Onlangs verscheen het boek ‘Superwest’ over vernieuwing van de Amsterdamse tuinsteden. Tegelijk opende een gelijknamige tentoonstelling in het Van Eesterenpaviljoen aan de Amsterdamse Sloterplas. ‘Superwest’ verscheen onder redactie van Maurits de Hoog, voormalig stedenbouwkundige bij de gemeente, en Anouk de Wit, oud-directeur van het Van Eesterenmuseum. Het schitterend vormgegeven boek toont alle projecten die in de afgelopen twintig jaar in de Westelijke tuinsteden van Amsterdam werden uitgevoerd en biedt daarmee een geweldig overzicht. Stedenbouwkundige De Hoog duidt de vernieuwing aan als een ‘operatie’ die liefst twintig jaar in beslag nam en hij noemt aantallen die vooral indruk willen maken. En inderdaad, in totaal werden liefst 25.000 nieuwe woningen opgeleverd, wat zoveel is als heel Leidsche Rijn bouwen, maar dan binnenstedelijk. Voorwaar een prestatie. Het woord operatie betekent zoveel als: een chirurgische ingreep om een medisch probleem te verhelpen. Maar wat was hier eigenlijk het probleem? De Hoog schrijft over gebrekkige ‘leefbaarheid’, maar erkent dat de problemen in West-Amsterdam veel geringer waren dan in de Bijlmer en dat daarom de vernieuwing ‘aarzelend’ op gang kwam. Maar waarom trad er vanaf 2006 ineens een versnelling op? Dat wordt in het boek niet duidelijk. De analyse en de gebezigde taal zijn die van een medicus die zoekt naar instrumentarium, aanpak, middelen, organisatie. Twintig jaar keihard werken, dat is het. Maar: eind goed, al goed. Operatie geslaagd.

Superwest is leerzaam omdat het zo sterk getuigt van Delftse ‘social engineering’. Men lost maatschappelijke vraagstukken op door op een bepaalde wijze te bouwen en te slopen, in dit geval zelfs op een reusachtige schaal. Een sterk staaltje hiervan is de menging van bevolkingsgroepen die kennelijk in Nieuw-West werd nagestreefd. Opnieuw produceert De Hoog indrukwekkende cijfers, nu over sloop, veranderingen in huur en koop, huishoudengrootte, gemiddelde woningbezetting, gemiddeld huishoudinkomen, percentage inwoners met een migratie-achtergrond. Alles lijkt onder controle. Nu alleen nog fase 3. De socioloog Ivan Nio nuanceert deze statistische benadering in zijn bijdrage even verderop, hij citeert anderen die schrijven over ‘gentrificatie’ van delen van Nieuw-West en rept van “de sombere diagnose dat ondanks de vernieuwing de uitdagingen waar Nieuw-West voor staat op het gebied van leefbaarheid, veiligheid, ongelijke kansen en problemen achter de voordeur nog altijd heel groot zijn.” Toch is ook hij na 35 gesprekken met betrokkenen mild in zijn oordeel. ‘Superwest’ is vooral trots en flirt met cijfers, kaarten, prijzen en aantallen, en noemt de vernieuwing van de tuinsteden een ‘onwaarschijnlijke, maar geslaagde operatie.’ Hierna herlas ik het hoofdstuk over Patrick Geddes in ‘Er was eens een stad’ en stelde vast dat in meer dan honderd jaar stadsontwikkeling nog altijd weinig in het beroep en de aanpak van stedenbouwkundigen is veranderd. Geddes zou gruwen.

 

Ontbrekend hoofdstuk

On 19 juli 2022, in boeken, duurzaamheid, natuur, by Zef Hemel

Vorig jaar zomer hadden we overstromingen, dit jaar bosbranden. En hoe! Nu zelfs VVD en CDA klimaatverandering niet langer kunnen afdoen als linkse hobby, volgen hier de laatste overzichten van de ergste rampen in Europa. Nee heus, “Don’t look up’ is een film die u beslist moet gaan zien. Er komt een komeet op ons af, maar die is nog niet te zien. En verdiep u eens in de Jevons paradox. Die paradox doet zich voor als de overheid een technische ingreep afdwingt die de efficiency van het gebruik van een grondstof of energiebron verhoogt. Zoiets lijkt heel duurzaam. Ons milieubeleid zit er vol mee. En ja, echt iets voor de VVD. De Jevons paradox is misschien wel de bekendste valkuil in de economie. Het gevolg van zulke winst is namelijk versterkte groei van de vraag, waardoor alle milieuwinst op slag verdampt. De Britse econoom William Stanley Jevons ontdekte de paradox in 1865. Sindsdien is er niet naar hem geluisterd. Waarom niet? Omdat economische groei al die tijd voorop stond. Milieubeleid gericht op efficiency hoefde geen pijn te doen, droeg op termijn juist bij aan economische groei. Nog steeds lees je artikelen die juichend melden dat bepaalde milieumaatregelen de economie niet zullen schaden, maar juist versterken. Alsof het dan goed is. Niet dus.

Technologie zal ons niet redden, is de korte samenvatting van wat William Jevons al in 1865 ontdekte. Daarom lees ik nu ‘De heilige natuur’ van de Britse schrijfster Karen Armstrong (2022). “Een grote ramp kan alleen worden afgewend als we onze manier van leven veranderen.” Zelfs ons hele systeem van waarden is volgens Armstrong verkeerd. Wat noodzakelijk is, is verbanden zien tussen de dingen, iedereen een stem geven en laten participeren, liefde voor de natuur ontwikkelen, aandacht hebben voor de schade die we aanrichten, diep besef hebben van de relatie van de mens met de natuurlijke wereld. In haar overzichtelijke boek geeft ze heel eenvoudige aanwijzingen hoe we dat zouden kunnen doen in ons eigen leven. Bijvoorbeeld door behoedzaam te lopen, voorwerpen met zorg neer te leggen, op te merken of we dingen beschadigen of weggooien, zwijgen, luisteren, je ego overstijgen, je toewijden aan alles. Mythen liggen aan de basis van wat we van waarde vinden. Zoiets vergt inspanning, tijd en verbeeldingskracht, maar het zal werken. Kortom, zelftranscedentie zal ons expansieve egoïsme temmen, stap voor stap zal dit leiden tot een genegenheid voor alles en iedereen. “Er is een onvoorwaardelijke welwillendheid nodig,” aldus Armstrong. Het was alsof ik een ontbrekend hoofdstuk in ‘Er was eens een stad’ (2021) las.

 

De boodschap van Ben Wilson

On 15 juli 2022, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Vreemd hoe snel de tijdgeest verandert. De boodschap van Ben Wilson’s ‘Metropolis’ lijkt alweer ongepast en in zijn optimisme zelfs ergernis te wekken. Zijn ‘history of the city, humankind’s greatest invention’ klinkt toch teveel als een kritiekloze lofzang op de grote stad. Dat hebben we echt gehad. Het monumentale boek verscheen in 2020, lang nadat de Verenigde Naties de 21ste eeuw tot ‘de eeuw van de stad’ hadden uitgeroepen. Even was alle aandacht op de stad als fenomeen gevestigd. Maar dat duurde niet lang. Al in 2016, na het verschijnen van Ed Glaeser’s ‘Triumph of the City’, sloeg de stemming om. Wilson (1980) is een productieve en zeer succesvolle schrijver-journalist in Groot-Brittannië. Zijn ‘Metropolis’ getuigt van eruditie en leest werkelijk als een trein. Het boek zit vol bijzondere feiten en bestrijkt in zijn knappe opzet de hele wereld. Maar hoe positief kunnen we nog zijn over de voortgaande urbanisatie in een tijd waarin we vrezen voor klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, oorlogen om water, verwoestijning, stikstofcrisis? Steden zitten in de beklaagdenbank en lijken op zijn minst bij de grote misdaad betrokken. We zijn op zoek naar schuldigen.

Evolutie, schrijft Wilson, voltrekt zich zeer traag, over miljoenen jaren. Althans dat dachten we. De verstedelijking van de planeet verloopt juist krankzinnig snel. “We are living at a time of planetary upheaval.” Hoewel de oppervlakte van steden beperkt blijft, valt op dat de wereldwijde urbanisatie uitgerekend op de plekken plaatsgrijpt waar de grond vruchtbaar is en de rijkste ecosystemen zich bevinden. Hun ruimtelijke impact is bovendien gigantisch. Steden hebben brandstoffen, voedsel, water en grondstoffen nodig. Een metropool als Londen heeft een voetafdruk die 125 maal groter is dan het stedelijke oppervlak. Daarom zijn we geneigd de stad als boosdoener te zien en stad en land als twee gescheiden en onverenigbare werelden te beschouwen. Maar sinds steden het land domineren, wordt het tijd om anders te gaan kijken. Een stad als Londen bestaat voor 47 procent uit groene ruimte, bevat, met andere woorden, het grootste stedelijke bos in de wereld. En wat blijkt? De biodiversiteit van Groot Londen is rijk en zeer bijzonder. Brussel bevat 50 procent van alle plantensoorten van heel België, de stadstaat Singapore behoort tot de rijkste ecosystemen van de wereld. Met andere woorden, mens en natuur moeten in onze gedachten niet worden gescheiden, stad en land zijn één planetair systeem. Als we even planmatig als Singapore onze landen zouden ordenen, dus met echte goede ruimtelijke ordening, dan is er wel degelijk reden voor optimisme. Zou de boodschap van Wilson in Den Haag worden gehoord?

 

Lutkemeerpolder

On 14 juli 2022, in landschap, by Zef Hemel

Maar weer eens een fietstocht door de vier polders van de Tuinen van West gemaakt. De zon brandde fel, het was zomers weer. De rit voerde dwars door Amsterdam Nieuw-West, tot ik via de Osdorperban bij de stadsrand aanbelandde. Tegenover de ingang van de begraafplaats zit een Kentucky Fried Chicken. Even verderop blijkt een aanvang gemaakt met de bouw van het omstreden bedrijventerrein in de Lutkemeerpolder, pal achter de biologische boerderij De Boterbloem. Vrachtwagens rijden af en aan. Het slaat echt nergens op. De afslag van de A5 (Westrandweg) is er nooit gekomen. Toen die nog op de tekentafel lag had het logisch geleken om hier bedrijven te vestigen (heel Nederland doet dat, dus waarom Amsterdam niet). Maar nu landen ze plompverloren in een vruchtbare droogmakerij, totaal onbereikbaar vanaf de snelweg. En dat nog wel tegen de mooie begraafplaats Westgaarde aan. Aan de zijde van de snelweg, langs de ringvaart, trok de provincie Noord-Holland op het nippertje een smalle ecologische corridor voor ringslangen. Aan de andere zijde bouwde de gemeente een dierenasiel. Door het groen te schilderen lijkt het alle schaamte weg te willen kwasten. Wil Artis hier een Voedselbos maken? Zo gemakkelijk de geschiedenis van het Algemeen Uitbreidingsplan (1935) uitwissen is Amsterdam onwaardig. Ik bedoel, het is het woord ruimtelijke ordening niet waard.

Na mijn inspectieronde trad ik op als expert in een summer school van UU, TUe en WUR, getiteld ‘The Regenerative City’, die deze week in de Osdorperbinnenpolder is neergestreken. De studenten hadden het moeilijk, al was het maar omdat elke twee minuten een brullend vliegtuig laag over onze hoofden scheerde. Hoe kan je dan presenteren? De Tuinen van West liggen pal onder een van de aan- en afvliegroutes van de luchthaven. Dat verklaart waarom er hier verder niets mag worden gebouwd. Maar bedrijventerreinen zoals je ze rond Hoofddorp en Aalsmeer ziet mogen dus wel. Als ze tenminste willen komen. Want zonder afslag moeten de vrachtwagens via de begraafplaats. Als het moet, dan moet het. Als het maar geld oplevert. Levert landbouw nog iets op? Vermoedelijk te weinig. Daarover dus ging ons gesprek. En ja, als de ruimtelijke ordening nog had bestaan was er tenminste een goed verhaal geweest over deze groene polders en een effectief regime dat ze beschermde tegen het grote geld. Maar dat is er niet, want het landschap van een nuchtere 19e eeuwse droogmakerij als de Lutkemeerpolder is nu eenmaal weinig geliefd. Er is niet eens een mooi voetpad dat door de diepe polder voert. De opgave is dus eigenlijk óók om het landschap geliefd te maken. Tot die tijd blijft dit stukje Amsterdam een aanvliegroute, onderdeel van Aerotropolis Amsterdam.

Tagged with:
 

Liever jager-verzamelaar dan boer

On 7 juli 2022, in boeken, politiek, by Zef Hemel

James C. Scott is antropoloog en emeritus-hoogleraar Politicologie aan Yale University. Tevens is hij de auteur van het geweldige ‘Seeing Like a State’ (1998). Op hoge leeftijd schreef hij ‘Against the Grain’ (2017). Ik las het boek, mede om uit te vinden wat je na je pensionering kunt doen. Want ook al duurt het nog even, de vraag kwam bij me op of je na je emeritaat nog in staat bent om jezelf te overtreffen. Maar in de eerste plaats was de aanleiding de huidige opstand van de boeren en hun ageren tegen de Nederlandse staat in het kader van het vermaledijde stikstofdossier. Het lezen van ‘Against the Grain’ leek me daaraan bijzondere diepgang te geven. En dat gaf het. Scott stelt zich de vraag of sedentair leven voor de mensheid nu zo’n grote vooruitgang heeft betekend. Graan verbouwen noodzaakte immers tot het zich vestigen, het aanleggen van voorraden, daarna volgden oorlogen, het heffen van belastingen, de opkomst van de staat, het bouwen van steden. Met andere woorden, graan verbouwen was de wegbereider van het rampzalige Antropoceen waarin we nu leven en dat volgens hem al ver voor de Industriële Revolutie een aanvang nam. Het antwoord wist hij. Dat luidde ontkennend. In het boek onderbouwt hij zijn stelling.

Steeds wees ik mijn studenten in mijn colleges in Amsterdam op het anarchisme van de politicoloog Scott, die ergens in Connecticut schapen houdt op een boerderij en die als academicus ooit begonnen was met onderzoek te doen naar de grootschalige bosbouw in Maleisië. Ecologisch rijke oerbossen werden daar in moordend tempo vervangen door plantages; de bevolking groeide, nieuwe ziektes hielden huis, er ontstonden megasteden. Was deze ecologische ramp de schuld van het kolonialisme, het kapitalisme, van meedogenloze marktwerking? Nee, volgens Scott was het de staat die van dit alles de hoofdschuldige was. Belastingheffing en onderwerping van onderdanen door een deel van de graanoogst op te eisen typeert de staat als fenomeen. Wie nog niet onderworpen was, heette barbaar en werd door de overheid vogelvrij verklaard. De bouw van Brasilia, de nieuwe hoofdstad van Brazilië, stond in ‘Seeing like a State’ symbool van deze knechting door een allesoverheersende staat die daartoe de hele maatschappij leesbaar wilde maken. In ‘Against the Grain’ rekent hij definitief af met deze dominante machthebber. We waren als mensheid beter af toen we nog jager-verzamelaars waren. Het leven was rijker, afwisselender, minder gebonden, vrijer toen de overheid ons nog niet in de weg zat. De boeren van Stroe zouden dit boek eens moeten lezen.

 

Brainport

On 6 juli 2022, in economie, technologie, by Zef Hemel

De Amerikaanse sociologe Sharon Zukin schreef een interessant boek over de digitale economie van New York. In ‘The Innovation Complex’ (2020) wijt ze de snel stijgende prijzen op de New Yorkse woningmarkt niet zozeer aan speculatie of bevolkingsgroei, maar aan de aanwezigheid van de snel groeiende tech-sector. Die is jarenlang enthousiast gepromoot door opeenvolgende gemeentebesturen, met Chief Technology Officers, Economic Boards, Triple Helix-samenwerkingen en soms ook vergaande belastingvoordelen. Startups werden gepamperd door Economische Zaken, die er alles aan deed om het opschalen van succesvolle digitale platforms via bootcamps, hackathons en campusontwikkeling te bevorderen en zo een tweede Silicon Valley te creëren, Silicon Alley genoemd. Want ook in de gebiedsontwikkeling kregen de jonge techbedrijven hun eigen ‘startup ecosysteem’, met alle fysieke en niet-fysieke faciliteiten die daarbij horen. Dit najagen van innovatie door gemeentebesturen met alle geoorloofde middelen duidt ze aan als ‘The Innovation Complex’. Dat complex heeft tot een enorme concentratie van kapitaal geleid nadat er eerst jarenlang veel publiek geld in de technologiebedrijven werd gestoken. Maar hun eigenaren tonen weinig respect voor de stad waaraan ze hun succes te danken hebben. Hun aanwezigheid stuwt de woningprijzen op en jaagt arme New Yorkers de stad uit en zo is er nog wel meer, want: “local lives and fortunes are inextricably linked to global capital.” New York dreigt onbetaalbaar te worden. Aldus Zukin.

Nadat ze hackathons heeft bezocht en de werking van accelerators heeft beschreven richt Zukin haar pijlen op de totstandkoming van Brooklynn’s ‘Innovation Coastline’. De oude marinewerf tegenover Manhattan werd met veel overheidsmiddelen omgetoverd in een hip nieuw werkgebied aan de East River. Deze campusontwikkeling kreeg wind in de zeilen in de financiële crisis, toen de stad zich gedwongen zag afscheid te nemen van het idee ´financieel centrum van de wereld te worden en Economische Zaken naarstig naar alternatieven zocht. Die vond ze in het idee van innovatie. De werf werd onderdeel van een Tech Triangle die grote delen van Brooklynn omvatte. Zukin laat zien hoe het bestuur vervolgens technische universiteiten aantrok en tenminste twee campussen bouwde, want technisch onderwijs speelde in dit ecosysteemdenken een cruciale rol. Het boek eindigt met de voorgenomen komst van het tweede hoofdkantoor van Amazon naar New York in 2018. Daarmee zouden in één klap 35.000 nieuwe tech-banen worden gecreëerd. De burgers stemden tegen en Amazon kwam niet. Een treffender slot van haar jarenlange onderzoek kon Zukin zich niet wensen. New York, concludeert ze, is niet in de ban van technologie, het publieke leven speelt zich niet af rond digitalisering, de stad heeft andere zorgen en de economie is te divers. New York is ook wars van de heroïsche en autocratische topondernemers als Musk en Zuckerberg die met hun enorme kapitaal de wereld willen veranderen maar ondertussen er alles aan doen om het belastingklimaat zo gunstig mogelijk te beïnvloeden. Met hun belastingregimes en gentrificatiestrategieën vernietigen ze het sociale weefsel van de stad.

Tagged with:
 

Planet Paradise

On 1 juli 2022, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Sinds 7 mei lopen ruim duizend bomen door de binnenstad van Leeuwarden. Elke week worden ze door tientallen vrijwilligers met steekkarretjes verplaatst. Landschapskunstenaar Bruno Doedens bedacht ‘Bosk’ en organiseerde het evenement in het kader van Arcadia, het driejaarlijkse culturele festival dat de Friese hoofdstad heeft overgehouden aan Culturele Hoofdstad 2018. In NRC Handelsblad verbond journaliste Roelie Fopma Bosk met bomen en groen in de openbare ruimte, niet met kunst. En dat nog wel in het Cultureel Supplement. Doedens zal er blij mee zijn geweest. Maar zijn ‘evenement’ strekt verder. Na het lezen van veertig boeken over klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, opwarming van de aarde, uitputting van de bodem en de belabberde staat van de natuur begreep de landschapsarchitect tijdens zijn sabbatical dat het vijf voor twaalf was. Hij moest iets doen: niet het zoveelste leuke project, maar iets dat de mensen wakker schudt, echt laat nadenken, in beweging zet, duurzaamheid doet nastreven, de aarde redden. Doedens werd activist. Bosk is zijn eerste project-nieuwe-stijl. Werkt het?

Afgelopen week vergaderde de gemeenteraad van Leeuwarden in zijn wandelende bos. Het politieke gesprek ging over wat de gemeente wil nalaten aan volgende generaties. Langetermijndenken stond centraal. Het toegestroomde publiek luisterde tussen de bomen. Dat is na bijna twee maanden het voorlopige hoogtepunt van de 100 dagen Bosk. Doedens verwijst regelmatig naar de oprichter van The School of Life, Roman Krznaric. In ‘De goede voorouder’ (2020) vraagt deze filosoof aandacht voor langetermijndenken in een hijgerige wereld die alleen denkt aan de korte termijn. Zelf schreef Doedens, toen hij vorig jaar artist in residence was op de Amsterdamse Academie voor Bouwkunst, een manifest, getiteld ‘Planet Paradise’. Dat gaat over handelen met impact, over nadenken bij alles wat we doen: is het wel schoon? Laat het sporen na? Doen we de juiste dingen voor komende generaties? Wie als bestuurder, ambtenaar, ondernemer of burger werkelijk duurzaamheid nastreeft, zou Bosk nauwlettend moeten bestuderen. Ook de boeren die de bomen van Bosk gebruikten om het Friese provinciehuis te barricaderen, zouden op een rustig moment, ergens tussen de bomen die ze in hun woede met hun trekkers ruw hebben verplaatst, ‘Planet Paradise’ moeten lezen. En ten slotte zou Amsterdam met de werkwijze van Bosk zijn voordeel kunnen doen in zijn moeizame aanpak van de binnenstad. Laten we met z’n allen gaan tuinieren!

 

Growing blue

On 24 juni 2022, in citymarketing, politiek, by Zef Hemel

Na zwaar tegenvallende bezoekerscijfers kwam de Floriade-organisatie deze week met het verzoek aan het Almeerse gemeentebestuur voor een extra donatie van 34 miljoen euro, dit om de lopende tuinbouwexpositie aan de snelweg A6 te kunnen continueren. Het verlies van Floriade 2022 ‘Growing Green Cities’ is daarmee opgelopen tot zeker 60 miljoen euro. Het zittende bestuur trad daarop af. Ik moest weer denken aan Hans van Driem, die in 2015 een uitgebreid rapport schreef over de geschiedenis en toekomst van de Floriade, waarin hij eigenlijk alles al voorspelde. In ‘Floriade, verleden, heden en toekomst’ beschreef de oud-directeur van menig pretpark hoe vanaf 1960 de eerste Floriades door de ondernemer Jacques Kleiboer tot een succes werden gemaakt, maar ook hoe vanaf 1992 – na de dood van Kleiboer – elke Floriade steeds dieper in de rode cijfers zakte. Zijn analyse van het bidbook van Almere was ronduit vernietigend. Hij vreesde dat dit het einde betekende van het fenomeen ‘Floriade’. Geen gemeentebestuur zou het nog aandurven om in 2032 zo’n mooie bloemenshow te organiseren. Ook in dat laatste kon hij wel eens gelijk gaan krijgen.

Wat is de essentie van zijn uitgebreide en genuanceerde analyse, uitmondend in drie scenario’s voor Almere die kennelijk alle in de wind zijn geslagen? 1. Een tijdelijke wereldtentoonstelling organiseren is duur, veel te duur om ooit quitte te kunnen spelen. 2. Technisch gesproken dient de ‘visitors experience’ leidend te zijn, maar die heeft het steeds meer afgelegd tegen de oplopende kosten van het bouwen van het platform: het bouwrijp maken, de inrichting, gas, licht, energie, de bruggen, de parkeerplaatsen. Met name de binnenexpositie is zeer kostbaar, maar vormt wel het hart van iedere Floriade. 3. Bezoekers zijn steeds veeleisender geworden, er is wat dat betreft sprake van moordende concurrentie. 4. De tuinbouwsector is steeds minder geïnteresseerd want de afzetmarkt in Nederland is verzadigd. Bleef over de politiek, die zich om representatieve redenen geleidelijkaan meester maakte van het fenomeen en die de Floriade ging gebruiken om infrastructuur bij mede-overheden af te dwingen en de lokale economie te promoten en aan te jagen. Kostenoverschrijdingen werden weggepoetst of uitgesteld, en elke gemeente probeerde het wiel opnieuw uit te vinden. Waarop de pers op de schandalen dook. Almere, zo hield de ondernemer zijn lezers voor, zou wat dat betreft de kroon spannen. Hij treurde erom. Van Driem hield van de Floriade. Maar als je nuchter leest was er allang geen perspectief meer voor iets als een Floriade.

 

Landbouw op z’n Japans

On 22 juni 2022, in voedsel, by Zef Hemel

Nu het seizoen van de Nederlandse boerenprotesten weer is losgebarsten, lijkt het me goed de aandacht te richten op Japan. Of beter, ik ga terug naar Japan, waar ik de afgelopen maand in het gezin van mijn broer gekookt heb en dus ook de boodschappen voor het eten deed. Wees gerust, dikwijls gingen we uit eten en ik maakte een voettocht door het Japanse platteland. Maar of ik nou kookte of mezelf trakteerde, steeds weer was ik verbaasd over de kwaliteit van de ingrediënten. Alles is daar vers, heeft smaak en komt vaak uit eigen land, ook al moet Japan veel en steeds meer importeren. Zo’n gesloten voedselketen zou je ook de Nederlanders toewensen. Natuurlijk, de basis van de Japanse keuken is en blijft rijst. Bijna 40 procent van alle landbouwgrond betreft rijstteelt en dan hebben we het over de vlaktes aan de voet van de bergen. Want Japan is bergachtig; slechts 12 procent van het grondoppervlak leent zich voor landbouw, en zoals bekend leeft de overgrote meerderheid van de 125 miljoen Japanners in grote steden. Buiten rijstteelt worden aardappelen verbouwd, suikerbieten, mandarijnen, sinasappels, kool, graan, gerst, sojabonen, thee. Japan exporteert vrijwel niets, importeert des te meer voedsel. Vooral de consumptie van tofu groeide na de oorlog, maar de verbouw van soja nam juist af. De Verenigde Staten zijn in dit gat gesprongen.

De levering aan klanten gebeurt trouwens in een oogwenk, want Japanners zijn veeleisend als het gaat om de versheid van hun voedsel. Een centrale coöperatie – JA – zorgt hiervoor. Die zorgt er ook voor dat de boeren voldoende betaald krijgen. Circa 20 procent van de prijs die consumenten in de winkel voor voedsel betalen gaat naar de boeren. Voedsel is daardoor relatief duur. Het op leeftijd raken van de boeren is in Japan trouwens een probleem. Jonge mensen trekken naar de steden. Maar daar staat tegenover dat bijna alle boeren in deeltijd werken. Het gemiddelde bedrijf is dan ook maar 1,2 hectare groot. Stadslandbouw is in Japan omvangrijk: circa een derde van alle agrarische bedrijven betreft landbouw op kleine percelen in of aan de randen van de steden. Voor de vergroening en afkoeling in warme zomers is dit buitengewoon belangrijk. Zelfs miljoenenstad Tokio kent een intensieve agrarische productie in tuinen en op kavels die liefst 700.000 inwoners voedt. En de overgrote meerderheid van de bevolking wil graag meer stadslandbouw. Stikstofproblemen in de Japanse landbouw zijn er vrijwel niet. Voedselverspilling en een westers dieet zijn hier de grote boosdoeners: vleesconsumptie, steeds meer melk, kaas, vet. De inspanningen van de regering zijn er daarom op gericht de traditionele Japanse keuken onder jongeren te promoten. Dat laatste lijkt me alleen maar goed. Het verschil met Nederland kan niet groter. Soms helpt dat in het denken.

 

Amsterdam is betoverend

On 22 juni 2022, in boeken, plekken, politiek, stedelijkheid, by Zef Hemel

Ook in de nieuwste Atlas van Nederlandse gemeenten (2022) staat Amsterdam weer met stip bovenaan als het gaat om woonaantrekkelijkheid. Van het landelijke tekort van 390.000 woningen blijkt inmiddels liefst de helft (175.000) gericht op Amsterdam! Maar Amsterdam bouwt niet en ‘grossiert’ in zachte plannen, aldus de makers. Ik moest denken aan een uitspraak van de Amerikaanse sociologe Sharon Zukin die na het verschijnen van ‘Naked City. The Death and Life of Authentic Urban Places’ (2010), opmerkte dat hoogopgeleide mensen willen worden betoverd en dat Amsterdam binnen Europa en de wereld als een ‘betoverende stad’ geldt. Haar boek ging over New York en over hoe het kapitalisme zich meester maakte van de binnenstad die eerst allesbehalve geliefd was en door projectontwikkelaars en gemeentebesturen zelfs was opgegeven. Maar in een podcast vertelde ze wel degelijk over Amsterdam toen haar gevraagd werd of de gemeentelijke aanpak van het Amsterdamse wallengebied niet ook getuigde van opzettelijke gentrificatie, die het verlangen van mensen om te worden betoverd probeerde de stillen. Met andere woorden, was coalitieproject 1012 niet een poging van het gemeentebestuur om de binnenstad geschikt te maken voor hoogopgeleide stedelingen die zo ontzettend houden van galeries in oude pandjes, funky restaurants, bruine cafés, kleine winkeltjes, bloemenmarkten, kleurrijke uitstallingen, terrasjes, oude bomen, lieve bootjes, fietsen op straat.

Zukin, die kort daarvoor onderzoek had gedaan in de Utrechtsestraat en een tijd lang in de Amsterdamse binnenstad had gewoond, legde een rechtstreeks verband tussen coalitieproject 2010 en de succesvolle citymarketingcampagne van Amsterdam. Ze zei: “The Red Light District has begun to look like a serious disadvantage for marketing Amsterdam. There’s even a kind of “I Love Amsterdam” campaign that copies the “I Love New York” campaign of the past few decades. So the new marketing of Amsterdam is more family friendly and really can’t deal with the drug traffic and the human trafficking of the sex industry. So there’s an attempt to evict those uses of the space and turn the windows of the brothels at least temporarily over to fashion designers and visual artists who display their work in the shop windows.” Vervolgens kwam ze op voor de prostituees, die door de aanpak van de gemeente het veld dreigden te moeten ruimen: “There’s a curious dynamic of women’s control over their bodies and their work in a legalized prostitution situation, and the criminality of a lot of that industry, all of which is played out in urban redevelopment.” Amsterdam, concludeerde ze, is betoverend. Daar heb je geen citymarketing voor nodig. De betovering van Amsterdam geldt inmiddels ook voor de schoongeveegde Wallen. Die worden nu onder de voet gelopen door hordes toeristen. Sterft daarmee de stad? Nee integendeel, ze is woest en woest aantrekkelijk.