Gelezen in Logistiek van 9 juli 2017:

Gerelateerde afbeelding

Afgelopen weekeinde maakte de NOS bekend dat premier Rutte met topmensen van het Chinese Alibaba zou hebben gesproken over de eventuele vestiging van een Chinees distributiecentrum in Limburg, nabij Maastricht. En vandaag was de Chinese premier Li Keqiang op bezoek. De internetgigant wil liefst vijf reusachtige distributiecentra verspreid over verschillende continenten bouwen. Dubai, Hangzhou, Kuala Lumpur en Moskou zijn in de race. De Europese moet in het Belgische Luik komen. Maar in België is nog niets getekend. Dus denkt Nederland een kans te maken. Het gaat om een volledig gerobotiseerd distributiecentrum van liefst 380.000 vierkant meter bij vliegveld Beek. Ter vergelijking, Leeyen vastgoed uit het Limburgse Beringe bouwt een distributiecentrum in Sittard-Geleen van 145.000 vierkante meter, goed voor circa 1.000 nieuwe banen. In Waalwijk worden plannen ontwikkeld voor een distributiecentrum van Bol.com ter grootte van 200.000 vierkante meter, hier verwacht men 2.000 tot 3.000 nieuwe banen. 200.000 vierkante meter is 40 voetbalvelden. Het worden dwergen, want het Chinese dozencomplex wordt dubbel zo groot. Dergelijke complexen heten XXL-dc’s, ook wel ‘rustende olifanten’ genoemd. Hun groei wordt aangewakkerd door de sterke expansie van het internetwinkelen. Deze markt groeit razendsnel.

Er staat ons een complete ‘verdozing’ van het Nederlandse landschap te wachten. Want naast de XXL-dc’s in de weilanden komen er ook kleinere fullfilmentcentra, sorteerhubs en retourcentra dicht bij de grote steden. En dan heb ik het nog niet over de golf aan nieuwe datacenters in en rond Amsterdam. Het kaveloppervlak van al die centra is doorgaans het dubbele van het gebouwoppervlak vanwege parkeren en de noodzakelijke manoeuvreerruimte voor vrachtwagens. Zoveel grond is er niet te koop. Daarom worden de dozen steeds hoger: 12 meter, las ik bij Buck Consultants. In Nederland groeit de business trouwens beduidend sneller dan in België en Duitsland. Dat heeft met uiterst gunstige fiscale constructies te maken die onze regering de sector biedt. In de achterlandcorridors tussen Rotterdam en Antwerpen en richting het Ruhrgebied zijn in de VINEX-periode door de kabinetten-Kok bovendien miljardeninvesteringen in de infrastructuur gedaan, in spoorlijnen en snelwegen. Die worden nu te gelde gemaakt. Op dit moment staat er al 28 miljoen vierkante meter logistiek vastgoed in Nederland. Op korte termijn komt daar nog eens 4 miljoen vierkant meter bij. Vooral de laatste jaren groeide het volume explosief. Buck Consultants houdt rekening met een verdubbeling van het aantal vierkante meters. Met een marktaandeel van 46 procent profiteert vooral Noord-Brabant, gevolgd door Limburg met 25 procent. Nu nog werken er mensen, maar daar zal snel verandering in komen. Alleen al in de ongeveer 600 dc’s, berekende Buck, zullen van de 85.000 arbeidsplaatsen circa 35.000 verdwijnen als gevolg van robotisering. Wat overblijft zijn vrachtwagenchauffeurs. Vreemd landschap wordt dat daar in de provincie. Met compleet verstopte snelwegen, want files zullen veel en veel langer worden. Zet hem op, premier Rutte!

Tagged with:
 

Zaadjes van bereikbaarheid

On 12 oktober 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metromorfose’ (2018) van Bas Kok:

Afbeeldingsresultaat voor bas kok metromorfose

Leuk essay van Bas Kok. Ik las het nadat bekend werd gemaakt dat gemiddeld 84.000 mensen elke dag de nieuwe Noord/Zuidlijn al gebruiken. Het metrogebruik in Amsterdam als geheel groeide na opening met een onstuimige 31 procent. In ‘Metromorfose’ (2018) beschrijft ‘stadsmaker’ Kok hoe hij denkt dat de nieuwe metrolijn Amsterdam zal veranderen. Dus geen terugblik van een mokkende belastingbetaler die er allemaal niets van begrijpt, maar een optimistisch verhaal van een visionair die begrijpt dat de investering van ruim 3 miljard euro de groeiende metropool veel zal opleveren. Zijn verkenning heeft hij geschreven vanuit stadsdeel Noord, waar Kok woont. Het begint met een beknopte geschiedenis van de stad waarbij Kok zijn verbazing uitspreekt over de opkomst van Zuid, ten koste van Noord. Volgens hem was Noord ooit rijk, en Zuid groezelig. Midden negentiende eeuw echter kreeg een groep notabelen belang bij het verbeteren van Zuid en verplaatste zij de industrie naar Noord. Daarmee werd Noord arm en Zuid rijk. Hij spreekt van ‘stuivertje wisselen’. Onzin natuurlijk. De Gouden Bocht in de Herengracht ligt al vierhonderd jaar in het zuiden, op veilige afstand van de haven, het Paleis voor Volksvlijt landde daar in de buurt, even verderop kwam het Rijksmuseum, gevolgd door het Vondelpark en Berlage die de Apollolaan iets zuidelijker projecteerde, met uiteindelijk de Zuidas als topmilieu, nee het rijke deel van Amsterdam wilde niets met de haven te maken hebben en schoof steeds verder op naar het zuidwesten, terwijl Noord kaal bleef, met een galgenveld aan de overkant van het IJ, waar je gemakkelijk vervuilende industrie naartoe kon verplaatsen. Kok pleit voor emancipatie van Noord. Hij wil de Noord/Zuidlijn daarvoor gebruiken. Dat is een mooi streven, maar zo gemakkelijk verander je steden niet.

De auteur voorspelt een ‘brainwash’ binnen vijf jaar. Alle Amsterdammers zullen Noord opeens heel dichtbij gaan vinden en dat zal van alles op gang brengen. Dat zou kunnen. West is uiteindelijk problematischer dan Noord, maar dat komt door de gure westenwind, de directe nabijheid van Westpoort en de weinige beschutting die West en ook Noord en Zaanstad de mensen biedt. Er is ook nooit een Vondelpark of Amsterdamse Bos voor arbeiders overwogen. Tegelijk pleit Kok voor krachtig beleid tegen segregatie waarbij ook forse aantallen sociale woningen in Noord zullen moeten worden bijgebouwd. Hij spreekt van een Catch22 van de tweedeling: “rijke inwoners in dure buurten willen niet dat hun wijk armer wordt, arme inwoners van achterstandswijken willen niet dat hun wijk rijker wordt.” Dat is scherp gezien. Het is een zelfversterkend proces. De contrasten worden dus groter. Ik denk niet dat de Noord/Zuidlijn of een corrigerend woonbeleid iets tegen dat groeiende contrast kunnen doen, ondanks ‘de zaadjes van bereikbaarheid’. Denk eerder dat het planten van een groot bos in het noorden en het westen uitkomst kan bieden. Noord, Sloterdijk en Zaanstad verdienen een ‘Bois de Boulogne’. Spaarnwoude zou tenminste in omvang moeten verdubbelen en de Noorder IJplas moet een mooi rij- en wandelbos worden. Dat was oorspronkelijk ook de bedoeling. Maar daarop is later door de rijksoverheid bezuinigd. Blijft over Westpoort met zijn industrie. Wie rijk is zal daar, ook met een Noord/Zuidlijn, nooit in de buurt willen wonen.

Tagged with:
 

Afwegen of vergeten

On 10 oktober 2018, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kabinetsperspectief NOVI’ (2018):

image

Sinds 5 oktober ligt er een Kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie, NOVI, ter inzage. In de beknopte brochure opent het kabinet Rutte een perspectief op de toekomstige inrichting van Nederland. Ik las hem met grote interesse. Het eerste dat me opviel is de ernstige toon. ‘Urgentie’ is een veel gebruikt woord. Veel zaken zijn er die moeten gebeuren. Het land kampt met grote problemen want er is sprake van versnelde groei. Het kabinetsperspectief staat in het teken van forse groei en stevige druk: er zijn files, wachtlijsten, ruimteclaims voor de energietransitie, enzovoort. De crisis lijkt in Den Haag alweer vergeten. Een acute hoogconjunctuur mengt zich hier met existentiële vraagstukken van duurzaamheid. Ik kreeg het benauwd toen ik het las. En ik voelde een lichte boosheid opkomen. Waar is het gevoel voor de lange termijn gebleven? Het tweede dat me opviel was de marginale rol van de ruimtelijke ordening. Kennelijk is deze alleen nodig voor het reserveren van voldoende ruimte en het ‘slim met elkaar combineren’ van de vele ruimtevragende functies. Toen Jan Pronk nog minister was, ging het om kiezen, nu combineren. Het vakgebied is gereduceerd tot het trucje à la ‘Ruimte voor de rivier’. Een eigen ruimtelijke agenda las ik niet. Het derde dat me opviel waren de vele ‘tafels’ waaraan de urgente vraagstukken moeten worden besproken en ‘afgewogen’. ‘Tafels’ is ook al zo’n Haags toverwoord. We vergaderen wat af. Samen komen we er wel uit.

Ronduit teleurstellend vond ik de tekst over het ‘urgente onderwerp’ van de verstedelijking: “Nederland heeft een uniek historisch gegroeide structuur van steden en dorpen met kenmerkende cultuurhistorische kwaliteiten die onderling goed verbonden zijn en goed zijn aangesloten op een internationaal netwerk (een zogenoemde polycentrische structuur). Vanuit elke stad fiets je in relatief korte tijd het open landschap in. Juist dit fijnmazige netwerk zorgt voor een sterke economische verbondenheid, een grote regionale diversiteit en brengt een hoge kwaliteit van leven met zich mee. Dit is ook essentieel voor de aantrekkingskracht van (inter-)nationale kennis, arbeid en kapitaal. Deze kwaliteit willen we versterken door voort te bouwen op de bestaande stedelijke structuur. Zodoende zorgen we voor versterking van onze toplocaties en gezichtsbepalende gebieden als de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad en Eindhoven (waaronder onze mainports).” Er is geen urgentie in deze tekst te bespeuren. In feite staat er: vooral laten zoals het is. Geen idee ook wat er aan de hand is anders dan dat Nederland niet mag ‘verrommelen’. En dat terwijl ons land in 2050 liefst 80 procent minder CO2 zal moeten uitstoten om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen. Met het ‘unieke’ polycentrische stedenpatroon dat ‘voor een sterke economische verbondenheid zorgt’ ga je het heus niet redden. Zullen we de NOVI maar vergeten?

1,5 of 2 graden maakt groot verschil

On 9 oktober 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen op ChinaFile.com van 18 mei 2015:

Afbeeldingsresultaat voor chinafile rising sea level

Bron: ChinaFile

Deze week hield het IPCC in Incheon, Zuid-Korea, haar 48ste vergadering. Er lagen drie rapporten voor. Een ervan ging over de verwachte gemiddelde temperatuurverhoging van 1,5 graad Celsius. Dat bleek ronduit alarmerend. De wereldgemeenschap, reageerde de Verenigde Naties, heeft nog 12 jaar om het tij te keren. Doet ze dat niet, dan gaat het richting 2 graden temperatuurstijging. De gevolgen van die halve graad extra zijn nauwelijks te overzien. Honderden miljoenen mensen zullen worden bedreigd door overstromingen of extreme droogte. Het oppervlak van gebieden die zullen onderlopen bij een zeespiegelstijging bij 2 graden temperatuurverhoging is vijftig procent groter dan bij 1,5 graad. Vijftig procent! Voor het laaggelegen Nederland maakt die halve graad dus nogal wat uit. Verdwijnt ons land of niet. Op dit moment is de aarde al één graad warmer dan in pre-industriële tijden. Ik verwachtte een toespraak van de premier, maar die kwam niet. Nee, wij zijn veilig en we werken inmiddels aan een energietransitie. Er is al 120 miljoen euro rijksmiddelen beschikbaar voor buurten die van het aardgas af willen en de woningbouwcorporaties krijgen nog eens 100 miljoen extra. En we gaan allemaal in elektrische auto’s rijden. Nee, dan China.

Op ChinaFile.com zijn bloedstollende interactieve kaarten te zien die aangeven welke kuststreken in China door de zeespiegelrijzing rechtstreeks worden bedreigd, gebaseerd op de meest recente voorspellingen van het IPCC. Het blijkt te gaan om werk van de cartograaf Jeffrey Linn, woonachtig in Seattle. Eerder had hij dit werk al gedaan voor de westkust van Canada en de Verenigde Staten. Omdat 43 procent van de Chinese bevolking in de kustzone leeft, vroeg ChinaFile hem ditzelfde te doen voor China. Kijk eens en huiver. Vooral de Pearl River delta met steden als Hongkong, Shenzhen en Guangzhou, nu al meer dan 30 miljoen inwoners tellend, zullen compleet van de aardbodem verdwijnen. Ook Dalian en Shanghai moeten ernstig vrezen voor hun toekomst. Deze laaggelegen gebieden kampen nu al grote problemen met ernstige verzilting. In de Pearl River delta zijn de meeste mangrovebossen opgeruimd en wordt op grote schaal vuilnis gestort om zo nieuw land te winnen. In New York is tijdens Sandy gebleken dat deze vuilstorten langs de kusten niet alleen met het wassende water als eerste wegspoelen, maar ook de zee en de oeverzones ernstig verontreinigen. En dan verzakt overal de bodem, want deze haastig gebouwde metropolen zijn in moerasland gebouwd. Ik zie hier een kans. Nederland kan zijn waterkennis exporteren.

Tagged with:
 

Humanhattan 2050

On 8 oktober 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien op de Architectuur Biënnale van Venetië op 3 oktober 2017:

 

map

Bron: NYU Local

Mijn lezing afgelopen week in Venetië ging over ‘Lifeboat Cities’, de wereldwijde opgave om steden te bouwen die als reddingsboten de klimaatverandering kunnen doorstaan, dus steden bedenken waar zoveel mogelijk mensen, dieren en planten straks zullen kunnen overleven. Tijdens mijn rondgang over de Architectuur Biënnale, gewijd aan het thema ‘Freespace’, werd ik na afloop op mijn wenken bediend. De meest potsierlijke en dure reddingsboot die ik zag betrof het plan van de Deense architect Bjarke Ingels voor het eiland Manhattan. In het hoofdgebouw was zelfs een grote zaal aan ‘The Big U’ gewijd. In het midden stond een grote maquette van de zuidelijke helft van het eiland die door een brede beschermende kleurrijke wal was omgeven. Het vriendelijk ogende ingenieurswerk, genaamd ‘Humanhattan’, leek deels dienst te doen als langgerekt park maar bood in werkelijkheid vooral lucratieve nieuwe bouwgrond. Als antwoord op orkaan Sandy toonde het bijna schaamteloos een nieuw verdienmodel: om dit dure deel van de stad tegen het wassende water te beschermen zou er langs de verhoogde randen tegen de klippen op kunnen worden gebouwd. Nieuwe dure gronduitgifte. Zeespiegelrijzing als kans. Je kon de corruptie al ruiken. In Jeff Goodell’s ‘The Water Will Come’ (2017) las ik dat de linkse burgemeester De Blasio denkt dat hiermee vooral de rijken zichzelf beschermen, niet de armen in Queens. En de grote zwakte van New York is het metrostelsel, niet Wall Street.

Arm Venetië, dat in haar eigen biënnale moet toezien hoe de rijkste stad op aarde zich met veel architectonisch aplomb tegen de zeespiegelrijzing denkt te gaan beschermen. En dat in het jaar waarin het eigen MOSE-project dan eindelijk gereed zal komen. Sinds de overstroming van 4 november 1966 werden er al noeste plannen voor de redding van Venetië gemaakt. In 2002 namen de werken eindelijk een aanvang. Er is zestien jaar aan MOSE gebouwd. Pier Vellinga noemde de opblaasbare kleppen in de openingen van de lagune ooit ‘een Ferrari op de zeebodem’. Een paar jaar geleden werd de burgemeester van Venetië en 35 andere mannen opgepakt wegens beschuldiging van corruptie. Er zou voor in totaal 1 miljard euro in hun zakken zijn verdwenen. De kosten van de ingenieurswerken belopen inmiddels al meer dan 7 miljard euro. Nog steeds kampt de lagune met verzilting. Nee, New York kan veel van Venetië leren. Luister niet naar ingenieurs en architecten. Volgens Goodell kampen de plannen voor New York met dezelfde problemen als die voor de Italiaanse lagunestad: veel te duur, corruptiegevoelig, het kost tientallen jaren om ze te bouwen, en tegen de tijd dat ze gereed komen blijkt het zaakje al verouderd. Want Venetië zal uiteindelijk niet door MOSE worden gered. Lees Goodell en huiver. De verwachte zeespiegelrijzing gaat al veel verder dan de 60 centimeter waarop de peperdure ingenieurswerken zijn berekend.

Tagged with:
 

Een ander soort biënnale

On 5 oktober 2018, in ethiek, politiek, by Zef Hemel

Gezien op de Architectuur Biënnale in Venetië op 3 oktober 2018:

United-States-Pavilion-2018-Venice-Architecture-Diller-Scofidio-Renfro-installation

Bron: Inexhibit

Een van de indrukwekkendste installaties tijdens de Architectuur Biënnale Venetië dit jaar vond ik ‘In Plain Sight’ van Diller Scofidio + Renfro, Laura Kurgan en Robert Gerard Pietrusko, te zien in het paviljoen van de Verenigde Staten. Bij de VS gaat het dit jaar om ‘Dimensions of Citizenship’. Afgelopen week bezocht ik op een nazomerse middag in een drogend, bladverliezende Guiardini hun tot nadenken stemmende paviljoen. Samen met Columbia Center for Spatial Research hadden de New Yorkse architecten een video gemaakt die de onhoudbare en oneerlijke toestand in de wereld probeert te vatten. Dit was geen architectuur meer. Ook refereerde de installatie nauwelijks nog aan ‘FreeSpace’ – het zalvende thema van deze biënnale. Op een reusachtig beeldscherm werden in hoog tempo en ondersteund door nare computergeluiden nachtbeelden van NASA-satellieten vertoond die het verschil tussen licht en donker aan het aardoppervlak schoksgewijs analyseerden. In al die verschillen lazen de makers tal van anomalieën op het vlak van energievoorziening, grondstoffenwinning, en toeristische consumptie waarbij bepaalde plaatsen op de aarde evident worden bevoordeeld en andere juist buitengesloten. In beeld komen Peru, Congo, Dominicaanse Republiek, Florida. Zelden kwamen uitsluiting, afscherming en extractie scherper en genadelozer in beeld. Bijna niet te verdragen.

In een recensie in Metropolis  van 4 juni 2018 las ik dat de presentatie van de Amerikanen zou zijn blijven steken in het bewust maken van de bezoekers. Dat verbeelden van maatschappelijke kwesties kunnen architecten heel goed. Maar, zo vroeg men zich af, is dit genoeg? “Can architects do more than represent the structures of injustice?” Zelf had ik het idee, zeker na hun presentatie, dat de opzet van de Architectuur Biënnale van Venetië gewoon fundamenteel anders moet. Zoals het nu gaat kan het niet langer. De urgentie is te groot. Landenpaviljoens moeten helemaal worden afgeschaft en het thema moet onverbiddelijker aan de orde komen. Architecten mogen niet langer wegvluchten, esthetiek rechtvaardigt in ieder geval geen grootse biënnale. Wat dat betreft was het Italiaanse paviljoen een eerste aanzet voor iets anders: een reis door een Italië dat door de nationale politiek is verwoest had de curator naar plekken gebracht waar uit kleine initiatieven opnieuw hoop kon worden geput. Maar deze nationale ‘Places of Hope’-aanpak vond ik uiteindelijk toch te soft. En geef toe, het localisme heeft iets treurigs, romantisch en meelijwekkends. Dan maar liever het heftig beukende ‘In Plain Sight’ van de Amerikanen. Hier de link: https://dsrny.com/project/in-plain-sight (video duurt 18 minuten).

Tagged with:
 

Nog 100 jaar te gaan

On 3 oktober 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Ecumenopolis: Tomorrow’s City’ (1968) van C. Doxiadis:

Gerelateerde afbeelding

Afgelopen week gastcollege gegeven op Venice International University. Mijn college ging onder andere over ‘Ecumenopolis’ van Doxiadis, of beter: de stad van de toekomst. Volgens de Griekse stedenbouwkundige vormde zich één grote stad die binnen 150 jaar de hele aarde zal omspannen, wat betekent dat we ons een voorstelling moeten maken van de totale wereldbevolking in de toekomst: 7 miljard in 2000, 14 miljard in 2040, 28 miljard in 2080. Alle steden in de wereld, aldus Doxiadis, zullen uiteindelijk met elkaar versmelten. Wat niet wil zeggen dat er geen open ruimten meer zullen bestaan. Drie krachten bepalen de toekomstige urbanisatie: de aantrekkingskracht van bestaande metropolen, de werking van de belangrijkste verkeersnetwerken, de esthetische werking van kusten, rivieren, meren en landschappen. Volgens Doxiadis moest de mensheid deze krachten die onze steden vormen leren doorgronden. Dus geen dwaze en naïeve utopieën meer nastreven, maar systematisch werken, als dienaren van de toekomst, aan die ene omvattende stad. Het ergste wat de mensheid kon overkomen waren de dwaze fantasieën die in 1963 in Londen te zien waren geweest op een tentoonstelling van steden die mechanisch konden wandelen, als tanks van staal en glas. Vermoedelijk doelde hij op de tentoonstelling ‘Living Cities’ van Archigram op het Institute of Contemporary Arts. We moesten begrijpen dat hier krachten aan het werk waren die onze controle verre te boven gingen.

Aldus moest de mensheid begrijpen dat ze in twee tot drie generaties onvermijdelijk toewerkte naar de vorming van één wereldomspannende megalopolis: de Ecumenopolis. “If we speak, therefore, of the cities of the future one century from now, we can state that they will have become one city, the unique city of mankind.” Uiteindelijk zou Ecumenopolis hooguit 5 procent van het aardoppervlak beslaan, daarnaast was 4,5 procent nodig voor voedselvoorziening, 50 procent bleef natuur. Doxiadis stelde zich een reis door de ruimte voor: “When our satellite begins its descent, we will be able to recongnize the branches of Ecumenopolis along the coasts, spread around the big port, along the valleys and the rivers and then in different, much thinner bands over the mountain passes.” De vraag welke modaliteit de mensheid zou gebruiken binnen deze wereldomvattende stad was eenvoudig te beantwoorden: op straatniveau zouden mensen vooral lopen, boven het maaiveld werden alle andere modaliteiten afgewikkeld. Ecumenpolis zou door elektriciteit worden aangedreven. Mensen werkten minder lang, onderwijs en ontspanning kwamen voor iedereen beschikbaar. Aandacht behoefden vooral de bestaande metropolen die zouden uitgroeien tot immense steden van twintig tot misschien wel vijftig miljoen zielen. Constantinos Doxiadis (1913-1975) was een ziener. Zijn idee van Ecumenopolis stamt uit 1968. We zijn inmiddels vijftig jaar verder. Nog honderd jaar heeft de mensheid te gaan.

Tagged with:
 

Institutions in action

On 1 oktober 2018, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Routledge Handbook of Institutions and Planning in Action (2018):

Afbeeldingsresultaat voor routledge handbook of institutions and planning in action

Vorig jaar nam Willem Salet afscheid als hoogleraar Planologie aan de Universiteit van Amsterdam. Er was een internationaal symposium en inmiddels is er ook een boek: The Routledge Handbook of Institutions and Planning in Action. Het is een stevige pil geworden, met liefst 25 wetenschappelijke bijdragen,verkoopprijs 165 Engelse pond. Salet is de redacteur van het geheel, de openingsbijdrage is van zijn hand. Het is een glashelder betoog en voor planologen beslist de moeite waard om te lezen. Het schema op bladzijde 13 vormt daarin de kern. Het verdeelt de wereld van de planologie in twee kampen: het pragmatistische en het institutionele, beide hebben hun eigen filosofische wortels. Het pragmatisme is instrumenteel en oplossingsgericht; institutionele planning daarentegen is normatief, geeft geen oplossingen maar biedt spelregels voor het handelen. De socioloog Salet zelf behoort tot het institutionele kamp, laat dat duidelijk zijn. Hem valt op dat het pragmatisme terrein wint, ten koste van de institutionele planning. Dat bevalt hem niet. Simpele middel-doelredeneringen waarin belangenuitwisseling tussen de belangrijkste stakeholders plaatsvindt, zegt hij, zijn gevaarlijk als ze niet worden ingebed in instituties die gekenmerkt worden door een normatieve inslag die in de loop der jaren is opgebouwd. Het ene kan niet zonder het andere. Het boek blijkt een zoektocht naar wederzijdse bevruchting.

Ik vermoed dat ik als planoloog ben ingedeeld in het kamp van de pragmatisten. Zeker als ik het schema op bladzijde 13 bekijk moet ik toegeven dat ik, als ik gedwongen werd te kiezen, me daar nog het meeste thuis voel. Wat niet wil zeggen dat ik de institutionele wereld niet belangrijk vind; sterker, ik heb er 35 jaar op alle niveaus in gewerkt. Dat is precies de zwakte van deze denkbeeldige disciplinaire scheiding, die misschien wel een schijntegenstelling is, een intellectuele poging om greep op het veelkoppige monster te krijgen. Als ik de overige bijdragen lees kom ik al snel tot de conclusie dat de distinctie niet altijd verhelderend werkt. Laten we zeggen dat de planologische wetenschap gekenmerkt wordt door een bonte verscheidenheid, wat een voordeel is maar ook een handicap. Zelf denk ik dat elke planoloog zich terdege bewust is van de complexiteit van de wereld waarin hij of zij verkeert. Voor een groot deel bestaat die uit instituties die na de tweede wereldoorlog zijn opgebouwd. Misschien was de planologische wetenschap in het verleden wel teveel op het institutionele gericht en werd de planning zelf te technocratisch. Het prettige van het pragmatisme is dat het communicatief is, experimenteert en zijn legitimatie vindt in concrete actie.  Denk aan pragmatisten als Jane Jacobs, Richard Sennett. Zou de planologie de slag richting pragmatisme hebben gemist, dan was ze allang van de aardbodem verdwenen. De levendigheid in het planologische debat vind ik juist een verademing. Moeten wij ons nu zorgen maken?

Tagged with:
 

Sea of Tranquility

On 28 september 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam op 26 september 2018:

Afbeeldingsresultaat voor sea of tranquility hans op de beeck

Op de bovenste verdieping van het Amsterdamse scheepvaartmuseum is nog tot 9 juni 2019 een tentoonstelling te zien over een imaginair cruiseschip. In ‘Sea of Tranquility’ neemt de Belgische kunstenaar Hans op de Beeck de bezoeker mee op een duistere reis op een niet bestaand cruiseschip dat met gemak 3.000 passagiers kan vervoeren, plus nog eens 1.000 bemanningsleden. Waarom duister? Alle zalen zijn donker geschilderd en hoewel de uitgestalde beelden, kostuums, maquettes, tekeningen, serviezen en stukken interieur smetteloos zijn uitgevoerd oogt het geheel toch vreugdeloos en zelfs gloomy. Het schip zelf is hybride: de voorzijde oogt als een oorlogsschip, de achterzijde als een feestboot. Er is geen sprake van een scheepsramp of ongeval. Alles lijkt onder controle, de reis zelf is absoluut veilig, de bediening is tot in de puntjes verzorgd. Maar dat is het hem nu juist.Op het eind is in een filmzaal een documentaire van een half uur uit 2010 te zien die het werkelijke verhaal vertelt van het leven aan boord van het schip. Echt gezellig wil het maar niet worden, ook al ontbreekt het de gasten aan niets. Alle leven lijkt uit het schip gezogen. Zelfs de muziek en de dansers wekken geen emotie op. Terwijl het varende machtig imposant oogt, zijn de mensen aan boord diep ongelukkig.

In een interview vertelt Op de Beeck over zijn denkbeeldige schip in termen van een reusachtig vaartuig dat op een uit de hand gelopen shopping mall lijkt, een wereld van perfecte consumptie. Deze perfecte genotswereld stelt hij tegenover de rommeligheid van de stad. Echte steden zijn chaotisch, zitten vol conflicten, zijn allesbehalve perfect. Maar juist daardóór zijn steden levendig. Op de Beeck in een interview: “Het gaat telkens om het op een bijzondere manier moduleren van banaliteiten. Op die wijze probeer ik iets te zeggen over hoe we het leven ensceneren, onze omgeving trachten te temmen en te vermenselijken en hoe we onbeholpen met elkaar en onze sterfelijkheid omgaan.” (kunstblog ‘Gesprekken met hedendaagse kunstenaars, 26 april 2012). Het is de gebrekkigheid die mensen gelukkig maakt. Ik sprak erover met mijn jongste broer, die tegenwoordig in Singapore woont en die bij me op bezoek was en mee was gegaan naar het museum voor een lunch. Op mijn vraag waarom hij Amsterdam zo aantrekkelijk vond, antwoordde hij: “Ook al is het openbaar vervoer hier veel slechter dan in Singapore, toch vind ik Amsterdam levendiger, de stad zit vol mooie, aantrekkelijke mensen, de huizen staan schots en scheef en zijn onderling sterk verschillend, maar die imperfectie voelt juist fijn.” Hij heeft gelijk. Toen ik het museum verliet lachte de stad me toe.

Tagged with:
 

Toerisme als een plaag

On 26 september 2018, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in: ‘Overbooked’ (2014) van Elizabeth Becker:

Afbeeldingsresultaat voor overbooked becker

Elizabeth Becker is oud-correspondent van The New York Times. In 2014 schreef ze een boek over ‘overtourism’, het verschijnsel dat domweg teveel toeristen op één plek samentrekken, en dat gebeurt op dit moment over de hele wereld. In ‘Overbooked. The Exploding Business of Travel and Tourism’ wijdt ze de lezer in in de nieuwe wereld van het reizen met in elk hoofdstuk aandacht voor één land. Ze schreef er vijf jaar aan. Het boek eindigt in China en de Verenigde Staten. De rol van overheden in de toerisme-industrie staat centraal. Overheden, schrijft ze, verkopen hun land, promoten stranden, musea, evenementen, verstrekken visa, bouwen vliegvelden, beslissen over wie komt en wie gaat, bepalen kortom hoe ze de business willen reguleren. Dat begon al in 1925, toen landen de International Congress of Official Tourist Traffic Associations oprichtten, met een vestiging in Den Haag. Later, in 1967, verhuisde dit naar Geneve, nog weer later naar Madrid. Alles stelde het in het werk om toerisme tot een volwaardige industrie te laten bestempelen. Toerisme kreeg pas werkelijk vleugels toen vliegtuigen ononderbroken grote afstanden konden afleggen, American Express bereid was overal cheques uit te schrijven en de muur in Berlijn viel waardoor de wereld ineens openlag voor backpackers, later de hele middenklasse. Toerisme werd dé manier om een arm land uit de malaise te trekken. Stelselmatig werden de keerzijden van het toerisme onderbelicht. Een kwalijke zaak.

En toen begon het tijdperk van het internet. Daarmee was het hek van de dam. Maar het zijn niet de ondernemers of toeristen zelf die bij Becker op hun lazer krijgen. De enorme problemen in de toeristische sector in de hele wereld worden in de eerste plaats veroorzaakt door regeringen. Het product van toerisme zijn landen, stelt ze, niet bedrijven. Overheden bepalen of bedrijven hotels mogen bouwen, of vliegtuigmaatschappijen landingsrechten krijgen, of een congrescentrum mag worden geopend, of een Olympische Spelen naar de hoofdstad wordt gehaald. Ministeries spenderen miljoenen om toerisme naar hun land te promoten via nationale Bureaus voor Toerisme. Fraai en duurzaam is het allemaal niet. “The reputation of tourism is often poor, and rightly so. It is an extremely sensitive sector.” Milieuverontreiniging en overbelasting zijn buitengewoon ernstig; de in totaal 1 miljard trips elk jaar van toeristen en de mogelijkerwijs driemaal zoveel trips binnenslands doen een regelrechte aanslag op het milieu in alle getroffen landen. Desondanks weigeren overheden toerisme als een volwaardige economische sector te beschouwen en verantwoordelijkheid te nemen voor de desastreuse effecten. Dat is vreemd. Het is Frankrijk, aldus Becker, dat als toeristische bestemming nummer één in de wereld nadenkt over de toekomst van het verschijnsel. En wat denkt Frankrijk? Lokale gemeenschappen moeten het heft in eigen hand nemen. Ergens is er een tipping point. Voorbij dat punt is toerisme een plaag, een ziekte, een boze droom, nee een regelrechte nachtmerrie.

Tagged with: