Zelfverkozen angst

On 24 januari 2019, in cultuur, economie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Overvloed en onbehagen’ (1987) van Simon Schama:

Afbeeldingsresultaat voor overvloed en onbehagen

Aan de vooravond van de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam las ik opnieuw het meesterwerk van de Britse historicus Simon Schama: ‘The Embarrassment of Riches’ (1987). Het boek, inmiddels veertig jaar oud, gaat over de Nederlanden in de Gouden Eeuw. Of eigenlijk gaat het boek over de spanning tussen moraal en rijkdom. Die plotselinge overvloed door kapitalistische expansie overviel de gemiddelde burger in de steden en drukte op het gemoed. In een interview in NRC Handelsblad (14 augustus 1987) vertelde de toen 42-jarige Schama dat de tegenstelling tussen arm en rijk helemaal niets verklaart over de Nederlanden in de zeventiende eeuw. “Natuurlijk was er een elite die het voor het zeggen had, en een onderklasse maar de verschillen waren minder groot dan elders in Europa en de maatschappij viel er niet door uiteen.” In en rond Amsterdam werd juist een natie gevormd met gemeenschappelijke symbolen, gebruiken en rituelen. Dat gebeurde sterk van onderop. Dat er geen krachtig bestuur werd gevormd vond Schama geen zwakte. “Ik geloof dat het laten voortbestaan van tegenstellingen die geen directe schade aanrichtten juist de slimheid en de kracht van de Nederlanders uit de gouden eeuw is geweest.” Sober en bescheiden was de rijke Amsterdammer in ieder geval niet.

Waarin uitte zich die plotselinge overvloed? Maatschappelijk in regelrecht onbehagen. En dat onbehagen uitte zich in verhalen over de vergankelijkheid van zeepbellen, de dwaasheid van de wereld, de tirannie van ‘Koningin Geld’. Bankiers werden zelfs buitengesloten van de avondmaalsviering. De aanvallen op de overvloed bleven niet beperkt tot kritiek op excessieve weelde of hebzuchtige woeker, maar uitten zich ook in angst voor de ondergang en het gevaar dat de dingen van de wereld de mensen de baas zouden worden. Burgers vreesden grote overstromingen, een enorme wrekende zondvloed. Angst en regelrecht pessimisme namen vrijwel iedereen in beslag. Amsterdammers creëerden visioenen van hun eigen ondergang. Schama: “Ze konden zichzelf ondermijnen door te overdrijven.” Boven het portaal van één van de kamers van het Amsterdamse stadhuis op de Dam beeldhouwde Artus Quellijn de Val van Icarus, symbool van wat ambitieuze hoogvliegers en dwazen te wachten staat. Wat wij anno 2019 beleven rond klimaatverandering en ideeën over de noodzaak van krimp en post-kapitalistisme doet sterk denken aan deze door angst en pessimisme ingegeven gemoedstoestand. Het kapitalisme is gevaarlijk en dwaas en het is overal. We zullen heel hard vallen. Onze tegenslag lijkt zelfverkozen. We hebben het eenvoudig te goed. Volgende week meer over Masterstudio ‘The Post-Growth City’.

Tagged with:
 

Vlucht uit het kapitalisme

On 22 januari 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 4 januari 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor kaart reis gauguin parijs panama martinique

Bij de ingang van de tentoonstelling in het Van Goghmuseum te Amsterdam, begin dit jaar, was een reusachtige kaart te zien van de bootreis die Paul Gauguin en Charles Laval in 1887 maakten van Parijs via Panama naar het eiland Martinique. Er verscheen zelfs een atlas bij de tentoonstelling. Tot dan had ik geen idee waar Martinique ligt. Het ligt in de Cariben. De beide Franse schilders ontvluchtten het decadente Parijs, namen een stoomboot, op zoek naar tropische natuur en naar een primitieve samenleving. Wat ze aantroffen was een Frans-koloniale samenleving van grote suikerplantages rond de hoofdstad Saint Pierre; Saint-Pierre werd ook wel ‘het Parijs van de Cariben’ genoemd – een stad waar Franse artiesten graag kwamen overnachten in luxueuze hotels. Hoezo primitief? Maar de berooide Gauguin en Laval streken zuidelijker neer, aan een strand, waar ze vier maanden lang in een verlaten slavenhut verbleven. In de armoede zochten en vonden ze het paradijs, net zoals de Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau dertig jaar eerder in zijn hut aan Walden Pond het paradijs meende te vinden. Gauguin echter werd al snel ziek en moest naar Europa worden gerepatrieerd. Een vriend stuurde hem geld. Zo kon hij de terugreis betalen. Best een treurig verhaal eigenlijk. Daar terug in Parijs ontmoette hij trouwens Vincent van Gogh.

Stel je voor dat Gauguin niet voortijdig naar Parijs was teruggekeerd, dan had hij Van Gogh helemaal nooit ontmoet. Want Van Gogh – ook een armoedzaaier – bleef zeker niet lang in Parijs. Als snel vertrok de Nederlandse schilder naar Zuid-Frankrijk, op zoek naar het exotische Japanse landschap met zijn heldere licht en kleuren, waar hij als kwartiermaker dacht te fungeren voor een te stichten sekte onder leiding van de ‘boeddhistische monnik’ Gauguin. Wat bewoog deze getalenteerde mensen om Parijs de rug toe te keren? Was het decadentie? Nee, het was anders. Erg mooi vond ik het schilderij ‘Coming and Going’. Het toont een landschap met een grote boom waar herders en hun geiten beschutting tegen de zon zoeken en waar vrouwelijke sjouwers zich een weg banen over smalle paadjes. Het landschap oogt idyllisch, als een arboretum, de boom lijkt zelfs boeddhistisch. Je ziet Nirwana. Gauguin hield het schilderij zijn hele leven bij zich. Daarna kwam het in het bezit van een Britse adellijke familie die het uitsluitend voor zichzelf hield. Pas na 1979 is het voor het publiek te bewonderen. Ik denk dat Gauguin vluchtte voor de moderniteit en dat hij in het primitieve van Martinique de zuiverheid zocht die in het industriële kapitalisme verloren was gegaan. Van 1873 t0t 1896 verkeerde de westerse wereld in een economische crisis die volgde op een periode van extreme groei. Iedereen was pessimistisch. Dit kwam nooit meer goed. Maar de cruciale ontmoeting tussen Gauguin en Van Gogh vond plaats in de Franse metropool, in het hart van het industriële kapitalisme. Hoeveel zou ‘Coming and Going’ nu waard zijn?

Tagged with:
 

Het mirakel van Antwerpen

On 20 januari 2019, in infrastructuur, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 12 mei 2015:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ademloos

In Antwerpen, een stad van bijna 500.000 inwoners, gebeurt een wonder. Vrijwel de gehele ring van autosnelwegen door de Vlaamse havenstad wordt de komende jaren overkapt. Maar dat niet alleen, ook het feit dat deze overkapping werd afgedwongen door breed burgerverzet en dat dit burgeractivisme een democratische beweging in het leven heeft geroepen die zijn weerga niet kent en die ook lijkt te beklijven, is niet minder dan miraculeus. Op 25 juni 2018 maakte een commissie een selectie van 18 overkappings- en leefbaarheidsvoorstellen die alle van onderop waren ingediend, goed voor 1,25 miljard euro. Ringland is een lokale beweging die zich organiseerde via Facebook en die in mei 2014 1500 burgers naar een bijeenkomst wist te lokken waar alternatieve plannen voor de ringzone werden besproken. Later dat jaar organiseerde ze zelfs een festival op het dak van de Craeybeckxtunnel dat liefst 15.000 bezoekers trok. Via een crowdfundingcampagne werd vervolgens 100.000 euro opgehaald voor alternatieve studies. De acties waren een reactie op een aansprekend ontwerp van bureau Stramien uit 2012. Wie nog verder teruggaat in de tijd komt uit bij plannen van de Vlaamse regering voor voltooiing van de ring via het Oosterweeltracé met een opvallend, als ‘landmark’ bedoeld viaduct en nieuwe brug over de Schelde (Lange Wapper) en een verdere verbreding van de ring als geheel. Kosten: 7 miljard euro. Slechts 28 procent van de Antwerpenaren kon zich in de plannen vinden, er ontstond burgerverzet. Ringland wist het verzet om te buigen in alternatieve plannen. In maart 2017 zwichtte de Vlaamse regering voor het burgeractivisme.

Naast Ringland was er stRaten-Generaal van Manu Claeys. Al in 2005 was deze lokale actiegroep gestart met verzet tegen de plannen voor de expansie van de Antwerpse ring. Dat was zeker toen nog taai werk, want de regering had de plannenmakerij in handen gegeven van een aparte organisatie – BAM – die uit vrees voor protesten zo weinig mogelijk met burgers communiceerde. Manu Claeys leidde het verzet. Al vroeg sprak hij over de plannen als ‘de vergissing van de eeuw’. In 2015 diende hij een klacht in bij de Raad van State, waarop de regering een intendant aanstelde die tussen de partijen moest gaan bemiddelen. En dan was er Ademloos, weer een andere actiegroep die zich tegen de plannen verzette. De drie partijen sloten ‘Het Toekomstverbond’ en samen richtten zij een Werkgemeenschap op. Daarin zijn ‘werkbanken’ actief. Zo groeit bij onze zuiderburen een nieuwe vorm van governance rond de figuur van de intendant van de Vlaamse regering. Die intendant, Alexander D’Hooghe, in het dagelijks leven hoogleraar aan MIT in Boston, heeft door te spreken met alle partijen in 2017 het voornemen tot overkapping uit het vuur weten te slepen. Hierdoor geniet hij bij iedereen veel vertrouwen. Onlangs tekende hij voor acht jaar bij. Antwerpen, denken de burgeractivisten, wordt eindelijk de meest leefbare stad van Vlaanderen. Het kan verkeren. Arm Brussel. Arme ring A10 in Amsterdam.

Tagged with:
 

Talent, trek naar de metropool!

On 17 januari 2019, in kunst, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 november 2018:

Afbeeldingsresultaat voor wereldwijd web van kunsttransacties

Bron: NRC Handelsblad

Onder de kop ‘Succesvolle kunstenaar al jong aan de top’ publiceerde NRC Handelsblad eind vorig jaar een interessant artikel over hoe het succes van kunstenaars afhangt van het bewegen in de juiste netwerken in de vroege fase van hun carrière. Het was Bart Funnekotter die verslag deed van onderzoek van wetenschappers van Northeastern University in Boston naar een half miljoen kunstenaars en hoe deze in de netwerken van musea, veilingen en galerieën hun weg zochten. De gegevens betroffen omvangrijke databestanden van liefst 497.796 tentoonstellingen, ruim 16.000 galerieën, 289.677 tentoonstellingen in 7.568 musea en 12.208 veilingen, alle verspreid over 143 landen en geïnventariseerd tussen 1980 en 2016. Het leidde tot een ‘wereldwijd web van kunsttransacties’. En wat blijkt? “Het succes van een kunstenaar is in grote mate afhankelijk van diens toegang tot een klein aantal vooraanstaande galerieën en musea.” Die topinstellingen blijken zich alle in Europa en Noord-Amerika te bevinden. Het gaat om een stuk of twintig. “Dit zijn vaak instanties met een lange geschiedenis, een fraaie locatie en veel beschikbare financiële middelen.” Het centraler in het netwerk, hoe prestigieuzer.

Genoemde ‘fraaie locatie’ betreft doorgaans een grootstedelijke, want vrijwel alle topinstellingen bevinden zich in de grootste metropolen, het MOMA in New York voorop. Het onderzoek lijkt ook te suggereren dat steden die dergelijke prestigieuze kunstinstellingen huisvesten tevens getalenteerde kunstenaars aantrekken. Hun lot hangt immers sterk van het juiste netwerk af. Ze weten dat ze in een grote stad met topinstellingen beter af zijn. En het luistert nauw. Want je hoort erbij of niet en dat begint al vroeg. Werk van kunstenaars, zo blijkt, circuleert binnen clusters, maar maakt zelden de sprong naar een ander cluster. “Wie er niet in slaagt aan het begin van zijn carrière tot deze elite door te dringen, heeft weinig kans dat op latere leeftijd alsnog te doen.” En wat voor kunstenaars geldt, zou maar zo eens ook voor andere beroepsgroepen kunnen gelden: advocaten, bankiers, historici, schrijvers, acteurs, wetenschappers, journalisten. De metropool biedt mensen de meeste kans op succes. Hoe vroeger iemand naar de metropool trekt, hoe gunstiger voor hem of haar. Eigenlijk wisten we dat al. Maar nu blijkt het ook uit dit onderzoek met deze indrukwekkende wereldomspannende dataset. Het maant iedereen om in beweging te komen. Wie in de provincie blijft, zal het minder ver schoppen. Verhuis je naar de metropool, dan duurt je carrière langer en verdien je gemiddeld vijf keer meer dan elders. Althans, dat is bewezen voor kunstenaars.

Tagged with:
 

Sluisbuurt als collage

On 14 januari 2019, in boeken, hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2019:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ronnie Zijp

De Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) was afgelopen week in Amsterdam om de Nederlandse vertaling van zijn recent verschenen boek ‘Building and Dwelling’ te promoten. Journalist Bernard Hulsman sprak met hem. In NRC van afgelopen zaterdag verscheen van zijn hand een interview met de grote meester over hoe ‘het grote geld de steden koloniseert’. ‘Stadsleven’, de Nederlandse titel van het Britse boek, is een pleidooi voor een open stad. “En ook een stad die kan veranderen en ruimte biedt aan onverwachte activiteiten.” Terecht stelt Sennett dat het adagium ‘function follows form’ eigenlijk leidend zou moeten zijn en niet het modernistische ‘form follows function’. Maak eerst de vorm, want die functies veranderen toch voortdurend, en zorg ervoor dat die vorm functieverandering toelaat. “Het gaat in architectuur en stedenbouw niet om eenvoud en eenduidigheid, maar juist om complexiteit en contradictie.” In zijn boek gebruikt Sennett de collage als metafoor, in het interview refereert hij aan de Amerikaanse architect Robert Venturi. Beter kon mijn zaterdag niet beginnen. Totdat ik het einde las. Hulsman is al jaren kritisch over de plannen voor Sluisbuurt in Amsterdam. Aan het slot van het interview gebruikt hij Sennett om zijn gelijk te halen.

Eerst confronteert Hulsman Sennett met de Sluisbuurt. De Amerikaan weet van niets. Waarop de journalist zegt dat het gaat om een buurt “van zo’n 25 woonnaalden van omstreeks honderd meter hoog met 5500 woningen.” Sennett: “Echt? Waarom wil Amsterdam dat?” Waarop Hulsman antwoordt dat de gemeente meent “dat dit de enige manier is om veel vloeroppervlak op een beperkt stuk grond te krijgen.” Sennett, die zijn jeugd doorbracht in de Bijlmer van Chicago (Cabrini Green), schrikt zich een hoedje. “Torens zijn saai, niet duurzaam en ze vormen geen fijne buurt waar zich een community kan vormen.” Let op, hier wordt de socioloog die bekendstaat om zijn genuanceerde kijk in de val gelokt. Zijn uitspraak is een algemene. Amsterdam zou de oude Sennett moeten uitnodigen om, nu serieus, het plan voor de Sluisbuurt te bestuderen. Heus, het wordt geen Bijlmer. De in Shanghai woonachtige stedenbouwkundige Joost van den Hoek voerde onlangs in De Architect (19 november 2018) een interessant pleidooi voor een ‘verticale VINEX’. Zelf woont hij op de 22ste verdieping van een toren in een dichtbebouwde wijk dicht bij de Franse concessie. “Ik zou pleiten voor een model waar je ook als gezin comfortabel kunt ontsnappen aan het dogma van tuin en auto.” ( https://www.dearchitect.nl/architectuur/blog/2018/11/blog-kom-maar-op-met-die-verticale-vinex-101202943) Net als hij geniet ik van de skyline van Rotterdam, en wij verheugen ons op de Sluisbuurt. Als collage.

Tagged with:
 

Extreme drukte in New York

On 11 januari 2019, in openbare ruimte, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 26 januari 2015:

 

 Afbeeldingsresultaat voor new york times square public space map

Bron: A Better Times Square

Het Wallengebied in Amsterdam is vergelijkbaar met Times Square in New York: ooit een vervallen deel van de binnenstad waar pooiers en hoertjes domineerden, nu een toeristische topattractie van wereldklasse. Sterker, beide gebieden zijn zo succesvol dat ze onder de drukte dreigen te bezwijken. De New Yorkse burgemeester Bill de Blasio zit er behoorlijk mee in zijn maag, net als zijn Amsterdamse collega. In 2014 verdrongen niet minder dan 13 miljoen mensen zich op dit kleine stukje Broadway. Ze zijn een gewillige prooi van zogenaamde straatartiesten. Het gedrang van de menigten op en rond het plein op Manhattan ter hoogte van 42nd Street trekt irritante, meestal als Elmo of Spider-Man verklede types aan die van de toeristenstroom willen profiteren. De theaters zitten stampvol. Er worden topprijzen betaald voor het vastgoed, die het niveau naderen van die van Fifth Avenue. Die exorbitante prijzen leiden er weer toe dat zelfs gerenommeerde zaken Times Square de rug toekeren. Vooral de kantoorfunctie heeft het moeilijk; medewerkers willen niet meer de straat op voor de lunch of de koffie. De hoertjes waren al vertrokken. Robert Wankel, adjunct-directeur van de Shubert Organization die 17 theaters op Broadway runt, zei het tegenover de New York Times zo: ‘We’re having a problem from our success. We spent a lot of time and effort clearing up Times Square and now it’s the place everyone wants to be.” Luidt het succes van Times Square tevens haar ondergang in?

Drie jaar geleden dreigde burgemeester De Blasio het autoverkeer terug te brengen op Broadway om zo de toeristen te verdrijven. Het leek op een wanhoopsdaad. Zijn voorganger had vijf jaar geleden het gedeelte van de straat ter hoogte van Times Square juist autovrij gemaakt om zo de openbare ruimte aantrekkelijker te maken. Er waren provisorische terrasjes gemaakt, met zitbankjes en fietspaden. Er werden zelfs boompjes neergezet. Heel lief en aardig allemaal. Maar nu blijkt dat men dit misschien beter niet had kunnen doen. Sinds 1996 verdubbelt het aantal toeristen in New York elk jaar. In 2014 waren het er 40 miljoen, drie jaar later 62,8 miljoen. Die willen allemaal naar Times Square. Het is wrang en ironisch. Al sinds de jaren ‘90 spant de lokale overheid zich in om de ooit verlopen kruising weer op te krikken. Warenhuizen kwamen aarzelend terug, het ging geleidelijk steeds beter. In 2009 was er een omslagpunt toen het gemeentebestuur besloot het gedeelte van Broadway tussen 42nd en 47nd Street autovrij te maken. Binnen de kortste tijd groeide het aantal voetgangers van 350.000 per dag naar 480.000. Vastgoedprijzen schoten omhoog. “The recent overcrowding problems of Times Square have been caused in part by the construction of the plazas,” zegt een van de eigenaren. De bewoners en eigenaren hebben zich verenigd, ze vragen het gemeentebestuur om een toekomstvisie te maken. Hun eigen plan doopten ze ‘Times Square Commons’. (http://www.abettertimessquare.org/the-plan/) Dat zeg ik. De problemen van Times Square zijn vergelijkbaar met die op de Amsterdamse Wallen.

Polycentriciteit is niet beter

On 9 januari 2019, in economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in intreerede van Frank van Oort van 23 november 2018:

Afbeeldingsresultaat voor polycentriciteit frank van oort erasmus universiteit

 

Frank van Oort (1970) bekleedt sinds kort de leerstoel Stedelijke en regionale economie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Eerder was hij onderzoeker bij de Rijksplanologische Dienst en het Ruimtelijk Planbureau, later werd hij hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Van Frank hoorde ik voor het eerst over het werk van Edward Glaeser, dat was lang voordat diens ‘Triumph of the City’ verscheen. Op 23 november 2018 hield hij zijn oratie in Rotterdam, getiteld ‘Policy in Urban and Regional Economics’. Daarvan ontving ik onlangs een exemplaar. Ik heb het met belangstelling gelezen. Het is een warm pleidooi voor zowel regionale economie als economische geografie, maar beide studievelden, schrijft Van Oort, lijken uit elkaar te drijven. Als er één reden is om ze bij elkaar te houden, dan is dat vanwege het regionaal-economisch beleid dat solide moet worden onderbouwd. Van Oort, die soepel tussen beide onderzoeksvelden beweegt, is wars van storytelling-technieken die in recente planologische literatuur veel aandacht krijgen, daar koopt hij niets voor. Als wetenschapper pleit hij voor echte waarheidsvinding. Het beleid moet gewoon deugen, cijfers moeten spreken. Regionale economie en economische geografie kunnen die waarheidsvinding leveren.

Een van de voorbeelden die Van Oort geeft gaat over de vraag of polycentriciteit (meerkernigheid) tot dezelfde agglomeratievoordelen leidt als grootstedelijkheid. Anders gezegd, kun je met het onderling verbinden van kleinere steden en het nastreven van complementariteit dezelfde economische winst behalen als met het maken van een metropool? Veel beleidsmakers, ook in Nederland, menen van wel. Zij willen metropoolvorming hoe dan ook voorkomen. Maar is het echt zo dat vele kleine steden even productief kunnen zijn als één grote stad? Het meeste onderzoek op dit terrein komt uit Amerika. Van Oort e.a. deden er onderzoek naar in Europa. En wat blijkt? “The much heard thought that polycentricity can work for agglomeration economies as long as local governance is perpared to invest for mutual accessibility and sectoral complementarities, is not unambiguously proven in the European context.” Het is dus niet bewezen. Van Oort begrijpt dat er andere dan economische redenen kunnen zijn om geen grote stad te willen. Geen woord echter over de negatieve bijwerkingen van polycentriciteit (enorme infrastructuuruitgaven, files, uitstoot van CO2). Hoe dan ook, hoogste tijd om dat beleidsverhaal over de economische zegeningen van polycentriciteit bij het grofvuil te zetten. Er moet meer geld naar metropolitane verbindingen, minder naar infrastructuur tussen middelgrote steden.

Tagged with:
 

Ondertussen in Peking

On 6 januari 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in New York Times van 24 november 2018:

Gerelateerde afbeelding

 

Een filmpje van de nieuwe luchthaven van Peking ging viraal op het web tijdens de kerstdagen. In The New York Times las ik een reportage over Beijing Daxing International Airport. Naar verwachting opent deze misschien wel grootste luchthaven ter wereld zijn deuren in september 2019, na een record van amper vijf jaar bouwen. In ‘A Big New Airport Shows China’s Strengths (and Weaknesses)’ schrijft Ian Johnson over de grootse ambities die de metropool Peking heeft met de nieuwe luchthaven. Peking, een megastad van 22 miljoen inwoners, moet de economische motor worden van noordelijk China: Jingjinji Metropolitan Region, en de 82.000 vierkante mijl van de nieuwe luchthaven, vijfenveertig kilometer ten zuiden van de metropool, dient om die economische ambitie waar te maken. Dit zuidelijke deel is veel armer dan het rijkere noorden waar op dit moment nog de internationale luchthaven zich bevindt en waar de campussen van de technische universiteiten zorgen voor een concentratie van hi-techbedrijven. Eind dit jaar rijdt er een nieuwe metro naar het zuiden en ook krijgt de luchthaven een station voor een nieuwe hogesnelheidslijn. Johnson vindt het een zwaktebod. Kennelijk moet infrastructuur economische groei teweegbrengen. Hij had liever economische hervormingen gezien.

Alleen al de oranje terminal van de nieuwe luchthaven, ontworpen door het Londense bureau Zaha Hadid, beslaat 700.000 vierkante meter. In 2025 zullen hier 72 miljoen passagiers per jaar in- en uitstappen, dat is meer dan Schiphol op dit moment; de 120 miljoen van 2050 zullen zelfs de capaciteit van alle zes Londense luchthavens samen overtreffen. De nood is hoog, want de afgelopen jaren groeide het vliegverkeer in China met telkens 13 procent. De noodzaak wordt nog vergroot doordat de Chinese luchtmacht zeventig procent van het luchtruim boven China controleert. Alle luchtverkeer moet daarom door nauwe corridors, wat het aantal starts en landingen ernstig belemmert. Met de vier, uiteindelijk acht nieuwe landingsbanen hoopt Peking flinke extra capaciteit te scheppen. Voor de luchthaven, die een oppervlak zo groot als twee derde van Manhattan beslaat, moesten elf kleine dorpen worden afgebroken. In totaal werden 20.000 mensen geëvacueerd. Johnson vindt het maar niks. Juist voor Amerikanen is zoiets jaloersmakend. Hun luchthavens zijn krap, uitgeleefd, niet toekomstbestendig. Overigens maakt de nieuwe luchthaven van Peking onderdeel uit van het Beijing-Tianjin-Hebei Integration Plan (hier de link: http://www.china-briefing.com/news/the-beijing-tianjin-hebei-integration-plan/). Laagwaardige, milieubelastende functies, stelt het plan, moeten naar buiten. Zelfs het regeringscentrum van de hoofdstad zal worden verplaatst naar de satellietstad Tongzhou in het oosten, waar onlangs een nieuwe metrolijn is geopend. China zelf zet in op de bouw van hogesnelheidslijnen om het luchtverkeer te ontlasten. De megastad maakt zich op voor een groeispurt die moet leiden naar schonere lucht, betere infrastructuur, hoogwaardige economie. Komt dat zien.

Tagged with:
 

Silicon Island ligt in New York

On 20 december 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 18 december 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Business Insider

Daags nadat De Volkskrant schreef over het Amsterdamse Oosterdokseiland als ‘Silicon Island’ vanwege de aanwezigheid van vier van de bekendste internetbedrijven van Nederland – Booking, TomTom, Adyen en Takeaway – (12 december 2018), berichtte The New York Times over de komst van Google en Amazon naar de Big Apple. Geen twijfel mogelijk, New York wordt het tweede Silicon Valley. De Volkskrant rekende uit dat het voormalige spoor- en posteiland naast Amsterdam CS inmiddels een beurswaarde vertegenwoordigt van liefst 94 miljard euro. In 2007 vestigde zich hier TomTom, nadat grote delen van het postemplacement waren ontmanteld vanwege het vertrek van de PTT. Daarna kwam Takeaway.com die in 2015 zes etages op het eiland betrok. Adyen verlaat binnenkort de Keizersgracht en neemt zijn intrek in tien etages naast Adyen. En op dit moment bouwt Booking.com zijn internationale hoofdkantoor op de uiterste puntje van het eiland, tegen wetenschapsmuseum Nemo aan: groot 64.000 vierkante meter. Terwijl de advocatuur en de financiële dienstverlening samentrekt op de Amsterdamse Zuidas, balt aan de IJ-oevers het Nederlandse internetbedrijfsleven samen op nog geen vierkante kilometer.  De bankiers en advocaten kozen voor parkeerplaatsen, de techies voor ‘een spannende en inspirerende werkplek’, aldus De Volkskrant. Motief: getalenteerd, goedbetaald personeel werven uit de hele wereld en naar Amsterdam brengen. De arbeidsmarkt van Amsterdam is te krap en kookt al jaren over.

Het verhaal over New York is de overtreffende trap van deze bijzondere Nederlandse eigen kweek in Amsterdam. Nadat Amazon al had aangekondigd een tweede hoofdkantoor te openen in Queens, goed voor 25.000 hooggekwalificeerde medewerkers, maakte Google deze week bekend dat ze een campus ter waarde van 1 miljard dollar op de zuidelijke punt van Manhattan in Chelsea, vlak bij Hudson Square, gaat betrekken. Daar wordt ruimte gemaakt voor een verdubbeling van de 7.000 medewerkers die nu al in New York voor het bedrijf werkzaam zijn. Er zijn drie gebouwen langs de oevers van de Hudson aangekocht. Ook kocht Google Chelsea Market voor 2,4 miljard dollar. Het bedrijf spreekt van ‘Google Hudson Square’. Dit gebied wordt het hoofdkantoor van de ‘Global Business Organization’. Kijk ook op CBSN: https://newyork.cbslocal.com/video/3995617-expert-what-googles-hudson-square-campus-means-for-nyc/Let wel, aan de campus grenst de campus van New York University, aan Hudson Square bouwt bovendien Disney een campus ter waarde van 650 miljoen dollar, het hoofdkwartier van Google bevindt zich op loopafstand van Hudson Street, de straat waar Jane Jacobs ooit woonde. Arme Jane Jacobs. En pover Amsterdam. ‘Silicon Island’, dat is Manhattan, niet Oosterdok. Tegen de kritische massa en absorptievermogen van New York kan de Nederlandse hoofdstad echt niet op.

Tagged with:
 

Nadenken moeten we

On 15 december 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gezien in het Veemhuis te Amsterdam op 15 december 2018:

Afbeeldingsresultaat voor donna haraway storytelling for earthly survival

Fabricio Terranova’s portret van Donna Haraway heeft als ondertitel ‘Story Telling for Earthly Survival’. De film, uit 2016, werd afgelopen zaterdag in het Veemhuis te Amsterdam vertoond. Haraway (1944) is emeritus hoogleraar Geschiedenis van het bewustzijn aan de University of California in Santa Cruz, zuidelijk van San Francisco en Silicon Valley. De film bestaat uit een aantal monologen van Haraway, uitgesproken vanuit verschillende posities bij haar thuis, van achter werktafels en eettafels. We zien de oude vrouw druk gesticulerend met haar grote handen en haar expressieve gezicht, sprekend tegen de cameraman die zelf onzichtbaar blijft, met op de achtergrond boeken, schilderijen, huisraad, computers, faxen, modems, haar oude hond. Haraway blijkt een voormalige hippie met een Iers-katholieke achtergrond, vol humor en zelfspot, die gedreven, aanstekelijk en openhartig praat over haar persoonlijke leven, haar jeugd, haar opgroeien, haar ideeën over kapitalisme, feminisme, inheemse culturen, ecologie, sciencefiction, het antropoceen, een geschonden aarde. Openhartig vertelt ze over haar vurige meisjeswens om een kruistocht te organiseren om het beloofde land te bevrijden (‘we hebben geen idee hoe islamofoob wij in het Westen zijn’). Bovenal gaat de film over de noodzaak om verhalen te vertellen, andere verhalen.

Ik las haar ‘Tentacular Thinking: Anthropocene, Capitalocene, Chthulucene’, geschreven na de bosbranden van 2015 in Noord-Californië. In dat artikel herinnert ze aan de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen, die rond 2000 de term Antropoceen suggereerde. De invloed van de mens op de aarde is zo groot, vond Crutzen, dat dit een geologische naam rechtvaardigt. Haraway beaamt: “Fossil-burning human beings seem intent on making as many new fossils as fast as possible.” Maar ze wil de term ‘antropoceen’ liever niet gebruiken. Die houdt de verkeerde mythe in stand. We hebben verhalen nodig waarin we onszelf grenzen stellen, waarin we de aftocht blazen, ons terugtrekken, minder consumeren. Ze gelooft ook niet dat technologische innovaties de mensheid zullen redden. Wat nodig is, is een alternatief voor het dominante kapitalisme. Ze haalt Brad Werner aan, die meent dat ons economische paradigma de ecologische stabiliteit regelrecht ondermijnt. ‘Revolt!’ Nadenken moeten we. Het kapitalisme moet vervangen worden door echte geoverhalen, “to Gaia stories, to symchtonic stories, terrans do webbed, braided, and tentacular living and dying in sympoietic multispecies string figures; they do not do History.” Zulke verhalen ontslaan ons niet van de plicht om dingen beter te doen. Al onze verbeeldingskracht moeten we gebruiken, we moeten weerstand bieden, in opstand komen, herstellen en rouwen, goed leven en goed sterven. Afgelopen zomer waren de bosbranden in Californië erger dan ooit. Ik hoop dat het houten huis van Donna Haraway er nog staat.

Tagged with: