zien allemaal die ene berg en op de top aangekomen denken dat we er zijn, maar dat valt danig tegen. We zijn vergeten dat er nog een tweede berg bestaat. Geluk zoeken we naarstig, maar echte vervulling vinden we niet. Onze tevredenheid duurt maar kort. Steeds hongeren we naar meer. We beklimmen alleen de eerste berg. We zijn niet minder dan onze ziel kwijtgeraakt.

Twee bergen. Mooie metafoor. De eerste berg draait om jezelf, de tweede om anderen. Het goede leven is niet gericht op pleziertjes, maar op diepe relaties met de mensen om je heen. Hyperindividualisme, sinds 2010 sterk aangejaagd door sociale media, verdooft je diepste verlangens, alles lijkt opwindend maar valt uiteindelijk tegen, het leven blijkt oppervlakkig, wantrouwen is het gevolg. Je wordt apathisch, pessimistisch, boos. Wantrouwen is een teken dat je de tweede berg niet herkent. “First mountain people are divided, alienated and insufficient,” schreef The New York Times in een boekbespreking. Tweedebergmensen leven daarentegen vanuit liefde voor anderen, zij zijn gecommitteerd, ze geven liever dan dat ze nemen, ze voelen een aanhoudende kracht. Niks geluk, maar ‘joy’, vervulling. “To live with joy is to live with wonder, gratitute and hope.” Wie de tweede berg beklimt heeft een doel, die stapt in een groter verhaal, die zoekt betekenis, is vervuld van een diep verlangen, weet zich deel van een bezielend verband. De predikant zei me dat hij Amsterdam een typische ‘First Mountain City’ vindt. Zijn analyse spoort met mijn bevinding die ik in ‘Een nieuwe historische binnenstad’ als vervreemding heb getypeerd: een geestelijke afstand die mensen voelen ten opzichte van hun omgeving. Vervreemding groeit snel, het wantrouwen is groot. De opgave: de historische binnenstad terugwinnen als tweede berg.

Tagged with:
 

Rich Ghost Town

On 3 november 2019, in economie, toerisme, vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in The Wall Street Journal van 25 september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor SBS new york retail vacancy map

Bron: New York City Planning

Alweer een deskundige op bezoek. Ditmaal geen toeristische expert, maar een deskundige op het gebied van retail. Opnieuw gaat het over mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad 2040. Hoe kan het dat de omzetten in de Amsterdamse binnenstad teruglopen terwijl het er zo ontzettend druk is? Is het toerisme hieraan schuldig? Nauwelijks. Ik wijs haar op de recente winkelleegstand in het centrum van New York. Derek Thompson schreef er vorig jaar al over in The Atlantic. Onlangs verscheen opnieuw een alarmerend bericht in The Wall Street Journal (25 september 2019). Aanleiding was een rapport van het Department of Small Business Services. In ‘New York’s Retail Vacancy Rate Climbs Unter Pressure From Online Shopping, Rising Rents’ citeert Kate King dit rapport: 5,8 procent van de winkels op Manhattan staat leeg, in heel New York is dit zelfs 8,9 procent. Zijn toeristen hieraan schuldig? Nee, het is de combinatie van internetwinkelen en stijgende winkelhuren die de middenstand nekt. In sommige delen van de binnenstad van de Big Apple vindt een regelrechte uitholling van het winkellandschap plaats, al wordt ze nog enigszins toegedekt door de opmars van Starbucks en Duane Reade drugstores. In New York spreken ze inmiddels van een ‘rich ghost town’ als toekomstbeeld.

