Menselijke tijd

On 23 december 2022, in boeken, landschap, by Zef Hemel

George Steiner schreef: “Europa is en wordt bewandeld.” Hoezo bewandeld? We rijden auto’s, nemen treinen, vliegen van hot naar her, we hebben grote haast. Nogmaals Steiner: “De cartografie van Europa is ontstaan uit de mogelijkheden, de waargenomen horizonten van mensenvoeten.” Ach zo. Niks ach zo. Dit aloude gegeven vond Steiner juist van wezenlijk belang. Afstanden, schreef hij, zijn in Europa nog altijd op menselijke leest geschoeid, immers ons continent kent geen woestijnen, geen ondoordringbare gebergten of onbarmhartige eindeloos lege ruimten die mensen niet te voet kunnen doorkruisen. Dorpen en steden rijgen zich op loopafstanden aaneen. Europa is en wordt bewoond. Het was Rodrigo Viseu Cardoso die me erop wees. Het bleek te gaan om de tiende Nexus-lezing, getiteld ‘De idee Europa’ (2004), waarin de Frans-Amerikaanse schrijver die in 2020 overleed, een serie voordrachten inleidde. Steiner was literatuurwetenschapper en cultuurfilosoof. In zijn lezing stond de vraag centraal “of Europa nog steeds zo’n mooi idee is.” Ook toen al lag het continent bij sommigen onder vuur. Ik kocht de Nederlandse vertaling met een inleiding van Rob Riemen. Na zijn uitweiding over het belang van Europese koffiehuizen en cafés – voor iedereen toegankelijk en toch een sociëteit – begon Steiner over lopen. Het was zijn tweede parameter.

Het kunnen belopen van het landschap noemde hij bepalend voor de relatie tussen de Europese bevolking en haar fysieke omgeving, van meet af aan. Nou ja, tot voor kort dan. “De reiziger lijkt nooit geheel buiten het bereik van de kerkklok in het volgende dorp.” In andere werelddelen ging je doorgaans niet steeds te voet, zeker in Amerika en Australië niet. Maar bij ons zijn het ‘handen en voeten’ die het historische landschap hebben vermenselijkt. Daarom meende Steiner dat het Europese denken en bewustzijn “qua cadans en sequentie” die van de voetganger zijn, dat zie je zowel terug in poëzie, filosofie, muziek, dans als literatuur. Hij noemde ons, Europeanen, ‘een tweevoetige soort’ en alles bij ons getuigde uitgerekend dankzij het lopen van een menselijke maat. Daarom concludeerde hij: “Over de schoonheid van Europa ligt onuitwisbaar het patina van de vermenselijkte tijd.” Onuitwisbaar patina. Dus het gevoel voor Europa krijg je terug als je besluit het landschap weer te gaan belopen? Dan ga ik lopen en ik neem de tijd. Want tijd en ruimte moeten weer worden vermenselijkt. Als het ergens kan, dan in Europa. Goede kerstdagen.

 

Tijdreizen

On 21 december 2022, in cultuur, geschiedenis, landschap, by Zef Hemel

Na het bezoek aan de terp van het Friese Hegebeintum was ik nieuwsgierig geworden naar de afgravingen van terpen en wierden in het algemeen. Want niet alleen deze hoogste terp van Nederland bleek deels vergraven. Het had niet veel gescheeld of van het hele terpenlandschap van Friesland en Groningen was niets meer over geweest. Dit is wat ik vond. Afgravingen als deze begonnen ergens rond 1840 en eindigden pas toen kunstmest op grote schaal beschikbaar kwam. Terpaarde kwam in die jaren bekend te staan als zeer vruchtbaar en werd door professionele gravers gretig afgevoerd en verscheept naar de schrale zandgronden elders in het noorden, waar ze dienst deed als tuinaarde voor de boeren. Zeven jaar vruchtbaarheid extra werd hen beloofd, tenminste als ze terpaarde van een goede kwaliteit wisten te bemachtigen. Van de ruim 2.000 terpen die Noord-Nederland aan het begin van de 19e eeuw telde en die in tweeduizend jaar waren opgebouwd, verdween in een tijdsbestek van amper honderd jaar ruim de helft – de rest werd grotendeels vergraven. Pas in 1961 werd door de Rijksdienst voor het Nationale Plan een officieel verbod uitgevaardigd op het verder vergraven van de terpen, die ze nu als cultuurhistorische monumenten bestempelde. Maar het kwaad was toen al geschied. De oorspronkelijke terplichamen moeten zeer omvangrijk zijn geweest. De steile taluds in het huidige landschap zijn dus niet heel oud, maar eerder aardkundige ruïnes, relicten van een zeer oud landschap, in feite onderdelen van een nieuw landschap dat dateert van de 19e of vroeg 20ste eeuw.

Dat de resterende terpen daarna, door al dat graven, een rijke bron van archeologisch onderzoek zouden worden is dan weer een troostrijke gedachte. Dat begon met het werk van Albert van Giffen (1884-1973) en zijn onderzoek naar de terp van het Groningse Ezinge (tussen 1923 en 1934), waarbij restanten van liefst 85 boerderijen werden aangetroffen, stammend uit de periode van 600 voor Chr. tot de vijfde eeuw na Chr. De directiekeet verhuisde de Groningse professor later naar het Drentse Diever, waar deze dienst deed als vakantieverblijf; in De Heezeberg, zoals de keet daarna genoemd werd, schreef Van Giffen de meeste van zijn boeken. Wat vond ik nog meer? Een recent rapport van het Groninger Instituut voor Archeologie gaat over een doorsnede van zeven Friese terpen (2019). Wie over dit steilkantenonderzoek leest en het jargon een beetje vergeet kan een fascinerende reis door de geschiedenis maken – een bewoningsgeschiedenis die soms teruggaat tot de ijzertijd. Nee, ik wist niet wat ik las. Zoals: “Voorafgaand aan het opwerpen van de eerste terplagen waren in het gebied rond Jelsum al mensen actief. In het pakket veenlagen dat zich onder de natuurlijke kwelderlagen bevindt, zijn sporen van betreding van een voormalig veenoppervlak aanwezig. De vorming van het veenpakket wordt op basis van twee 14C-dateringen gedateerd tussen ca. 1750 en 1100 v.Chr., zodat het veen in de midden-bronstijd (fase 0) moet zijn belopen.” Daar krijg ik koude rillingen van. Bij Jelsum, boven Leeuwarden, daar wil ik lopen.

 

Een lelijk verzakte tunnel

On 20 december 2022, in infrastructuur, by Zef Hemel

Ben ik even blij dat ik wandel. Het aquaduct in de A7 tussen Joure en Sneek is al een tijdje buiten werking, dus alle autoverkeer wordt daar omgeleid. Oorzaak is een betonnen tunnelsegment dat is losgeraakt; normaal gesproken houden ankers zo’n tunnelsegment op zijn plaats. Zeker in veengrond is dat belangrijk. Elk segment telt liefst 40 stalen ankers van 11 tot 15 meter lengte en 15 centimeter diameter. Maar een aantal hebben het begeven. Daarom zijn er nu 1700 enorme zandzakken in de tunnel gelegd om de wanden te stutten, want grondwater stuwt het gewraakte tunneldeel omhoog. Al dat zand zorgt voor een tegendruk die vier keer zo hoog is als die van het grondwater. Het aquaduct stamt uit 1976 en is pas 46 jaar oud. Het is overigens de oudste tunnel van Noord-Nederland. Voor Rijkswaterstaat is nog altijd een raadsel hoe dit kon gebeuren. Niet dat ik het wel weet, maar een krantenknipsel van 17 juni 1976 doet de nodige vermoedens rijzen. Toen berichtte het Nieuwsblad van het Noorden over enorme grondverzakkingen als gevolg van de onttrekking van grondwater voor de bouw van uitgerekend de tunnel in het A7-tracé. In plaats van de vergunde 1,5 miljoen kubieke meter werd door de aannemer het tienvoudige weggepompt. Bij Uitwellingerga werden vloeren van huizen onveilig en gingen muren scheuren. Een aantal botenloodsen stortte in. Dat was toen.

Het geval deed me denken aan een essay van de Amerikaanse boer en dichter Wendell Berry. In ‘A Native Hill’ (1968) beschrijft hij hoe de wegenbouwers in Kentucky met veel geweld en zonder al te veel kennis van de ondergrond hun wegen door de Amerikaanse staat aanlegden. Daartegenover stelde hij de Indianen die voorzichtig waren, de eigenaardigheden van de bodem en het lokale klimaat doorgrondden omdat ze er al generaties waren gevestigd. Lokale, eeuwenoude wijsheid stelde hij tegenover brute kracht. Berry: “The road builders, on the contrary, were placeless people. That is why they knew but little.” De oudste weg door het gebied waar Berry zijn gewassen verbouwde, was een Indiaans pad door de wildernis. Die toestand bleef eeuwen ongewijzigd. “The Indians, then, who had the wisdom and the grace to live in this country for perhaps ten thousand years without destroying or damaging any of it, needed for their travels no more than a footpath; but their successors, who in a century and a half plundered the area of at least half of its topsoil and virtually all of its forest, felt immediately that they had to have a road.” Of die snelweg nu noodzakelijk was of niet, voor Berry typeerde dat asfalt de relatie van de nieuwkomers met hun land en hun landschap. Dat geldt natuurlijk ook voor het eigentijdse Friesland met zijn snelwegen.

 

Genius loci

On 20 december 2022, in boeken, landschap, by Zef Hemel

Een van de mooiste boeken die ik ooit over landschap las, is ‘Genius Loci. Towards a Phenomenology of Architecture’ (1979) van de Noorse architectuurhistoricus Christian Norberg-Schulz (1926-2000). Aan de basis van dit boek ligt de gedachte dat architectuur de mensheid een existentiële houvast geeft. Niet het functionele aspect van bouwen en wonen maakt het verschil, maar de diepere betekenis van architectuur en stedenbouw voor ons, mensen. De architect wordt geacht betekenisvolle plekken te maken, waardoor wij kunnen wortelen en ons verzoenen met het dagelijkse leven. Al sinds de Oudheid gebruikt de mensheid daarom het begrip ‘genius loci’ – de geest van de plek -, om aan te geven dat het om meer gaat dan een dak boven ons hoofd alleen. Hoe zal ik het zeggen? Wij willen ons door betekenisgeving identificeren met plekken, in de zin van: ons ergens thuis voelen, ergens toe behoren. “We ought to repeat that man’s most fundamental need is to experience his existence as meaningful.” Het maken van betekenisvolle plekken is dus de centrale opgave van architectuur. Hoe staat het daarmee? Antwoord: slecht. Er is sprake van ernstige vervreemding.

Ons gevoel van vervreemding komt volgens Norberg-Schulz voort uit het verlies aan mogelijkheden tot identificatie door een snel veranderende gebouwde omgeving. De dynamiek is eenvoudig zo groot dat we haar geen betekenis meer kùnnen geven. Gebouwen en spullen zijn voor ons objecten van consumptie geworden, die je weggooit na gebruik. Natuur vatten we op als hulpbron, niet als waarde in zichzelf. Deze destructieve ontwikkeling kunnen wij alleen stoppen als we ons weer gaan identificeren met onze omgeving, maar dat vereist wel dat we de objecten in het landschap, en ook het landschap zelf, niet meer als pure gebruiksvoorwerpen zien, maar dat we weer nieuwsgierig worden naar wat ze willen onthullen: “they gather world, and may themselves be gathered to form a microcosmos.” Blinde aanvaarding van verandering helpt ons niet; iets van begrip voor de genius loci is noodzakelijk om ons weer houvast te geven. Daarom ook wandel ik door Noord-Nederland. De traagheid van het lopen geeft me kans om weer betekenis aan de dingen en hun plaatsing in het landschap te geven. Vanuit een auto lukt me dat niet. Norberg-Schulz: “Architecture is born from the dialectic of departure and return. Man, the wanderer, is on his way. His task is to penetrate the world and to set its meaning into work. This is the meaning of the word settle.”

 

Wandelen in een tafereel-compositie

On 19 december 2022, in landschap, by Zef Hemel

We liepen ten zuiden van Hantum, in de richting van Dokkum. Dit keer was Els van der Laan mijn wandelgast. Els is landschapsarchitect en directeur van Noordpeil, een bureau gevestigd in Sneek. Ze was net terug uit Canada, waar ze na de pandemie haar dochter had opgezocht. Vergeleken met het landschap buiten Toronto – drie uur gaans met de auto -, was dat van Noord-Friesland volgens haar “extreem gereguleerd.” We liepen langs de Hantumer Vaart, over het land van een boer. Overal raaigras. Zelfs het riet in de vaart bleek nauwkeurig geschoren. Hier, lichtte Els toe, is elke vierkante meter belegd met vele beleidsplannen, talrijke organisaties kijken met de boer mee wat hij doet. De rietkraag was volgens Els verwijderd op last van het waterschap. Ze begreep het wel, maar echt nodig vond ze het niet. De boeren kon je niet echt iets verwijten. Trouwens, de boeren waren hier pachters, want het meeste land in deze streken was grootgrondbezit. Achter ons lag het terpdorp Hantum. We draaiden ons om. Els wees op de dorpsbeplanting, die grotendeels stamde uit de tijd van de ruilverkaveling. Rond het dorp was in een royale boog een bomenlaantje getrokken, bestaande uit linden. Dat was het ‘ommetje’ voor de bewoners, een ‘cadeautje’ van de Landinrichtingsdienst. De hoge bomen rond het kerkje op de terp waren volgens Els te hoog. De spits van de kerk was daardoor nauwelijks te zien. Die bomen zouden volgens haar eigenlijk moeten worden gesnoeid. Misschien stonden er vroeger wel helemaal geen bomen.

Eenmaal weer thuis zocht ik in het proefschrift van Henk van Blerck (Landschapsplan Nederland, 2022) naar het ruilverkavelingsplan om te zien wat de ontwerpers van het landschap boven Dokkum zoal hadden beoogd. Het staat er niet in, want Van Blerck koos voor Groningen, niet Friesland. Het terpenlandschap heet daar wierdenlandschap. Maar de benadering was vast dezelfde. Beplantingen concentreerden zich hier op de erven en de historische plekken, daarbuiten bleef het open. Van Blerck: “Op de landschapsplannen zien we dat de wierden en dorpen met nieuwe beplantingen werden ‘omarmd’. De maren werden in de weidsheid gemarkeerd met kleine bosjes.” Volgens Van Blerck ging het hier om ‘inkapselen’ of juist ‘uitkapselen’ van ontwikkelingen “die de tafereel-compositie van het primordiale wierdenlandschap dreigden te verstoren.” En warempel, in één zo’n bosje langs de Hantumer Vaart onwaarden Els en ik zowaar een stoepa. Het boeddhistische centrum afficheert zich als “een klein Tibet in het Friese landschap van grasvelden, molens en wateren. Stilte wordt afgewisseld door wapperende gebedsvlaggen, zingende vogels en ruisende bladeren.” Storend in de tafereel-compositie was het exotische gebedscentrum zeker niet. Alles dankzij de ruilverkaveling. We liepen verder, door een bijzondere twintigste eeuwse compositie, een cultuurlandschap waarover door velen, naast de boeren, is en wordt nagedacht. En bedisseld.

 

Analyse van een plein

On 17 december 2022, in geschiedenis, gezondheid, by Zef Hemel

We spraken af op het Marktplein van Dokkum. Om op tijd te zijn had ik een overnachting in een logement in het noordelijk gelegen Friese stadje geboekt. Mijn kamer grensde aan het plein en vanuit mijn raam keek ik op een rokende fontein die het marktplein sierde. Zo kon ik hem niet missen. Daan Bultje is directeur van Healthy Ageing Network Noord-Nederland. We zouden die dag samen gaan lopen langs de terpen ten noorden van Dokkum. Onderwerp van gesprek: alle inspanningen in Noord-Nederland om gezond oud worden te stimuleren. Bultje wachtte op me bij de fontein. Het nieuw vormgegeven marktplein waar we hadden afgesproken bleek op een zeer oude terp te liggen. De omringende bebouwing is bescheiden, het plein zelf oogt daardoor groot; in een hoek staat de oude Bonifatiuskerk, maar ook die oogt klein. Het raadhuis ligt elders. Dit plein is geen klassiek middelpunt van een oud Fries stadje, ook al lopen alle omringende straten steil naar beneden. Tot voor kort, las ik, fungeerde de ruimte nog als parkeerterrein, maar in 2018 zijn de meeste parkeervakken verwijderd. Ter gelegenheid van Leeuwarden Culturele Hoofdstad werd hier een ijsfontein geplaatst en het plein zelf opnieuw ingericht door Alle Hosper. Dat is goed gelukt. Toch kloppen de maten niet.

Eenmaal terug in Amsterdam, ging ik op onderzoek uit. Voor de auto’s werd het plein als beestenmarkt gebruikt, maar ook dat bleek niet de oorspronkelijke functie. Ooit was het een kerkhof, en nadat vanaf 1830 lijken niet langer midden in de stad mochten worden begraven, veranderde het in de ‘markt’, waar koeien en schapen werden verhandeld. Dat verklaart de vreemde vorm. Maar nu komt het: voordat de ijsfontein werd geplaatst en de markt heringericht, deden archeologen van MUG in 2017 graafwerk ten behoeve van een om te leiden rioolbuis. Markt en omliggende straten zijn namelijk beschermd archeologisch Rijksmonument: vanaf de 8e eeuw heeft hier een kerk gestaan, en vanaf de 11e eeuw zelfs een tweede kerk – een abdijkerk. Beide werden in de 16e eeuw afgebroken en met het vrijkomende materiaal is de huidige Bonifatiuskerk gebouwd. Nog mooier: de 6.000 botresten die de archeologen opgroeven werden op 27 mei 2021 door de inwoners van Dokkum eervol herbegraven. Daartoe maakten ze een knekelgraf; ga maar kijken op de begraafplaats van het Zuiderbolwerk. Daar ligt ook een ‘schuddekistje’ met de overblijfselen van een vrouw met veel lichamelijke gebreken. Ze moet belangrijk zijn geweest, want bij het hergebruik van haar graf werden haar resten opnieuw in het kleine kistje begraven. Waar ik met Bultje die ochtend had afgesproken was dus niet een willekeurige plek. En we zouden nog vele begraafplaatsen op terpen passeren. Plek en pad gaven het ons gesprek over gezond oud worden een heel bijzondere lading.

 

In een krabbengang

On 15 december 2022, in boeken, duurzaamheid, ethiek, filosofie, by Zef Hemel

‘Waar ben ik?’, het boekje van de onlangs overleden Franse filosoof Bruno Latour, verscheen in 2021. Het bevat belangrijke ‘lockdownlessen voor aardbewoners’ en vormt het vervolg op ‘Waar kunnen we landen?’, uit 2017. Latour was het die me op het spoor zette van het lopen. Niet dat hij wandelen voorschrijft om uit de allesbeheersende klimaatcrisis te komen. Wel gebruikt hij ‘De gedaanteverwisseling’ van Franz Kafka, waar hoofdpersoon Gregor Samsa op een dag wakker wordt en in een grote kever blijkt veranderd, als beeld voor de situatie waarin wij als mensheid in de 21ste eeuw zijn komen te verkeren. Want de klimaatcrisis verandert alles, wijzigt ons hele perspectief. Wie had gedacht dat hij/zij na de lockdown weer gewoon de draad kan oppakken, heeft het mis. Latour schetst een mensheid die tastenderwijs zijn weg zal moeten zoeken in een wereld die allang op zijn grenzen is gestuit. “Ik weet nog dat ik me vroeger in alle onschuld kon verplaatsen, ik nam gewoon mijn lichaam met me mee.” Nu voelt een mens zich voortdurend schuldig: kan hij dit nog wel eten, dat nog wel kopen, nog vliegen, vakantie vieren, een benzineauto rijden? Het monsterachtige ongedierte moet leren zich in krabbengang te verplaatsen en met zijn buren en zijn ouders in de clinch te gaan. “Waar ben ik toch?”

In een krabbengang verplaatsen, dat is wat ik de komende vijf jaar ga doen. Ik zal alle langeafstandswandelpaden in Noord-Nederland gaan belopen en het landschap en de mensen in me opnemen, daarmee het snelwegennet en de spoorbanen bewust links laten liggen. En steeds zal ik de vraag stellen: ‘waar ben ik?’ Misschien kom ik zo een duurzame toekomst op het spoor. Dat toekomstige leven zal niet meer gericht zijn op economische groei – op meer, sneller, comfortabeler, rijker -, maar op gezondheid (gezondheid én welzijn), en dan niet alleen van mensen, maar ook van planten en dieren, water, lucht, bodem. Dat betekent dat ook ik zal moeten landen. Latour: “Waarom zouden we niet liever uitgaan van de plek waar we wonen?” Nou, dat is best lastig. Klinkt toch een beetje als tot stilstand komen en dat vinden onze bazen niet fijn. “Wat ‘de procuratiehouders’ doet huiveren is dat aardbewoners, wanneer ze de Economie verlaten, domweg thuiskomen en terugkeren naar de gewone ervaring.” Zoiets, aldus de filosoof, komt anno 2022 neer op een radicale omkering van waarden. Een revolutie, zo men wil. Latour beschouwt het als een afdalen naar een lager niveau, want realistischer, pragmatischer, materialistischer. “De Natuur die door economen is uitgevonden om er hun berekeningen vrijelijk in te laten circuleren, is niet de Natuur waarin wij leven.” Van de stikstofberekeningen en de uitkoop van piekbelasters zal ik me inderdaad verre houden. Ik ga lopen. Op zoek naar de realiteit.

 

Bezinningslandschap

On 14 december 2022, in gezondheid, landschap, monumentenzorg, natuur, by Zef Hemel

Afgelopen week nam ik ‘s ochtends vroeg de bus van Leeuwarden naar Ferwert. Witte rijp lag op het land, de mist trok op, vanuit haar lage positie scheen de zon haar strooilicht over de koude akkers, om later weer door mistbanken te worden verdrongen. Bij Ferwert stapte ik uit. Het was echt koud. Door het dorp voerde de weg in zuidelijke richting naar Hegebeintum, de hoogste terp van Nederland. Daar ontmoette ik Ruth ter Voort. Van huis uit is Ruth producent van locatietheater in het noorden, maar vandaag zou ik met haar spreken over haar andere werk: het uitzetten en programmeren van een nieuw kerkenpad tussen het noorden van Friesland en Groningen, in opdracht van twee stichtingen die historische kerken beheren. Volgend jaar moet een pilot starten; in 2024 is het langeafstandswandelpad gereed. Het thema wordt bezinning. Met een sleutel opende Ruth de deur van het kerkje van Hegebeintum. Het middeleeuwse interieur bleek versierd met prachtige zeventiende eeuwse rouwborden die nog onlangs waren gerestaureerd. Vervolgens liepen we in de richting van Blija; net als de andere dorpen kan men Blija eenvoudig te voet bereiken, dus vergeet de auto, alles gaat hier traag. Als er geen mist was geweest hadden we alle kerktorens in de wijde omgeving kunnen spotten, inclusief de indrukwekkendste, die van Holwerd. Nu was er bijna niets te zien. Maar ook dat heeft gevoelswaarde. Ruth vertelde.

Alde Fryske Tsjerken en Oude Groninger kerken willen hun bezit activeren en openstellen voor bezoek. Geen massatoerisme naar het noorden, maar bezinningstoerisme. Ruth verzekerde me dat voor toestanden als in Giethoorn niet hoeft te worden gevreesd. Bezinning en wandelen vergen immers inspanning, tijd en geduld, en dat zal niet iedereen kunnen opbrengen. Het programma dat ze ontwikkelt past bij de sfeer van de kerken, de leegte van het landschap, het water, de klei, het bijzondere licht van het noorden. Denk aan Heilige Plekken dat kerken en kloosters wil ‘wakker schudden’; met hen wil ze samenwerken. Om me te laten zien hoe zoiets werkt voerde ze me mee over de dijk boven Blija. Daar begonnen de kwelders, die eindigden in het zeewater. Het was eb. De mist trok weg, nog één keer scheen de zon, nu als een rode maan, intens maar koud nagloeiend. Deze trage winterzon moest ons de weg wijzen over een glibberig grijs pad. Aan weerszijden staken eindeloze velden donkerrood gekleurde planten vermoeid hun uitgebluste koppen omhoog. Nu pas begreep ik waarom Ruth mij had aangeraden laarzen aan te trekken. Soppend kwamen we na anderhalve kilometer bij de Terp fan de Takomst. Als een Stonehenge nam deze moderne terp, die door de bewoners van Blija vorig jaar is gebouwd, bezit van de leegte die hier eindeloos ver leek te strekken. Ik was sprakeloos. We waren alleen. Geen zuchtje wind. De zon ging onder. Vogels stegen op. Op de terugweg staarden schapen ons aan. Hoeveel bezinning kan een mens in dit waddenlandschap verdragen?

 

Ga tuinieren!

On 12 december 2022, in duurzaamheid, monumentenzorg, openbare ruimte, toerisme, water, by Zef Hemel

Van de binnenstadsvisie die ik in 2019 voor het gemeentebestuur van Amsterdam maakte is tot nog toe weinig gerealiseerd. De meest aansprekende actie betreft de aanleg van drijvende tuinen. Waar het toerismebeleid faalde en het verkeersbeleid nog moet beginnen, daar slaagden de gemeentelijke ecologen en ingenieurs van het Programma Bruggen en Kademuren. Onlangs schreef Kester Freriks in de Amsterdambijlage van NRC Handelsblad (24 september 2022) er een boeiend stuk over. Al vier jaar is duidelijk dat veel kademuren in de Amsterdamse binnenstad er slecht aan toe zijn en dat reparatie noodzakelijk is. De meeste dateren van eind negentiende eeuw en zijn niet berekend op het zware autoverkeer over de grachten. Voeg daarbij het achterstallige onderhoud en stel vast dat de kades op steeds meer plekken gevaarlijke mankementen vertonen. Herstel is duur en zal nog jaren op zich laten wachten. Daarop kwamen de stadsecologen met voorstellen voor ‘tijdelijke natuur’: opvulling met zand van de ruimte achter de tijdelijke wanden die voor de kades werden geheid, niet alleen als ondersteuning maar ook als paaiplaats voor vissen. Klimop, blauwe regen en braam groeien hier nu langs roosters op de wanden, maar ook lisdodde, riet en wilgen. Aan de viskorven aan de wanden hechten zich oesters. “Hierdoor wordt niet alleen de biodiversiteit bevorderd, ook filteren en zuiveren de planten het grachtenwater zodat het schoner wordt.” Inmiddels is er twee kilometer tijdelijke natuur gerealiseerd met een oppervlakte van 7.000 vierkante meter.

Als metafoor voor de toekomstige inrichting van de historische binnenstad gebruikte ik in de visie het beeld van de tuin en noemde ik Artis als voorbeeld. Daar wordt door de directie al vele jaren systematisch gewerkt aan herstel van de historische tuin, waarbij het welzijn van de dieren vooropstaat en de bezoekers te gast zijn en zich gedragen. Geen platte consumptie en winstmaximalisatie, maar cultuur, ecologie, welzijn, rust en groen. Hetzelfde effect zou een systematische, langjarige vergroening van de Amsterdamse binnenstad kunnen hebben. En logisch is het ook, want het zou in lijn zijn met ambities van het gemeentebestuur ten aanzien van erfgoed, leefbaarheid, terugdringen van de auto en herstel van bruggen en kademuren. Nu zit de geschiedenis vol ironie. Dat de kades er slecht aan toe waren, dat was ook in 2019 al bekend, maar dat het herstelwerk tot vergroening zou kunnen leiden had ik niet voorzien. Na publicatie maakte mijn visie sowieso niet veel indruk, en al helemaal niet het idee van tuinieren als maatregel tegen de drukte en het massatoerisme. Het is ook niet zaligmakend, maar het helpt wel, zeker op de lange termijn. Kom op, lieve ecologen, laat zien dat de Amsterdamse binnenstad weer gezond kan worden. Jullie werk is belangrijk! Blijf tuinieren. Het past in de visie en het betaalt zich uit op de lange termijn.

Tagged with:
 

Tot aan Ewijk

On 7 december 2022, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Tja, daar is ie dan eindelijk, de rijksvisie op de ruimtelijke inrichting van Nederland. Of was het slechts een tipje van de sluier? Journalist Eppo König noteerde en beschreef hem onlangs in NRC Handelsblad (28 november 2022): “Als je over tien jaar boven Nederland vliegt, zou je een grote letter U met daarbinnen, een flinke plas water moeten zien. Een hoefijzer van steden en wegen die van Hoorn en Amsterdam omlaag lopen naar Den Haag en Rotterdam, Tilburg en Eindhoven en weer omhoog langs Oss, tot aan Ewijk bij Nijmegen.” Aanleiding voor het artikel was de verdeling van 7,5 miljard euro aan rijksinfrastructuurgelden over de provincies. De Randstad blijkt stevig uitgedijd of, beter, uitgezakt. Bijna de helft van Nederland wordt er nu onder begrepen. Is dit nieuws? Nee, al zeker tien jaar geleden werd er door Brabant stevig gelobbyd voor een A2-corridor tussen Amsterdam en Eindhoven. Daar zou het gaan gebeuren. Daarna kwam Rijksbouwmeester Floris Alkemade die Nederland in tweeën sneed: een centraal deel dat zou verstedelijken en een noordelijk deel dat iets ‘omgekeerds’ zou doen. Zijn ’emancipatie van de periferie’ (2016) sloot aan bij de uitkomsten van de Ruimtelijk-Economische Ontwikkelstrategie (REOS) van het Rijk, waarin Brabant alias Brainport economisch aansluiting vond bij de Randstad, en de andere regio’s niet.

Noordelijke bestuurders reageerden verbolgen. Ze voelden zich afgescheept met slechts 4 procent van de te verdelen gelden. Maar een echte verrassing kon het niet zijn geweest. De kaart van Nederland wordt al jaren bij elkaar gelobbyd en REOS was het dominante speelveld. Nog zoiets opvallends: alle steden noemen zich tegenwoordig metropool. Men maakt zich dus groot en dik. Is dat niet opvallend? Ach wat, de Stedenring Centraal Nederland, zoals door de toenmalige Rijksplanologische Dienst in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening geïntroduceerd, is gewoon een feit. In 1987 heette het nog het economische kerngebied van Nederland. Het was vooral erg groot en het liep gevaar door ongebreidelde verstedelijking, weet u nog wel? Sterker, het zou alleen standhouden als de grote steden daarbinnen werden versterkt. En precies dat is wat er in de huidige rijksvisie gebeurt. Of zoals een noordelijke gedeputeerde opmerkte: “er is steeds een gerichtheid op de grootste, stedelijke gebieden en er is een gerichtheid op groei.” Groei? En stikstof dan? Grondstoffenschaarste? Zeespiegelstijging? Verzilting? Fosfaat? Ammoniak? Tekort aan energie? Tekort aan drinkwater? Massa-extinctie (biodiversiteit)? Massa-toerisme? Ik ga lopen.