Profetische gemeenschappelijkheid

On 17 oktober 2019, in boeken, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Game’ (2019) van Alessandro Barrico:

Afbeeldingsresultaat voor the game baricco

Vervreemding legde ik als probleem aan de basis van ‘Een nieuwe historische binnenstad’, mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad die vorige week het licht zag in de Beurs van Berlage. Vervreemding noemde ik het gevolg van de smart Phone, goedkoop reizen en het internet. Wantrouwen is het gevolg. Vervreemding maakt de hele binnenstad onbestuurbaar. Een groep Vlamingen uit Brussel die ik ontmoette in De Brakke Grond, wees me op het nieuwste boek van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco, ‘The Game’. Ze zagen duidelijke parallellen. Diens ‘De Barbaren’ (2012) vond ik destijds al indrukwekkend, met ‘De Game’ zet de Italiaan nog een stap verder. Individualisme wordt massaal. We spelen, aldus Baricco, met z’n allen een internetspel, het is “een volslagen onbekende setting,” (…) En: “We staan geregeld voor een absurde spelsituatie die we zelfs maar moeilijk scherp kunnen krijgen.” Massa-individualisme genereert miljoenen microbewegingen en ontmantelt het beroep van leider. Hele snelle hergroeperingen vinden plaats als gevolg van informatie die zich razendsnel verplaatst via het internet. Grote klonters van consensus worden vliegensvlug gevormd en weer afgebroken. Er is geen elite meer en er zijn geen groepen meer. De massa is opgehouden te bestaan.

Mooi beeld gebruikt hij ergens: “Het is alsof de digitale tools uiteindelijk uiterst krachtige motoren hebben geplaatst in carrosserieën die niet solide genoeg zijn om ze te verdragen, te besturen, ze werkelijk te gebruiken.” Andere metafoor: ineens staat iedereen op het toneel, terwijl we in de zaal zouden moeten zitten. In de coulissen is het een behoorlijk gedrang. Het individualisme, merkt hij op, is altijd een tegenhouding, “het is het bezinksel van rebellie, het heeft de pretentie dat het iets afwijkends genereert, het weigert in de kudde mee te lopen en loopt in zijn eentje tegen de keer in.” Alles wordt daarmee richtingloos, tegendraads, niet te besturen. Hij spreekt van een digitale opstand. Maar wel eentje die voortkomt uit hoop. We zitten er middenin. Het wachten is op ‘nieuwe elegantie’. Optimisme tekent de Italiaan, die ook al in ‘De Barbaren’ het licht probeerde te zien aan het einde van de tunnel. “En hoe dan ook blijf ik ervan overtuigd dat, net zoals de twintigste-eeuwse elites buitengewone, spectaculaire en heilzame intelligenties voortbrachten, ook de elite van de Game zich vormt rondom afzonderlijke gevallen, die steeds veelvuldiger voorkomen, van een profetische, solide en zeer nuttige intelligentie.” Misschien leidt een toekomstvisie die vanuit massa-individualisme is opgetrokken uiteindelijk toch nog tot profetische gemeenschappelijkheid.

Tagged with:
 

Amateurs worden experts

On 15 oktober 2019, in kunst, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 augustus 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor rineke dijkstra night watching