Wat doet het stadsbestuur van New York? In de recente ‘storefront tracker bill’ is vastgelegd dat alle leegstand van winkelpanden in een database moet worden vastgelegd, dit in een ultieme poging om de exodus te stoppen. Een andere verordening is erop gericht om kleine bedrijfjes (met minder dan 9 werkzame personen) te wijzen op leegstaande panden in buurten en straten en op het aanbieden van trainingsprogramma’s aan jonge ondernemers die moeten opboksen tegen Amazon. Er wordt openlijk getwijfeld of dit iets zal helpen. Een onderliggend probleem zijn immers óók de sterk stijgende huurprijzen van het vastgoed in New York en met name op Manhattan. Er wordt al jaren voor gepleit om de gemeentelijke belastingen op vastgoed flink te verhogen. Trouwens, tegen onlinewinkelen valt niet op te boksen. The Wall Street Journal spreekt zelfs van een ‘disruptive ascent of online retail’. King citeert een criticaster: “The proverbial village is burning down, and instead of passing legislation to save what is still standing, City Hall wants to create a database to register the ashes.” En Amsterdam? Haar binnenstad wacht ongetwijfeld hetzelfde lot. Het jagen op toeristenwinkels door het stadsbestuur is pure symptoombestrijding. Het helpt ook niet. Het maakt het alleen maar erger.

Tagged with:
 

Geen planoloog, maar architect

On 1 november 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Utopias in the 20th Century’ (1977) van Robert Fishman:

Afbeeldingsresultaat voor urban utopias in the twentieth century fishman

Deze week college gegeven over Le Corbusier als planoloog. Ik sloeg er Robert Fishman’s ‘Urban Utopias in the Twentieth Century’ (1977) op na. Ook na veertig jaar is dit boek nog mooi om te lezen. Al die teleurstellingen over ondernemers en politieke partijen, niemand wilde naar de grote architect Le Corbusier luisteren. Het begint al in zijn geboorteplaats Chaux de Fonds, waar hij samen met zijn tekenleraar een nieuwe ontwerpschool wil oprichten. Door de socialisten in de gemeenteraad werd deze effectief tegengehouden. Exit socialisten. Daarna zocht hij zijn heil in ondernemerskringen, bij de top van het Franse Citroën. Geen interesse. Ook de Franse ministeries bleken niet ontvankelijk. Zijn ‘La Ville Radieuse’ (1933) was opgedragen aan ‘L’Autorité’ zonder te weten wie dit nu was. Wat hem uiteindelijk in de armen dreef van het Franse syndicalisme en hem later, in de Tweede Wereldoorlog, zelfs deed heulen met het collaborerende Vichy-regime en de machthebbers in Algerije. Fishman verbindt al deze persoonlijk teleurstellingen met maatschappelijke opvattingen van Le Corbusier en op zichzelf klinkt het overtuigend, maar er is iets dat in de redenering van Fishman ontbreekt: elke architect is op zoek naar een opdrachtgever. En dat is precies wat Le Corbusier hier doet. Een opdrachtgever vinden voor de bouw van een complete stad is echter geen sinecure. Dan moet je planoloog worden en het politieke spel spelen, maar dat wilde Le Corbusier klaarblijkelijk niet.

Mooi is de passage over een bezoek van de Zwitserse architect aan het statistische bureau van de gemeente Parijs. Daar trof hij ‘bescheiden harde werkers’ aan. Wat hem in het werk van de ambtenaren afstootte waren de details en het precisiewerk tot op straatniveau. “They were immersed in a multitude of complicated facts from which no grand pattern could emerge.” Vanuit hun perspectief gezien, besefte hij, zou je geen enkele ruimtelijke interventie durven plegen. De passage deed me denken aan Robert Caro’s ‘Working’ (2019). Biograaf Caro probeerde zich te verplaatsen in de houding van stedenbouwkundige Robert Moses die in veertig jaar tijd New York City als geen ander transformeerde. In een van de interviews die hij met de planoloog had ontvouwde Moses zijn ideeën: “The canvas was gigantic – a metropolitan region of twenty-one hundred square miles in which there lived in 1967 fourteen million people. And the pencil waved over all of it at once as he discussed Staten Island and Suffolk County, Manhattan and Montauk, SoHo and Scarsdale, in the same sentences.” Care ontwaarde in Moses een beeldhouwer die niet met klei of steen wilde werken, maar met een metropool. “I saw the genius of the city-shaper.” Moses heeft uiteindelijk meer gebouwd dan Le Corbusier. Maar hij was ook geen architect. Moses was planoloog. Volgende college gaat over Robert Moses.

Tagged with:
 

Segregatie in onze steden

On 30 oktober 2019, in ethiek, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘City of Comings and Goings’ (2019) van Crimson:

Afbeeldingsresultaat voor city of comings and goings crimson

Na de enorme onrust over de stroom bootvluchtelingen uit Afrika en het Midden-Oosten, uitmondend in de door Nederland gepromote overeenkomst van de EU met Turkije over opvang in de eigen regio in 2016, besloot het Rotterdamse bureau Crimson een boek te publiceren over hoe West-Europese steden anno nu omgaan met vreemdelingen. Dit jaar – vier jaar na het begin van de Europese crisis – verscheen hun ‘City of Comings and Goings’ bij NAi010 in Rotterdam. In het boek beschrijven de auteurs hoe viif steden omgaan met hun migrantengemeenschappen: Londen, Berlijn, Prato (Italië), Aarhus (Denemarken), Wenen en Amsterdam. In elke stad zochten zij een correspondent die steeds een bij die stad passende invalshoek koos. Let wel, het ging hen niet alleen om vluchtelingen. Ook expats, gastarbeiders, asielzoekers en buitenlandse studenten rekenden zij tot de vreemdelingen die onze Europese steden bevolken. Het boek wordt afgesloten met een catalogus van projecten die de omgang met vreemdelingen in de onderzochte steden typeren. Hoe gaat het tot dusver? Welke positie wordt nieuwkomers in elk van deze steden gegund? Hun onderzoek was vorig jaar, in 2018, al eens onderdeel van de Biënnale van Venetië, toen Crimson exposeerde in de centrale tentoonstelling van de curatoren Farell en McNamara, gewijd aan ‘Freespace’. Nu is er dus het boek.

Wat opvalt na jarenlang onderzoek in de vijf steden is de strikte scheiding die autoriteiten telkens aanbrengen tussen nieuwkomers en ‘normale inwoners’. Deze scheiding  noemt Crimson het directe resultaat van de ‘perverse controlemechanismen’ die de betrokken landen en steden telkens weer doorvoeren, naast de bestaande divergerende invloeden van (gebrek aan) geld, sociale tradities en culturele praktijken. Vooral in Nederland is segregatie dominant, ondanks alle politieke retoriek over integratie van nieuwkomers in de Hollandse samenleving. Het resultaat noemt Crimson een gesegregeerde stad, aangemaakt door een bureaucratie waarbinnen institutionele en commerciële macht effectief maar ongeïnteresseerd worden gekanaliseerd. Ronduit schrijnend vinden zij het waar deze segregatie wordt omgeven met een retoriek van gemeenschapszin, harmonieus samenleven en noodzakelijke integratie. Vooral de lange traditie van planning en stedelijke management achten zij een handicap in het weerbaar maken van onze steden. Liever minder planning en regulering dan meer. Want aan de influx van vreemdelingen, schatten zij, zal geen einde komen. Integendeel, er zullen alleen maar meer migranten op onze rijke steden afkomen. Lezen dat boek!

Tagged with:
 

Steden als vliegvelden

On 28 oktober 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

elezen in ‘Environment and Planning’ van 2006, nummer 38:

Afbeeldingsresultaat voor mobilities urry

In 2006 schreven de Britse sociologen Mimi Sheller en John Urry een uitstekend artikel over ‘The new mobilities paradigm’. Het zou later deel gaan uitmaken van ‘Mobilities’, een boek dat in 2012 het licht zag, drie jaar voor het overlijden van Urry. De hele wereld, noteerden de wetenschappers verbonden aan de University of Lancaster, lijkt in beweging. Mensen, goederen, kapitaal, ziektes, informatie, drugs, macht, toeristen, ze vliegen in een mum van tijd de wereld over, in alle windrichtingen, zonder vaste voet onder de grond. Met name het internet heeft alles in beweging gezet. Deze toenemende beweeglijkheid verhoudt zich slecht met de sociale wetenschappen. Die waren altijd statisch. Neem geografie en planologie. Die gaan nog altijd uit van plaats en plek, van geworteld zijn en van sociale cohesie, dus van fysiek verbanden in buurten, dorpen, steden. Ze problematiseren, nee verzetten zich hevig tegen het vloeibaar worden van alles. Sheller en Urry merken fijntjes op dat ze zich zelfs met de auto, laat staan het vliegtuig, nog altijd geen raad weten. Ze noemen ze sedentair. In alle disciplines echter groeien nieuwe benaderingen en nieuwe theorieën die vertrekken vanuit flux, dynamiek en beweging. Zo ook in de planologie. Al was het maar omdat mobiliteit en communicatie elkaar steeds meer gaan overlappen.

Veel ruimte geven de onderzoekers aan hun beschrijving van luchthavens, waarbij terminals steeds meer op steden gaan lijken, maar ook omgekeerd steden de trekken krijgen van vliegvelden. Mensen zijn mobiel en verblijven ergens tijdelijk. En iedereen maakt daarbij gebruik van gepersonaliseerde apparaten die als een do-it-yourself toegang verschaffen tot wijdere netwerken die soms mondiale ruimten omspannen. Veel persoonlijke gegevens worden gedeeld en iedereen laat zijn of haar sporen achter. Op die manier treden individuen ver buiten hun eigen lichaam. “New mobilities are bringing into being new surprising combinations of presence and absence as the new century chaotically unfolds.” Toenemende beweging structureert het sociale leven. Wie nog in vaste verbanden gelooft en zich blijft verzetten tegen het vloeibaar worden, die gaat het de komende jaren moeilijk krijgen. Alleen sociale theorieën die meebewegen met de ‘mobilities turn’ zullen beklijven. Overigens, een bepaalde geografie blijft bestaan. Dat zijn, aldus Sheller en Urry, de plekken waar al deze mobiliteit wordt bevoorraad en geregeld. Deze commandocentra zijn de nieuwe ‘wereldsteden’. Hier vindt onstuimige ruimtelijke concentratie plaats. Het zijn er maar een paar.

Tagged with:
 

Een tweede stadscentrum

On 25 oktober 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schiphollijn op dood spoor?’ (1977) van de initiatiefgroep:

Afbeeldingsresultaat voor schiphollijn museumplein

Een bewoner had mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad gelezen. Wij maakten een afspraak. In de kroeg drukte hij me een oranje rapportje in handen. Ik moest het beslist lezen. Mijn toekomstvisie had hem doen denken aan die gestencilde brochure van veertig jaar geleden. Een actiegroep van bewoners had zich tegen het voornemen van de rijksoverheid gekeerd om de aan te leggen Schiphollijn te laten eindigen op het Museumplein. (Ook toen weer lag het Rijk dwars). In 1977 schreef de initiatiefgroep een rapport waarin de nadelen van de Museumpleinoptie breed werden uitgemeten: cityvorming rond het Museumplein verdringt de woonbestemming en leidt tot het zogenoemde ‘Manhattan-effect’. Nee het was erger, het zou de trek uit de stad van wonen en werken continueren, want Amsterdam verloor al jaren inwoners. “Amsterdam blijft uit elkaar vallen. De Museumpleinlijn werkt als een injektienaald die het leven uit Amsterdam wegzuigt.” Daartegenover stelden de bewoners de aanleg van een spoorwegruit om Amsterdam met een station op het ringdijktracé aan de zuidzijde van de stad, zeg maar de huidige locatie van station Zuid. Zij zagen alleen maar voordelen. Bewoners waren niet alleen maar tegen, hier waren ze pleitbezorgers.

Het grootste voordeel van een station Zuid aan een Schiphollijn die onderdeel uitmaakte van een ringlijn over een spoordijk rond de stad was niet alleen dat daar tussen Buitenveldert en Zuid nog veel grond braak lag en dat cityvorming op deze manier de bestaande stad niet zou schaden, ontwikkeling van centrumfuncties bij een eventueel station Zuid zou een ruimtelijke structuur opleveren die leidde tot een tweede centrumgebied, want het centrum van Amsterdam zou hierdoor gesplitst worden. “In de oude binnenstad blijft plaats voor winkels en kleinschalige bedrijvigheid, langs de spoorwegruit kunnen grootschalige kantoor- en bedrijfsfuncties worden geconcentreerd.” Ze meende zelfs dat de grondopbrengsten rond station Zuid konden worden aangewend voor het behoud van sociaal-culturele functies in de historische binnenstad ten behoeve van de bewoners. (Aanleiding was de affaire Bouwes op het Leidseplein, waarbij de gemeente vanwege de hoge grondkosten niet bereid was om aan het alternatieve programma van de bewonersgroepen mee te betalen.) Kijk nou, twee centrumgebieden die elkaar aanvullen. Grootschalige centrumfuncties in Zuid. Een historische binnenstad voor kleinschalige bedrijvigheid. Bewoners die het al in 1977 hadden bedacht. Dat is pas visionair.

Tagged with:
 

De toekomst van toerisme in Parijs

On 23 oktober 2019, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Les Paris de François Mitterrand (1985) van François Chaslin:

Afbeeldingsresultaat voor eric fischer paris tourism wikipedia

Bron: Wikipedia, Eric Fischer

Afgelopen jaar bezochten circa veertig miljoen toeristen de stad Parijs. Daarvan waren 18 miljoen internationale toeristen die in de Franse hoofdstad overnachtten. Na de verbouwing in 1989 werd het Louvre de belangrijkste toeristische attractie: 10 miljoen in 2018. Op plaats 2 prijkt de Eiffeltoren: 7 miljoen bezoekers. Iedereen volgt dezelfde route: van de Notre Dame naar de Tour Eiffel (zie kaart). Gelukkig heeft Parijs de stromen toeristen weten af te leiden zoals naar La Défense, waar jaarlijks circa 8 miljoen toeristen verblijven en winkelen, met als belangrijkste bezienswaardigheid het uitzichtterras bovenop La Grande Arche. De belangrijkste ingrepen in het toeristische landschap van Parijs van de afgelopen jaren waren echter de ontwikkeling van Parc de la Villette in het noorden en Disneyland Parijs in het oosten. De eerste resulteerde in een prijsvraag voor het ontwerp van een modern park op de terreinen van een voormalig abattoir in het arme deel van Parijs, in 1983 gewonnen door Bernard Tschumi. Aanvankelijk was afleiding van toerisme hier geen oogmerk, maar gaandeweg werd het park van 55 hectare ook bij buitenlanders erg populair. Tegenwoordig bezoeken liefst 10 miljoen mensen La Villette – dat is evenveel als het Louvre, meer dan La Défense.

De allergrootste ingreep echter was de vestiging in 1992 van Disneyland Parijs aan de oostkant van de agglomeratie, op een afstand van 35 kilometer van het stadscentrum. Met ruim 14 miljoen bezoekers op bijna 2000 hectare is dit tegenwoordig het grootste attractiepark van Europa. Vorig jaar maakte de eigenaar bekend nog eens 2 miljard euro te willen investeren in uitbreiding met onder andere een congrescentrum. Het park telt inmiddels zeven hotels met in totaal 5800 kamers. Omstreden was het vanaf het begin, maar niet omdat het toerisme zou aanwakkeren. De Fransen vreesden voor hun eigen cultuur. Hebben Disneyland Parijs en Parc de la Villette het toerisme verder doen groeien? Minder werd het zeker niet. Maar is Parijs niet van zichzelf al een bijzondere toeristische bestemming die nauwelijks is te weerstaan? Stel dat er elders in de metropool geen aanbod bij was gekomen, was de druk op het centrum dan niet ondraaglijk geworden? Wat de toevoegingen vooral hebben gedaan is de druk afleiden naar elders. En nieuwe groepen aan zich binden. Desondanks blijft de Franse hoofdstad alert. De Olympische Spelen van 2024 spelen zich af in het arme Saint Dénis, zeven kilometer noordelijk van het centrum. Een nieuw metrostelsel is in aanbouw dat de luchthavens met de buitenwijken verbindt. Toerisme in Parijs is sinds jaar en dag óók een stedenbouwkundige opgave.

Tagged with: