Los Angeles als voorbeeld

On 17 december 2020, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Wie herinnert zich nog de blauwe, schone luchten en de weldadige stilte tijdens de eerste lockdown in het vroege voorjaar van 2020? Alle auto- en vliegverkeer kwam in één klap tot stilstand. Mensen wandelden en fietsten buiten. Wekenlang voelde het rustig en rook het schoon in de stad. Je hoorde de vogels weer fluiten. Dat is tijdens deze tweede lockdown beslist niet het geval. Sterker, auto’s en motoren zijn aan de winnende hand; de luchtvervuiling is weer terug op het oude niveau. Ondertussen kampt het Nederlandse openbaar vervoer met de ernstigste terugslag in jaren en het is de vraag of dit er zonder hulp van rijkszijde ooit weer bovenop komt. Ook Nederland kiest op dit moment massaal voor de auto, want die is veiliger. De minister van infrastructuur doet er nog een schepje bovenop en werkt aan wegverbredingen zoals die bij Amelisweerd. Als het waar is dat mensen menen dat ze ook na de pandemie op afstand kunnen gaan werken en dus hun biezen pakken en verhuizen naar het platteland, dan is elke vorm van transit-oriented development (bouwen bij stations) vergeefs geweest. De toch al sterk gespreide verstedelijking in de lage landen zal nóg verder uitdijen. Iedereen wordt straks veroordeeld tot de auto. Weg schone lucht.

In Los Angeles zagen ze dit gevaar al vroeg aankomen. Ik las erover in Planetizen (16 december), de website van de Amerikaanse vereniging van stadsplanners. De metropool aan de westkust van de Verenigde Staten bereidt zich voor op de Olympische Spelen van 2028. Bij die spelen hoort schone lucht, het IOC wil duurzaamheid. De autostad kan zich ook niet nog meer auto’s permitteren. Dus direct in het begin van de eerste lockdown smeedden de planners van de Los Angeles County Metropolitan Transportation Authority (Metro) al plannen voor versnelling van de investeringen in het openbaar vervoer. LA heeft na New York het grootste busnetwerk van alle steden in de Verenigde Staten; de stad werkt aan plannen voor nieuwe metroverbindingen en versterking van het buslijnennet, alles gericht op 2028. Daarbij wordt vooral gekeken naar de arme wijken en buurten waar mensen zich geen auto kunnen permitteren en waar goed openbaar vervoer vrijwel geheel ontbreekt. Juist de ongelijkheid wil men bestrijden. De hoop van de stadsplanners is gevestigd op de regering Biden. Die belooft, anders dan de vertrekkende president, belangrijke investeringen in publieke diensten en infrastructuur. Zou Nederland – met evenveel inwoners als Los Angeles – geen voorbeeld aan LA moeten nemen en ambitieuze plannen moeten maken voor omvattende investeringen in openbaar vervoer, te beginnen in de grote steden, en binnen die grote steden in de arme wijken in de eerste plaats? Is er een politieke partij die dit in haar programma heeft staan?

 

Afboeken geblazen

On 10 december 2020, in economie, by Zef Hemel

Onlangs verscheen een nieuw rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over de toestand in de Nederlandse binnensteden. In ‘Veerkracht op de proef gesteld’ (2020) wordt vijf jaar na het verschijnen van ‘De veerkrachtige binnenstad’ (2015) de thermometer opnieuw in een groot aantal binnensteden gestoken. Aanleiding is Covid-19 en de grote impact die deze heeft op bezoekersstromen. Winkels en horeca zijn al maanden gesloten. Wat gaat dit op termijn voor de binnensteden betekenen? Hier is het antwoord: de eerder gesignaleerde trends zetten door. De winkelleegstand neemt verder toe, wonen komt ervoor in de plaats, de binnensteden passen zich aan, er is sprake van ‘veerkracht’. De geschatte effecten van Corona zijn, opmerkelijk genoeg, al even weinig verrassend: er zal een nivellering plaatsvinden tussen zwakke en perifere centra als ene uiterste en bruisende centra in sterke regio’s als andere uiterste. De hardste klappen zullen vallen in de binnenstad van Amsterdam. Daar was 40 tot 45 procent van de bezoekers in de drukste winkelstraten in de periode vlak voor de pandemie van buitenlandse origine. Kennelijk is de professionele inschatting dat de toeristen niet zo snel terug zullen keren.

Wat me opvalt in het hele rapport, dat als verwacht opnieuw gedegen is, is dat er zo sterk de nadruk wordt gelegd op vastgoed en beleggingen. Alsof het fenomeen van de Nederlandse binnensteden hoofdzakelijk een vastgoedportefeuille betreft, die kan worden afgezet tegen vastgoedportefeuilles elders, in buitenwijken en langs snelwegen. De auteurs zijn ook niet zomaar experts; het betreft vooral kenners van winkelpanden en vastgoedbeleggingen. Het rapport kwam tot stand in nauwe samenwerking met Locatus, marktleider op het gebied van retail-informatie, en het werd gemaakt op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken. Vijf jaar geleden werd zo’n rapport niet met zulke financiële accenten samengesteld. Toen lag de nadruk op bereikbaarheid, leefbaarheid, diversiteit, potentie en betekenis van binnensteden. Nu gaat het, oneerbiedig gezegd, alleen nog over het vullen van leegstaande panden met horeca dan wel woningen en dat daaraan grenzen zitten. Die accentverschuiving is misschien wel het grootste effect van Corona. Ten slotte: voor het eerst wordt weer gesproken over krimp. Krimp was lange tijd een besmet woord. Dat wordt afboeken geblazen.

 

Overwinteren

On 3 december 2020, in bestuur, by Zef Hemel

Gisteren sprak de burgemeester van Amsterdam de jaarlijkse ‘State of the Region’. Ze bleek oud-ondernemer Ben Verwaayen te hebben gevraagd om advies uit te brengen over de toekomst van de Metropoolregio Amsterdam. Die had voorgesteld om voor de 32 gemeenten, de twee provincies en de vervoerregio binnen de MRA een aparte directie in te stellen, met een bestuur en een algemene vergadering. Alleen zo kan de bestuurlijke samenwerking betekenis krijgen. In ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010) beschrijft historicus Auke van der Woud het begin van stedengroei in Nederland in de negentiende eeuw. Daarin besteedt hij ook aandacht aan het openbaar bestuur. Fijntjes merkt hij op dat de Grondwet van 1848 een einde maakte aan het staatsrechtelijke onderscheid tussen stad en platteland. Dat gebeurde juist op het moment dat de steden begonnen te groeien. Alles heette voortaan gemeente. “Gemeenten met een rijk stedelijk en internationaal verleden waren voor de wet niet belangrijker dan gemeenten met een povere, marginale geschiedenis.” Binnen dertig jaar begon deze politiek van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ zich te wreken. Sommige steden groeiden veel harder dan andere, het platteland liep ten dele leeg. Dit verschijnsel, aldus Van der Woud, bleek structureel.

Ondertussen is de Nederlandse bevolking explosief gegroeid en ligt zelfs versterkte urbanisatie in het verschiet. Tot op de dag van vandaag echter heet alles in Nederland nog steeds gemeente. Annexaties en gemeentelijke herindelingen waren er wel, maar veranderden het stelsel niet wezenlijk, en elke poging tot bestuurlijke vernieuwing strandde. Nu wordt er weer gesmeekt om een Minister van Ruimte. Lieve help. Men kan zich afvragen of het openbaar bestuur wel is opgewassen tegen de verhevigde urbanisatie. Waarom past het zich niet aan? Antwoord: omdat het bestaande staatrechtelijke systeem grote voordelen biedt. De Amerikaanse politicoloog James Scott vergeleek het met een bijenkorf: een geraffineerd bouwwerk van gelijke, gescheiden kamers dat de imker in staat stelt om honing, was en propolis op te vangen, een ordelijk systeem dat uitstekend leesbaar is en vooral een imker die elk jaar precies genoeg honing onttrekt om de bijen te laten overwinteren. Die imker, dat is Den Haag. En de gelijke, gescheiden kamers, dat zijn de gemeenten. Verwaayen noemde het Rotterdamse Havenbedrijf als voorbeeld. Dat acteert stevig en doet ferme zaken. Zoiets wenst hij de MRA ook toe.

 

Too ridiculous to be true

On 1 december 2020, in boeken, by Zef Hemel

Deze week staat bij BNR Nieuwsradio (ochtendprogramma Big Five) in het teken van de vermeende kloof tussen stad en platteland. Ik was er maandag. Ondertussen lees ik het vermakelijke ‘News from Nowhere’ (1890) van de Britse kunstenaar William Morris. De hoofdpersoon in deze negentiende eeuwse sciencefiction roman, William Guest, valt na een avondje debatteren bij de Socialistische Liga in slaap in een saaie buitenwijk van Londen. Hij wordt de volgende ochtend wakker, maar dat blijkt dan wel in de verre toekomst. Hij bevindt zich in een communistisch paradijs. Geld bestaat niet meer, fabrieken en gevangenissen zijn overbodig geworden, iedereen geniet onderwijs en de regering in Londen is afgeschaft. Zelfs vrouwen blijken geëmancipeerd. Heel Londen is van de aardbodem verdwenen; er is alleen nog maar uitgestrekt platteland. En alles wat de hoofdpersoon ziet is mooi, elegant, esthetisch. Maar ergens staat nog oude rommel overeind: voorbij tuinen en boomgaarden stuit de hoofdpersoon op Trafalgar Square. Een voorbijganger noemt het plein ‘a dead folly’. Hier waren in 1887 socialistische protestmarsen gehouden, waarop burgemeester en wethouders keihard hadden ingegrepen. “That seems too ridiculous to be true; but according to this version of the story, nothing much came of it, which certainly IS too ridiculous to be true.”

‘News from Nowhere’ beschrijft een bootreis over de Theems dwars door het idyllische Engelse platteland en het in een groen paradijs getransformeerde Londen. Morris hield van het platteland en verafschuwde de metropool. De rivier de Theems was zijn grote liefde. Toen de grote kunstenaar de toekomstroman schreef, was hij met zijn gezin juist verhuisd van Red House in het gehucht Upton in Kent naar Kelmscott Manor, in de buurt van Lechlade in Gloucestershire. Echter, hij zou er maar een paar dagen per jaar verblijven. Het was er koud en het leven was er simpel. Het was meer iets voor zijn vrouw en kinderen. Zelf ging hij wonen aan Queen Square, Londen, waar zijn werkruimte beneden was en de woonruimte boven. In 1878 betrok hij een bakstenen huis in Hammersmith. Ja hij hield van vogels, struiken en bomen. En Londen was vies en vuil. Maar er waren rijke Londenaren die veel geld aan zijn schitterende kunstwerken spendeerden. En om de hoek, op loopafstand, lag het South Kensington Museum, waar hij de zeldzame textielverzameling bestudeerde. De droom van een welvarend platteland ging bij deze socialist, zoals bij zovelen, gepaard met een intense hekel aan de grote stad. Ondertussen had hij alles aan Londen te danken. En zijn vrouw, zijn kinderen? Zodra ze konden, vluchtten ook zij terug naar de grote stad.

 

Het is niet (alleen) stikstof

On 28 november 2020, in duurzaamheid, kunst, landschap, by Zef Hemel

Was het toeval? Verschillende gebeurtenissen kwamen afgelopen week samen. Rijksadviseur voor het landschap Berno Strootman nam afscheid met een interview in de Volkskrant (24 november 2020) waarin hij waarschuwde voor een Nederland als ‘één grote hagelslag’: een windmolen hier, een paar zonneparken daar, een optelsom van plaatselijke initiatieven. Hij hield zijn hart vast. Diezelfde avond organiseerde het Forum voor Stedelijke Vernieuwing vanuit Amsterdam een webinar met Janna Bystrykh over ‘Countryside: The Future’, de verontrustende tentoonstelling in het Guggenheim Museum in New York over de toekomst van het platteland. Als een van de makers van de tentoonstelling waarschuwde Bystrykh dat initiator Rem Koolhaas dit keer geen oplossingen had. Maar als er niets verandert verdwijnt de komende tien jaar zeker vijf procent van alle biodiversiteit op de wereld. Zestig procent was sinds de Industriële Revolutie al verdwenen. Ondertussen vertelde ze wat ze allemaal had geleerd van de boeren in de Great Plains. Het kan dus wèl. Ten slotte bezocht ik vrijdag de tentoonstelling in de Leidse Lakenhal met monumentale werken van wol en vilt van de kunstenaar Claudy Jongstra. Jongstra’s boodschap was al even somber: de biodiversiteit op het platteland holt achteruit. Als er niet wordt ingegrepen blijft er niets over van de natuurlijke rijkdom van weleer.

Vooral Jongstra maakte indruk. NINE – een zeer groot, donker kunstwerk van geweven wol als een gebroken landschap – en Cosmic Cry – twee lange, al even donkere wandkleden van zwart geverfd gevilt wol in dezelfde ruimte – zijn niet minder dan ‘een politiek pamflet’ (citaat uit Friesch Dagblad): ‘een aanklacht tegen het monotone landschap’ dat in hoog tempo al zijn biodiversiteit verliest. In Extended Ground ontpopt de kunstenaar zich zelfs als een regelrechte activist: haar poging om zelf zaad te kweken en, samen met leerlingen uit het beroepsonderwijs, met bijna verdwenen planten en reststoffen eerlijke natuurlijke producten te maken. Ingrijpen nu. Terug naar af. In haar concrete kunst overtreft ze het administratieve werk van planologen doordat ze mensen hevig beroert en met haar natuurlijke kleuren hen de weg wijst naar een betere toekomst. Nee, het is niet alleen stikstof. Dat is iets abstracts. Het is kleur. Haar boodschap is: wij weten niet meer onze zintuigen te gebruiken. Wij zijn het kijken, voelen, ruiken en luisteren verleerd. Een half uur had ik inderdaad nodig om te wennen aan het geringe daglicht in de tentoonstellingsruimte. Eerst toen begon ik door het zwart heen de kleuren te zien. Zeldzaam indrukwekkend.

 

Broodje Aap

On 18 november 2020, in internationaal, wonen, by Zef Hemel

Als u mij op Twitter volgt, dan wist u het al lang. Juichkreten over een veronderstelde massale vlucht van mensen uit de grote steden als gevolg van Covid-19 klinken veel te vroeg. Ook in Nederland wordt door sommigen een vlucht uit met name Amsterdam naar de regio bijna als een wraakneming van het platteland op de grote stad neergezet. Alsof dat eerlijk en rechtvaardig zou zijn. Maar zelfs in de Verenigde Staten, waar de steden veel harder geraakt worden door het virus en mensen veel mobieler zijn dan in Europa, valt het reuze mee. Wat heet. Bloomberg CityLab gaf op 16 september 2020 toe dat het nog te vroeg is voor een definitief oordeel, maar voorlopig luidt de conclusie dat juist minder Amerikanen dan ooit hun biezen pakken. In ‘What we actually know about how Americans are moving during Covid’ schrijft Marie Patino: niet meer, maar minder. Die vaststelling blijkt gebaseerd op de gegevens van de twee grootste verhuisbedrijvenplatforms in de Verenigde Staten. Verkoopcijfers van woningen daalden trouwens ook.

Enquêtes wijzen uit dat degenen die wel verhuizen dat niet doen vanwege Corona. Als het al gebeurt, zijn het jongeren in de leeftijd tussen 18 en 29 jaar die dat vooral doen vanwege het sluiten van de universiteiten en het overschakelen naar online lesgeven. Waarom zou je dan nog een dure kamer op een campus huren? Ook een paar steden zoals New York en San Francisco worden erg duur gevonden. Degenen die daadwerkelijk verhuizen geven overigens aan niet te vluchten, maar hun heil te zoeken in andere grote steden, zoals Seattle en Los Angeles. “There is not a widespread movement of people prospecting to move out of urban areas to less dense environments.” De interesse van Amerikanen voor de suburb neemt alleen maar af. Bloomberg wijst erop dat na pandemieën in het algemeen steden weer snel herstellen. Ook in Nederland betreft het vermoedelijk broodjeaapverhalen. Dat zeg ik, het klinkt sensationeel en het speelt lekker in op angsten en vooroordelen van mensen. Het is gewoon niet waar. Grote steden kunnen zich beter voorbereiden op snel herstel en op een nieuwe, nog massalere toeloop.

 

Democratische steden

On 15 november 2020, in economie, politiek, by Zef Hemel

Eind oktober verscheen er in de Volkskrant een uitstekende ‘long read’ van Amerika-correspondent Michael Persson, getiteld ‘Een exceptioneel onaardig land vol aardige mensen’. Aanleiding waren de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In plaats van het vizier te richten op de twee strijdende kandidaten koos Persson, van wie onlangs ‘De val van Amerika’ verscheen, voor een reis vanuit New York naar de heuvels ten zuiden van Pittsburgh in Pennsylvania. Daar ontmoette hij mensen die meenden dat New York leegliep en dat de stad in een spookstad was veranderd. Dat vonden ze helemaal niet erg. “Laat de stad maar kapotgaan. Waarom moeten wij ze redden? Dat zijn geen Amerikanen.” Persson schrok. Hij ontdekte dat de mensen hier op het platteland als volgt redeneerden: Democratische steden = Democratische inwoners = Black Lives Matter = socialisten = anarchisten = terroristen. Ze leken niet door te hebben dat New York een nettobetaler aan Washington is, en dat deze plattelandsgebieden netto-ontvangers zijn. En New York loopt niet leeg, maar heeft het wel moeilijk. Zonder een welvarend New York wacht de armoede, ook op het uitgestrekte platteland. Persson concludeert: “Het is, in zekere zin, de wraak van het platteland op de stedelijke elite, die natuurlijk jarenlang heeft neergekeken op het ‘flyover country’ van Pennsylvania.”

Volgens Persson is er in Amerika sprake van een enorme kloof tussen stad en platteland. De stad kijkt neer op het platteland. Het platteland gunt de stad zijn succes niet. Het denkt zelfs dat het er het slachtoffer van is. De schaduwkanten van dat grootstedelijke succes – hoge huizenprijzen, woningnood, criminaliteit, een gejaagd leven, keihard werken – ziet ze niet of wil ze niet zien. Er is zelfs sprake van leedvermaak nu door Corona juist de grote steden het moeilijk hebben. Ondertussen vernietigt het platteland zichzelf. Want in de heuvels van Pennsylvania ontmoet Persson twee mannen van een gasbedrijf die boortorens inspecteren waarmee de grond wordt opengebroken in hun zoektocht naar gas. “Zie je deze vallei?” zeggen ze tegen Persson. “Dit is wat Amerika is. Bossen. Boerderijen. Grondstoffen. Mensen die elkaar kennen en die voor elkaar zorgen.” Persson zag echter vooral werkloosheid, armoede, resten van hoogovens en lege Chevrolet-fabrieken. De meedogenloze ‘fracking’ door het gasbedrijf komt daar nog eens bij. “Dit verhaal gaat over wat Amerika is,” besluit Persson: “Een land dat zichzelf de afgelopen jaren is tegengekomen, en geschrokken is van wat het heeft gezien.”

 

Ons platteland

On 13 november 2020, in duurzaamheid, landschap, by Zef Hemel

Eind vorig jaar verscheen in The New York Times een alarmerend artikel over het Europese landbouwsubsidiebeleid en de schadelijke gevolgen die dit heeft voor mens en natuur. In ‘Killer Slime, Dead Birds, an Expunged Map: The Dirty Secrets of European Farm Subsidies’ schrijven Matt Apuzzo, Selam Gebrekidan, Agustin Armendariz en Jin Wu (25 december 2019) over de 65 miljard dollar die de EU jaarlijks uitgeven aan boeren, (dat is nog altijd veertig procent van de EU-begroting), en de kwalijke gevolgen die deze hebben. Volgens de krant dragen de enorme subsidiestromen niet alleen bij aan klimaatverandering en ernstige vervuiling van bodem, lucht en water, ze zetten ook aan tot anti-democratische sentimenten en houden een apparaat in stand dat van de subsidies profiteert. Europa zegt weliswaar een Green New Deal te willen, maar doet ondertussen het tegenovergestelde. Het is overigens wel vreemd om met Amerikaanse ogen naar ons continent te kijken, om je vervolgens beschaamd af te vragen waar we nu eigenlijk mee bezig zijn.

Centraal in het artikel staat een kaart die in het voorjaar van 2017 in een gezelschap van Brusselse ecologen, academici en lobbyisten werd getoond. Onderwerp van gesprek waren groene landbouwpraktijken. De kaart toonde verontreinigingen in Noord-Italië gerelateerd aan EU-landbouwsubsidies: waar de meeste subsidie naar toe ging, daar was de verontreiniging het grootst. Iedereen verstijfde. De vraag lag voor of Europa niet vervuiling subsidieert. Geen spoor echter van de kaart in het uiteindelijke rapport. Maar The New York Times wist er beslag op te leggen. Waar de meeste subsidies naar toe gaan, is de vervuiling inderdaad het grootst. Waarna de krant wijst op de groeiende algenvelden in de Baltische Zee en voor de kust van Noord-Frankrijk. Overal waar intensieve veehouderij domineert, worden ecosystemen vernietigd. Ook in Nederland. Negentig procent van de patrijzen is uit ons land verdwenen. Patrijzen waren tot midden jaren negentig doodnormaal; ze leven van insecten en nestelen in heggen. Daar is niets meer van over. “We are talking about a collapse,” zegt Frans van Alebeek in het artikel. Van Alebeek is ecoloog in dienst van BirdLife Nederland. Al twintig jaar, aldus de krant, weten de ambtenaren van de EU van de desastreuse gevolgen van hun eigen landbouwsubsidiebeleid. Eind oktober besliste de EU over het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid. Tot en met 2027 zal er opnieuw weinig veranderen.

 

Monument onder het IJ

On 10 november 2020, in infrastructuur, by Zef Hemel

In maart 2021 wordt er dan eindelijk een knip gelegd in de Weesperstraat. Deze onderbreking in de roemruchte Amsterdamse stadsautoweg is niet minder dan historisch te noemen. Ruim vijftig jaar na de opening van de tunnel onder het IJ tussen Amsterdam Noord en de Valkenburgerstraat zullen auto’s niet meer dwars door de stad kunnen scheuren. In een ingezonden brief in Het Parool noemde oud-medewerker van de Milieudienst Frans Nauta dit ‘het herstel van een oude fout’. Hij doelde op de opening van de Zeeburgertunnel in 1990, die het IJtunneltracé in één klap overbodig maakte. Vanaf dat moment kon alle doorgaande autoverkeer om Amsterdam heen. In plaats van de IJtunnel buiten werking te stellen of het tracé in de binnenstad terug te brengen naar twee rijstroken zoals de Milieudienst voorstelde, hield de gemeente de vierbaanssnelweg gewoon in stand. Een jaar later was ze alweer volgestroomd met auto’s. De vraag waarom er überhaupt een IJtunnel en een IJtunneltracé zijn gemaakt, stelt Nauta echter niet.

In oktober 1968 werd de IJtunnel feestelijk geopend. Die was na jarenlange politieke strijd uiteindelijk helemaal door de gemeente betaald. Het Rijk vond de tunnel namelijk overbodig – die gaf de voorkeur aan de Coentunnel in het westen en aan de Zeeburgerbrug in het oosten. Duur genoeg. Hardnekkig hield Amsterdam echter aan haar voorkeurstracé vast, ook al moest ze daarvoor een groot deel van de oostelijke binnenstad slopen. Aanvankelijk wilde ze de tunnel zelfs dicht bij het Centraal Station. Die optie maakte onderdeel uit van een plan, uit 1950, voor liefst drie kostbare tunnelverbindingen. In 1952 koos de gemeenteraad echter voor een tunnel onder het Oosterdok en startte ze de onderhandelingen met het Rijk over de financiering. Tien jaar Haags gesteggel en politiek geharrewar volgden. Ondertussen begon Amsterdam alvast met de sloop van de Weesperstraat. Koppig hield ze vast aan de bouw van haar eigen stadstunnel. Haar redenering was: Amsterdam loopt leeg, de mensen vertrekken, we moeten iets doen. Met andere woorden, zo’n zwaar bevochten en zelf betaalde tunnel en alles wat erbij hoorde geef je toch niet zomaar weer prijs? In maart gaat het dan toch gebeuren.

Tagged with:
 

Sterke ‘civil society’

On 2 november 2020, in bestuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Afgelopen week college gegeven over Jane Jacobs: kritiek op de moderniteit en de zoektocht naar alternatieve planningsbenaderingen. In het derde deel probeerde ik de situatie in New York met die in Amsterdam te vergelijken. Dit zijn de parallellen: de afbraak van Penn Station spoort met de afbraak van de Galerij op het Frederiksplein(1963), de plannen voor de Lower Manhattan Expressway vallen samen met die van het IJtunneltracé (1965), de voornemens tot sloop van Triborough in de West Village lopen gelijk op met de plannen tot sloop van de Nieuwmarktbuurt. Maar een Amsterdamse Jane Jacobs in dit alles vond ik niet. Geen boek als ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) werd er in Amsterdam geschreven. Nu was mevrouw Jacobs ook geen planoloog, maar een gewone bewoner-activist. Zulke activistische bewoners had je in Amsterdam weer wel. In 1967 verenigden zij zich in de werkgroep Amsterdam-1975 die de actie ‘Amsterdaad’ organiseerde. In één week tijd ontving ze 100.000 adhesiebetuigingen (sic!). Begon daarmee ook een zoektocht naar andere planningsbenaderingen?

Hoe sterk de ‘civil society’ in Amsterdam destijds was, valt mooi te lezen in ‘Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding’ (1994) van de Vlaamse historicus Francis Strauven. Bewoners van de Nieuwmarkt richtten in januari 1968 een adres aan de gemeenteraad. Ze noemden de sloopplannen van de gemeente ‘volstrekt achterhaald’. Ze dwongen af dat een delegatie in gesprek ging met het gemeentebestuur. ‘Na enig tegenspel’ (Strauven) droeg die de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw (ARS) op een alternatief plan te ontwikkelen. Het adviesorgaan vroeg drie architecten om ieder een visie te leveren. Een van hen was Aldo van Eyck. De eis van de gemeente om de Wibautstraat en Weesperstraat door te trekken naar het Centraal Station mochten zij niet naast zich neer leggen, ook al was de IJtunnel in oostelijke richting verschoven. Alleen de eigenwijze Van Eyck splitste de weg in tweeën, waardoor hij de oude bebouwing grotendeels spaarde. Zijn plan werd favoriet van de bewoners. De drie plannen werden in 1970 tentoongesteld in het Amsterdam Historisch Museum, waarna 34 burgerorganisaties het gemeentebestuur vroegen om Van Eyck de vervolgopdracht te geven. Nog twee jaar zou de gemeente treuzelen, maar de bewoners wachtten dit niet af. Hun schaduwproject, aldus Strauven, vormde “een blauwdruk voor de verdere acties” tegen de gemeentelijke planologen. De autoweg verdween uit de plannen, maar voor de metro moesten panden worden gesloopt. Dit leidde tot de bekende rellen. Waarna de eisen van de bewoners alsnog werden ingewilligd; de wethouder zag zich gedwongen af te treden en de gemeentelijke organisatie ging op de schop.