Stemmen tegen de toekomst

On 18 maart 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Oog voor het onzichtbare’ (1994) van Guido Wallagh:

Bron: Spoorkees.nl

Het eerste naoorlogse plan voor de Amsterdamse binnenstad dateert van 1955. Het document telde slechts 18 bladzijden, maar werd direct een hit. Het opperde de gedachte van een heus stadsspoor, had regionale trekken. Guido Wallagh schrijft erover in zijn proefschrift, getiteld ‘Oog voor het onzichtbare’, uit 1994. Wallagh schetst de discussie die na 1955 op gang kwam over het toekomstige Groot-Amsterdam. Het stadsspoor – de Oostlijn en de latere Noord-Zuidlijn – was in die verhitte discussie over de binnenstad de grote constante. Wallagh: “Men beschouwt vanaf het eind van de jaren vijftig het stadsspoor als de bindende factor van een stad in ontwikkeling.” Die stad wordt regionaal, een echte miljoenenstad, zo was in de jaren vijftig de verwachting. Het stadsspoor zou ruim tien jaar later terugkeren in het Voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad, 1968. Maar in plaats van een centrale rol te spelen in het politieke debat, verdwijnt ze stilletjes naar de achtergrond. Het tumult rond de metroaanleg is op dat moment te groot. Het denken over de Amsterdamse binnenstad wordt nog lang beheerst door de opmars van de auto en de noodzaak iets aan de drukte in het stadscentrum te doen. De aanleg van metro wordt weliswaar unaniem aanvaard in de Amsterdamse gemeenteraad, maar het gevecht met de bevolking en de Haagse politiek over de metro als alternatief zal nog decennia voortduren. Pas in 2018 komt het gewenste stadsspoor gereed.

Vooral dat voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad houdt me bezig. Anders dan het plan uit 1955 is het dik, omvangrijk, met uitstekend onderzoek onderbouwd, rijk geïllustreerd. Het mocht allemaal niet baten, want de bevolking slikte het niet. De metrorellen breken daarna uit, eerst in 1970, later escalerend, uitmondend in de Nieuwmarktrellen van 1975. De metro komt er, later, met veel moeite, ook de Noord/Zuidlijn. Echter, wie de zestig jaar overziet, moet concluderen dat de regionale stad met de groeikernen en nevencentra er toch is gekomen en dat het stadsspoor, ondanks alle debat, er eindelijk ligt. De grote vraag is nu of al die politieke strijd over zoveel jaren werkelijk de moeite waard is geweest. Wat wethouder Joop den Uyl in 1960 voorstelde, is anno 2019 werkelijkheid geworden. Den Uyl´s agglomeratiegedachte kwam te vroeg, dat is, achteraf gesproken, wel zeker. Nog steeds zijn er mensen die zich verzetten tegen de gedachte van grootstedelijkheid. Onverminderd houden ze vol dat Amsterdam niet mag groeien. Wallagh duidt ze aan als ‘kleinschaligen’. Uitbreiding van het metronet willen ze niet, verdere verdichting laat staan nieuwe uitleg is uit den boze, ze leven binnen de gemeentegrens. Komende woensdag zullen ze opnieuw massaal tegen de toekomst stemmen. Blij dat de Noord/Zuidlijn eindelijk rijdt.

Tagged with:
 

Leren van Rotterdam

On 16 maart 2019, in infrastructuur, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Woekeren met ruimte’ (2010) van Noud Köper:

Afbeeldingsresultaat voor woekeren met ruimte köper

Waarom lukte het Rotterdam wel om een brug over de rivier te krijgen en waarom krijgt Amsterdam zo’n brug niet? Tien jaar geleden schreef Noud Köper een interessant boek over de Nederlandse ruimtelijke ordening. Köper is politicoloog, in zijn boek geeft hij “een kijkje in de keuken van de moeizame besluitvorming, de machtsspelletjes en de belangentegenstellingen” in de Nederlandse planning sinds eind jaren ‘80. Het eerste hoofdstuk gaat over de Rotterdamse Kop van Zuid. Leerzame stof. De uit Amsterdam afkomstige Riek Bakker begreep al vroeg dat je een plan moet ‘verkopen’. Uit hetzelfde Amsterdam haalde ze Teun Koolhaas en vroeg hem de toekomstige Kop van Zuid op onweerstaanbare wijze te tekenen. Van het geheel maakte ze een mooie maquette en een flitsende diashow. Hiermee ging ze de boer op, eerst vanuit haar woonkamer op het Eendrachtsplein, later op locatie, in de buurten op Zuid. De brug echter bleek een ‘heikel punt’. De weerstand zat vooral intern. De Willemsbrug had voldoende capaciteit, de metro verbond al noord met zuid, er was druk scheepvaartverkeer. Hoe kreeg ze haar collega’s toch mee in haar plan? Ditmaal vroeg ze de Amsterdamse Ben van Berkel een oogverblindende brug te ontwerpen. Met deze ‘Zwaan’ wist ze de gemeentepolitiek in te palmen. Ze ging bovenlangs, zoals dat in ambtelijke termen heet. De ‘Zwaan’ bleek echter 40 miljoen gulden duurder dan begroot.

Slikte de Rotterdamse gemeenteraad de brug, die nu zoveel duurder uitviel? En keerde het Rijk zich niet tegen de plannen? En de Rotterdamse haven dan? Köper meldt in zijn boek dat de burgemeester (Bram Peper) ‘goede relaties’ had met Den Haag. Hij en wethouder Joop Linthorst trokken naar de Minister van Verkeer en Waterstaat, Hanja Maij-Weggen, om erover te praten. Wat hadden de slimme Rotterdammers gedaan? Een week voor het bezoek hadden ze ‘een prachtig model’ van de brug bij haar op de kamer laten zetten. “Dan kon ze er een beetje aan wennen.” Binnen een uur was het gepiept. Verkeer en Waterstaat had geen bezwaar tegen de brug en de gemeente Rotterdam kreeg zelfs de ontbrekende 40 miljoen als rijksbijdrage cadeau. Later bleek dat premier Lubbers – ook een Rotterdammer – de brug te duur vond, waarop de minister het bombardement op Rotterdam in herinnering riep. De brug, had ze gezegd, diende als een landmark, een cadeau aan de stad die in de oorlog het zo zwaar te verduren had gehad. In 1993 werd met de bouw begonnen, twee jaar later was hij gereed. Hoe noem je zo’n strategie? Verleiden, inpalmen, verkopen. Riek leverde een duidelijk motief: de brug gaat de kloof tussen zuid en noord definitief dichten. Dat laatste is niet gebeurd. Nu moet een duur stadion alsnog uitkomst gaan bieden. De kloof dichten, dat gaat Amsterdam wel lukken. Zonder stadion of brug.

Tagged with:
 

Verfilmd liefdesleven als toeristische aanjager

On 14 maart 2019, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in The Telegraph van 15 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor mexico city kahlo map

Bron: Tales and Tours

Het toerisme naar Mexico is hoofdzakelijk op Yucatan gericht: de zuidelijke provincie met stranden en de unieke Mayatempels, veel minder op het noordelijker gelegen Mexico City. Die eerste haalt groeicijfers van 9 procent. De megastad in het hart van het land, hoewel tegenwoordig veel minder vervuild en gevaarlijk, heeft nog steeds een bedenkelijke reputatie. Vooral het stadscentrum wordt door buitenlandse bezoekers gemeden. Toch viel me op bij mijn recente bezoek dat er van een ommekeer sprake is. De wijken Roma en Condesa vallen op door talrijke groepjes toeristen die door de lommerrijke straten gemoedelijk rondtrekken. Zelfs het centrum lijkt opgeknapt. Het meest zichtbaar is ontluikend internationaal toerisme in de zuidelijke wijk Coyoacán. Daar, op ruim een half uur autorijden van het stadscentrum, staat Casa Azul: een opvallend blauw geschilderd woonhuis in een dorpsachtige straat. Elke dag stroomt de straat hier vol met geduldig wachtende mensen die allemaal dezelfde woning willen bezoeken. Op deze plek is de Mexicaanse schilderes Frida Kahlo in 1907 geboren. Later, na de dood van haar vader, trok ze samen met de al even beroemde Mexicaanse schilder Diego Rivera in het eenvoudige pand. De kunstenaarsechtpaar bood hun huis zelfs korte tijd aan aan de Russische marxist Leon Trotsky, toen deze met zijn vrouw naar Mexico vluchtte. In het blauwe huis stierf de schilderes, 47 jaar jong, aan de verwondingen die ze in haar jeugd had opgelopen bij een busongeluk in een van de straten. Dat was in 1954.

Rivera is een Mexicaanse held, maar Kahlo lijkt nu nog veel beroemder te worden. Dat gebeurde vooral na het verschijnen van de film ‘Frida’ in 2002, gemaakt door de Amerikaanse regisseur Julie Taymor. De film is gebaseerd op de biografie over Kahlo uit 1983 en schetst een kort, ongelukkig en opwindend liefdesleven van twee sterke persoonlijkheden (Kahlo: “There have been two great accidents in my life. One was the trolley, and the other was Diego. Diego was by far the worst”). Vooral sinds ‘Frida’ ook op Netflix te zien is, is toerisme naar Mexico City massatoerisme geworden. Elke maand bezoeken 25.000 jonge mensen de woning, die niet groter is dan 800 vierkante meter, dat is circa 300.000 toeristen per jaar. Op zichzelf lijkt dat niet veel. Maar een flink aantal nieuwe musea in de metropool is inmiddels met Kahlo’s naam in verband gebracht en in 2014 merkte de BBC op dat de merchandising van het merk ‘Kahlo’ in de miljarden moet belopen. Overal in de stad liggen T-shirts, boeken, schotels, prints en zelfs luciferdoosjes met afbeeldingen van Kahlo of van een van haar schilderijen. Afgelopen zomer opende er een tentoonstelling over haar in het V&A in Londen. Die betrof de opvallende kleurrijke kleren die ze in haar korte leven heeft gedragen en vertelde over de herkomst en betekenis ervan. De tentoonstelling was een blockbuster. Het liefdesleven van Kahlo, maar vooral het verhaal over haar lijden, jaagt sindsdien het internationale toerisme naar Mexico City op. In 2016 ging het om 2 miljoen internationale toeristen, in 2025 verwacht de stad zeker 50 procent meer gasten te ontvangen. Een soort van Anna Frankhuis dus. De prognose werd overigens gemaakt kort voordat de film ‘Roma’ van de Mexicaanse regisseur Alfonso Cuarón de filmhuizen veroverde. Ook op Netflix is deze te zien. Daarom verwacht ik de komende jaren nog beduidend méér toeristen.

Tagged with:
 

Geen ‘witte olifanten’ in Mexico City

On 12 maart 2019, in infrastructuur, sport, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Spatial Effects of the Olympic Games in Mexico City‘ van Fernando Greene Castillo:

Gerelateerde afbeelding

Nog steeds is Mexico City trots als een pauw op de Olympische Spelen die de stad in 1968 organiseerde. Het viel me op toen ik deze winter de megastad bezocht. Ik wist er eerlijk gezegd weinig van. In het Pallacio de Bellas Artes trof ik een fraaie tentoonstelling aan over de legacy van de Spelen, inmiddels vijftig jaar geleden gehouden. Daar was ook een kaartje te zien met alle grootstedelijke openbare werken die met de spelen in de stad waren gereedgekomen. Het zag er indrukwekkend uit. In de jaren ‘60 ging het Mexico economisch voor de wind. Daardoor durfde het IOC de Spelen van ‘68 aan het Midden-Amerikaanse land toe te wijzen. De beslissing van de Mexicanen zelf om, na andere Olympische steden bestudeerd te hebben, te kiezen voor een opzet waarbij de sportvoorzieningen over de stad werden gespreid, blijkt vijftig jaar later ronduit visionair. Fernando Greene Castillo schreef er een rapport over. Alle venues, las ik, werden op 20 minuten reizen van het te bouwen Olympisch dorp gesitueerd; dit kwam neer op een onderlinge afstand van 26 kilometer. Er werden zes nieuwe wegen gebouwd om alle stadions met elkaar te verbinden. De belangrijkste was de Periferico Sur met een lengte van 16 kilometer. Juist door de aanleg van deze hoofdweg werd Mexico City aan de zuidzijde opengelegd voor verdere expansie: een nieuw stedelijk gebied van zeker 2.500 hectare.

De andere stedelijke hoofdaders die voor de Spelen werden aangelegd of verbreed waren de Viaducto Tialpan met een lengte van 4,6 kilometer, dit is nu een van de belangrijkste radialen in de stad, en nog eens vijf andere stedelijke boulevards. Castillo: “Road infrastructure expansions on empty areas, as those built in the south part of the Metropolis, affected the territorial shape and size of the city very fast, since they pushed the opening of new urban areas almost immediately.” Tijdens mijn bezoek viel me op dat de zuidkant rond de universiteit qua stedenbouw inderdaad uitstekend is gedimensioneerd en zowel intern als extern goed verbonden. In totaal werd er destijds voor 79 miljoen US dollar aan infrastructuur in de stad aangelegd. In die tijd was dat veel geld. Maar achteraf gezien was deze uitgave alleszins welbesteed en eigenlijk ook bitter noodzakelijk. Ook alle sportfaciliteiten blijken vijftig jaar later nog volop in gebruik. Geen ‘witte olifanten’ in deze megastad. Tijdens een van onze stadswandelingen zagen we juist dat het oude gymnasiumcomplex grondig werd opgeknapt. Misschien had u dat niet gedacht. In 1968 telde Mexico City nog 9 miljoen inwoners; inmiddels zijn dat er driemaal zoveel.

Tagged with:
 

Hoe Amsterdam de Olympische Spelen kreeg

On 10 maart 2019, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Amsterdam 1928’ (2008) van Paul Arnoldussen:

Afbeeldingsresultaat voor paul arnoldussen olympische spelen amsterdam 1928

Het begon allemaal in maart 1911 met een diner in Amsterdam. Die avond stelde het Nederlandse IOC-lid Van Tuyll voor om de hoofdstad te kandideren voor de Spelen van 1920. Aanwezig waren sportbestuurders uit heel Nederland. Aan tafel zat ook de voorzitter van het IOC, baron De Coubertin. Die vertelde dat de kansen van Amsterdam behoorlijk hoog moesten worden ingeschat. Het werd aanleiding voor de sportbestuurders om het NOC op te richten. In 1908 waren de Spelen in Londen gehouden, die van 1912 zouden plaatsvinden in Stockholm. Een jaar later later zou Berlijn de Spelen van 1916 toegewezen krijgen, maar de Eerste Wereldoorlog gooide vervolgens roet in het eten. Pas in 1919, na alle oorlogsgeweld, kwam het IOC weer bijeen. Daar kandideerde Van Tuyll Amsterdam prompt voor de Spelen van 1924. Dit alles valt te lezen in de boeiende geschiedenis van de Olympische Spelen van Amsterdam 1928, geschreven door de journalist Paul Arnoldussen. Ik kocht het boekje onlangs in de ramsj. Zo ook las ik dat De Coubertin zelf die de Spelen van 1924 aan zijn geboortestad Parijs toewees, om 30 jaar Olympische Spelen te vieren. Dat besluit viel in Lausanne, in 1921. Maar Amsterdam, liet de Franse voorzitter bij diezelfde gelegenheid weten, kon wat hem betreft die van 1928 krijgen. Dit ‘dubbelbesluit’ heette later de coup van De Coubertin. Arnoldussen beschrijft heel precies hoe de besluitvorming vervolgens in Nederland plaatsvond.

Het NOC treuzelde daarna lang, zo lang zelfs dat Chicago zich al snel opwierp als alternatief. De Amerikanen boden fors geld, terwijl in Nederland nog geen gulden was opgehaald. In 1924, dus vier jaar voor het evenement, begon het NOC zelfs een campagne voor Spelen in Den Haag, dus niet in Amsterdam. De hoofdredacteur van het NOC-orgaan bleek een grondige hekel aan Amsterdam te hebben. Het argument was: in Den Haag hebben alle sportbonden hun zetel, het Haagse bedrijfsleven wil grif betalen, wat was er mooier dan een stadion op het Malieveld. Wat stak hierachter? Hij en anderen vonden het gemeentebestuur van Amsterdam te links, te socialistisch. In 1925 weigerde ook de Tweede Kamer geld voor Spelen in Amsterdam te reserveren. In Parijs was het ‘teveel kermis’, als Nederland het deed, dan moest het ‘sober’ en ‘eenvoudig’. Minister Colijn van Financiën kreeg zijn eigen ARP-achterban niet mee. De antirevolutionairen verklaarden zich tegen ‘heidense feesten’. Alle christelijke partijen vreesden trouwens voor schending van de zondagsrust. Toen bleef er voor de sportbonden niets anders over dan om zelf geld op te halen bij hun leden. Hun ‘Comité 1928’ ging langs de deuren. En Amsterdam zelf kwam over de brug met een kwart miljoen. Net op tijd was er de benodigde anderhalf miljoen gulden ingezameld. Herkenbaar? Nou en of.

Tagged with:
 

Mexico City van drinkwater verstoken

On 6 maart 2019, in water, by Zef Hemel

Gelezen op NPR van 14 september 2018:

Afbeeldingsresultaat voor water system mexico city map

Bron: Geo-Mexico

Het obesitasprobleem in Mexico City is gigantisch. Vooral dat viel me op tijdens mijn recente bezoek. Mensen zijn hier dik. Mijn indruk is dat dit komt doordat de inwoners van deze megastad van 22 miljoen voornamelijk cola drinken. Drinkwater uit de kraan is namelijk te gevaarlijk en cola is extreem goedkoop. Waarom is de watervoorziening zo gebrekkig? Dat heeft met de ligging van de stad te maken. Mexico City ligt op een hoogte van 2400 meter in een brede vallei in het binnenland, het is een natuurlijk bassin dat wordt omgeven door piekende vulkanen. Ooit lag de Inca-stad op eilanden in kunstmatige meren, maar sinds de komst van de Spanjaarden zijn deze een voor een drooggelegd. Zeventig procent van het drinkwater komt nu uit de ondergrond, dertig procent wordt via pijpleidingen aangevoerd uit de omringende bergen en rivieren. Dit heeft tot gevolg dat de bodem zakt. Herstel van het grondwaterpeil zal honderden jaren kosten. De meeste van de regenpijpen zijn inmiddels zestig jaar oud. Ze lekken en de deugen niet, naar schatting verdwijnt veertig procent van het drinkwater in de bodem.  Tien jaar geleden begon de overheid aan de bouw van tunnel waardoor water dwars door de stad zou worden getransporteerd, maar de bouw liep ernstige vertraging op en de kosten (2 miljard dollar) liepen uit de hand. Het huidige systeem voert in het regenseizoen het regenwater pijlsnel af, terwijl in de rest van het jaar geen druppel regenwater achterblijft. Een rampzalige situatie.

Eind 2018 trad in Mexico City een nieuwe burgemeester aan. Claudia Sheinbaum is milieukundige, afgestudeerd aan Berkeley University, San Francisco, ze beloofde direct na aantreden een extra injectie van 370 miljoen US dollar in het gebrekkige waterleidingsysteem, wat neerkomt op een 50 procent groei van het stedelijke waterbudget. De vraag is natuurlijk of dit voldoende zal zijn. Nog in november 2018 liepen reparatiewerkzaamheden uit in de tijd, hetgeen betekende dat vier miljoen inwoners gedurende vele dagen verstoken bleven van drinkwater. Scholen moesten zelfs hun deuren sluiten. Vooral de arme oostkant van de metropool had het zwaar te verduren. De watertanks liggen op 76 kilometer afstand aan de westkant van de stad en doordat de werkzaamheden uitliepen, hadden pompen 156 uur nodig om vers water aan te voeren. Het was de langste onderbreking in de watertoevoer in de geschiedenis van de stad. Begin dit jaar kondigde de nieuwe burgemeester aan dat huiseigenaren voortaan zelf regenwater moeten opvangen. Er komen 10.000 bergingssystemen die eigenaren zelf moeten installeren en bedienen. In zes jaar tijd zal dit aantal worden vertienvoudigd. Alles op kosten van de stad. Huiseigenaren moeten alleen een training volgen. Mij leek het het beste bericht over Mexico Stad in jaren, althans ik als planoloog uit het waterrijke Nederland. Lang leve de waterschappen!

Tagged with:
 

Gidsland Nederland

On 4 maart 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 18 november 2017:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Wikiwand

Terwijl Nederland afgelopen week opnieuw krachtdadig optrad in zijn Mainport Schiphol-dossier, bouwen Shanghai, Dubai, Istanbul, Berlijn en Mexico City aan compleet nieuwe megahubs. Ook Ho Chi Min Stad aast op een hub-positie in het mondiale netwerk van vliegverbindingen. Alleen die van Berlijn komt maar niet af en die van Mexico City is oktober 2018 zelfs stilgelegd, drie jaar nadat de bouw was begonnen. Na een haastig door de nieuw gekozen president van Mexico, Andrés López Obrador, ingesteld referendum stemde in oktober zeventig procent van de miljoen kiezers voor onverkort stoppen. Een derde van het vliegveld – ontwerp met zes parallelle banen van de Britse architect Norman Foster – was toen al gereed; in 2020 zou de eerste fase worden opgeleverd. Totale kosten werden geschat op ruim 13 miljard US dollar. De staat, die opdraait voor 60 procent van de kosten en die voor de financiering sterk afhankelijk is van olie-export, kijkt aan tegen een historisch lage olieprijs. De rest betreft leningen die vooral zijn verbonden met de naam van Carlos Slim, een Mexicaanse multimiljonair, en hier vermoedt de Mexicaanse bevolking ernstige corruptie. Daar komt bij dat de nieuwe luchthaven in een deels drooggelegd meer aan de oostkant van de stad zou worden gebouwd, een nog niet verstedelijkt gebied waar de bodem ernstig verzakt door voortdurende grondwateronttrekking. Ondertussen heeft de bestaande luchthaven Benito Juarez, midden in Mexico City, al ruimschoots zijn maximale capaciteit bereikt: 40 miljoen passagiers per jaar (Schiphol: 68 miljoen).  De luchthaven is berucht om zijn vertragingen. Hoe loopt dit af?

Het alternatief dat nu in opdracht van de president wordt onderzocht betreft de toevoeging van twee landingsbanen aan een bestaande militaire vliegveldbasis in Santa Lucia. Kosten: 3,5 miljard US dollar. Ook moet de oude luchthaven worden opgeknapt, wat extra kosten met zich zal brengen. Santa Lucia ligt 47 kilometer noordelijk van Benito Juarez. Twee luchthavens zo dichtbij elkaar is lastig. Net als in het geval van Lelystad ontstaan hier problemen met de toedeling van het luchtruim. De president zet door en denkt dat hiermee een flinke kostenbesparing mogelijk wordt. Vooral ecologen zijn blij met de presidentiële beslissing. In november 2017 meldde de New York Times dat het Texcoco meer waar de nieuwe luchthaven was geprojecteerd nodig is voor de watervoorziening van de stad, die toch al uiterst precair is. Bovendien leven er zeldzame vogels. Al zou het nieuwe vliegveld een van de duurzaamste in zijn soort worden, feit bleef, aldus de krant, dat 500 hectare aan het bestaande natuurgebied werd onttrokken. Bovendien waren er plannen voor nieuwe hotels en winkelcentra in de directe omgeving. Ondanks toezeggingen dat het water via tunnels en kanalen in vijf nieuwe reservoirs zou worden opgevangen, bleven gedetailleerde plannen hiervoor uit. En inwoners van het nabijgelegen Chimalhuacán claimden rechten en beweerden dat ze van hun gronden waren verdreven. Nee, dan Schiphol in het Haarlemmermeer. Maximale capaciteit bereikt. Een overloop naar vliegveld Lelystad. Voorbeeldige ruimtelijke planning. Probleempje met het luchtruim. Zou Obrador voor zijn oplossing naar Nederland hebben gekeken?

Tagged with:
 

Een afdaling in de maalstroom

On 1 maart 2019, in boeken, filosofie, politiek, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Waar kunnen we landen?’ (2017) van Bruno Latour:

Afbeeldingsresultaat voor waar kunnen we landen latour

Voor de Franse filosoof Bruno Latour is er geen twijfel mogelijk. In ‘Waar kunnen we landen?’ stelt hij vast dat de rijken op deze aarde de noodlottige klimaatverandering niet langer ontkennen.  Met de uitverkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten op 11 november 2016 werd duidelijk dat de leidende klassen tot de conclusie zijn gekomen “dat er op aarde niet genoeg plaats meer is voor henzelf én voor alle andere mensen.” De elites zoeken nu een goed heenkomen. Een gemeenschappelijke toekomst bestaat niet meer. Dit noemt hij het Nieuwe Klimaatregime. “Iedereen weet nu dat de klimaatkwestie tot de kern van alle geopolitieke issues behoort en dat ze rechtstreeks verbonden is met vraagstukken van onrechtvaardigheid en ongelijkheid.” Waarop hij de vraag stelt waar we kunnen landen. (Wel gek dat ik zijn boek juist in het vliegtuig op weg naar Mexico City las). Verdere globalisering, aldus Latour, heeft geen toekomst meer, maar lokalisering – het tegenovergestelde – ook niet. Immers, we kunnen niet terug in de tijd, want alles is al teveel veranderd, niet alleen de bodem, maar ook de tradities. Het enige wat werkt is een derde attractor buiten het klassieke politieke spectrum zoeken: het aardse. Dat betekent dat we weer kennis moeten verwerven over een hele reeks transformaties: “genese, geboorte, groei, leven, dood, bederf, metamorfoses.” Het subjectieve, het toevoegen van gevoelens aan koele kennis is dringend nodig.

Latour pleit ervoor om de wereld weer ‘bezield’ te maken. Wetenschap moet niet meer gaan over de analyse van productiesystemen: van materiële natuur, maar van verwekkingssystemen: van bezielde natuur. We moeten het ook niet meer over mensen hebben, maar over aardbewoners, dus ook dieren en planten. “Aardbewoners hebben namelijk het netelige probleem dat ze moeten ontdekken hoeveel andere wezens ze nodig hebben om te kunnen voortbestaan.” Wat te doen? Latour antwoordt dat we in de eerste plaats moeten gaan beschrijven: waaruit bestaat het aardse, wat maakt ons voortbestaan mogelijk, waar ben je het meest aan gehecht? Met wie kun je leven? Wie is voor zijn voortbestaan van jou afhankelijk? Met wie zul je de strijd moeten aangaan? Hoe kan een volgorde van belangrijkheid in al die agentia worden aangebracht? Dit beschrijven moet van onderop, via onderzoek, gebeuren. Latour gelooft dat het kan: “Ondanks de gaten die overal door de mondialisering zijn geslagen, waardoor het zo moeilijk is geworden de dingen waaraan we gehecht zijn op te sporen, valt nauwelijks te geloven dat we die klus tegenwoordig niet even goed zouden kunnen klaren.” Dit staat ons de komende tijd te doen: beschrijvingsarbeid voor alle bezielde wezens, het weer oppakken van de kwestie van de gemeenschappelijke wereld. Te beginnen met de binnenstad van Amsterdam.

Tagged with:
 

Goed nieuws uit Mexico City

On 27 februari 2019, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Mega-City in Latin America’ (1996) van Allison Rowland en Peter Gordon:

Afbeeldingsresultaat voor mexico city statistics

Bron: Newgeography.com

Mexico City telt op dit moment liefst 22 miljoen inwoners en behoort daarmee tot de grootste megasteden ter wereld. Projecties gingen tot diep in de jaren ‘90 nog uit van een groei naar 25 tot 27 miljoen inwoners, waarbij gevreesd werd dat de sterk uiteengelegde stad chaotisch en onbestuurbaar zou worden, maar de jaarlijkse groei van bijna 6 procent die inzette in de jaren ‘50 tot ‘70 liep in de jaren ‘80 snel terug tot minder dan 2 procent. Volgens Allison Rowland en Peter Gordon was dit te danken aan de nationale industriepolitiek van president Salinas waardoor banen niet meer uitsluitend in de Mexicaanse hoofdstad werden gecreëerd, maar ook in andere steden. Zelf denk ik dat de omvang van de megastad een natuurlijk maximum had bereikt en dat eind twintigste eeuw de stad eindelijk de bevoegdheid kreeg om zichzelf te besturen. Tot diep in de twintigste eeuw was dit een staatsaangelegenheid, toebedeeld aan de president. In 2000 trad Andrés Manuel López Obrador aan als burgemeester van Mexico City. In de vijf jaar dat hij de megastad bestuurde werden vrije busbanen aangelegd op de belangrijkste corridors en werd het stadscentrum opgeknapt met geld van de bevriende miljardair Carlos Slim. De New Yorkse oud-burgemeester Rudy Giuliani adviseerde Obrador over een zero-tolerance beleid, waarna de criminaliteit in de stad snel terugliep. In 2004 werd hij als de een na beste burgemeester ter wereld gekozen door het World Mayor Forum. Afgelopen jaar is Obrador na drie mislukte pogingen tot president van Mexico gekozen. Een portret van hem stond deze week in The Economist.

Afgelopen week verbleef ik een aantal dagen in Coyoacán, Mexico City. De uitgestrekte megastad voelde inderdaad veel veiliger, het openbaar vervoer is sterk verbeterd, de openbare ruimte in het centrum oogt fraai, er is veel (t0t de tanden bewapende) politie zichtbaar op straat, de stadsreiniging werkt aan afvalscheiding, er is een begin gemaakt met internationaal toerisme, hoogbouw doet zijn intrede, kortom in minder dan twintig jaar is de kwaliteit van leven in deze krankzinnige miljoenenstad aanzienlijk verbeterd. En het bijzondere is dat in december afgelopen jaar in Mexico City een vrouwelijke burgemeester is aangetreden: Claudia Sheinbaum (56 jaar), die behoort tot de linkse partij van Obrador en die met een stevige anti-corruptie campagne de meerderheid van stemmen kreeg. Ze belooft meer democratie en burgerlijke vrijheden en wil de oproerpolitie omvormen tot een normaal politiecorps. Daarnaast wil ze bouwbesluiten steviger handhaven en beter toezien op corruptie in de bouwindustrie. Mexico City ligt in een aardbevingsgebied, bovendien is de bodem instabiel, waardoor gebouwen gemakkelijk instorten. Bij haar aantreden kondigde Sheinbaum de aanschaf van 800 nieuwe autobussen en 100 nieuwe trolleybussen aan. Ook maakte ze 245 miljoen dollar vrij voor uitbreiding van het metrosysteem en gaat ze kabelbanen aanleggen naar de slums in de stedelijke periferie. Onder Obrador was Sheinbaum wethouder voor milieuzaken. Ik las het in een Mexicaanse krant. Ondertussen maakte Het Parool bekend dat Amsterdam afstevent op 1 miljoen inwoners. De Vereniging Deltametropool twitterde nerveus dat ze mijn visie hierop afwacht. Moet ik werkelijk reageren?

Tagged with:
 

Londen versus de rest

On 25 februari 2019, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Policy & Politics van 5 december 2016:

Gerelateerde afbeelding

 

Bron: The Happyhypocrite.org

In ‘What ever happened to asset-based welfare?’ – een wetenschappelijk artikel in Policy & Politics -  schrijven Richard Ronald en anderen over het gewijzigde ‘woon- en welvaartslandschap’ in het Verenigd Koninkrijk na de financiële crisis van 2008. De Brit Ronald is hoogleraar Housing, Society and Space aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met zijn mede-onderzoekers vond Ronald groeiende ruimtelijke en intergenerationele verschillen op de Britse woningmarkt als het gaat om toegankelijkheid en woningbezit, en ook grote verschillen in economische zekerheid en welvaartsvooruitzichten voor huurders en kopers. De herstructurering van de Britse woningmarkt in de jaren negentig was, net als in Nederland, in de eerste plaats bedoeld om het woningbezit onder de brede middenklasse te vergroten en daarmee de noodzaak van (pensioen)uitkeringen en toelages te verkleinen. De staat zou zich terugtrekken, burgers zouden op eigen benen gaan staan, de noodzaak van uitkeringen zou verminderen. Het klonk mooi, maar wat blijkt? Sinds de financiële crisis kunnen nieuwe generaties zich geen woning meer veroorloven, stromen gepensioneerde woningbezitters niet door naar kleinere woningen, groeit het aantal vastgoedeigenaren dat woningen verhuurt, is de staat juist meer geld kwijt aan uitkeringen.

De financialisering heeft niet alleen de verschillen tussen de generaties vergroot, ook de verschillen tussen Londen en de rest van het Verenigd Koninkrijk zijn sterk gegroeid. Tussen 2008 en 2013 stegen de woningprijzen in Londen met liefst 23,9 procent, terwijl die in de rest van het VK daalden met percentages variërend tussen de 9,5 en 16,2. Internationaal kapitaal stroomde naar de Britse hoofdstad om van de prijsstijgingen te profiteren. Door de dalende woningprijzen zijn de problemen met de hypotheekschulden in grote delen van het land omvangrijk – veel omvangrijker dan in en rond Londen. Daar staat tegenover dat in Londen woningbezit voor de meesten onbetaalbaar is geworden en dat op grote schaal moet worden gehuurd. Huren stegen in Londen explosief: meer dan twee keer sneller dan in de rest van het land. Londense huurders zijn nu vooral jongeren (51 procent), en hun vooruitzichten op het kopen van een woning daalt elk jaar. Conclusie van de onderzoekers: “The significant push for home ownership by both Conservative and Labour governments in the late twentieth century appears, then, to have produced declining owner-occupancy rates in the early twenty-first century (especially among people aged 35 and under), and higher public spending on housing (benefits).” Door de groeiende contrasten wordt het vinden van een politieke oplossing steeds moeilijker. En de kleine groep die van de situatie profiteert, consumeert de overwaarde, terwijl de overgrote meerderheid – ook in Londen – het steeds lastiger krijgt. Dat die kleine groep zich in de Britse hoofdstad bevindt, zal duidelijk zijn. Het is vast de ‘witte wijn sippende elite’ die premier Rutte bedoelde.

Tagged with: