Interessant voor planologen: hoe kwam de Nederlandse regering in 1918 tot het besluit om de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk droog te maken? Zo’n besluit over een megaproject neem je niet op een achternamiddag. In ‘Het landschap, de mensen’ (2021) probeert historicus Van der Woud een antwoord op deze vraag te formuleren. Het begon met een idee, dat werd gelanceerd door de ingenieur Van Diggelen in 1843, dus 75 jaar voor het uiteindelijke besluit viel. Ruim twintig jaar later pas kwam de regering in beweging. Die stelde een staatscommissie in die de complexiteit overzag en “hoe meer informatie en meningen beschikbaar kwamen, des te trager de besluitvorming wordt.” Om er vaart in te brengen wordt in 1886 de Zuiderzeevereniging opgericht, een initiatief van het Friese Tweede Kamerlid Bouma. Die nam Cornelis Lely als onderzoeker in dienst. Van der Woud maakt een vergelijking met de Nederlandsche Heidemaatschappij die twee jaar later werd opgericht: ook die vereniging wilde de productiviteit van het Nederlandse landschap met wetenschappelijke methoden vergroten. Hij richt zijn vizier echter op de retoriek, niet op de getallen van Lely. Die retoriek wordt vanaf nu steeds beter. Later volgden honderden lezingen in het land van A.A. Beekman, autoriteit op het gebied van de Nederlandse waterstaat en “een voortreffelijke propagandist.” Dat hielp pas echt. Toch bleef de regering nog treuzelen. Het was het uitbreken van de Grote Oorlog waardoor alles anders werd.

Van der Woud telt het aantal publicaties dat na Van Diggelens idee over de Zuiderzeewerken waren verschenen. Die stroom was constant – gemiddeld vijf boeken of professionele artikelen per jaar -, maar groeide na 1911 toen Beekman begon te spreken: er was zelfs sprake van een verdubbeling. Tegenstemmen kon toen niet meer. Nee, het was niet de held Cornelis Lely en het was niet de watersnood van 1916 die de regering uiteindelijk aanzetten tot het zware besluit, het krachtenveld rond de besluitvorming was veel ingewikkelder. Er speelden emoties, het was oorlog en dan wordt alles vloeibaar. In plaats van de hoge graanprijzen op de wereldmarkt te noemen of het ministerschap van Lely, doet Van der Woud hier iets onverwacht. Eensgezindheid en nationaal gevoel werden in Den Haag begin 1918 sterk aangewakkerd door het gerucht dat de Amerikanen en Britten de Nederlandse handelsvloot wilden confisqueren. Dat nooit! “Maart 1918 was geen tijd voor kleine gebaren,” zo schrijft hij. Geld speelde ineens geen rol meer. Ook de waterwolf zouden de Nederlanders nu wel even temmen. Diezelfde maand nog viel het besluit om de Zuiderzeewerken aan te vatten. Mochten planologen nog in rationele, procedurele besluitvorming geloven, dan helpt Van der Woud ze uit de droom. Het leven zit anders in elkaar. Het gaat om retoriek, emoties, niet de getallen. En propagandist Beekman is de ware planoloog, niet onderzoeker Lely.

 

Vredig platteland? Vergeet het

On 4 februari 2023, in duurzaamheid, economie, voedsel, by Zef Hemel

In een boekbespreking schrijft Ian Frazier (The New York Review of Books nr. 2 2023) o.a. over ‘Perilous Bounty: The Looming Collapse of American Farming and How We Can Prevent It’ van Tom Philpott. Ronduit angstaanjagend zijn de enorme verborgen problemen van de landbouw in de Verenigde Staten, ‘s werelds grootste exporteur van voedsel. “A crash awaits, while for the moment all may seem to be wonderful.” Wat is er aan de hand? Terwijl de intensivering van de agrarische sector aanhoudt, de productiviteit sterk toeneemt, de schaalvergroting doorzet, het aantal boerenbedrijven vermindert, voltrekt zich niet minder dan een ecologische ramp. In de landbouw is sprake van een enorme overproductie, trage bevolkingsgroei drukt de prijzen, we moeten van de sector per persoon steeds meer eten, gewoon meer consumeren, de hele dag door. Slechts een fractie van de oogst gaat naar ontwikkelingslanden. “It’s Big Agriculture’s doing’. Want achter de boeren zit een grootindustrie die ze opjaagt, de boeren uitperst, het land uitput, ons dik maakt, telkens op zoek naar meer en meer winst. Philpott concentreert zich in zijn boek op twee regio’s: Central Valley in Californië en de Corn Belt in het Midden-Westen, twee buitengewoon productieve landbouwstreken. Wist u dat een derde van alle graan in de VS wordt verbrand als ethanol?

In Californië is het grote probleem voldoende drinkwater. Steeds minder sneeuw ligt er in de Sierra Nevada, rivieren staan er droog. Dus pompen de boeren het water op. Maar hoe dieper ze pompen, hoe zouter het wordt. Niet alleen het grondwater daalt, maar ook de bodem, de betonnen irrigatiekanalen breken, het einde van het systeem is in zicht. want stel je voor, voor één amandel heb je bijna een halve liter water nodig; een zakje amandelen komt neer op een volle badkuip. Philpott doet soortgelijke voorspellingen voor de Corn Belt. Daar is het probleem niet waterschaarste, maar een vruchtbare bodem die wegspoelt en pesticiden die elk jaar uitstromen via de Mississippi naar zee. Stikstof en fosfaten hebben daar een dode zee vol algen en zonder zuurstof gevormd, ongeveer zo groot als New Jersey. Dezelfde situatie doet zich voor in Lake Erie, waar een kuststad als Toledo geen drinkwater meer kan winnen omdat het water dood en vergiftigd is. Vredig platteland? Vergeet het maar. Alles is in handen van een paar grote bedrijven: zaadveredelingsbedrijven, kunstmestbedrijven, bedrijven als Cargill en Monsanto. Monoculturen zijn het probleem, een gerationaliseerd platteland dat ten dode is opgeschreven. Alleen in een staat als Ohio verloren in 2007 4,2 acres landbouwgrond al vijf ton vruchtbare bodem in één regenstorm. Philpott: “The main beneficiaries are a set of interlocking, enormous corporations, each generating billions of dollars for shareholders and delivering in exchange a mountain of health-ruining food.” Is het in Nederland – ‘s werelds voedselexporteur nummer twee – zoveel beter?

 

Balans opmaken

On 3 februari 2023, in economie, geschiedenis, landschap, by Zef Hemel

Op bladzijde 303 komt Auke van der Woud tot zijn punt: het is belangrijk te weten waarom en hoe de weg naar de intensivering van de landbouw werd ingeslagen, “omdat we ons in de huidige tijd soms afvragen of er nog een weg terug is.” Zijn boek ‘Het landschap, de mensen’ (2021) gaat over de snelle en ingrijpende transformatie van het Nederlandse platteland. De ontwikkelingen in de landbouw spelen daarin een belangrijke rol. Diezelfde landbouw verkeert op dit moment in een zoveelste crisis. Toen Van der Woud zijn boek voltooide begon juist de onrust onder de boeren, werden de provinciehuizen bezet, reden de trekkers naar het Malieveld, ging men vlaggen ondersteboven hangen. Zijn boek over de geschiedenis van het veranderende Nederlandse landschap en de mensen die dit teweegbrachten kon op geen beter tijdstip verschijnen, zo is geschiedenis maatschappelijk relevant. Zinderend en gevaarlijk is de zwart-wit foto op het omslag: drie mannen op een oude tractor die het woeste land omwoelen; zie de zon schuilgaan achter dikke stofwolken. Die foto zegt genoeg. Intensivering van de landbouw ligt aan de basis van de problemen. Waarom ging heel Nederland op de schop? Hoe kwam het zover en is er een weg terug? Antwoord: het was een keuze.

Intensivering van de landbouw kwam niet ‘uit de lucht vallen’. Een heel complex van factoren noemt Van der Woud die sturend waren in de ontwikkeling: kunstmest, verkeersinfrastructuur, beheersing van het grondwaterpeil, cultuurtechniek, landbouwwetenschap, landbouwonderwijs, boerenonderwijs en coöperaties, de banken en andere kredietverstrekkers, en de inspanningen van de overheid. Van meet af aan stond exporteren van landbouwproducten voorop. Maar ook: tijd is geld, dus zoveel mogelijk winst maken. Het landschap dat hier uit volgde, duidt Van der Woud aan als ‘tijdbesparend landschap’. Telde Nederland in 1933 900.000 hectare woeste grond, in 1940 was nog 270.000 hectare over. Bijna 800.000 hectare werd vergraven en rationeel heringericht ten behoeve van de landbouw. De productiviteit steeg navenant. In 1996 was die al 33 keer hoger dan in 1880. Toen moest de schaalvergroting nog beginnen. Van de 100.000 bedrijven in 2000 waren er achttien jaar later nog 54.000 over. Als lezer snak je naar adem. Is er nog een weg terug? Die vraag durft de historicus Van der Woud niet te beantwoorden. Ik wel. Ook dat is een keuze.

 

Tota Frisia

On 2 februari 2023, in geschiedenis, by Zef Hemel

Friesland in de Middeleeuwen, een tentoonstelling over dat onderwerp is tot en met 7 mei 2023 in het Fries Museum in Leeuwarden te zien. Ik ging kijken, ook omdat ik toch in Leeuwarden was. Het zou gaan om nieuwe wetenschappelijke inzichten en bovendien was het hele noordelijke gebied tot in het Duitse Oost Friesland in het overzicht betrokken. Dit langgerekte kustgebied tussen Zwin en Wezer duidt men in de tentoonstelling aan als Tota Frisia, zeg maar Friesland in brede zin. Ik begreep dat vooral de studie van Diana Spiekhout aan de basis van de tentoonstelling ligt. Als archeoloog promoveerde zij in 2020 in Groningen op de ontwikkeling van bisschoppelijke burchten en adellijke huizen in relatie tot het landschap en de samenleving in deze noordelijke streken tussen 1050 en 1450. Meer dan honderd kastelen, adellijke huizen en versterkingen telde destijds dit uitgestrekte, op zee georiënteerde gebied, maar daar is vrijwel niets meer van over. Die verdwenen wereld probeert Spiekhout, nu als conservator van het museum, zo goed mogelijk te reconstrueren. In totaal beslaat de tentoonstelling zes zalen. Vijf luisterwandelingen zijn eraan toegevoegd, gemaakt door Tom Tieman. Gaat dat zien.

Op zaal wordt inderdaad een mooi verhaal verteld, over stinsen, terpen, dijken, de opkomst van de adel, de bekering tot het christendom, vele kloosters die werden gesticht, bedreigingen van buitenaf, deelname aan de kruistochten, de beeldenstorm. Er worden munten getoond, juwelen, geschriften, relieken, wapens, alles is overzichtelijk gesorteerd. En elke zaal heeft een eigen kleur, voorwerpen zijn steeds in vitrines gezet, er staat een door studenten gemaakte reconstructie van een katapult, het is een donkere wereld. Maar zo heel erg veel is het, bij elkaar genomen, toch weer niet. Misschien wil men de bezoeker niet overladen en staat het vertellen van het verhaal voorop. Museaal kan dat verstandig zijn. Echter, een bijzondere episode uit de verre geschiedenis die zo lang onderbelicht is gebleven verdient naar mijn smaak toch meer. Tenzij er uit deze periode domweg weinig teruggevonden is. Want zoals gezegd, vrijwel niets resteert er van de burchten, de kloosters, de versterkingen op het Friese platteland, op een enkel bouwwerk na. Zelfs de musea hebben de restanten niet weten te bereiken. Zeer veel kleine brokstukken van verwoeste kloosters op de museumvloer, zo eindigt dan ook de fraaie tentoonstelling. En het middeleeuwse landschap? Lees liever het hoofdstuk van Theo Spit en Mans Schepers in de bijbehorende catalogus, want landschap zoek je in de tentoonstelling tevergeefs. Niettemin, het is een prachtig verhaal.

 

An Energetic Odyssey

On 2 februari 2023, in energie, landschap, natuur, by Zef Hemel

Eerder schreef ik over de onmogelijke inpassing van de nieuwe 380 Kv-hoogspanningsleiding tussen Groningen-Vierverlaten en Eemshaven. Vervolgens ging ik op zoek naar motieven voor deze zware ingreep in het Groningse landschap. Nieuwe windparken op de Noordzee lijken hierin beslissend, maar ook de opwekking van stroom door nieuwe centrales in de Eemshaven: sinds 2008 is de elektriciteitsproductie daar bijna verdubbeld, een mix van kolen, gas en wind, met drie centrales. Sinds 2008 ligt er een zeekabelverbinding tussen Noorwegen en Eemshaven, sinds 2019 ook eentje naar Denemarken. Drie grote parken, samen goed voor 21 gigawatt, worden aan Nederlandse zijde op dit moment op zee gebouwd: een verdubbeling van de capaciteit, alle ten noorden en noordwesten van de Nederlandse kust. Via ondergrondse kabels moet de elektriciteit die deze windparken gaan opwekken straks aan land worden gebracht. Eemshaven is aangewezen als het gaat om windpark Net op zee Ten noorden van de Waddeneilanden (NOZ TNW), goed voor 700 MW. Reden: de aanwezigheid van energiebehoeftige industrie, de ambitie van Groningse bestuurders om op grote schaal waterstof op te wekken, de mogelijkheid van nieuwe werkgelegenheid plus gemakkelijke aansluiting op het landelijke elektriciteitsnet. Op de kaarten van de rijksoverheid ziet het er allemaal heel logisch en overzichtelijk uit. En omdat het hoort bij de zogenoemde energietransitie is de taal ook positief: we moeten af van fossiele brandstoffen, we gaan voor windenergie op zee. Alles verwijst naar het Klimaatprogramma van het rijk. Eemshaven heet nu ‘het duurzame stopcontact’ van het Noorden.

Echter, tussen de windparken op zee en de Eemshaven ligt de Waddenzee, een uniek getijdengebied, sinds 2009 officieel beschermd vanwege UNESCO. Het trekken van de kabels door dit bijzondere Europese wetland is onvermijdelijk, er is eenvoudig geen weg meer terug. De aanslag op het Groningse landschap door de 380 Kv-verbinding is al gepleegd, de windparken op zee worden gebouwd, Google in de Eemshaven wil groene stroom, waterstof heeft de toekomst, uitbreiding van de Eemshaven met 600 hectare ten koste van vruchtbare landbouwgrond wordt voorbereid, dus schreven de Groningse bestuurders op 2 oktober 2020 hun advies aan de minister. Naast het Waddengebied en het Groningse landschap is er de hoogwaardige landbouwgrond van Noord-Groningen met zijn verziltingsproblemen die alle tegen de komst van de kabels pleiten, bovendien is er het besef dat in de toekomst, na 2031, meer kabels door Groningen getrokken zullen moeten worden “omdat windparken op de Noordzee een belangrijke rol spelen in de nationale opgave Energietransitie.” En dan is er nog het probleem van laagfrequent geluid en de mogelijke gezondheidseffecten. Toch gingen de provinciale bestuurders met het door het rijk voorgestelde tracé voorwaardelijk akkoord. Later dit jaar komt het Ontwerp-programma/planMER naar buiten, begin 2024 volgt de vaststelling van het programma. Wat zal Parijs hiervan vinden? Kan de Waddenzee werelderfgoed blijven? Is ons landschap ons nog iets waard? Welkom in ‘2050 – An Energetic Odyssey’!

 

Onmogelijke inpassing

On 1 februari 2023, in energie, landschap, by Zef Hemel

Na onze voettocht boven Hornhuizen gaf ze me een lift naar Groningen. Vandaaruit zou ik verder met de trein terug naar Amsterdam. Patty Wageman is directeur van Oude Groninger Kerken, een organisatie die honderd historische kerken beheert op het Groningse platteland. Haar kantoor staat in Groningen. Zelf woont ze in Pieterburen, daardoor kent ze alle binnenwegen naar de stad. Na de schitterende wandeling langs de kwelders keek ik opnieuw mijn ogen uit. Wat is het Groningse Hogeland toch mooi! Maar ineens, tussen Winsum en Sauwerd, schrok ik me een hoedje. Reusachtige hoogspanningsmasten staken met hun koppen agressief boven de weidegronden uit. We reden onder de witte masten door, daar waar het tracé een knik maakte. Het bleek te gaan om een nieuwe 380 Kv-verbinding die Tennet tussen de Eemshaven en de westkant van Groningen heeft getrokken. Landschapsarchitect Els van der Laan had me er op een eerdere wandeling al over verteld. Nu zag ik het met eigen ogen. De verbinding vervangt de oude 220 Kv-verbinding, maar volgt gedeeltelijk een nieuw tracé. Dat snijdt door het Reitdiepgebied en raakt ook Middag Humsterland. De natuur- en landschapsorganisaties hebben er bezwaar tegen gemaakt, maar dat was tevergeefs.

Op de website van Tennet staat keurig vermeld dat de netwerkbeheerder er alles aan gedaan heeft om het landschap en het milieu zo min mogelijk te verstoren, maar op de pagina van Het Groninger Landschap lees ik dat deze organisatie in 2016 vond dat het nieuwe tracé “onnodig veel afbreuk doet aan het karakteristieke meeden- en wierdenlandschap van Groningen, de kwaliteit van de leefomgeving, het cultureel erfgoed en waardevolle weidevogelgebieden.” Minister Henk Kamp had echter niets gevoeld voor een gebiedsproces, waarna de Tweede Kamer drie moties had aangenomen die de minister van EZK opriepen om samen met bevolking, betrokken organisaties en lokale overheden alsnog te werken aan een beter tracé. Vervolgens vond ik een landschapsplan van een jaar later waarin provincie en Tennet hun best doen de effecten van de nieuwe verbinding op het bestaande landschap te verzachten. “Het relatief open Groningse landschap geeft weinig aanleiding voor het toevoegen van elementen. Dat zou de openheid van het landschap geen recht doen.” Toch moesten de nieuwe hoge masten er komen. “Het tracé van een hoogspanningslijn moet zoveel mogelijk autonoom zijn, zo veel mogelijk los staan van de kleinschalige verschijnselen in het lokale landschap.” Er werd geld geboden en er is een ‘gereedschapskist’, maar het tracé stond niet meer ter discussie en de inpassing is er een die in Groningen met zijn openheid dus eigenlijk niet kan.

 

Schoonste lucht van Nederland

On 30 januari 2023, in duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

De bus uit Winsum zette me voor de kerk af. Buiten voelde het nog schraal, de temperatuur was 3 graden, het winterse weer leek te volharden. De koepelvormige lantaarntoren van de kerk bleek een fel rode en gele spits te hebben en dateerde uit 1815, maar de onderkant was nog helemaal vijftiende eeuws. Wat gaaf, zo’n stevige toren al eeuwenlang baken voor de scheepjes op de Waddenzee. Welkom in Hornhuizen, Noord-Groningen. Mijn twee reisgenoten wachtten me hier op. Zij hadden de route bepaald. Om niet koud te worden besloten we direct naar de zeedijk door te lopen. De zon ging schijnen, de kou trok weg; hadden we toch nog een mooie dag voor de boeg. Aan de voet van de dijk stak een ijle antenne zestig meter de hoogte in. Wat betekende deze metalen voelspriet? Bovenin bogen douchekoppen als kleine klokjes aan stijve stengels naar buiten. De mast dateerde van 2000. Aan de voet stond een groene cabine. Het bleek een laboratorium te zijn. Mast en cabine vormen Lutjewad, het meetstation van het Centrum voor Isotopenonderzoek (CIO) van de Rijksuniversiteit Groningen. De lucht is hier schoon, de schoonste lucht van Nederland. Daarom meet men hier broeikasgassen, zeg maar CO2. Met de douchekoppen wordt lucht van verschillende hoogten opgezogen en in glazen flessen voor nader onderzoek opgeborgen. Via Groningen gaan de uitkomsten naar het IPCC, u weet wel, het panel van klimaatwetenschappers dat ons al jaren vergeefs waarschuwt. De pompen die de lucht naar de flessen zuigen maken trouwens een ronkend geluid. We haalden diep adem, snoven de heldere lucht in, keken uit over het wad. Aan de einder lag Schiermonnikoog te glinsteren.

Zo ruikt dus schone lucht. Maar de mast ruikt niet, ze meet alleen. Bij een noordenwind meet ze schone Europese achtergrondlucht, bij zuidenwind gaat het om lucht uit eigen regio. In de winter bevat de lucht de meeste CO2, in de zomer de minste, dankzij het afvangen door de planten. Lutjewad kan ook de herkomst van broeikasgas traceren: fabrieken, snelverkeer, intensieve landbouw. En concentraties fijnstof. Als de boer met zijn tractor onder de mast doorrijdt, registreren de glazen flessen dat genadeloos. Jaarlijks moeten de wetenschappers de douchekoppen schoonmaken omdat stofdeeltjes bij het oogsten de luchtgaatjes hebben verstopt. Dan klimmen ze met hun borsteltjes hoog in de mast. Eenmaal weer thuis zoek ik de resultaten op van het meetstation waar we die ochtend zonder iets uit te stoten aan voorbijliepen. Op een website vind ik wat ik zoek. Een grote reeks metingen verschijnt als kleine blauwe en rode stippen afgezet in de tijd op een digitale kaart. Vanaf 2000 loopt ze inderdaad in golfjes geleidelijk op, dus de concentratie broeikasgassen neemt bij Hornhuizen toe. Ik voel me als Bruno Latour die zich door het Geofysisch Instituut in Parijs laat meetronen door Alexandra Arènes en zo een beeld krijgt van de grenzen van de kritieke zone (Waar ben ik? 2021, p. 37). Zijn verzuchting hoor ik ook. Hoe verbluffend ook de datareeksen, de wetenschappers die ze maken zetten zelf geen stap buiten hun kantoor, ze blijven vastgeklonken aan hun cijfers. Latour: “Ze streven naar een zo objectief mogelijke toegang tot de dingen, maar zelf zijn ze nooit gedelokaliseerd.” Voor verwekkingszorgen was zulk ‘telewerken’ niet genoeg. Daarom zal ik, net als afgelopen week en anders dan die wetenschappers, ook de komende jaren in het noorden blijven lopen en mensen spreken.

 

Einde aan de pret

On 25 januari 2023, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Eind jaren ’90 stelde de toenmalig minister van Ruimtelijke Ordening Jan Pronk voor om in Nederland met een stelsel van rode en groene contouren te gaan werken. Dat systeem – groene contouren om te beschermen, rode om te begrenzen – was bedoeld om de verstedelijking binnen de perken te houden. Zijn Vijfde Nota RO stuitte echter op hevige tegenstand in de Tweede Kamer en werd uiteindelijk niet vastgesteld. Het tegenovergestelde gebeurde: beschermingsregimes van rijkswege werden door opeenvolgende regeringen opgeheven en de ruimtelijke ordening werd gedecentraliseerd. Een minister voor Ruimtelijke Ordening was niet meer nodig. Deze week maakte het Planbureau voor de Leefomgeving nieuwe cijfers bekend over de snelheid van de verstedelijking binnen verschillende Europese landen: tussen 2000 en 2018 werd in Nederland liefst 70.000 hectare landbouwgrond omgezet in nieuw stedelijk gebied (woningbouw, bedrijventerreinen, infrastructuur, kassenbouw etc.). Nederland blijkt daarmee Europees kampioen. De EU komt nu met tegenmaatregelen. Met de Bodemgezondheidswet in de hand stelt het dat binnen de lidstaten in 2050 geen kostbare grond meer stedelijk mag worden. Dit principe van No Net Land Take zal grote gevolgen hebben voor met name Nederland. Er komt een einde aan de pret.

Dat bedoelde Europese richtlijn voor No Net Land Take in Brussel in de maak is zullen ze in Den Haag niet fijn vinden. Er zijn al problemen genoeg met stikstof, waterkwaliteit, biodiversiteitsverlies, verkeerscongestie, woningnood. Door twintig jaar geleden de ruimtelijke ordening bij het straatvuil te zetten wordt ons land nu geconfronteerd met de gevolgen op al die terreinen. En die zijn ingrijpend, ook in de toekomst. Is 2050 nog ver weg? Nee, want nu al wordt door Brussel gekeken hoe de lidstaten zich voorbereiden. Ruimtelijke plannen werpen immers een lange schaduw vooruit. Over de recente Nationale Omgevingsvisie kunnen we kort zijn. Die kan in de prullenbak. In België staat een ‘betonstop’ op de nationale agenda. Ook andere landen bereiden zich voor. De grote vraag in Nederland is welk ministerie ervoor gaat zorgen dat ons land zich serieus voorbereidt. Hoe streng of juist soepel gaat Nederland een eventuele Europese richtlijn in nationale regelgeving vertalen? Wat nu dreigt is een Den Haag dat jarenlang met de Europese Commissie gaat bakkeleien over wat wel en niet onder verstedelijking moet worden verstaan. Laat me raden: Jan Pronk krijgt vijfentwintig jaar na dato alsnog het grootste gelijk. Jammer van al dat gedoe, dat verlies, de liefdeloosheid en ook die 70.000 hectare.

 

Vogelvrij verklaard landschap

On 23 januari 2023, in landschap, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Dit moet u beslist lezen, zeker met het oog op de komende Statenverkiezingen. In juli 2019 verscheen bij het Planbureau voor de Leefomgeving een beknopt rapport over het Nederlandse landschap. Titel: ‘Nederlands landschapsbeleid en ruimtelijke restricties in kaart’. Hoe wordt het landschap beschermd en welke delen lenen zich voor de schikking van alle ruimteclaims die op ons afkomen? Denk dan aan de energietransitie, de klimaatadaptatie, de verstedelijkingsopgave (wonen, bedrijventerreinen, distributiecentra, datacenters, defensieterreinen) en alle natuurdoelstellingen. Met andere woorden, in hoeverre wordt het Nederlandse landschap bedreigd? Over de omvang van de ruimteclaims doet het rapport geen uitspraken, wel over de beschikbare ruimte. De voorwaardelijk beschikbare ruimte, dus met aftrek van alle beschermingsregimes, blijkt 43 procent van het Nederlandse grondgebied. Daarvan is 92 procent in gebruik bij boeren. Het overgrote deel van de ruimteclaims zal dus in het landelijk gebied terechtkomen. “De meeste ‘vrije ruimte’ is te vinden aan de ‘randen’ van Nederland, zoals in Groningen, Friesland en Zeeland, terwijl de meeste ruimteclaims voor verstedelijking voorkomen in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad.” Het rapport voorspelt een steeds grotere verspreiding en een vervaging van de grenzen tussen stad en land.

Nu de bescherming van het landschap. Hoe staat het daarmee? De makers van het rapport vergelijken de situatie in 2009 en met die in 2018. Tussen die twee jaartallen is sprake van een enorm verschil: in 2009 waren nog grote delen van het landelijk gebied beschermd. Maar in 2018 is dit patroon verdwenen. Het nationaal landschapsbeleid werd namelijk in 2011 met het Onderhandelingsakkoord Decentralisatie Natuur, en in 2012, met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, afgebouwd (gedereguleerd) en overgedragen aan de provincies. Sindsdien wordt aantasting door het rijk ook niet meer systematisch gemonitord. Een groot deel van landelijk Nederland is daarmee in 2012 in feite vogelvrij verklaard. Steekproefsgewijs laten de makers van het rapport zien dat het met de oprukkende bebouwing daarna snel gaat. Zelfs in de voormalige Rijksbufferzone Midden Delfland – gespaard open landschap tussen Rotterdam en Delft – rukt na 2009 de bebouwing op, vooral nieuwe kassen. Kijk naar figuur 4a. Die kaart van Nederland met bestaande bebouwing plus beschermingsregimes toont boterzachte bescherming rond de grote steden in de Randstad en het ontbreken van bescherming in grote delen van Noord- en Oost-Nederland, Flevoland en Zeeland. In die provincies zou ik me echt zorgen gaan maken.

 

Wakker liggen van het landschap

On 21 januari 2023, in infrastructuur, landschap, by Zef Hemel

In 2007 publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving een rapport over snelwegpanorama’s. Die uitzichten vanaf de Nederlandse snelwegen op het omringende landschap zouden onder druk staan. Van de 1.753 uitzichten werden op dat moment ongeveer de helft bedreigd. In een derde van de gevallen konden de plannen nog worden teruggedraaid. Vlak voordat het Ministerie van VROM in 2010 werd opgeheven wees het nog snel negen snelwegpanorama’s aan die gevrijwaard van bebouwing zouden blijven. Het ging om open landschappen, meest veenweiden, overwegend in de Randstad. Provincies, zo luidde het, moesten maar hun eigen panorama’s kiezen. De Volkskrant reed ze destijds af, zoals door het Eemland, tussen Baarn en Amersfoort. “Even goed opletten nu. En ja hoor, daar zien we koeien in eindeloze weilanden, links en rechts van de weg, een benzinestation, een visvijvertje, de geur van mest, wat lelijke varkensstallen, windmolens in de verte. En dan zijn we er alweer voorbij.” De snelheidsmeter telde honderd kilometer, de stopwatch registreerde twee minuten. We zijn inmiddels vijftien jaar verder, de bedoelde snelweg is verbreed, wat heet verdubbeld. Bestaan de snelwegpanorama’s nog? En: wat betekenen ze voor onze landschappelijke beleving? Hechten we er werkelijk aan?

De provincie Drenthe kreeg door de minister één nationaal snelwegpanorama toebedeeld: dat van de A28 langs het Nationale Landschap De Drentsche Aa. In een provinciale nota stelde het bestuur vast dat het met de bedreiging van het contrast tussen stad en land in de noordelijke provincie nog meeviel. Toch werden een paar provinciale wegen aangemerkt als ‘wegpanorama’. Dit provinciale beleid lijkt later te zijn voortgezet want het komt terug in recente omgevingsvisies. Maar het rijk schrapte de snelwegpanorama’s als beleidscategorie in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). Is dat erg? In 2007 deed Marjon Grakist onderzoek naar de beleving van het landschap vanaf de snelweg. Haar conclusie: “Automobilisten hebben een vrij gemiddeld oordeel over het uitzicht vanaf de snelweg. De saaiheid- en verrommelingsfactor scoorden beide iets onder het gemiddelde, waarmee wordt aangegeven dat het uitzicht vanaf de snelweg als niet zo saai wordt beoordeeld en als niet heel erg verrommeld. Men oordeelt over het uitzicht vanaf de snelweg iets positiever dan over het gehele Nederlandse landschap.” (sic!) Ze constateerde wel verschillen tussen mensen die veel op de weg zijn en zij die weinig autorijden. Maar over het algemeen, automobilisten liggen echt niet wakker van het landschap. Bouw maar vol of leg er maar zonneakkers langs.