Democratische steden

On 15 november 2020, in economie, politiek, by Zef Hemel

Eind oktober verscheen er in de Volkskrant een uitstekende ‘long read’ van Amerika-correspondent Michael Persson, getiteld ‘Een exceptioneel onaardig land vol aardige mensen’. Aanleiding waren de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In plaats van het vizier te richten op de twee strijdende kandidaten koos Persson, van wie onlangs ‘De val van Amerika’ verscheen, voor een reis vanuit New York naar de heuvels ten zuiden van Pittsburgh in Pennsylvania. Daar ontmoette hij mensen die meenden dat New York leegliep en dat de stad in een spookstad was veranderd. Dat vonden ze helemaal niet erg. “Laat de stad maar kapotgaan. Waarom moeten wij ze redden? Dat zijn geen Amerikanen.” Persson schrok. Hij ontdekte dat de mensen hier op het platteland als volgt redeneerden: Democratische steden = Democratische inwoners = Black Lives Matter = socialisten = anarchisten = terroristen. Ze leken niet door te hebben dat New York een nettobetaler aan Washington is, en dat deze plattelandsgebieden netto-ontvangers zijn. En New York loopt niet leeg, maar heeft het wel moeilijk. Zonder een welvarend New York wacht de armoede, ook op het uitgestrekte platteland. Persson concludeert: “Het is, in zekere zin, de wraak van het platteland op de stedelijke elite, die natuurlijk jarenlang heeft neergekeken op het ‘flyover country’ van Pennsylvania.”

Volgens Persson is er in Amerika sprake van een enorme kloof tussen stad en platteland. De stad kijkt neer op het platteland. Het platteland gunt de stad zijn succes niet. Het denkt zelfs dat het er het slachtoffer van is. De schaduwkanten van dat grootstedelijke succes – hoge huizenprijzen, woningnood, criminaliteit, een gejaagd leven, keihard werken – ziet ze niet of wil ze niet zien. Er is zelfs sprake van leedvermaak nu door Corona juist de grote steden het moeilijk hebben. Ondertussen vernietigt het platteland zichzelf. Want in de heuvels van Pennsylvania ontmoet Persson twee mannen van een gasbedrijf die boortorens inspecteren waarmee de grond wordt opengebroken in hun zoektocht naar gas. “Zie je deze vallei?” zeggen ze tegen Persson. “Dit is wat Amerika is. Bossen. Boerderijen. Grondstoffen. Mensen die elkaar kennen en die voor elkaar zorgen.” Persson zag echter vooral werkloosheid, armoede, resten van hoogovens en lege Chevrolet-fabrieken. De meedogenloze ‘fracking’ door het gasbedrijf komt daar nog eens bij. “Dit verhaal gaat over wat Amerika is,” besluit Persson: “Een land dat zichzelf de afgelopen jaren is tegengekomen, en geschrokken is van wat het heeft gezien.”

 

Ons platteland

On 13 november 2020, in duurzaamheid, landschap, by Zef Hemel

Eind vorig jaar verscheen in The New York Times een alarmerend artikel over het Europese landbouwsubsidiebeleid en de schadelijke gevolgen die dit heeft voor mens en natuur. In ‘Killer Slime, Dead Birds, an Expunged Map: The Dirty Secrets of European Farm Subsidies’ schrijven Matt Apuzzo, Selam Gebrekidan, Agustin Armendariz en Jin Wu (25 december 2019) over de 65 miljard dollar die de EU jaarlijks uitgeven aan boeren, (dat is nog altijd veertig procent van de EU-begroting), en de kwalijke gevolgen die deze hebben. Volgens de krant dragen de enorme subsidiestromen niet alleen bij aan klimaatverandering en ernstige vervuiling van bodem, lucht en water, ze zetten ook aan tot anti-democratische sentimenten en houden een apparaat in stand dat van de subsidies profiteert. Europa zegt weliswaar een Green New Deal te willen, maar doet ondertussen het tegenovergestelde. Het is overigens wel vreemd om met Amerikaanse ogen naar ons continent te kijken, om je vervolgens beschaamd af te vragen waar we nu eigenlijk mee bezig zijn.

Centraal in het artikel staat een kaart die in het voorjaar van 2017 in een gezelschap van Brusselse ecologen, academici en lobbyisten werd getoond. Onderwerp van gesprek waren groene landbouwpraktijken. De kaart toonde verontreinigingen in Noord-Italië gerelateerd aan EU-landbouwsubsidies: waar de meeste subsidie naar toe ging, daar was de verontreiniging het grootst. Iedereen verstijfde. De vraag lag voor of Europa niet vervuiling subsidieert. Geen spoor echter van de kaart in het uiteindelijke rapport. Maar The New York Times wist er beslag op te leggen. Waar de meeste subsidies naar toe gaan, is de vervuiling inderdaad het grootst. Waarna de krant wijst op de groeiende algenvelden in de Baltische Zee en voor de kust van Noord-Frankrijk. Overal waar intensieve veehouderij domineert, worden ecosystemen vernietigd. Ook in Nederland. Negentig procent van de patrijzen is uit ons land verdwenen. Patrijzen waren tot midden jaren negentig doodnormaal; ze leven van insecten en nestelen in heggen. Daar is niets meer van over. “We are talking about a collapse,” zegt Frans van Alebeek in het artikel. Van Alebeek is ecoloog in dienst van BirdLife Nederland. Al twintig jaar, aldus de krant, weten de ambtenaren van de EU van de desastreuse gevolgen van hun eigen landbouwsubsidiebeleid. Eind oktober besliste de EU over het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid. Tot en met 2027 zal er opnieuw weinig veranderen.

 

Monument onder het IJ

On 10 november 2020, in infrastructuur, by Zef Hemel

In maart 2021 wordt er dan eindelijk een knip gelegd in de Weesperstraat. Deze onderbreking in de roemruchte Amsterdamse stadsautoweg is niet minder dan historisch te noemen. Ruim vijftig jaar na de opening van de tunnel onder het IJ tussen Amsterdam Noord en de Valkenburgerstraat zullen auto’s niet meer dwars door de stad kunnen scheuren. In een ingezonden brief in Het Parool noemde oud-medewerker van de Milieudienst Frans Nauta dit ‘het herstel van een oude fout’. Hij doelde op de opening van de Zeeburgertunnel in 1990, die het IJtunneltracé in één klap overbodig maakte. Vanaf dat moment kon alle doorgaande autoverkeer om Amsterdam heen. In plaats van de IJtunnel buiten werking te stellen of het tracé in de binnenstad terug te brengen naar twee rijstroken zoals de Milieudienst voorstelde, hield de gemeente de vierbaanssnelweg gewoon in stand. Een jaar later was ze alweer volgestroomd met auto’s. De vraag waarom er überhaupt een IJtunnel en een IJtunneltracé zijn gemaakt, stelt Nauta echter niet.

In oktober 1968 werd de IJtunnel feestelijk geopend. Die was na jarenlange politieke strijd uiteindelijk helemaal door de gemeente betaald. Het Rijk vond de tunnel namelijk overbodig – die gaf de voorkeur aan de Coentunnel in het westen en aan de Zeeburgerbrug in het oosten. Duur genoeg. Hardnekkig hield Amsterdam echter aan haar voorkeurstracé vast, ook al moest ze daarvoor een groot deel van de oostelijke binnenstad slopen. Aanvankelijk wilde ze de tunnel zelfs dicht bij het Centraal Station. Die optie maakte onderdeel uit van een plan, uit 1950, voor liefst drie kostbare tunnelverbindingen. In 1952 koos de gemeenteraad echter voor een tunnel onder het Oosterdok en startte ze de onderhandelingen met het Rijk over de financiering. Tien jaar Haags gesteggel en politiek geharrewar volgden. Ondertussen begon Amsterdam alvast met de sloop van de Weesperstraat. Koppig hield ze vast aan de bouw van haar eigen stadstunnel. Haar redenering was: Amsterdam loopt leeg, de mensen vertrekken, we moeten iets doen. Met andere woorden, zo’n zwaar bevochten en zelf betaalde tunnel en alles wat erbij hoorde geef je toch niet zomaar weer prijs? In maart gaat het dan toch gebeuren.

Tagged with:
 

Sterke ‘civil society’

On 2 november 2020, in bestuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Afgelopen week college gegeven over Jane Jacobs: kritiek op de moderniteit en de zoektocht naar alternatieve planningsbenaderingen. In het derde deel probeerde ik de situatie in New York met die in Amsterdam te vergelijken. Dit zijn de parallellen: de afbraak van Penn Station spoort met de afbraak van de Galerij op het Frederiksplein(1963), de plannen voor de Lower Manhattan Expressway vallen samen met die van het IJtunneltracé (1965), de voornemens tot sloop van Triborough in de West Village lopen gelijk op met de plannen tot sloop van de Nieuwmarktbuurt. Maar een Amsterdamse Jane Jacobs in dit alles vond ik niet. Geen boek als ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) werd er in Amsterdam geschreven. Nu was mevrouw Jacobs ook geen planoloog, maar een gewone bewoner-activist. Zulke activistische bewoners had je in Amsterdam weer wel. In 1967 verenigden zij zich in de werkgroep Amsterdam-1975 die de actie ‘Amsterdaad’ organiseerde. In één week tijd ontving ze 100.000 adhesiebetuigingen (sic!). Begon daarmee ook een zoektocht naar andere planningsbenaderingen?

Hoe sterk de ‘civil society’ in Amsterdam destijds was, valt mooi te lezen in ‘Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding’ (1994) van de Vlaamse historicus Francis Strauven. Bewoners van de Nieuwmarkt richtten in januari 1968 een adres aan de gemeenteraad. Ze noemden de sloopplannen van de gemeente ‘volstrekt achterhaald’. Ze dwongen af dat een delegatie in gesprek ging met het gemeentebestuur. ‘Na enig tegenspel’ (Strauven) droeg die de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw (ARS) op een alternatief plan te ontwikkelen. Het adviesorgaan vroeg drie architecten om ieder een visie te leveren. Een van hen was Aldo van Eyck. De eis van de gemeente om de Wibautstraat en Weesperstraat door te trekken naar het Centraal Station mochten zij niet naast zich neer leggen, ook al was de IJtunnel in oostelijke richting verschoven. Alleen de eigenwijze Van Eyck splitste de weg in tweeën, waardoor hij de oude bebouwing grotendeels spaarde. Zijn plan werd favoriet van de bewoners. De drie plannen werden in 1970 tentoongesteld in het Amsterdam Historisch Museum, waarna 34 burgerorganisaties het gemeentebestuur vroegen om Van Eyck de vervolgopdracht te geven. Nog twee jaar zou de gemeente treuzelen, maar de bewoners wachtten dit niet af. Hun schaduwproject, aldus Strauven, vormde “een blauwdruk voor de verdere acties” tegen de gemeentelijke planologen. De autoweg verdween uit de plannen, maar voor de metro moesten panden worden gesloopt. Dit leidde tot de bekende rellen. Waarna de eisen van de bewoners alsnog werden ingewilligd; de wethouder zag zich gedwongen af te treden en de gemeentelijke organisatie ging op de schop.

 

Onderhoudend en bijzonder fraai is de tv-serie ‘Vliegende Hollanders’ van Joram Lürsen, over de luchtvaartpioniers Albert Plesman en Anthony Fokker. De Avro-Tros serie brengt mooi in beeld hoe mensen handelen als ze de toekomst van een technische en maatschappelijk innovatie niet kennen: de een vanuit een krachtige droom (Plesman, Fokker), de ander vanuit beperkingen, geld en risico’s (de aandeelhouders van de KLM). In aflevering twee zien we de geboorte van Schiphol. Weilanden. Zo begint dus een ontwikkeling die exponentieel verloopt: aarzelend en moeizaam in het begin, na het passeren van het tipping point razendsnel en niet meer bij te benen. Ondertussen ligt er een fraai boek op tafel: ‘Schiphol. Grensverleggend luchthavenontwerp 1967-1975’ (2019) van Paul Meurs en Isabel van Lent. In deze geschiedenis van de Amsterdamse luchthaven passeren we juist het tipping point en begint de boel uit de hand te lopen. Nog voordat de werken gereed komen is alles alweer veranderd: de komst van straalvliegtuigen, de noodzaak van langere landingsbanen, meer geluidsoverlast. Geluidsoverlast? Bij het ontwerp van de luchthaven, aldus Meurs en Van Lent, hoefde met geluid geen rekening te worden gehouden. Dat probleem achtte men van voorbijgaande aard. En de situering van de landingsbanen, die lag al erg vroeg vast. Zo kwam de verlengde Buitenveldertbaan gereed uitgerekend op het moment dat de zuidelijke stadswijk Buitenveldert gebouwd werd.

Grensverleggend is het ontwerp van het moderne Schiphol zeker. Maar als iets uit het bekroonde boek van Meurs en Van Lent duidelijk wordt, dan is het dat de plannenmakers de ontwikkelingen totaal niet konden overzien en dat ze eigenlijk maar wat deden; de grenzen wérden voor hen verlegd. Want alles overkwam hen, overigens zonder dat ze dat wilden toegeven. Terwijl de luchtvaart krankzinnig expandeert bezuinigt de regering doodleuk op het ontwerp, waardoor bijvoorbeeld de aankomst- en vertrekhal beduidend krapper wordt dan gepland – werkelijk bespottelijk. Flexibiliteit wordt nu cruciaal. Maar zelfs met inachtneming van alle souplesse worden de plannenmakers telkens weer ingehaald door de ontwikkelingen. Het boek eindigt met de opkomst van de charters. Inmiddels zijn deze chartermaatschappijen alweer ter ziele en hebben de Easy Jets en Ryan Airs hun plaats ingenomen. Het vliegverkeer op Schiphol groeide de laatste jaren met liefst 6 procent! En toen was er Covid-19 dat het vliegfestijn in 2020 met één klap bedierf. Is het niet ironisch dat direct na het vieren van het eeuwfeest van ónze KLM met al die mooie jubileumboeken en films de hele bliksemse boel in elkaar lazert? Ook aan exponentiële groei, weten we, komt altijd onverwacht een einde.

 

Uniek gedoogbeleid

On 30 oktober 2020, in gezondheid, innovatie, politiek, by Zef Hemel

Inmiddels vijf afleveringen van ‘Cannabis’ op NPO2 gezien, een fascinerende documentaire in zes afleveringen over de zaak Van Laarhoven. Regisseur en maker Robert Oey verweeft de kwestie rond de Tilburgse coffeeshophouder Van Laarhoven met de opkomst, verspreiding en ‘vervolksing’ van cannabis in Nederland en in de rest van de wereld. Met een hoofdrol voor Amsterdam en dan met name The Bulldog van Henk de Vries. Een absolute aanrader. Alles begon op het Holland Pop Festival op Kralingen in de zomer van 1970. Het latere Nederlandse gedoogbeleid kreeg daar min of meer vorm. De Amsterdamse coffeeshop – Mellow Yellow op Weesperzijde 53 – wordt twee jaar later uitgevonden. Vervolgens worden soft drugs door Justitieminister Van Agt gelegaliseerd. Waarna de Amerikanen een heksenjacht beginnen die ook in Nederland zijn doorwerking vindt. Het ontaardt in gedoe rond de ‘voordeur’ en de ‘achterdeur’ en de limiet van 500 gram. De zaken blijken politiek nooit goed geregeld. En doordat ook softdrugs door politie-invallen verdacht worden gemaakt, vluchten de goeden en maken criminelen als Klaas Bruinsma zich van de sector meester. Van Laarhoven, die ‘keurige, transparante coffeeshops’ in Tilburg ontwikkelt, wordt in het tumult dat ontstaat door de autoriteiten vermalen. Hij verdwijnt in een Thaise cel.

Alle feiten waren me al door derden verteld in de Oude Kerk op de Amsterdamse Wallen toen ik in de zomer van 2019 aan de toekomstvisie voor de binnenstad werkte. Toch nog verrassend vond ik de recente legalisering van het softdruggebruik aan de Amerikaanse westkust die in de vijfde aflevering fraai in beeld wordt gebracht met de beweging die Henk de Vries dan maakt: de Amsterdamse coffeeshophouder gaat vanuit zijn Vinkeveense villa nu zakendoen met de Amerikanen. Niet dat ik het niet wist, maar het blijft een verbazingwekkende wending. Je ziet het team van The Bulldog aan het werk in Las Vegas en Los Angeles. Cannabis wordt een groeimarkt met cijfers waar je koud van wordt. Ineens is alles anders. De stemmen die in Nederland opgaan om alle coffeeshops te sluiten blijkt internationaal gezien ineens een hele vreemde zet. Ik bedoel, terwijl er goud geld te verdienen valt met de verkoop van cannabis in de rest van de wereld en The Bulldog een ijzersterk wereldmerk blijkt waarop de Amerikanen maar wat jaloers zijn, gaat Nederland de ramen en deuren van zijn coffeeshops sluiten. Het zou het einde zijn van een uniek gedoogbeleid en een unieke Amsterdamse geschiedenis. Komende woensdag kijken hoe het afloopt.

 

Hoe ouder, hoe jonger

On 27 oktober 2020, in duurzaamheid, economie, energie, innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gisteren werd Amsterdam 745 jaar oud. Nog vijf jaar te gaan en dan viert de hoofdstad zijn 750-jarig bestaan. Er zijn natuurlijk steden die veel ouder zijn, zoals Rome (2000 jaar) of Athene (3000 jaar), en zelfs Utrecht is ouder (900 jaar). We staan er misschien niet van te kijken, maar toch is het heel vreemd. De natuurwetenschapper Geoffrey West viel het ook op. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ (2017) kwam hij tot de conclusie dat steden de enige organismen zijn die niet sterven. Alle andere – planten, dieren, organisaties – hebben een beperkte levensduur. Er zijn natuurlijk een paar uitzonderingen op de regel, maar steden groeien in principe eeuwig door. En hoe groter de stad, hoe vitaler, want op leeftijd wordt deze steeds innovatiever, welvarender, dynamischer, hij….. verjongt. Dat uiterst merkwaardige gegeven spot met alle wetten die voor alle andere organismen gelden. Dus toen 6000 jaar geleden de eerste steden ontstonden gebeurde er iets raadselachtigs. En deze urbanisatie gaat nog steeds door. Sterker, wereldwijd is sprake van een geweldige versnelling.

West legt het uit. Steden omvatten grote aantallen mensen die voortdurend met elkaar interacteren, ze zijn geschaalde representaties van de structuur van het menselijke brein. Hoe meer mensen, hoe complexer het brein wordt. De vergelijking met het brein is meer dan een metafoor. De fysieke en sociaal-economische stromen binnen steden vormen, aldus West, een niet-lineaire representatie van de geometrie en de stromen in de menselijke hersenen. Hoe groter de stad, hoe sneller de mensen gemiddeld lopen, hoe jachtiger het leven, hoe drukker het verkeer, hoe langer er gewerkt wordt, hoe meer er verdiend wordt, hoe slimmer de mensen. Zeker, steden verbruiken veel energie. Maar per inwoner is het energieverbruik juist gering, althans gemeten aan de verhoogde output is het verbruik veel efficiënter. En naarmate steden groter en ouder worden, neemt deze efficiency toe. Heeft een stad eenmaal een voorsprong genomen, dan houdt ze die vaak decennia vast. Amsterdam was de afgelopen twintig jaar bezig een flinke voorsprong te nemen, maar wordt op dit moment door corona hard getroffen. ‘Social distancing’ en een gedeeltelijke ‘lockdown’ hinderen haar in het functioneren (als brein!). Maar een oude, pardon: vitale, stad als Amsterdam zal het zeker overleven. De vervelende time-out die we nu beleven kan het beste worden benut om ambitieuze plannen te maken. Voor de komende honderd jaar.

 

Juist Baltimore

On 19 oktober 2020, in Geen categorie, politiek, sociaal, by Zef Hemel

De dood van George Floyd eind mei 2020 zette niet alleen Minneapolis maandenlang in vuur en vlam. In vrijwel alle Amerikaanse steden waar sprake is van ernstige ruimtelijke segregatie tussen een zwarte en een blanke bevolking braken felle onlusten uit. De rellen leken nog het meest op die uit de jaren ’60. De beweging van Black Lives Matter stemde velen hoopvol. Maar is dat terecht? Een paper van Robert Margo uit januari 2016 wierp nieuw licht op de ruimtelijke effecten van de raciale onlusten op de lange termijn. Margo is hoogleraar economie aan Boston University. In ‘Obama, Katrina, and the Presistence of Racial Inequality’ schetste hij de economische geschiedenis van raciale verschillen tussen 1870 en 2015. Hij liet zien dat de onlusten van de jaren ’60 een negatief effect hebben gehad op inkomensverschillen, werkgelegenheid, voorzieningenniveau, woningprijzen in de getroffen steden. Al die negatieve gevolgen raakten vooral de Afro-Amerikaanse bevolking. Margo, zelf afkomstig uit Detroit, schetste in 2016 de situatie op dramatische wijze: terwijl de langetermijntrend juist was dat de verschillen tussen zwart en wit in de Verenigde Staten kleiner werden – met name in de periode tussen 1940 en 1980 – , was die toenadering na de grootschalige rellen bijna tot stilstand gekomen.

PBSO News Hour interviewde Margo in het voorjaar van 2015. Aanleiding was de verschijning van zijn artikel gecombineerd met de mysterieuze moord op Freddie Gray in Baltimore, nu vijf jaar geleden. Opnieuw gingen de mensen massaal de straat op. Margo was niet optimistisch. Baltimore kreeg het zwaar te verduren, ook al waren de vernielingen minder. Dezelfde sociaal-ruimtelijke effecten van de toenmalige rellen vreesde hij ook toen, met name door de vele media-aandacht. “So this might stigmatize Baltimore.” En dan nu, de zomer van 2020, was er dan de verstikking van George Floyd door de politie in Minneapolis die afgelopen zomer wederom zoveel mensen de straat opjoeg. “I can’t breathe.” Meer nog dan in 2015 besteedden de media aandacht aan wat er daar in Oregon had plaats gegrepen. Het te verwachten effect? Wegtrekkende winkels, dalende woningprijzen, groeiende werkloosheid onder met name de getergde zwarte bevolking van Portland. En ditmaal is er geen president Obama in het Witte Huis, maar ene Donald Trump die voor een herverkiezing gaat en die Portland en, jawel, Baltimore uitmaakt voor “a complete and total disaster” en “a disgusting, rat and rodent infested mess.” Juist Baltimore. Hier de link naar het artikel van Margo: https://www.nber.org/papers/w21933.

.

 

More mess, more jungle, more chaos

On 15 oktober 2020, in cultuur, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

De aanleiding was een zwartwit foto van Jane Jacobs en Philip Johnson, staande voor Penn Station, New York. De foto, genomen op 2 augustus 1962, toont ook de weduwe Saarinen en de schrijver Norman Mailer. Ze protesteren tegen de voorgenomen sloop van het station, een ontwerp van McKim, Mead and White uit 1911. Saarinen, Mailer en Jacobs zijn bewoners van de Village, dus Penn Station is hun station. Maar waarom Johnson? Ik besluit er de biografie (1994) van Franz Schulze op na te slaan. De architect Johnson werd wereldberoemd met zijn boek en tentoonstelling uit 1932 in het MoMA over ‘the international style’. Hij was er op dat moment curator. In 1941 gaat hij op 35-jarige leeftijd op Harvard architectuur studeren, om daarna weer naar het MoMA terug te keren. In New York helpt hij de beroemde Duitse architect Mies van der Rohe met het ontwerp van het Seagram Building, dat in 1956 op Manhattan gereed komt. Dan krijgt hij ook de opdracht om een deel van het Lincoln Center te ontwerpen, het nieuwe kunstencentrum van New York. Zijn kantoor is in Forty-second Street. Kennelijk is de curator-architect van de witte, glazen dozen net zo verbolgen over het feit dat het oude treinstation wordt afgebroken als Jane Jacobs.

Om het samen optrekken van de auteur van ‘International Style: Modern Architecture since 1922’ (1932) en de auteur van het dan juist verschenen ‘The Death and Life of Great American Cities’ te begrijpen verwijst Schulze naar een panelbijeenkomst van architectuurcritici in november 1961, waar Johnson zou hebben gezegd dat de stad voor hem is: “more mess, more jungle, more chaos….” (Ongeloof in de zaal). Waaraan hij na een korte stilte toevoegt: “For me, a lovely, creative, delicious chaos where I feel at home and content.” Om vervolgens te verwijzen naar het ‘saaie onderwerp’ van de stadsplanning en zijn voorliefde voor steden als Sao Paulo en Tokio, “and if you know what I mean they’re in a real mess.” Zelf woont Johnson op dat moment in de bossen ver buiten New York. Het wordt hem door het panel voor de voeten geworpen. Hoon is zijn deel. Maar Johnson, ironisch, houdt vol: de steden groeien ongecontroleerd en zijn in verval. Dat verval is in zijn ogen niet te stoppen. Zelfs niet door een dictator. Het enige dat je als architect kunt doen is er een Parthenon in bouwen. Penn Station was zo’n Parthenon. Verder heeft Johnson helemaal niets met het gedachtegoed van Jane Jacobs.

 

Amsterdam is geen zeepbel, maar…

On 12 oktober 2020, in vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Afgelopen week college gegeven op de Amsterdam School of Real Estate. Ik vroeg de studenten naar de hoogte van de Amsterdamse woningprijzen. Is dat nou normaal? Ik wist, op 3 september jongstleden kopte Het Parool ‘Huizen zijn terecht duur in Amsterdam’. Het ging om een onderzoek naar Amsterdamse huizenprijzen over de afgelopen vierhonderd jaar, uitgevoerd door drie universiteiten (Rotterdam, Maastricht en UvA). Al in de zeventiende eeuw, stellen de onderzoekers, waren de woningen in Amsterdam extreem duur. So what´s new? En op dit moment wijkt de vraagprijs nauwelijks af van de reële huizenprijs. Er is dus geen sprake van een zeepbel. Het is alleen de lage rente die de prijzen opstuwt en spaargeld dat niets waard is, dus dan investeren mensen graag in stenen. En omdat iedereen dat doet en ook internationale beleggers zich in Amsterdam melden en er relatief maar weinig koopwoningen in Amsterdam te vinden zijn, gaat het hard. Maar misschien wel de belangrijkste reden voor de snel stijgende prijzen is dat het aantal nieuwe banen in Amsterdam veel sterker stijgt dan het aantal woningen. Nog steeds gebeurt dat, want tech doet het ondanks of dankzij Corona juist verbluffend goed. Tech-hoofdstad Amsterdam moet dus blijven bouwen.

Op 20 juni berichtte het FD dat beleggers als Blackstone flink aan het kopen zijn in Amsterdam. Zo hebben de Amerikanen al voor 500 miljoen euro aan woningen in de Amsterdamse binnenstad gekocht. Telkens kopen ze kleine pakketjes van particulieren. Dat lokt weer lokale vastgoedpartijen, die hier een mooie kans zien om snel geld te verdienen: panden verzamelen en er een strik eromheen binden. Probeer er als gewone jongen maar eens tussen te komen. Ook verhuurders bieden graag aan, omdat het moeite kost om huurders te vinden vanwege de hoge huren die moeten worden betaald. Zo vliegen de woningen in pakketjes over de toonbank. Gevraagd naar waarom de Amerikanen juist op het hoogtepunt van de markt in Amsterdam kopen, zeggen ze dat ze dat doen voor de lange termijn. Covid heeft zeker geen invloed op de prijsontwikkeling. Het recente onderzoek van de drie universiteiten geeft ze gelijk. Amsterdam wordt de komende jaren dus alleen maar duurder. Kan Amsterdam dit aan? Ik moest denken aan wat The Economist op 18 januari 2020 schreef: “Far from shoring up capitalism, housing policies have made the system unsafe, inefficient and unfair. Time to tear down this rotten edifice and build a new housing market that works.”