Tuin van de wereld

On 28 maart 2020, in literatuur, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Grand Hotel Europa’ (2018) van Ilja Leonard Pfeijffer:

Grand Hotel Europa ebook by Ilja Leonard Pfeijffer

Eindelijk ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Pfeijffer gelezen. Pfeijffer vestigt zijn naam als de Nederlandse Dave Eggers. Maar dan wel een Eggers die Mann probeert te overtreffen. Nou, dat is hem niet gelukt. Grand Hotel Europa lijkt verdacht veel op ‘De Toverberg’ (1924) van Thomas Mann, maar is echt niet geschreven na een verwoestende wereldoorlog. Het sanatorium uit de ‘danse macabre’ van bijna duizend pagina’s van de Duitser blijkt door Pfeijffer ingeruild voor een verlopen Italiaans hotel dat door een rijke Chinese ondernemer is opgekocht. Beide vuistdikke romans willen een beeld schetsen van een Europa dat als hoogstaande beschaving alle glans heeft verloren. Trekt bij Mann de hoofdpersoon naar het slagveld van de Eerste Wereldoorlog, bij Pfeijffer vliegt hij naar Abu Dhabi. De ironie ten top. Wat staat er op de achterflap van deze Nederlandse bestseller? “Intussen vat hij (Ilja Pfeijffer, ZH) een fascinatie op voor de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij steeds meer betrokken bij het wedervaren van de memorabele personages die het bevolken en die uit een eleganter tijdperk lijken te stammen, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.” Wat bij Pfeijffer’s roman om zich heen grijpt is het mondiale toerisme. Was het boek twee jaar later geschreven, dan was Grand Hotel Europa met zijn oude, verzwakte inwoners dodelijk geraakt door het coronavirus, dat weet ik zeker.

Het absolute hoogtepunt en keerpunt in de roman is de confrontatie van Pfeijffer met de adembenemende tentoonstelling in zijn door toerisme geplaagde Venetië. ‘Treasures from the Wreck of the Unbelievable’ van Damien Hirst boezemt hem ontzag in en doet hem zelfs tollen. De gigantische tentoonstelling met de door duikers denkbeeldig opgegraven kunstschatten uit een oud schip beschrijft hij met zoveel liefde dat hij zichzelf verraadt: “Zo moet ik schrijven, dacht ik, in de geest van dit machtsvertoon, deze gulheid en dit plezier in het avontuur. Ik moet de klassieke vormen en zucht naar monumentale perfectie niet mijden uit angst om niet modern te lijken, maar de moed hebben om de tijd waarin ik leef te vatten in marmeren zinnen, bronzen woorden en beelden van goud, zilver en jade, en met de beste middelen en materialen uit het verleden een gedenkteken op de richten voor het nu.” Dat had Pfeijffer inderdaad moeten doen en zijn zinnen zijn uit marmer, maar hij was zo in beslag genomen door zijn afkeer van het toerisme dat hij alles vergat. Hij vergat dat hij in een schitterende wereld leeft, op een continent met een zeer hoge beschaving. Hij wil het alleen niet zien. Waarom? Omdat hij de vele mensen op straat verafschuwt en de globalisering, het toerisme met name, haat. En dat terwijl hij oog in oog staat met het werk van een van de grootste kunstenaars op aarde: Damien Hirst. Een Europeaan uit Londen. Uitgerekend in Venetië. In de globalisering wordt Europa inderdaad ‘de tuin van de wereld’. Pfeijffer laat het een van zijn figuranten wel zeggen, maar hij doorgrondt de metafoor zelf niet.

Tagged with:
 

De wereld één grote polder

On 18 maart 2020, in duurzaamheid, economie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Collapse’ (2005) van Jared Diamond:

Collapse: How Societies Choose to Fail or Succeed by Jared Diamond

De stikstofcrisis blijkt voorbode van iets veel ergers. Wie de huidige Corona-epidemie echt in een groter verband wil zien, moet ‘Collapse’ van de Amerikaanse geograaf Jared Diamond nog maar eens lezen. Het boek verscheen vier jaar na 9/11 en een jaar na Al Gore’s  ‘An Inconvenient Truth’ en werd onmiddellijk een groot succes. Boodschap:  groei kan nooit eindeloos doorgaan, na extreme groei volgt een ongenadige klap. Hoe gaat een samenleving daarmee om? Haar respons is cruciaal voor overleven. Diamond onderscheidde twaalf vraagstukken die onderling nauw samenhangen: 1. vernietiging van biodiversiteit, 2. overbevissing, 3. teruggang van soortenrijkdom, 4. erosie en bodemverontreiniging, 5. uitputting van fossiele energiebronnen, 6. uitputting van zoetwaterbronnen, 7. absorptie van zonlicht voor plantengroei, 8. chemische verontreiniging van bodem, water en lucht, 9. verslepen van dieren en planten over continenten waardoor ziektekiemen zich verspreiden, 10. gassen die de chemische samenstelling en temperatuur van de atmosfeer ontregelen, 11. bevolkingsgroei, 12. consumptie en afval die exponentieel stijgen. Door globalisering, aldus Diamond, is de wereld feitelijk één grote polder geworden: als wereldgemeenschap moeten we, net als de Nederlanders, gaan samenwerken, want anders zullen we onszelf vernietigen. 

Toen de socioloog Joop Goudsblom het boek in NRC Handelsblad (21 januari 2005) recenseerde herkende hij veel: “Tegenover het spookbeeld van overbevolking staat de dreiging van epidemieën, door sommigen luchthartig cynisch afgedaan als een ‘oplossing’ voor het bevolkingsprobleem.” Oorlog vond Goudsblom nog veel erger. Maar het boek verraste hem niet. Waarna Goudsblom ging graven in de vereiste maatschappelijke respons. Welke mentaliteit is tegen al deze nauw verbonden wereldvraagstukken opgewassen? Daarover was de Nederlander niet optimistisch. Goudsblom: “Hoewel aan de meeste handelingen die mensen verrichten wel enig plan ten grondslag ligt, ontsnappen de meeromvattende sociale processen waar deze handelingen deel van uitmaken meestal aan het vermogen tot planning.” Dat geldt zeker voor langetermijnprocessen. “Mensen kiezen van dag tot dag een traject van beslissingen. De gevolgen daarvan overzien ze nauwelijks.” Diamond dacht daar heel anders over. Mensen zijn wel degelijk in staat tot langetermijndenken, maar dat vereist wel grote moed. Die moed is ook nodig om pijnlijke beslissingen te nemen over waarden. Welke waarden willen we behouden en welke zetten we overboord? Ten slotte hebben we het vermogen om te leren. Kiezen we voor eindeloze consumptiegroei of stappen we daarvan af? Zien we het virus als een incident of erkennen we de samenhang? Krijgen we een Ministerie van Planning en beleven we een revival van het langetermijndenken of gaan we door op de neoliberale weg? De komende tijd zal het leren.

Tagged with:
 

Mobiliteitscrisis op komst

On 13 maart 2020, in economie, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 9 september 2019:

Afbeeldingsresultaat voor shrink new york chicago los angeles

Bron: BloombergQuint

In The Atlantic verscheen vorig najaar een bericht over bevolkingsverlies in de drie grootste Amerikaanse steden. In ‘Why Are America’s Three Biggest Metros Shrinking?’ ging Derek Thompson op zoek naar de achtergronden van de opmerkelijke recente bevolkingskrimp in New York, Los Angeles en Chicago. In 2018 verloor New York 277 inwoners per dag. In Chicago was dat 161 per dag, in Los Angeles 201 per dag. En dat terwijl deze metropolen als de grote winnaars na de financiële crisis van 2008 uit de bus kwamen en er sprake leek van een stedelijke renaissance. Hun aantrekkingskracht op hoogopgeleide kenniswerkers is onmiskenbaar. Maar hun evidente succes – door de groei en aanwezigheid van veelbelovende techfirma’s en andere zakelijke bedrijven – heeft wel tot gevolg gehad dat hun centra in korte tijd overkookten. Zelfs hoogopgeleiden worden nu de grote steden uit gedreven. Waar gaan zij naar toe? Thompson: naar de tech-steden in het zuiden zoals Houston, Dallas, San Antonio, Austin. Die steden groeien razendsnel. Tot voor kort werd dit vertrekoverschot gecompenseerd door internationale immigratie – zowel hoog- als laagopgeleid –, maar daaraan komt nu een einde. De grote vraag is waarom?

Thompson houdt het simpel: die kleinere techsteden in het zuiden hebben domweg goedkopere woningen in de aanbieding. En ook hun centra bieden nu hipstercafé’s en goede muziek. Waarom nog in zo’n grote metropool proberen te blijven? Voor Chicago is het duidelijk: achteraf blijkt daar sprake van een korte opleving in een trend van aanhoudende krimp. Vooral de Afro-Amerikaanse middenklasse ontvlucht daar de slechte buurten, pakt zijn biezen en trekt naar het zuiden. Iets soortgelijks doet zich voor in Los Angeles: de middenklasse kan de dure stad niet meer betalen en trekt weg. Zowel in Chicago, Los Angeles als New York is het vooral de zwarte middenklasse die de grote steden verlaat en die naar het zuiden migreert. Thompson spreekt van een ‘Reverse Great Migration’. Hij vraagt zich af wat dit voor het politieke landschap in de zuidelijke staten zal betekenen. “In the 2020s, as in the 1960s, it may be said that movements begin with movers.” Bovenal begrijpt hij niet waarom de drie grote steden niet veel meer woningen bouwen. Hun belastingen gaan omhoog, terwijl die in Florida omlaag gaan, maar gebouwd wordt er niet, althans niet voor de middenklasse. Inderdaad, als ook Amsterdam te duur wordt en niet voldoende middeldure woningen bouwt, zal ook hier de middenklasse wegtrekken. In feite is dat al aan de gang. De grote vraag is waar deze naartoe gaat. In ieder geval blijft het werk achter. Ik voorspel u een mobiliteitscrisis.

Tagged with:
 

Gehoord in de aula van de Universiteit Utrecht op 3 maart 2020:

Afbeeldingsresultaat voor oedzge atzema urbanisatie suburbanisatie nederland kaart

In zijn uittreerede afgelopen dinsdag 3 maart sprak Oedzge Atzema, hoogleraar Economische geografie aan de Universiteit Utrecht, over ‘Oo(g)st’. Die oogst bleek drieledig: zijn eigen carrière aan de hand van werkplekken en collega’s, een overzicht van vijftig jaar urbanisatie en suburbanisatie in Nederland, een onderzoek in opdracht van de provincies Overijssel en Gelderland naar ‘De kracht van Oost’. Hier beperk ik me tot de laatste twee. Wat urbanisatie en suburbanisatie in Nederland betreft werden de aanwezigen getrakteerd op een vervolg van het onderzoek van Atzema aan de Radboud Universiteit in Nijmegen zoals neergelegd in zijn proefschrift uit 1991, getiteld ‘Stad uit, stad in’. In dat proefschrift beschreef hij de residentiële suburbanisatie in Nederland in de jaren zeventig en tachtig aan de hand van kaarten en cijfers. Die uit de jaren negentig, nul en tien had hij er nu aan toegevoegd. Wat blijkt? De dominante suburbanisatie uit de jaren zeventig en tachtig is omgeslagen in een regelrechte urbanisatie, met Amsterdam als grote winnaar. Eigenlijk had Atzema dit in 1991 al voorzien, want in zijn proefschrift schreef hij over een verminderde trek uit de steden, die hij structurele kenmerken toedichtte en waarvan hij voorspelde dat die het stedelijk landschap van Nederland in de jaren negentig zou gaan bepalen. Maar echte urbanisatie zoals die zich sinds 2003 manifesteert, nee die is nieuw.

Volgens het theoretische fasenmodel dat Atzema hanteert zal op termijn de urbanisatie weer omslaan in suburbanisatie, want beide verlopen in een trage golfbeweging en wisselen elkaar af. Reurbanisatie doet zich het eerste voor op het niveau van de stedelijke agglomeratie, daarna het stadsgewest en uiteindelijk het peri-urbaan gebied. Ook toekomstige suburbanisatie zal zich het eerste aandienen op het niveau van de stedelijke agglomeratie. Is daar al sprake van? Met argusogen keken we naar zijn kaarten. De woningproductie in grootstedelijke agglomeraties als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam is op dit moment ronduit fors, ondanks de extreem hoge prijzen en de vele te overwinnen plaatselijke problemen. Je kunt het uittekenen: wanneer de rijksoverheid niet bijspringt koken de grote steden over en zullen veel mensen de grote steden inderdaad weer verlaten. Hier past één kanttekening. Atzema kijkt alleen naar wonen, niet naar werken. En dat voert naar ‘De kracht van Oost-Nederland. Een economisch-geografische analyse’ (2016). Daarin schrijven Atzema en andere onderzoekers dat de mate van ruimtelijke integratie tussen stadsregionale arbeidsmarkten in de Randstad veel groter is dan in Oost-Nederland. “Met name de jongste generatie kenniswerkers in Nederland, de instroom van talent uit het buitenland incluis, is steeds meer hoogstedelijk georiënteerd.Vooral deze groep stuwt het huidige grote succes van de Noordelijke Randstad.” Naarmate de kenniseconomie zich verder ontwikkelt, worden de benodigde ‘vijvers’ groter en dieper. De oostelijke provincies missen agglomeratiekracht.

Tagged with:
 

Knalharde Big Bang

On 8 maart 2020, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Middellandse Zee. De samenleving en de staat’ (1966) van Fernand Braudel:

Afbeeldingsresultaat voor braudel de middellandse zee. De samenleving en de staat

In DWDD-uitzending van 12 februari jongstleden ontving Matthijs van Nieuwkerk de directeur van het Rijksmuseum, Taco Dibbets. Aanleiding: de opening van de tentoonstelling ‘Caravaggio-Bernini. Barok in Rome’ die sinds 14 februari in het Amsterdamse museum is te zien. In zijn aankondiging sprak Van Nieuwkerk over Rome als de plek en de komst van de twee kunstenaars als de grote ‘Big Bang’. Letterlijk zei hij: “Het verhaal begint zo: het roemruchte Romeinse rijk is in elkaar gestort. Van de stad die ooit het centrum van de wereld was is niets meer over dan een paar sloppenwijken langs de rivier de Tiber, op het Forum grazen de koeien en het Colosseum is nog slechts een steengroeve. En dan staan twee mannen op: de schilder Caravaggio en de beeldhouwer Bernini en samen zorgen ze voor een knalharde Big Bang in de kunst.” In deel twee van zijn grote meesterwerk ‘De Middellandse Zee’ noemde de Franse geograaf en historicus Fernand Braudel Rome het voornaamste centrum van culturele verspreiding in de zeventiende eeuw. Hij beschrijft hoe de stad weer tot leven kwam in een periode die gekenmerkt werd door oorlogen, die de steden in het Middellandse-Zeegebied toch weinig gunstig gezind was. Gedurende vijftig jaar werden er overal in de stad paleizen en kerken gebouwd. Rome was één groot bouwterrein geworden. En de gewijde schilderkunst van de ‘barok’ was in de eerste plaats een kind van de architectuur. Hoe was deze Gouden Eeuw mogelijk?

Braudel wijdt een belangrijke passage aan de financiën van de Rooms-Katholieke kerk en de financiële bewindvoering van de Romeinse pausen, die hij aanduidt als ‘luxebeleid’. Want de uitzonderlijke groei van Rome bracht enorme kosten met zich mee. Deels konden de pausen zich deze weelde veroorloven doordat ze in de bedoelde vijftig jaar grote winsten maakten en geen oorlogen hoefden te financieren, voorts werden ze geholpen door een stroom Amerikaans zilver waarmee het Middellandse-Zeegebied werd overspoeld. Nieuwe religieuze orden schoten ‘als paddenstoelen uit de grond’ en beschouwden Rome als hun ‘etalage’. De barok, aldus Braudel, was eigenlijk een jezuïetenkunst en de kunst die deze voortbracht was pure propaganda en theater. “De kunst was een machtig strijdwapen en een middel om het volk te onderwijzen.” Hij spreekt van ‘de macht van het beeld’, van een kunst die moest overtuigen ‘met actieve bewijsvoering’, die op zoek was naar “het dramatische detail dat de toeschouwer zo zou treffen dat het op het netvlies bleef hangen.” Juist deze weken behandel ik in mijn colleges ‘Planologie. Wetenschap en Praktijk’ de functie van toekomstverhalen en hoe deze te verspreiden. Toekomstverhalen rond de groei van steden maken en vertellen, hoe doe je dat? Let op de macht van het beeld, heb oog voor dramatische details. Kijk eens naar die ‘knalharde Big Bang’. Van pausen en jezuïeten valt nog veel te leren.

Tagged with:
 

Amsterdam zien en dan sterven

On 5 maart 2020, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Caravaggio. A Life’ (1998) van Helen Langdon:

Afbeeldingsresultaat voor loreto holy house book

Over toerisme gesproken. In het Italiaanse Loreto, 280 kilometer oostelijk van Rome, staat het heilige huis waar Maria ooit met het heilige gezin zou hebben gewoond. Het is er vakkundig door engelen naar toe gebracht, vanuit Nazareth, helemaal door de lucht. Om precies te zijn, in de nacht van 9 op 10 december 1294 landde het huis in het dorpje in Midden-Italië, na een ingewikkelde omweg via Kroatië te hebben afgelegd. Hierna werd Loreto op slag een toeristische bestemming. De bedevaart naar Loreto bloeide in de middeleeuwen en beleefde in de vroege zeventiende eeuw een ware revival toen in de contrareformatie middeleeuwse pelgrimage werd opgevat als de verbeelding van de menselijke conditie: “the pilgrim, a stranger upon earth, he journeyed to the world to come.” Ik las erover in ‘Caravaggio. A Life’ (1998) van Helen Langdon. Absolute eyeopener en buitengewoon actueel. Hoogtepunt was de viering van de aankomst van het heilige huis op 10 december 1590, toen meer dan 200.000 pelgrims van Rome naar Loreto trokken. Dat was een idee van paus Clemens VIII, die zelf de pelgrimsroute twee jaar eerder had afgelegd. Noem het gerust een barokke vorm van religieus toerisme. Bij Langdon lees ik dat Luther er fel tegen gekant was. “Laat iedere gelovige in zijn eigen parochie blijven; daar vindt hij meer dan in alle schrijnen, zelfs wanneer deze in één rol zouden zijn gewikkeld.” De noordelijke Luther was gewoon tegen toerisme.

Het zeventiende eeuwse toerisme was omgeven door het verlangen naar wonderen. Dit verlangen wond de pelgrims dermate op dat het ze vanuit heel Europa naar Rome bracht en vandaaruit naar Loreto, waar het huis van Maria en de opgroeiende Jezus op zo wonderbaarlijke wijze naartoe was teleporteerd. Cusano, in Agostino Valier’s ‘Dialogue on Christian Joy’, schreef: “When we arrived at Loreto, at that holy house where the mother of God and Queen of the heavens is deeply venerated for the famous miracle, and when I saw the great number of miracles whose memories are preserved in that most nobel church, my soul was pervaded by an indefinable lightness.” Pelgrimage was in die tijd vervuld van een diep geloof in wonderen en, aldus Langdon, een ‘rusteloze beweging in een vreemde wereld’ waaraan pas een einde kwam als de dood zich aandiende. Verwijzend naar de rondtrekkende apostelen was de pelgrim een figuur die zich op de dood en op het hiernamaals voorbereidde. Zou toerisme ook nu nog ervaren worden als een voorbereiding op de dood? Nog één keer Amsterdam zien en dan sterven.

Tagged with:
 

Zoeken naar samenhang

On 3 maart 2020, in cultuur, kunst, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Huizinga-lezing 1990 van Gerrit Komrij:

Afbeeldingsresultaat voor over de noodzaak van tuinieren komrij

Opgedoken in mijn boekenkast: ‘Over de noodzaak van tuinieren’, de tekst van de Johan Huizinga-lezing van Gerrit Komrij uit 1990. Wat schreef Komrij, zo kort na de val van de muur? Wij leven in een wereld zonder samenhang. Religies en ideologieën zijn overboord geslagen. Richtingloosheid en betekenisloosheid doen de mensen snakken naar ‘gedeelde symbolen met een menselijk gezicht’. Maar voor de kunstenaar is zulke ‘nette symboolhonger’ niet genoeg. “Voor hem is de schepping zonder schepper onmogelijk.” Er moet een idee van het volmaakte zijn, waarbij het aardse en het hemelse met elkaar wedijveren. Hij blijft zoeken naar samenhang. “Uit godsdienst is de kunst ontstaan, en in de kunst leeft de godsdienst voort. Men mag van kunstenaars niet verwachten dat zij – allemaal, overal en te allen tijde – de stof waaruit zij zijn geweven verloochenen. Ook al heeft men het oertapijt duizendmaal met de vuilnisman meegegeven.” Waarna Komrij begint over zijn eigen werk als schrijver en dichter. Waarom had hij het bijvoorbeeld zo vaak over dwaaltuinen en labyrinten? “Onontkoombaar was daar ineens de metafoor van de tuin.” Waarna hij via de nodige omzwervingen vaststelt hoe volledig de tuinmetafoor – thema onder de thema’s, eens zo krachtig, want spiegel van de structuur van het spiritueel en kosmisch bestel – teloor was gegaan.

De rest van de lezing is een lange les in geschiedenis van de tuinmetafoor in de kunsten. Die is inderdaad indrukwekkend. Maar in de negentiende eeuw, aldus Komrij, verliest de tuin haar kracht als symbool van een hogere orde. “Het is de eeuw van de dierentuinen.” En de twintigste eeuw is voor hem de eeuw van de verwoeste tuin. Mensen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor hun omgeving. Even is er nog de belofte van de tuinstad. Maar bij de ruimtelijke ordening is de ruimte niet meer omheind en is men het goddelijke paradijsverhaal al helemaal vergeten. Het is ‘een verlangen naar Gods rijk op aarde zonder God’. “Zelfs als we tuinieren opvatten op het simpelste niveau, als het aangename gevoel actief mee te werken met de wereld van de natuur en in de natuur de levende natuur van de mens te planten – moeten we constateren dat de mythe van de mens als tuinman krachteloos is geworden.” Hij spreekt zelfs van radeloosheid. “De mens manoeuvreerde zich zelf in een woestijn en staat in die verlaten leegte oog in oog met de vergeten Medusa.” In mijn Amsterdamse binnenstadsvisie vormt de metafoor van de tuin en het tuinieren het motief. Bodem en water moeten goed worden beheerd, er moet rust worden gebracht in de openbare ruimte, de kostbare architectuur moet voor de burgers worden geprogrammeerd. Het is de metafoor van toewijding, liefde en aandacht. Misschien iets uit een andere eeuw.

Tagged with:
 

Embrace change!

On 1 maart 2020, in economie, toerisme, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Future of Central London’ (2020):

 

Afbeeldingsresultaat voor central activities zone london map

Bron: London.gov.uk

Net als Amsterdam kampt ook Londen in zijn binnenstad met problemen. Tot de belangrijkste behoren de snelle groei van het aantal bewoners (inmiddels 2,5 miljoen in het centrum), terwijl het aantal werkenden en toeristen óók sterk toeneemt. In de Londense binnenstad wordt het steeds drukker. Afgelopen week verscheen daarom vanuit Centre for Londen: ‘Core Values: The Future of Central London’. Wie een visie verwacht, hoeft niet verder te lezen. De nota van deze onafhankelijke denktank, in 2011 voortgekomen uit Demos, geeft alleen een opsomming van vraagstukken en biedt een aantal richtlijnen voor hoe te handelen in de toekomst. Zowel bewoners, forensen als toeristen maken gebruik van dezelfde infrastructuur in de Central Activities Zone, die wordt daardoor te zwaar belast, het groeiende aandeel wonen verhoudt zich sowieso slecht met een groeiend toerisme en met bedrijven. Bewoners klagen. Wat die bewoning betreft gaat het bovendien om twee uitersten: de hele rijken en de allerarmsten komen in het centrum samen, want 37 procent van de woningvoorraad is sociaal en het middensegment ontbreekt. Maar, aldus de nota, het zijn vooral de toeristen die druk zetten op de binnenstad. Ook in Londen groeit Airbnb onstuimig (een verviervoudiging tussen 2015 en 2018) en verdrijft daarmee het wonen. En net als Amsterdam heeft de Londense binnenstad te kampen met toenemend asociaal gedrag. Daar heb je dus geen Wallengebied voor nodig.

Vier richtlijnen geeft de nota voor de omgang met de genoemde problemen. De eerste is: omarm verandering (‘embrace change!’), want verandering in het stadscentrum is onontkoombaar. Twee: denk strategisch vanuit een gemeenschappelijke visie die groei accepteert. Drie: zorg ervoor dat alle betrokkenen worden gehoord. Vier: overtuig de regering dat ze in de binnenstad van de hoofdstad investeert en tegelijk bevoegdheden op een aantal terreinen delegeert, zoals die rond infrastructuur. Er wordt verwezen naar Amsterdam, waar de druk op de binnenstad hoog is en waar de partijen al een aantal jaren met elkaar samenwerken. Maar, luidt het, anders dan in Amsterdam speelt de binnenstad van Londen een hoofdrol op het wereldtoneel. Ze is een hub voor de hoofdkantoren van de allergrootste spelers in de wereld. Misschien is dat wel het belangrijkste punt dat deze denktank maakt: zo’n grootstedelijk centrum van een heuse wereldstad met al zijn hectiek verdient beduidend meer geld en politieke aandacht, waarbij overheden nauw samenwerken met ondernemersverenigingen en Business Improvement Zones, en handelen vanuit een gemeenschappelijke visie. Wie o wie gaat deze visie maken?  Wordt vervolgd.

Tagged with:
 

It’s Utrecht, stupid!

On 27 februari 2020, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Amsterdamse Thermometer van de Bereikbaarheid 2019:

Afbeeldingsresultaat voor amsterdamse thermometer bereikbaarheid 2019

Een stad wordt gemaakt door haar economie. En mensen maken die economie. Waar al die mensen vandaan komen zie je aan de verkeer- en vervoercijfers. Neem Amsterdam. Haar economie bloeit. Waar komen al die mensen vandaan die de Amsterdamse economie vooruit stuwen? Tussen 2015 en 2018 groeide de bevolking met 4 procent, naar 854.000 inwoners. Dat is fors. Maar het aantal arbeidsplaatsen binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen groeide nog veel harder, met liefst 7 procent. Het forensisme naar banenmotor Amsterdam neemt dus enorm toe, want met woningbouw is dit gewoon niet bij te benen. In 2019 verscheen voor de derde keer de Amsterdamse Thermometer van de Bereikbaarheid. Op bladzijde 59 lees ik dat tussen 2006 en 2016 het aantal forensen naar Amsterdam met liefst 33 procent is toegenomen. Daar zit nog een financiële crisis tussen. De meeste forensen komen uit Zaanstad en Almere, op de voet gevolgd door Haarlem, Haarlemmermeer en Amstelveen. Tot zover weinig nieuws. Maar dan komt het: Utrecht blijkt van een de belangrijkste nieuwe leveranciers van arbeidskrachten voor Amsterdam. Wat heet. Utrecht staat zelfs op het punt Almere in te halen. Wie had dat ooit gedacht?

Dat Utrecht de belangrijkste leverancier van arbeidskrachten in Amsterdam is geworden komt door een dubbele schaarbeweging: het aantal forensen uit Almere daalt (een daling in tien jaar tijd met 10 procent), terwijl dat uit Utrecht juist sterk stijgt: niet minder dan een verdubbeling (99 procent) in de afgelopen tien jaar. Trouwens, Amersfoort volgt in het kielzog van Utrecht; daar was de groei van het forensisme op Amsterdam in tien jaar tijd niet minder dan 367 procent! Deels komt deze opmerkelijke beweging door de verbreding van de A2 tussen Amsterdam en Utrecht, maar vooral is hij het gevolg van de transformatie van de Amsterdamse economie: die trekt steeds meer hoogopgeleide kenniswerkers. Voor deze kenniswerkers bouwt Amsterdam al jaren veel te weinig woningen, en in Almere wonen ze niet, willen ze ook niet wonen. In Haarlem wel. Maar Haarlem raakt overvol en Utrecht bouwde Leidsche Rijn: de grootste VINEX-locatie van Nederland. Utrecht is daarmee een buitenwijk van Amsterdam geworden. De Amsterdamse woningbouwbehoefte is kwalitatief en regionaal en moet ook kwalitatief en groot-regionaal benaderd worden. Het wordt tijd dat de Metropoolregio Amsterdam Utrecht en Amersfoort gaat verwelkomen in haar gelederen. En Almere moet eindelijk op eigen benen gaan staan en een echte stad worden.

Tagged with:
 

Geen welverdiende rust

On 23 februari 2020, in geschiedenis, stedenbouw, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Bazel. Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam’ (2007):

Afbeeldingsresultaat voor de bazel tempel boek

In zijn korte, boeiende lezing tijdens de Déjà Vu over toerisme in de Amsterdamse binnenstad sprak architectuurhistoricus Aart Oxenaar afgelopen week over de op gang komende toeristenstromen na de totstandkoming van zowel Rijksmuseum als Centraal station eind 1880. Onder andere toonde hij een ontwerp van architect Cuypers – de ontwerper van beide gebouwen – voor het te dempen Damrak, opgevat als een brede stadsboulevard tussen station en ‘raadhuis’ (!) op de Dam. Aan deze grootstedelijke boulevard zou later de beurs van H.P.Berlage verrijzen. De vraag, aldus Oxenaar, was destijds hoe vreemdelingen vervolgens het Rijksmuseum te voet dan wel per tram zouden bereiken. Waarop hij beelden van de doorgebroken Vijzelstraat liet zien, gerealiseerd door Berlage en supervisor De Bazel in de jaren 1916-1927. Deze route staat tegenwoordig bekend als ‘Rode Loper’. Eenmaal thuis raadpleegde ik ‘De Bazel. Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam’, het boek dat in 2007 verscheen bij de heropening van de voormalige Nederlandsche Handel-Maatschappij, vanaf dat moment bestemd tot Stadsarchief. Over de stedenbouwkundige geschiedenis van de Vijzelstraat schreef Vincent van Rossem daarin een essay, getiteld ‘Een monumentale ravage’. Hier begon mijn verbazing.

De Vijzelstraat, aldus Van Rossem in 2007, is “een toonbeeld van stedenbouwkundige waanideeën uit een betrekkelijk recent verleden.” Die waanideeën vormden zich volgens hem toen het Centraal Station in het open havenfront werd gesitueerd. Het gemeentebestuur besloot een grootsteedse avenue te creëren voor de ‘aanstroomende vreemdelingen’. Er zouden grachten worden gedempt. Dit was het begin van wat Van Rossem, in navolging van Jan Veth, beschouwt als ‘stedenschennis’. Aan die in zijn ogen betreurenswaardige periode waarin de binnenstad werd omgevormd tot ‘modern zakencentrum’, komt voorgoed een einde in 1999, wanneer de Amsterdamse binnenstad eindelijk tot beschermd gezicht wordt verklaard. Van Rossem hoopt dat “de handelsmetropool na vele eeuwen van een welverdiende rust mag gaan genieten.” Even verderop schrijft hij: “De toekomst van de binnenstad, zo lijkt het, is nu voorgoed voorbij, maar vreemd genoeg zien we sinds enige tijd steeds meer moeders met kinderen. (…) De oude handelsmetropool herleeft, op een wijze die niemand had voorzien. Het wordt weer een gewone stad, met levenslustige kleine kinderen, bakkers, slijters, slagers en groenteboeren.” We zijn inmiddels ruim tien jaar verder. Van een welverdiende rust is, verzeker ik u, beslist geen sprake.

Tagged with: