Charkov, Oekraïne

On 29 maart 2022, in internationaal, politiek, by Zef Hemel

Interessante bijdrage van Tim Judah in de New York Review of Books van maart 2022 over de toestand in Oekraïne. Bij verschijnen van het maandblad was de oorlog nog niet uitgebroken, dus Judah speculeert. Maar dat doet hij trefzeker. Hij geeft zijn ogen goed de kost en spreekt veel mensen. Ook al beweert iedereen in Oekraïne dan nog dat het land van oorlog verschoond zal blijven, hijzelf weet wel beter. Zijn uitvalsbasis is Charkov, een stad van anderhalf miljoen inwoners in het uiterste oosten van het grote land op slechts 25 mijl van de grens met Rusland. De stad oogt modern Europees en heeft het post-Sovjettijdperk duidelijk van zich afgeschud. Dat Europese, denkt Judah, moet iemand als Poetin regelrecht angst inboezemen. Hij citeert de Pools-Amerikaanse diplomaat Zbigniew Brzezinski, die gezegd zou hebben dat Rusland met Oekraïne een heus wereldrijk is, maar zonder Oekraïne beslist niet. Poetins oorlog woedt daarom al sinds 2014. Het neerschieten door Rusland van de MH17 boven Oekraïens grondgebied herinnert ons Nederlanders nog altijd aan dit onheilspellende feit.

Judah merkt op dat in die chaotische weken van 2014 de stad Charkov niet overliep naar de Russische separatisten. Dat was opmerkelijk. Volgens hem hield het direct verband met de opstelling van de sterke burgemeester. Deze Gennadyi Kernes koos op het beslissende moment voor aansluiting bij Oekraïne. Daarna kon Rusland er niet meer van uitgaan dat het land van binnenuit uit elkaar zou vallen. Kernes werd later door sluipschutters bruut vermoord. Sindsdien is vrijwel de hele bevolking op de hand van Oekraïne, wat zich ook sociaal vertaalt. Op school leert iedereen nu Oekraïens in plaats van Russisch. En de economie van Charkov groeit sinds 2014 sterk, mede doordat tienduizenden Russen de grens over staken. De plaatselijke universiteit is uitstekend, de oude industrie is hier opgeruimd, ervoor in de plaats trad een bloeiende grootstedelijke IT- en dienstensector. Voor 30 euro vlieg je vanuit Charkov naar Barcelona. “While pro-Russians have since then constructed a myth of Ukrainian Nazis incinerating them in a modern-day pogrom, that is clearly nonsense, like Putin recently babbling about an imaginary Ukrainian genocide against Russian-speakers.” En toen moest Judah de zonnige maar gevaarlijke situatie in Lviv (732.000 inwoners) en Kiev (3 miljoen inwoners) nog bespreken.

 

Shelley lezen na de bom

On 28 maart 2022, in boeken, duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

In 1937 vluchtte de Britse schrijver Aldous Huxley naar Los Angeles. Daar, in Hollywood, schreef hij kort na de Tweede Wereldoorlog ‘Ape and Essence’ (1948), een bondige, zwartgallige science-fiction roman over Los Angeles in het jaar 2108. Huxley kent iedere scholier natuurlijk van ‘Brave New World’ (1932). Weinig mensen hebben echter ‘Ape and Essence’ gelezen. Ook ik begon er pas onlangs aan. De roman blijkt ongelooflijk actueel. Het verhaal gaat over een afgekeurd script voor een science-fiction film. In het eerste deel wordt het door twee filmbonzen op straat gevonden; het was van een vrachtwagen vol afgekeurde scenario’s gevallen die verbrand zouden worden. Het tweede deel is het scenario zelf. Dat schetst een afschuwelijke toekomst, honderd jaar – dus in 2008 – nadat de Derde Wereldoorlog was uitgebroken en een atoombom tot ontploffing was gebracht. Een groep ontdekkingsreizigers uit Nieuw Zeeland komt op 20 februari 2108 in Los Angeles aan land en ontdekt de gruwelijke waarheid: “All you need do is just to threaten your neighbour with any of the weapons of mass destruction. Their own panic will do the rest.” Waarom de atoombom – ‘the Thing’ – dan toch viel, het was hen een raadsel. Daarna maken we kennis met de nazaten van de overlevenden: apen. De gruwelijke details zal ik u besparen.

Dit is de geschiedenis die Huxley in 1948 voor de wereldgemeenschap in het verschiet zag liggen: eerst was er het overbevolkte Londen in 1800. Toen een Londen dat in omvang verzesvoudigde. Daarna Londen in 1941 zoals de Duitse bommenwerpers de onafzienbare metropool onder zich zagen liggen. “Five Hundred, eight hundred, sometimes as many as two thousand people to a square mile of food-producing land – and the land in process of being ruined by bad farming.” Huxley zag overbevolking als de kern van het probleem dat uiteindelijk tot de atoombom zou leiden. Uit bevolkingsgroei ontstond honger, en honger leidde tot oorlogen. Het waren de wetenschappers die de mensheid blind hadden gemaakt. Die dachten in vooruitgang, maar dat was zelfoverschatting. “In actual fact, of course, they had merely upset the equilibrium of Nature and were about to suffer the consequences.” Ook de Nieuw-Zeelandse bioloog, Dr. Poole, die de verschrikkingen heeft overleefd en die de verwoesting van Los Angeles als ontdekkingsreiziger in ogenschouw neemt, ziet het niet. Die probeert opnieuw de honger te bestrijden, maar de tijd krijgt hij niet. Wel voelt hij vreugde als hij een perkje met bloemen ziet. Dan raakt hij even aan de essentie, die boeddhistisch is. “Joy is only for those whose life accords with the given Order of the world.” Waarna hij naar Bakersfield vlucht. Daar, aangekomen bij het graf van de schrijver van het script, leest hij het opschrift, dat hij herkent. Het is afkomstig van de dichter Shelley. Op de grafsteen pelt hij een hardgekookt eitje, want aan humor in dit gruwelijke boek ontbreekt het niet. U moet het beslist (her)lezen.

 

Lineaire stad in de baai

On 24 maart 2022, in stedenbouw, by Zef Hemel

Je kunt hem tegenwoordig zelfs op Youtube zien: de twee uur durende documentaire van Ichikawa Kon over de Olympische Spelen in Tokio van 1964. ‘Tokyo Olympiad’ (1965) is zeldzaam mooi en knap gemaakt. De film toont de spelen zoals je ze zou wensen: humaan, sportief, niet-commercieel, verbroederend, een waar volksfeest vol morele lessen. Ik was diep onder de indruk. Opmerkelijk is de film ook omdat Japanners in de film sportief verliezen, zoals bij Judo, toen de Nederlander Anton Geesink uiteindelijk goud won. Het wordt door Kon en zijn mensen allemaal liefdevol en menselijk in beeld gebracht. Dan blijkt bovendien dat Tokio onherkenbaar is veranderd. De metropool van toen telde nog maar achttien miljoen inwoners. Het was de tijd dat de Japanse architect Kenzo Tange (1913-2005) zijn ontwerp voor Groot-Tokio maakte. Dat plan, uit 1960, toont het spinnenweb van het organisch gegroeide Tokio na de verwoesting in de Tweede Wereldoorlog, met daaroverheen gelegd een strak lineair stelsel van infrastructuurbanen dat zich tot ver in de baai uitstrekte. “The city of Tokyo is particularly suitable for this kind of linear development; the shoreline is currently unused and unusable because of the proliferation of factories and other industrial buildings. The proposed solution would convert Tokyo into a maritime city once again.”

Je hoeft geen architectuurgeschiedenis gestudeerd te hebben om te begrijpen dat het Amsterdamse Papusplan (1963) van de Rotterdamse architect Jaap Bakema door Kenzo Tange’s plan voor Tokio was geïnspireerd. Bakema bood het ontwerp aan als alternatief voor de Bijlmer, die destijds juist op de tekentafel lag. Maar begin jaren zestig organiseerde Amsterdam geen Olympische Spelen en ook al wilde wethouder Den Uyl de stad metropolitane allure geven, in Den Haag vond men dat de hoofdstad een toontje lager moest zingen. Daar was men ervan overtuigd dat Amsterdam de Bijlmer niet zelf mocht bouwen. Het ontaardde in een jarenlange stammenstrijd. Die was zelfs zo verbeten dat niemand de gifbelt van de Diemerzeedijk in het oosten een blik waardig keurde. Pal ernaast bouwde het Rijk in 1960 trouwens een elektriciteitscentrale, met hoogspanningsmasten uitwaaierend in het brede, ondiepe water. Van Kenzo Tange had het nog nooit gehoord. De dijk om Flevoland wachtte op uitvoering, dus van een baai als bij Tokio was lang geen sprake. De brug die Bakema naar het toekomstige Almere tekende verschoof het Rijk naar een terreintje achter Muiderberg. En Amsterdam bouwde na de Bijlmer het schitterende eilandenrijk van IJburg: een lineaire stad in de uiteindelijk voltooide baai, met zijn strandeiland gericht op de kaap aan de overkant – Almere Pampus. Bakema en Amsterdam, uiteindelijk halen ze beide hun gelijk.

Tagged with:
 

Een nieuwe taal voor bouwen

On 22 maart 2022, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Afgelopen week is de Brits-Amerikaanse architect Christopher Alexander op 85-jarige leeftijd overleden. Alexander brak door met ‘A Pattern Language’ (1977). Het boek wilde een nieuwe taal aanreiken voor bouwen en planning. Want een gemeenschappelijke taal, aldus Alexander, hebben we nodig om elkaar te verstaan bij het ontwikkelen van onze steden en dorpen. Let op, het gaat niet om de ontwerpen, plannen of beelden, maar om de woorden, begrippen en verhalen. Zijn doel: een democratische planning waarin burgers volwaardig participeren. Een taal is levend, verandert dus voortdurend, kan door iedereen naar eigen inzichten worden gekneed. En een taal deel je met anderen opdat iedereen elkaar kan verstaan. Alexander schreef ‘A Pattern Language’ in de hoop dat mensen zich de nieuwe taal zouden aanleren en verbeteren, waardoor het bouwen en plannen tot iets gemeenschappelijks wordt, niet iets uitsluitend van bestuurders, architecten, ontwikkelaars, bureaucraten. Dat is hem niet gelukt. Toch is zijn boek nog altijd een van de best en meest gelezen architectuurteksten die ooit zijn geschreven.

Na ‘A Pattern Language’ zou nog ‘The Oregon Experiment’ (1975) verschijnen. Daarin vertelt Alexander over zijn vernieuwende aanpak bij de planning van de campus in Eugene van de plaatselijke universiteit. Je kunt het boek nog altijd gratis downloaden. Het leert je precies hoe je volwaardige participatie van alle betrokkenen kunt regelen. Het is, net als ‘A Pattern Language’ zeer de moeite van het bestuderen waard. Zes principes worden onderscheiden: “organic order, participation, piecemeal growth, patterns, diagnosis, coordination.” Zoals iemand schreef: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, streets, and communities. This idea may be radical (it implies a radical transformation fo the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.” In de Nederlandse bouwpraktijk zijn we verder verwijderd van het gedachtegoed van Alexander dan ooit. Men pleit zelfs voor een nieuwe Vinex. Wie pleit er voor eerherstel van Chris Alexander?

 

4’33”

On 15 maart 2022, in ethiek, filosofie, muziek, by Zef Hemel

Tijdens het lezen van ‘Where the heart beats’ (2013), de biografie over John Cage, greep ik keer op keer naar mijn eigen boek over visionaire planologie om delen ervan te herlezen. Er was zoveel dat ik herkende. Had ik het boek maar eerder gelezen. De Amerikaanse componist John Cage (1912-1992) verdiepte zich in het Zen boeddhisme en schreef muziek die enorme vrijheid liet en waarin stilte steeds meer naar de voorgrond drong. Het experimenteren en leren mondde bij hem uit in zijn compositie 4’33”. Hij liet het stuk voor het eerst spelen in Woodstock, augustus 1952. Kay Larson gebruikt 250 bladzijden tekst om bij die première uit te komen. Het concert werd een compleet schandaal. Mensen voelden zich bekocht. Mooi hoe Kay Larson de ontvangst en de ontwikkelingen daarna beschrijft. “The basic message of Silence seems to be that everything is permitted.” Maar ook knap hoe hij de onbegrepen compositie uitlegt en in het licht plaatst van het Zen Boeddhisme van de grote Daisetz Suzuki. Pas dan begin je het te begrijpen. Cage: “It opens you up to any possibility only when nothing is taken as the basis.”

Als je je wil niet oplegt aan anderen of aan de dingen, dan schep je een enorme vrijheid, je creëert een geweldige ruimte, ook voor anderen. Pas als je verantwoordelijkheid neemt voor je eigen problemen, kun je werkelijk in verbinding staan met anderen. Daarvoor hoef je niets te doen, geen handen uit de mouwen te steken, geen daadkracht te tonen, “you will simply be yourself.” Planologen zouden zich dit aan moeten trekken. Ze zouden minder hun spierballen moeten laten rollen en veel beter luisteren, vragen stellen, stilte koesteren, niet oordelen, opereren vanuit het niet-weten. “”We observe that 4’33” is always itself, and it’s always wide open to everything. This apparent paradox is actually the piece’s perfection.” Het was ook waarom Cage zo van Satie hield, die hij beschouwde als een soort Zen-meester. Erik Satie hechtte nergens aan, was een onafhankelijke geest, geloofde niet in techniek of methode, drong zich niet op, trok zich niets aan van kritiek, maakte zich niet druk om schandalen. De muziek die hij componeerde beschouwde hij ook niet als kunst. “Satie appears at unpredictable points springing always from zero.” En bij nul, dat is waar het hart klopt. Satie en Cage zijn ook nu nog inspirerend.

 

Seeking silence

On 10 maart 2022, in muziek, wonen, by Zef Hemel

Over John Cage (1912-1992) gesproken. De geniale maar straatarme Amerikaanse componist verhuisde in 1942, dertig jaar oud, van Los Angeles naar New York. Arm als hij was, ging hij in Hudson Street, Tribeca, wonen, de straat waar vijf jaar later ook de schrijfster Jane Jacobs met haar man zouden neerstrijken. Maar in 1946 verhuisde Cage alweer, kort na de scheiding van zijn Xenia. Ik las erover in ‘Where the heart beats. John Cage, Zen Buddhism, and the Inner Life of Artists’ (2013) van Kay Larson. Cage trok naar Monroe Street, vlak bij Grand Street en de East River. Daar vond hij een ruimte bovenin een oud, donker, ‘onmogelijk’ industrieel gebouw, “a wreck of a place.” Maar het voldeed aan zijn eisen: groot, licht en goedkoop. Bovendien was hij in die jaren juist op zoek naar stilte. Hij en zijn vrienden noemden het Bozza Mansion (Bozza heette de verhuurder). Larson: “Cage punched windows into the walls, opening up a dramatic vista of the East River. Het stripped the interior, painted everything white, and added a kitchenette and bathroom.” Hij schreef er o. a. Sonatas and Interludes. Harper’s Bazaar kwam kijken.

Ook Morton Feldman, die regelmatig bij Cage over de vloer kwam, beschreef het appartement: “Two large rooms, with a sweeping expanse of the river encircling three sides of the apartment. Spectacular. And hardly a piece of furniture in it.” Er stond inderdaad alleen een lage marmeren tafel met enkele Japanse kussens erop, een paar potten met planten en een Steinway piano. De beeldhouwer Richard Lippold bleek de buurman. Die leefde daar samen met Ray Johnson. Larson: “Bozza residents flowed down the hallways and into each other’s studios.” En wat schreef Harper’s Bazaar? Het tijdschrift noteerde dat Cage “has launched a trend in living: Artists, musicians, and writers are beginning to invade slum and industrial districts bordering on the lower East River.” Dertig jaar later, in 1981, verscheen ‘Loft Living: Culture and Capital in Urban Change’ van de Amerikaanse socioloog Sharon Zukin. In haar monumentale boek typeert ze het complex van beroepen, winkels en bewoners dat verwijst naar de smaak van kunstenaars als Cage – een nieuwe sociale laag van goed verdienende professionals en medewerkers van de hoogwaardige diensteneconomie – als de ‘arts infrastructure’ in New York tijdens de de-industrialisatie. Cage, met andere woorden, tekende met zijn armoede voor het begin van de wereldwijde trend van grootstedelijke gentrificatie. Is dit ironie?

Tagged with:
 

Burgers hebben het gemakkelijker

On 3 maart 2022, in politiek, by Zef Hemel

Na afloop van mijn korte inleiding vroeg de moderator mij of ik aan de aanwezige politici een vraag wilde stellen. Ik vroeg ze of ze, wanneer ze na de gemeenteraadsverkiezingen bij de formatie betrokken zouden worden, bereid waren een collegeprogramma op te stellen dat niet meer een reeks van beloftes zou inhouden, maar een heldere analyse van wat er volgens hen aan de hand is in de stad, gevolgd door een open vraag: wie wil helpen deze vraagstukken op te lossen. Stadsontwikkeling is immers het samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en burgers. Het was de kern van mijn betoog in het oude Muiderpoorttheater in Amsterdam Oost waar die avond de verkiezingskoorts was losgebarsten. Vier lijsttrekkers (GroenLinks, PvdA, VVD en D66) spraken over wonen en stadsontwikkeling. Over dat laatste ging mijn inleiding. Ik sprak over hoe we met elkaar de dingen doen in de stad, niet over wat we zouden moeten doen. Mijn stelling was: terwijl de bevolking van Amsterdam sterk van samenstelling en karakter is veranderd, verandert de gemeente niet of nauwelijks mee. Het is nog altijd besluitvorming, projectmanagement, poging om de boel onder controle te houden. Zie de overheid worstelen. Ondertussen zijn Amsterdamse burgers hoogopgeleid, mondig, buitengewoon divers, multicultureel: die verwachten een andere overheid. Het enige wat de gemeente in het recente verleden deed was stadsdelen instellen, die het vervolgens weer opdoekte. Het wordt tijd dat de gemeente zijn werkwijze ècht verandert.

Bijval kwam er niet, maar dat had ik ook niet verwacht. Eerder was sprake van verwarring. GroenLinks vond dat er in de gemeentelijke werkwijze wel degelijk veel was veranderd. Er was immers tegenwoordig volop gelegenheid tot participatie. Toen daarbij verwezen werd naar de mogelijke vestiging van een eroscentrum in De Eenhoornbuurt, werd geantwoord dat dit slechts een van de negen mogelijke locaties betrof en dat de buurt zeker nog gehoord zou worden. Vroeger zou de gemeente gewoon een plek hebben aangewezen. En de omstreden windmolens bij IJburg dan? Dat moet nu eenmaal van het rijk, antwoordden een aantal partijen, waarbij GroenLinks aantekende dat de partij dit ook zelf wil: de stad moet zijn energievoorziening verduurzamen. Een collegeprogramma zonder beloftes kan gewoon niet, daarover waren alle partijen het met elkaar eens. De oppositie zou er de vloer mee aanvegen. Zo werkt nu eenmaal de gemeentepolitiek. Na afloop sprak ik aan de bar met een bezoeker die medelijden had met de aanwezige politici. Zij kunnen, merkte hij op, niet vrijuit spreken, ze zitten vast in hun beperkte rol. Datzelfde geldt voor de ambtenaren. Burgers hebben het veel gemakkelijker.

Tagged with:
 

Verticale groei in Frankfurt

On 21 februari 2022, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Net als met Seattle, Austin en Tel Aviv is Amsterdam goed vergelijkbaar met Frankfurt. Al deze steden groeien razendsnel. De Duitse stad aan de Main telt op dit moment 740.000 inwoners, is dus iets kleiner dan Amsterdam. Maar de economie draait er als een tierelier. Meer nog dan de Nederlandse hoofdstad profiteert ze van de Brexit. Frankfurt is met de Europese Centrale Bank dan ook een absoluut financieel centrum. Daarnaast telt de stad veel techbedrijven en universiteiten. En het vliegveld van Frankfurt is een echte continentale hub, vergelijkbaar met de Amsterdamse luchthaven. Ten slotte, Frankfurt bevindt zich in een zwaar verstedelijkt gebied in het hart van Duitsland; Regionalverband Frankfurt telt evenveel inwoners als de Metropoolregio Amsterdam: 2,5 miljoen. En dat Regionalverband is weer genesteld in de Frankfurt Rhine-Main Region, groot 6 miljoen inwoners. Een soort Randstad dus. Net als Amsterdam is Frankfurt daarbinnen de onbetwiste trekker. Men verwacht dat de stad tot 2030 groeit met bijna 200.000 nieuwe inwoners. Dat zet stevige druk op de woningmarkt. Is Frankfurt duur om in te wonen? Nou en of! Veel duurder nog dan Amsterdam. Maar de inkomens zijn ook beduidend hoger.

De groei van Groot-Frankfurt wordt door uitstekende ruimtelijke planning begeleid. Net als de unieke scheggen- en lobbenstadstructuur van Amsterdam koos Frankfurt al in 1925 voor een stadsvorm die landschappelijk zorgvuldig is ingepast en gelimiteerd. De stad wordt omgeven door bossen, beken, dorpen en rivieren die zijn opgenomen in een groengordel van circa 8.000 hectare in een zeventig kilometer lange band rond de stad is getrokken. In 1991 werd de gordel bestuurlijk in een niet-bindende constitutie vastgelegd. Als er al aan het groen wordt getornd, dan moet dit elders worden gecompenseerd. Het weerhoudt de stad er niet van om stevige woningbouwambities te hebben. De nieuwbouw slaat vooral neer in het stadscentrum en in het westen en zuiden. Zo werden er in 2018 7.329 nieuwe woningen in aanbouw genomen, het jaar erna 6.000. Men schat het tekort echter op zeker 50.000 appartementen, en tegen 2030 zou dit wel eens kunnen zijn verdubbeld. Vooral het aantal huishoudens groeit snel: een groei van 32 procent tussen 2005 en 2035 – veel meer dan de 10 procent die andere snelgroeiende Duitse steden kennen. Veelal gaat het om expats. En daklozen? Na de financiële crisis kreeg ook Frankfurt te maken met mensen die in tenten sliepen op straat, in 2020 ging het om circa 200 daklozen, ze waren veelal afkomstig uit Oost-Europa, in heel Duitsland een groei sinds 2014 van liefst 150 procent. Bankslapers worden sinds 2017 in Frankfurt beboet.

 

Op de ruïnes van het kapitalisme

On 20 februari 2022, in boeken, duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

We leven in het Antropoceen, dat wil zeggen: op de ruïnes van het kapitalisme. Daar moeten we zien te overleven. De Amerikaanse antropoloog Anna Lowenhaupt Tsing (69) schreef er een fascinerend boek over. Ik las het met ingehouden adem. Haar ‘The Mushroom at the End of the World’ (2015) vormt een gedetailleerde beschrijving van landschappen die door het kapitalisme nog niet zo lang geleden werden geëxploiteerd, leeggezogen en daarna verlaten. Wat komt ervoor in de plaats? Ze voert de lezer mee door de bossen van Japan, Oregon, Verenigde Staten, en Yunnan, China, en laat zien wat er met deze verwoeste landschappen is gebeurd, wie ze bevolken, hoe de mensen er leven. Een kleine paddenstoel – mitsutake – is haar gids. Die gedijt uitgerekend waar bosbouwers en internationale houthandel ecosystemen hebben verstoord. Mitsutake kun je niet kweken, verschijnt onregelmatig, leent zich dus niet voor commerciële exploitatie. Maar in Japan is men er dol op. Daar is het iets wat je anderen geeft als geschenk. Haar matsutake zette haar op het spoor van een vorm van samenleven tussen planten, dieren en mensen die wèl duurzaam is en die we, ondanks het kapitalisme, zouden kunnen beproeven. Vandaar de ondertitel: “On the Possibility of Life in Capitalist Ruins”. Maar het zal niet eenvoudig zijn. Om een lang verhaal kort te maken: hoop is er wel, maar de toekomst is anders dan wat je zou verwachten. Verplichte kost voor alle planologen, zeker als die zich met het Nederlandse platteland bezighouden.

Eén ding is zeker. Vooruitgangsgeloof zullen we moeten loslaten, stabiele ecosystemen bestaan niet, plannen zijn zinloos, onze kwetsbaarheid als het gaat over de toekomst moeten we accepteren. “Precarious living is always an adventure.” Kan planologie dan nog wel bestaan? Veel van wat ik in ‘Er was eens een stad’ (2021) als visionaire planologie beschrijf vond ik in haar boek terug: afscheid nemen van maakbaarheidsdenken, in plaats daarvan scherp observeren, ook oog hebben voor planten en dieren, alle zintuigen goed gebruiken, wetenschappelijke kennis met lokale lekenkennis combineren, vrijwilligers laten participeren, wederzijds leren (“do, think, observe, and do again”), geduld bewaren, vertragen, bescheiden zijn, procesgericht zijn, niet weten waar de wereld naar toe gaat, verhalen vertellen, gevoelsmatig bewegen en vooral: “the joy of doing things together with other people”. In de Japanse bossen ontdekte ze duizenden groepen jonge mensen die het verwoeste platteland weer proberen te revitaliseren en die daarvoor het herstel van de matsutake als uitgangspunt nemen. Daar zit de hoop, in zoiets als het tijdelijk hervinden van de ‘commons’. “No one thinks matsutake will bring Japan back to its pre-bubble glory. Rather than redemption, matsutake-forest revitalization picks through the heap of alienation. In the process, volunteers acquire the patience to mix with multispecies others without knowing where the world-in-process is going.”

 

Verhalen als strategie

On 20 februari 2022, in film, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Afgelopen week gaf ik gastcollege op de Erasmus Universiteit in Rotterdam in het Masterprogramma City Developer (MCD). WouterJan Verheul had me uitgenodigd. Onderwerp: verhalen vertellen als strategie in de omgang met complexe systemen. Steden, stelde ik, zijn van nature complex, dat betekent dat niemand er werkelijk greep op heeft, ook de gemeente niet. Wat kun je dan het beste doen? Een van de mogelijkheden is toekomstverhalen vertellen. Als voorbeeld noemde ik de binnenstadsvisie van Amsterdam die ik in 2019 voor de burgemeester maakte. We bespraken de kracht van mijn toekomstverhaal en hoe met name de gemeente er daarna mee was omgegaan. Daarbij kwam de vraag op of een overheid wel gevoelig is voor verhalen. Denkt ze niet alleen in macht? Na afloop kwam een cursist op me af, die vroeg of ik The Angel (2018) had gezien. Dat had ik niet. Thuis bekeek ik de film op Netflix. Hij is gebaseerd op het waargebeurde verhaal over een Egyptische (dubbel)spion die voorafgaand aan de Oktoberoorlog van 1973 president Assad adviseerde. De geschiedenis werd opgetekend door Uri Bar-Joseph in ‘The Angel: The Egyptian Spy Who Saved Israel’. Wie meer over de achtergronden wil lezen, raadplege Le Monde Diplomatique van 8 oktober 2018. Dat artikel schetst goed de politieke dimensies van de film en hoe het script zich verhoudt tot boek en geschiedschrijving in zowel Israël als Egypte.

Wat leerde mij The Angel? Of, waarom moest ik de film eigenlijk zien? De strategie van hoofdpersoon Ashraf Marwan (gespeeld door de Nederlandse acteur Marwan Kenzari) in het geraffineerde dubbelspel tussen de aartsvijanden Egypte en Israel blijkt ontleend aan een fabel van Aesop die Marwan niet alleen aan zijn zoontje voor het slapen gaan vertelt, maar ook aan president Anwar al-Sadat. Het gaat als volgt. In ‘De jongen die wolf riep’ moest een zoontje van zijn vader op de schapen passen. Als er een wolf kwam, moest hij heel hard ‘wolf!’ roepen. Het jongetje was ondeugend en sloeg driemaal vals alarm. Toen hij voor de vierde keer ‘wolf’ riep, luisterde zijn vader niet meer. Dat, aldus Marwan, moest de strategie van Egypte worden bij het terugveroveren van de Sinaï die ze was kwijtgeraakt in de zesdaagse oorlog van 1967. Tegen de Mossad speelde hij het spel door driemaal vergeefs voor een Egyptische invasie te waarschuwen. En nog een vierde keer, nu tegen het hoofd van de Mossad persoonlijk. Dit keer viel Egypte de Sinaï wèl binnen. Volgens Israelische regisseur Ariel Vromen was Marwan integer en heeft hij met zijn verhaal enorm veel doden voorkomen. Het verhaal van de jongen die wolf riep is oud (620-560 voor Christus). In 1973 bleek het nog verrassend vitaal. Planologen, leerde ik opnieuw, moeten net als Marwan verhalen vertellen. En machthebbers zijn er wel degelijk gevoelig voor. De kracht was in werkelijkheid zelfs zo groot dat de echte Marwan in 2007 in Londen werd vermoord, althans dat is het vermoeden van de politie. Nu maar hopen dat mijn binnenstadsvisie niet als bedreigend wordt ervaren. Gelukkig kun je hem ook negeren.