Bron: Rijksmuseum

Eerder vergeleek ik mijn werkwijze bij de voorbereiding van de toekomstvisie van de Amsterdamse binnenstad in de Oude Kerk met ´True Tales of American Life´ van de Amerikaanse schrijver Paul Auster: via een oproep op de radio verzamelde Auster concrete verhalen van gewone mensen en rangschikte deze alledaagse werkelijkheid opnieuw in tien categorieën waardoor ze zin en betekenis krijgen. Bij het zien van het video drieluik ´Night Watching´ van fotografe Rineke Dijkstra in het Rijksmuseum zag ik opnieuw parallellen. Ik was er afgelopen zondag. Gisteren was ik er weer. In de video vertellen veertien groepen wat hen zoal opvalt bij het kijken naar Rembrandt´s Nachtwacht. Ieder vertelt vanuit zijn eigen perspectief wat hij of zij waarneemt. Het is een oefening in zien. Om haar installatie te bouwen had Dijkstra groepen in het Rijksmuseum eerst aandachtig geobserveerd. Dat casten van groepen had ze, zei ze, erg belangrijk gevonden. Na haar selectie had ze in de Eregalerij zes avonden lang een mobiele studio gebouwd: vier groepen op een avond, iedere sessie duurde veertig minuten. Stipt op 23.00 uur moest iedereen weer het museum verlaten. Sommige mensen had ze gevraagd iets voor te bereiden. Maar dat betrof alleen iets inlezen. Niets aan haar video installatie is vooraf gescript. Iedereen kon vrijelijk praten. Dijkstra: “Het is allemaal spontaan ontstaan.”

Het resultaat is gevarieerd, mooi, humoristisch, verrassend. Tegen NRC Handelsblad vertelde Dijkstra wat haar in haar werkwijze was opgevallen: “Dat iedereen toch vanuit zijn eigen perspectief kijkt. De Nachtwacht is het bekendste schilderij van Nederland en is eindeloos vaak gereproduceerd. Je denkt dat je dat wel kent. En toch krijg je ontzettend veel verschillende ideeën en invalshoeken te horen.” Sommige observaties noemde ze rolbevestigend, andere, viel haar op, betroffen minuscule details. “Uiteindelijk gaat Night Watching over herinnering en collectief geheugen. Over hoe verschillend mensen zijn, en hoe anders mensen kijken.” Mooi woord: collectief geheugen. Zelf zie ik al die verschillende ideeën en invalshoeken eerder als een vorm van collectieve intelligentie. Ga de installatie maar eens bekijken. Amateurs worden experts. Wat een rijkdom! Jane Jacobs noemde dat ‘redundancy’; de stad zit er vol meer. Zelf heb ik tachtig mensen, ieder anderhalf uur lang, laten spreken over de Amsterdamse binnenstad. Uit al hun verhalen destilleerde ik later een narratief: ‘Een nieuwe historische binnenstad’. Dat verhaal gaat over een mogelijk gedeelde toekomst. En ja, de werkelijkheid kennen en delen we helemaal niet. Iedereen ziet en hoort vanuit zijn eigen herinnering. Wie een gedeelde toekomst wil bepalen moet met al die verschillende werelden rekening houden.

Triomftocht door de binnenstad

On 14 oktober 2019, in boeken, stedenbouw, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘P.J.H.Cuypers en het gotisch rationalisme’ (2009) van Aart Oxenaar:

Afbeeldingsresultaat voor cuypers oxenaar gotisch

Afgelopen zondagmiddag burgemeester Chen Jining van Peking begeleid op zijn tocht door de Amsterdamse binnenstad. Een bleek zonnetje brak door na de zoveelste regenbui. Met een bootje voeren we over de Amstel, dwars door de historische binnenstad, stapten even uit bij de Oude Kerk, toen door over het IJ langs het Centraal Station, en terug via Prinsengracht naar eindpunt Rijksmuseum. Daar bezochten we de Nachtwacht. Overal was het druk, levendig, veel toeristen. Aan het begin van zijn rondleiding vertelde een gids in het Rijksmuseum over architect Pierre Cuypers, die niet alleen de schepper van het Rijksmuseum was, maar ook van Amsterdam Centraal station: twee laat-negentiende eeuwse ‘poorten’ die toegang verschaften tot de binnenstad van de hoofdstad van het koninkrijk. Zijn betoog sloot naadloos aan op onze bijzondere tocht en mijn uitleg bij de toekomstvisie (‘Een nieuwe historische binnenstad’), maar deed vooral denken aan het proefschrift van kunsthistoricus Oxenaar over P.J.H. Cuypers uit 2009. Cuypers, schreef Oxenaar, tekende twee poortgebouwen voor een herrijzend Amsterdam dat na een lange periode van stagnatie eind negentiende eeuw weer opkrabbelde. Cuypers refereerde daarbij aan het gegeven dat de hoofdstad vanouds een rituele orde kende, die tot uitdrukking kwam in de openbare gebouwen. Ze moesten de maatschappelijke en religieuze orde van de ‘civitas’ tot uitdrukking brengen in het stadsbeeld. Zijn toevoegingen, waaronder ook een aantal kerken, zouden die orde bevestigen.

In de wachtkamer derde klasse van het Centraal Station liet Cuypers een enorme stadsplattegrond aanbrengen met daarop de belangrijkste openbare gebouwen in een contrasterende kleur afgebeeld. De nieuwbouw van Centraal Station en Rijksmuseum krijgen daar hun rituele betekenis. Boven een van de uitgangen van het station ontwierp hij een tweede kaart, waarop hij de belangrijkste routes door de stad aangaf. Station, museum en voormalig raadhuis op de Dam markeren nu een symbolische route. Oxenaar: “De gang van de aankomende reiziger door de stad krijgt zo de lading van een allegorische optocht. Zijn wandeling van gebouw naar gebouw wordt voorgesteld als een tocht tot lering en vermaak, vergelijkbaar met de triomftocht van de vooraanstaande zeventiende eeuwse burgers van Amsterdam langs het stadhuis en de Westerkerk.” Tegenwoordig valt deze route samen met de processiegang die miljoenen toeristen dagelijks afleggen op hun zoektocht naar de door ons afgeschreven Gouden Eeuw. Maar in 2030 klapt deze optocht om als de entree naar de stad naar het zuiden wordt verlegd. Dan opent station Amsterdam Zuid zijn deuren. Dat is het moment waarop Amsterdam zijn nieuwe rituele orde kan tonen en daarover gaat dus mijn visie. Tijd voor een bijzonder station en een ambitieus toeristisch programma op de Zuidas.

Tagged with:
 

Amsterdam ontmoet Peking

On 12 oktober 2019, in planningtheorie, toerisme, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De kunst van het oorlogvoeren’ van Sun Tzu:

De kunst van het oorlogvoeren

Afgelopen donderdag overhandigde ik de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad aan burgemeester Halsema in de Beurs van Berlage. Dat gebeurde in aanwezigheid van bijna vierhonderd burgers. ‘Een nieuwe historische binnenstad’ staat op de website van de gemeente. Dit weekeinde leidde ik burgemeester Chen Jining van Peking rond over de Amsterdamse Wallen. Peking worstelt als geen andere stad met overtoerisme. Lees de ‘City Tourism Performance Research Survey’ van de World Tourism Cities Federation over Peking er maar op na. In 2015 ontving de Chinese hoofdstad liefst 273 miljoen toeristen (in Amsterdam 18 miljoen). Tussen 2010 en 2015 groeide het toerisme naar Peking met 48 procent, dat is gemiddeld 8 procent per jaar. Dat zijn zelfs voor Amsterdamse begrippen astronomische cijfers. Maar overtoerisme is slechts een deel van het probleem, zowel in Peking als Amsterdam. Daarom zal mijn rondleiding dit weekeinde ook over prostitutie, drugs, ondermijning en criminaliteit gaan. Het was een van de opmerkingen die afgelopen donderdag in de Beurs van Berlage werden gemaakt: waarom schrijft u zo weinig over ondermijning in uw visiedocument ‘Een nieuwe historische binnenstad’? Mijn antwoord stelde de aanwezigen duidelijk teleur. Er werd gejoeld, iemand nam de benen. Ik denk dat de burgemeester van Peking mij straks wel begrijpt.

Een van de grootste denkers op het gebied van oorlogvoeren was namelijk Sun Tzu. Iedere Chinees kent hem. Zijn ‘kunst van het oorlogvoeren’ vormt een van de oudste verhandelingen over strategie en tactiek en niemand heeft het ooit in wijsheid overtroffen. Al zo’n 500 jaar voor Christus schreef Sun Tzu dat de hoogste kunst van oorlogvoering is de vijand onderwerpen zonder te vechten. “Een leger is te vergelijken met water: water laat de hoogten droog en zoekt de laagten op; een leger keert zich van kracht en valt leegte aan. De stroming van het water wordt bepaald door de vorm van de grond; de zege wordt behaald door te handelen overeenkomstig de staat van de vijand.” Een veldheer neemt nauwkeurig waar en beschikt over grote verbeeldingskracht. De morele, intellectuele en omgevingselementen vindt hij belangrijker dan de fysieke, die van militaire kracht. Bij Sun Tzu ligt de nadruk op het doen van het onverwachte en het volgen van de indirecte aanpak. Ik heb zijn wijsheid en kunde aan de basis gelegd van mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. Wie de Amsterdamse Wallen wil veranderen, slaat er niet met een hakmes op in. Een aanval levert hem geen voordeel op. Hij gaat tuinieren.

Tagged with:
 

An archive of facts

On 9 oktober 2019, in literatuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘True Tales of American Life’ (2001) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor true tales of american life auster

Gisteren college gegeven op de Amsterdam School of Real Estate. Mijn verhaal ging over mijn methodiek om complexe, venijnige vraagstukken te ontrafelen: hoe greep te krijgen op de realiteit. Mijn college werd met cynisme en ongeloof onthaald. Morgen volgt de visie die uit die zoektocht is voortgevloeid. Dan wordt de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad in de Beurs van Berlage officieel gepresenteerd. Die visie is beslist geen luchtfietserij. Bij thuiskomst greep ik onwillekeurig in mijn boekenkast. Daar stond ‘True Tales of American Life’ van Paul Auster langzaam te vergelen. Ik was opnieuw getroffen. Diens werkwijze van ruim tien jaar geleden lijkt sterk op de mijne. Want wat had Auster gedaan? Op de nationale radio had hij een oproep gedaan aan luisteraars om korte persoonlijke verhalen in te sturen die sterk leken op fictie maar die echt waren gebeurd. Hij ontving er meer dan vierduizend. Hij las ze allemaal. Auster: “I was hoping to put together an archive of facts, a museum of American reality.” Uiteindelijk selecteerde hij er 180. Die ordende hij in tien categorieën. Dat werd een dik boek. Wie het leest raakt diep ontroerd, die gelooft niet dat dit mogelijk is. De werkelijkheid is vaak fantastischer dan fictie.

Auster: “If I had to define what these stories were, I would call them dispatches, reports from the front lines of personal experience.” De ingezonden verhalen gingen over alles. Verderop noemt hij ze ‘images’ die tegelijk helder zijn, compact en gewichtloos – klein genoeg om in je broekzak te passen. “Like the snapshots we carry around of our own families.”  Zo’n museum van de realiteit probeerde ik ook ten aanzien van de binnenstad maken. Daartoe interviewde ik meer dan tachtig mensen die door anderen voor mij waren geselecteerd. Ik kende ze vaak niet, of alleen van naam. Iedere persoon sprak anderhalf uur over zijn of haar leven. Die persoonlijke verhalen konden over alles gaan. Ze raakten allemaal aan de realiteit, aan concrete ervaringen. Al die gesprekken heb ik daarna letterlijk uitgeschreven. Dat is een compleet boek geworden. Dat boek gaat over de realiteit. En ja, die realiteit is vaak nog fantastischer dan ik had kunnen dromen. Mijn ervaring na afloop was dezelfde als die van Auster: “Even after you have read through all fifteen dozen of them, they continue to stay with you, and you find yourself remembering them in the same way that you remember a trenchant parable or a good joke.” Een scherpe parabel of een goeie grap die je niet meer vergeet. Inderdaad, dat is het.

Tagged with:
 

Wenkend perspectief

On 7 oktober 2019, in duurzaamheid, landschap, by Zef Hemel

 

Gelezen in ‘’Naar een wenkend perspectief’ (2018) van het PBL:

Afbeeldingsresultaat voor pbl wenkend perspectief landbouw

Bron: PBL

Nederland telt evenveel boeren als Venetië inwoners telt: 55.000. En Venetië, dat weten we, is stervende. Zo ook de Nederlandse boerenstand. Per jaar stopt twee procent van de boeren zijn bedrijf, dat zijn er zes à zeven per dag. In 2030 zal veertig procent van alle boerenbedrijven zijn verdwenen: ze laten 32 miljoen vierkante meter vastgoed achter. Het water staat de meeste boeren aan de lippen. Maar het aantal dieren neemt vooralsnog niet af; het zijn er nog altijd 100 miljoen. Dat betekent dat de overgebleven bedrijven steeds groter worden. Schaalvergroting zet door. Het platteland is allang het platteland niet meer. Neem de provincie Gelderland. Leefden er in het jaar 2000 nog 27.500 geiten in bijna 491 bedrijven, vorig jaar was dat bijna verviervoudigd tot 101.500 geiten in ongeveer 379 bedrijven. In deze zeer intensieve veehouderij staan dierenwelzijn en biodiversiteit onder druk, ziektes kunnen zich gemakkelijk verspreiden, natuurgebieden verschralen. De overgebleven bedrijven horen eigenlijk op bedrijventerreinen. En wat komt er in al die vrijkomende schuren? Twee derde van het grondoppervlak van Nederland is bij de boeren in beheer.

Hoeveel trekkers reden er maandag door Den Haag? Het waren er 2.200. In heel Nederland rijden 70.000 trekkers rond, dat is bijna anderhalve trekker per boer. De boeren, ze zitten in zwaar weer, hun schulden lopen op. Het PBL dacht vorig jaar dat er sprake was van een momentum. De boeren moeten een grote draai maken, zei directeur Mommaas, ze moeten aan de kringlooplandbouw. Daarin zou de overheid hen moeten steunen, vond hij, zeker twintig jaar lang. Het wachten was op de minister van landbouw. Die zou in augustus met een nota komen. Dat werd ‘Waardevol en verbonden’ (2018). Ze maakte echter geen geld vrij en de boeren vonden het ook onzin. Ze vinden juist dat ze duurzaam bezig zijn, hun bedrijven zijn reuze efficiënt. Op Vork.org las ik een heldere aanbeveling: de minister moet ruimtelijke ordening gaan bedrijven. De beste gronden kunnen de hoogste opbrengsten realiseren met de minste milieubelasting. Bestempel die dan tot agrarische hoofdstructuur. De rest leent zich voor andere vormen met oog voor natuur en landschap, recreatie en zorg. Die kan als buffer dienen tussen hoogproductieve gebieden en de natuur. Het stond al in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (1998). Nooit iets mee gedaan.

Tagged with:
 

Fietsrevolutie in aantocht

On 3 oktober 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in de Amsterdam Uitkrant van september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor union kaart big amsterdam

Er is een revolutie aanstaande in de wereld van de mobiliteit. De e-bike verovert de Hollandse delta. Firma Union bracht op 15 juli jongstleden een ludieke kaart uit, die echter uiterst serieus moet worden genomen. Met Fietskaart Big Amsterdam wil ze duidelijk maken “dat Nederland groter is dan Amsterdam alleen. Of nou ja, groter: minder klein!” Naar het voorbeeld van Arjen Lubach heet op deze e-bike fietskaart alles ineens Amsterdam. En ja, Amsterdam Big Stones (hunnebedden) staan er ook op. In de legenda hebben de makers de fietsafstanden gerekend vanuit Amsterdam in tijdsduur vermeld. Dus Amsterdam Long Dike (Afsluitdijk) is drie uur fietsen, Amsterdam Windmills (Schermer) een half uur, Amsterdam Modern South Quarter (Rotterdam) blijkt slechts 3 uur fietsen, Amsterdam Mountain (Cauberg bij Vaals) is 10 uur op de fiets. De Randstad blijkt flink gekrompen en dat niet alleen, heel Nederland ligt ineens onder handbereik. Langer dan 10 uur fietsen hoef je niet. Tenminste, als je in Amsterdam woont. Het circuit van Zandvoort (Amsterdam Grand Prix Circuit) kost de Amsterdammer slechts 1 uur. Waarom nog met de auto? En naar de fabriek van Union (Ommen) is het niet meer dan 5 uur fietsen. Geestig, beetje flauw misschien, maar neem de kaart vooral serieus.

Op 13 augustus kopte Dagblad van het Noorden dat ze op de kaart van Union de ‘Amsterdam Earthquakes’ nog misten. Beetje wrang misschien. De makers zelf (Natwerk, in opdracht van Union) menen vooral dat de kaart bijdraagt aan het spreiden van toeristen vanuit de hoofdstad. Die kunnen nu op de fiets naar Alkmaar. De Alkmaarse kaasmarkt is ineens dichtbij (2,5 uur). Serieus? Nu vooruit dan, eentje nog: Amsterdam Design & Science District (Eindhoven) is niet meer dan 5,5 uur fietsen vanuit ‘Old Amsterdam’ gerekend. Toeristen kunnen eindelijk naar Veldhoven. In 2018 werden 400.000 e-bikes verkocht in Nederland. Daarmee verdringt de elektrische fiets de gewone fiets met pedalen. De geschiedenis leert dat wat recreatief en spelenderwijs begint, na verloop van tijd volwassen ernst kan worden. Ik voorspel u, de e-bike gaat het forensenverkeer tussen de grote steden op zijn kop zetten. Lang zal het niet meer duren. Dat betekent: meer en bredere fietspaden in de Randstad noodzakelijk. Maar eerst nog jaren dodelijke ongelukken voordat de verzamelde overheden dit ook doorhebben.

Tagged with:
 

De toekomst zal het leren

On 2 oktober 2019, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘IJzeren ambitie’ (2019) van Gabri van Tussenbroek:

IJzeren ambitie

Onlangs verscheen een nieuw boek over het Paleis voor Volksvlijt en de opkomst van de Nederlandse industrie van de hand van de Amsterdamse historicus Gabri van Tussenbroek. Het leest als een trein. Het prettige boek valt in twee delen uiteen: ‘toen het gebouwd werd’ en ‘toen het gebouwd was’. ‘Het’, dat is het gebouw. Simpel dus. Het Paleis opende zijn deuren in 1864 en het brandde af in 1929. Het glazen gevaarte schitterde vijfenzestig jaar onafgebroken op het Frederiksplein. Als vergankelijk monument staat het in het geheugen van de Amsterdammers gegrift. Het was een gewaagde onderneming van de Amsterdamse arts Samuel Sarphati, die in 1851 in Londen het Crystal Palace had gezien en die een soortgelijk gebouw van glas en staal in de hoofdstad van Nederland wilde realiseren. Dit wilde hij om de Nederlandse industrie te promoten en om de armoede en honger te bestrijden. Zijn premier, Thorbecke, zag het nut niet. Of misschien toch wel. Want die wilde ook naar Londen, maar is uiteindelijk niet gegaan. Koning Willem III vond het namelijk niet nodig dat hij ging. De overheid, aldus Van Tussenbroek, moest de industrie en handel niet proberen te beïnvloeden, maar aan zichzelf overlaten. De Nederlandse inzending in Londen was dan ook schraal, nee het was een regelrechte wanprestatie.

Benieuwd was ik naar de conclusie van Van Tussenbroek. Dit is wat hij schrijft: “De les die we uit de bouw van het Paleis voor Volksvlijt kunnen trekken, is dat de financiële kosten weliswaar niet opwogen tegen de baten, maar dat het gebouw op zichzelf voor Amsterdam en de Amsterdammers een waardevolle onderneming was. Het Paleis laat zien dat er andere waarden bestaan dan louter financiële.” De schrijver doelt hier op het financiële echec, want de kosten waren uit de hand gelopen en de opbrengsten bleven gering, maar ook op de morele overwinning: idealen die door anderen werden overgenomen en verder ontwikkeld, met als doel het bouwen aan een betere maatschappij. Dat laatste is zondermeer gelukt. Maar die idealen lijken ondertussen weer achter de horizon te verdwijnen, merkt Van Tussenbroek fijntjes op. Op de plaats van het Paleis, of eigenlijk daar net achter, staat nu De Nederlandsche Bank. Die heeft verbouwingsplannen. Van Tussenbroek is voorzichtig. Hij schrijft: “Of dat gebouw van De Nederlandsche Bank ooit dezelfde symboolwaarde zal krijgen als het Paleis is ongewist. Dat is afhankelijk van nieuw te vormen idealen en vooral aan de uitvoering die daaraan wordt gegeven.” De toekomst, schrijft hij, zal het leren. Wat hij daarmee bedoelt is me niet duidelijk. Verbouwing van de bank en herbouw van het paleis kunnen heel goed samen.

Tagged with:
 

Vliegen in Amsterdam Noord

On 1 oktober 2019, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gezien in Museum Amsterdam Noord op 27 september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor elta amsterdam noord kaart

Bron: Nederlandse luchtvaart

In het voormalige badhuis van Vogeldorp, Amsterdam Noord, is een alleraardigste tentoonstelling te zien over de ELTA, de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam, gehouden in de zomer van 1919 in Amsterdam Noord. ELTA was een initiatief van twee militaire vliegers Albert Plesman en Marinus Hofstee. Ik heb nooit geweten dat er zo’n groot vliegveld in de Buiksloterham heeft gelegen, het was de voorloper van Schiphol. De ELTA, die zes weken duurde, markeerde het begin van de Nederlandse burgerluchtvaart, tevens het begin van de KLM en van vliegtuigbouwer Fokker. Niets is ervan terug te vinden. Fokker hoopte en verwachtte dat Amsterdam zijn vliegveld in Noord zou uitbouwen, maar dat gebeurde niet. De stad wilde in Noord arbeiderswoningen ontwikkelen. Vliegen was destijds elitair en de honderdduizenden bezoekers van de ELTA kwamen vrijwel zonder uitzondering uit gegoede milieus. Ze namen de pont vanaf CS en liepen langs de huisjes van de Van der Pekbuurt naar het tentoonstellingsterrein. De sociaal-democraten vonden het maar niets. De enige keer dat het volk uitliep was voor het parachutespringen. Dat was spannend. Geruchten deden de ronde dat de springer doodsangsten had uitgestaan en uiteindelijk een duwtje van de mecanicien had gekregen. Zijn parachute ging te laat open, maar hij overleefde de sprong.

Het lunapark in de Buiksloterham bleek een regelrechte mislukking en verdween na zes weken van de aardbodem. Alleen de loodsen van de ELTA bleven overeind. Daarin startte Fokker zijn fabrieken. Hij zou er tot 1951 vliegtuigen blijven bouwen. Maar omdat de bodem ongeschikt bleek voor een vliegveld en de gemeente liever arbeiderswoningen wilde bouwen, werden in de fabrieken alleen onderdelen gefabriceerd, die vervolgens op dekschuiten naar Schiphol moesten worden getransporteerd om daar geassembleerd te worden. Is er een verband tussen de scheepswerven en vliegtuigbouwer Fokker? Ik kan er niks over vinden. Waarom een ELTA in Amsterdam Noord? Dit is wat ik las. Aanvankelijk wilde men de wereldtentoonstelling in Den Haag houden, maar om commerciële redenen werd voor Amsterdam gekozen. En Noord leek geschikt, want daar was veel ruimte. Bovendien was het beoogde terrein goed te bereiken met de trein. In 1913 was hier de Eerste Nederlandse Tentoonstelling op Scheepvaartgebied (ENTOS) gehouden. Fokker kwam uit het verslagen Duitsland met smokkelwaar: in zes treinen met elk zestig wagons vervoerde hij een kleine honderd vliegtuigen, machines en onderdelen naar de hoofdstad. Fabricage begon dus met Duitse onderdelen. In 1921 vertrekt Fokker naar Amerika. Zeven jaar later is hij de grootste vliegtuigbouwer ter wereld. In 1951 verhuizen de fabrieken naar Schiphol. In 1990 gaat de Flying Dutchman failliet. Voor luchtvaarttentoonstellingen moet je tegenwoordig naar Parijs of Dubai.

Tagged with:
 

Dezelfde opgave, maar dan anders

On 29 september 2019, in landschap, by Zef Hemel

Gehoord in het Van Eesteren Museum op 26 september 2019:

Bron: Van Eesteren Museum

Landschapsarchitect Rob van Leeuwen schonk onlangs een bijzondere kaart aan het Van Eesteren Museum, gevestigd aan de Sloterplas te Amsterdam. Die kaart was ooit ontvreemd uit het Wibauthuis en is nu weer opgedoken. Vrij gedetailleerd toont hij het landschap rond Amsterdam, van Leiden tot Castricum en van de duinen tot het Gooi, anno 1930. Het land oogt dan nog maagdelijk. Het enorme, loodzware hoek hing bij de directie van de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam aan de wand. Ter gelegenheid van de overdracht organiseerde het museum een avond waarin het metropolitane landschap van Amsterdam centraal stond. De vraag lag voor: “Hoe Amsterdam goed ruimtelijk en programmatisch in het omliggende landschap in te passen.” Sprekers waren Rob van Leeuwen, Vincent van Rossem en ondergetekende. Van Leeuwen vertelde anekdotisch over het verdwijnen en weer opduiken van de kaart bij hem thuis, Van Rossem schilderde nogmaals de achtergronden bij de totstandkoming van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (1935),  ikzelf probeerde de link van de historische kaart met de toekomst te leggen. In mijn bijdrage stonden de figuren van Theo van Lohuizen (1890-1956) en Dirk Hudig (1872-1934) centraal.

Van Lohuizen was pionier in de Nederlandse ruimtelijke planning. Hij maakte het eerste gewestelijke plan van Nederland, te weten dat voor Zuid-Holland West, in 1927. De jurist Hudig schreef op dat moment een landschappelijke studie van het droogmakerijenlandschap in Noord- en Zuid-Holland, die hij in 1929 publiceerde. Waar Van Lohuizen fietsend het landschap rond Rotterdam en Den Haag uitkamde en systematisch in tekst en tabellen vastlegde, daar fotografeerde Hudig losjes met zijn camera de Hollandse polders vanuit zijn auto. Hudig was secretaris-directeur van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw, Van Lohuizen planologisch medewerker van de Woningdienst te Rotterdam. Op voorspraak van Hudig verhuisde Van Lohuizen in 1928 naar Amsterdam. Daar ontmoette hij Cornelis van Eesteren. In de weekeinden maakten beide planologen fietstochten rond Amsterdam. Van Lohuizen leerde de jonge Van Eesteren het polderlandschap appreciëren. Uit zijn cijferreeksen maakte Van Lohuizen op dat rond de hoofdstad een metropool moest verrijzen. Daarover spraken die twee. Deze stedenbouwkundige opgave, die neerkwam op een verdubbeling van Amsterdam, beschouwden zij als een culturele daad. Een nieuw landschap moest worden ontworpen. De kaart dus. Dat was Van Lohuizen. En toen kwam in mijn korte lezing de actualiteit. Wij, zei ik, staan voor eenzelfde opgave.

Tagged with: