Onlangs promoveerde Jake Wiersma in de planologie op het proefschrift ‘Spatial Conditions for Car Dependency in Urban Areas’ aan de Universiteit van Amsterdam. Wiersma, in het dagelijks leven stedenbouwkundige in de gemeente Maastricht, onderzocht in hoeverre de ruimtelijke inrichting van Nederland ons afhankelijk maakt van de auto. Kunnen wij afstand doen van onze auto en maatschappelijk toch nog goed functioneren? Hij onderzocht de toegang tot banen, tot scholen, tot supermarkten, zeg maar de trips die wij dagelijks moeten maken en rekende uit hoeveel tijd het ons kost om deze bestemmingen te bereiken. Wat blijkt? Nog steeds kunnen wij ons in overgrote meerderheid prima redden zonder auto. Ergens tussen de 42% en 59% van alle dagelijkse ritten zouden we ook op de (elektrische) fiets, met het openbaar vervoer of zelfs te voet kunnen maken zonder verlies van kwaliteit. Woon-werkverkeer is nog extremer: slechts tussen de 17% en 22% van de werknemers heeft echt een auto nodig om zijn werk te bereiken. Liefst 70% van al onze dagelijkse trips, concludeert hij, zouden we te voet, met de fiets of het openbaar vervoer kunnen afleggen. Nu is dat slechts 30%. Een verdubbeling is dus mogelijk! Gewoon een kwestie van ons gedrag aanpassen en niet zeggen dat het niet kan.

Als het om de toekomst gaat is Wiersma veel negatiever. Maar dan heeft hij het over Zuid-Limburg, dat een krimpregio is. Drie ‘werelden’ zijn daar aan het ontstaan: platteland dat volledig afhankelijk wordt van de auto, en suburbane gebieden waar rond 2030 de meeste banen alleen nog per auto te bereiken zijn; samen zijn ze goed voor 75% tot 90% van de bevolking. Slechts 15% tot 20% van de bevolking van Zuid-Limburg kan straks nog buiten de auto mits het regionale openbaar vervoer sterk verbetert. Anders gezegd, wie in Maastricht, Heerlen of Sittard-Geleen woont kan ook in de toekomst goed zonder de auto, wie daarbuiten woont steeds minder. Twee groepen worden sterk auto-afhankelijk: forensen en studenten wier werk of school aan snelweglocaties is gelegen, op een afstand groter dan 10 tot 15 kilometer, en mensen die op het platteland wonen. Gebieden met zulke perspectieven van niet-groei kent Nederland in overvloed. O ja, het helpt niet als overal gratis parkeerplaatsen worden aangeboden. Maar dat laatste wisten we al.

 

Er is geen plan!

On 29 maart 2021, in ruimtelijke ordening, vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Heerst er in dit land werkelijk woningnood? Worden er inderdaad veel te weinig woningen in Nederland gebouwd? Ligt de ruimtelijke ordening nog steeds dwars? Ik dook eens in de cijfers. In 2019 steeg de omzet van de Nederlandse bouwsector met liefst 9,1 procent! Zelfs in maart, toen de eerste lockdown begon, behaalde de bouwsector nog een forse omzetstijging. In het eerste kwartaal van 2020 lag de vergunde bouwsom voor nieuwbouw en verbouwingen van woningen ruim 11 procent hoger dan in de zelfde periode het jaar daarvoor. De omzet steeg met 11,1 procent. Allemachtig, wat een groeicijfers! In het eerste kwartaal van 2020 werd voor 14.000 te bouwen woningen een vergunning verleend. Dat was bijna 7 procent meer dan in het eerste kwartaal van 2019. Het is waar, de jaren ervoor lag dit gemiddelde iets hoger (17.000 pj), maar woningtransformaties zijn in deze cijfers niet meegenomen. De bouwsector maakt op mij bepaald geen ongezonde indruk en het aantal woningen dat ze bouwt is niet gering. Ik denk eerder dat er op de verkeerde plekken wordt gebouwd en dat op een paar specifieke plekken in Nederland, waar de vraag het grootst is, al jaren schrikbarende woningtekorten bestaan.

Nog een aardig weetje: de toerismesector is inmiddels in Nederland bijna net zo groot als de bouwsector: 4,3 procent van ons bruto binnenlands product, tegen 4,4 procent. In de toerismesector werken meer mensen. Daar bedroeg de omzetstijging in 2019 liefst 7 procent! Dat hebben ze in Amsterdam en Giethoorn geweten! Maar toerisme stortte in 2020 bijna volledig in. We zitten thuis gevangen. Vandaar waarschijnlijk dat al onze aandacht zich nu richt op die vermaledijde woningnood. Niet langer klagen over toeristen, woningen bouwen! Natuurlijk is er met het woonbeleid al jaren van alles mis, en grondig ook. Dat moeten we de VVD ernstig aanrekenen, maar de ruimtelijke ordening treft hier geen blaam, want die is door diezelfde VVD, overigens geholpen door het CDA, twintig jaar geleden bij het grof vuil gezet. Wat nu moet gebeuren is de extreme krapte op de woningmarkten van Amsterdam, Utrecht, Den Haag en een beetje Rotterdam oplossen. Dat vergt juist superieure ruimtelijke ordening. Dat mogen diezelfde partijen doen. Vervelend voor hen is dat hun kiezers niet in de grote steden zitten. Let op, hier volgt een nare voorspelling: bij afwezigheid van een plan worden straks al die nieuwe woningen als een ware orgie over heel Nederland uitgestrooid! Het asfalt ligt er al en de provincies vinden het geweldig. Mijn hoop is gevestigd op D66. Laat dat nou net de partij van Ollongren zijn.

 

Onwaarschijnlijke binnenstad

On 8 maart 2021, in stedenbouw, by Zef Hemel

Afzender van ‘Tour Groot-Amsterdam’ is de gemeente Amsterdam. Auteur: Maurits de Hoog, stedenbouwkundige. Het boek gaat over een strook Groot-Amsterdam tussen Krommenie en Abcoude en verscheen december 2020 ter gelegenheid van het afscheid van De Hoog als stedenbouwkundige in dienst van de gemeente. ‘Tour Groot-Amsterdam’ bevat acht fietsroutes en 24 essays van de hand van De Hoog, die zich als een echte dokter buigt over de stad, telkens een diagnose stelt en dan concrete ingrepen voorstelt in het stedelijk weefsel. Het zijn allemaal chirurgische ingrepen, bedacht en uitgevoerd door een specialist. Interessant en enigszins afwijkend is het essay over ‘Amsterdam 700 en de onwaarschijnlijke ontwikkeling van de binnenstad’. De toon lijkt planologisch, maar eindigt toch weer typisch stedenbouwkundig. In 1975 bestond Amsterdam 700 jaar. In dat jaar werden liefst 260 evenementen georganiseerd. De Hoog spit het programma door, toont zich onder de indruk en concludeert dat hiermee een nieuwe koers voor de stad werd uitgezet: “Kijk je terug, dan is duidelijk dat hiermee de basis is gelegd voor de sterke ontwikkeling van het toerisme in de decennia daarna.” Het is een interessante observatie.

Zo wijst hij op de renovatie van het Anne Frankhuis (1987-1988), het Concertgebouw (1985-1988), het Joods Historisch Museum (1987), de uitbreiding van het Van Goghmuseum (1988), de herinrichting van alle grote stadspleinen, de renovatie van het Rijksmuseum, Stedelijk Museum en Scheepvaartmuseum. De binnenstad, schrijft hij, ontwikkelde zich in relatief korte tijd van een zevental clusters in één supercluster: een samenklontering van metropolitane functies in een gebied met een straal van slechts 1,5 kilometer maar wel met minstens 100 miljoen jaarlijkse gebruikers. Het ging in zijn ogen allemaal veel sneller dan gedacht. Wat te doen? Als oplossing stelt hij de gemeente voor vrijkomende gebouwen te kopen en tijdelijk te verhuren. Daarnaast denkt hij aan autovrije grachten. “Het lijkt mij een goed idee om in 2025 – 50 jaar na de eerste stadsmarathon in Amsterdam – ter gelegenheid van 750 jaar Amsterdam het herontwerp van de binnenstad zonder auto’s af te hebben.” Herontwerp van de binnenstad? Autovrije grachten? Nee, we hebben 260 nieuwe evenementen nodig die de overbelaste binnenstad en de stad als geheel een nieuwe toekomst beloven. Nog vier jaar te gaan. Dan viert Amsterdam zijn 750-jarig bestaan. Burgers denken daar sinds 2012 over na.

 

De stoepen van Amsterdam

On 4 maart 2021, in openbare ruimte, by Zef Hemel

Gevolg van een jaar Corona zijn de eindeloze hoeveelheid puppies met hun onwennig aangelijnde baasjes op straat, althans in Amsterdam. Ik heb nog nooit zoveel kleine hondjes en verlegen baasjes bij elkaar gezien. Om horendol van te worden. Ik begrijp het wel. De hele dag thuiszitten is maar niks. Je verveelt je. En er is internet. Of je koopt online een droomhuis in de provincie, of je koopt een huisdier bij een erkende fokker. Al die schattige nieuwe puppies schijten en plassen naar hartenlust in het plantsoen. Blijkt de gemeente tot overmaat van ramp ook nog eens de poepzakjes uit de openbare ruimte te hebben verwijderd. Ook dat begrijp ik wel. Geen plastic zakken in de supermarkt, dan ook geen plastic zakjes voor de uitwerpselen van al die kleine monsters. Het gevolg is dat ik overal op de stoep weer poep aantref. Hondenpoep is definitief terug in het straatbeeld. Net nu Corona mij de stoepen van Amsterdam opjaagt.

Opvallend zijn ook de vele nieuwe kleine bomen die overal in het straatbeeld verschijnen. Is dat omdat de lente nadert, dus dat het bomenplantseizoen is aangebroken? Eerdere jaren gebeurde dat niet. En ook zoveel ineens! In elke straat keren bomen terug die eerst waren gekapt. Oude stammen worden met zwaar materieel eerst uit de grond getrokken. Daarna verschijnen de vrachtwagens met de ingesnoerde bomen. Hier op de kade bijvoorbeeld wordt het arboretum van Berlage opnieuw aangevuld met zeldzame soorten, waaronder schitterende exemplaren van Japanse sierkers. Waar hebben we al dit moois aan verdiend? Ik zag een subsidie aanplant nieuwe bomen 2020-2022, maar die is het niet. Toen viel mijn oog op een bericht van 19 november 2020. Daarin meldde stadszender AT5 dat de gemeente Amsterdam heeft besloten de achterstand in het herplanten van bomen in drie jaar tijd in te lopen. In eerste instantie worden 1500 bomen terug geplant. Daarvan komen er 406 in Zuid, 459 in Nieuw-West, 231 in Oost. Aansluitend zullen er nog eens acht- tot tienduizend bomen volgen. Dank aan de wethouder Groen van de SP, Laurens Ivens, die tot deze radicale vergroening heeft besloten! Voor elke nieuwe puppie is er nu een boom om tegen aan te plassen.

 

Gaasperdammertunnel en zo

On 28 februari 2021, in infrastructuur, by Zef Hemel

De zondagmorgen begon met mist. We spraken af om met zijn auto de Gaasperdammertunnel te verkennen. We wilden wel eens zien wat de VVD met ons belastinggeld heeft gedaan. Ons verkiezingsonderzoek betrof de tunnelbak van drie kilometer die de regering dwars door Amsterdam Zuidoost heeft gelegd. Eigenlijk gaat het om vijf tunnels, waarvan drie over de volle lengte van drie kilometer en twee met een onderbreking ter hoogte van de Gooiseweg strak naast elkaar zijn gelegd. Deze zogenoemde ‘kamelenvariant’ kostte liefst 900 miljoen euro: 700 miljoen plus 200 miljoen extra voor brandwerende platen. Elf rijstroken over een lengte van drie kilometer, dat is ruim 27 miljoen euro per kilometer rijstrook. In 2012 adviseerde het CPB het toenmalige kabinet om ervan af te zien. De verkeersprognoses vielen danig tegen. Twee jaar later besloot minister Schultz van Haegen (VVD) om toch door te zetten. Onlangs opende haar opvolgster – opnieuw VVD – het enorme tunnelcomplex. Zondagmorgen reden we door elk van de vijf tunnels die stuk voor stuk compleet waren uitgestorven. Onderweg vrijwel geen auto’s. Het oogde luguber.

Destijds was ‘Randstad Urgent’ de aanleiding voor veel politiek gesteggel. Randstad Urgent was een ambitieus infrastructuurprogramma van de toenmalige minister Eurlings (CDA). Die zei haast te hebben en wilde tempo maken. Al dat bestuurlijke overleg, het schoot niet op. In het pakket nieuw asfalt was ook een rechtstreekse verbinding A6-A9 opgenomen om Almere beter te ontsluiten. De PvdA in Almere wilde een iconische brug over het IJmeer. Daar had de VVD-minister geen zin in. In het programma SLAA werden diverse varianten bekeken. De goedkoopste schampte het Naardermeer en ook het Gein. Toen daartegen protesten kwamen, besloot SLAA tot een variant waarbij de bestaande snelwegen tussen Almere en Schiphol werden verbreed, zeg maar verdubbeld. Zo kwam de ondertunneling van de Gaasperdammerweg in beeld. En ook de verbreding van de A9 dwars door het Amsterdame Bos. Totaalkosten: 4 miljard euro. De hele oost- en zuidkant van Amsterdam blijkt nu geasfalteerd over een lengte van 45 kilometer. De asfaltvlakte is gemiddeld tien rijstroken breed (inclusief wisselstrook). De vijf tunnelbakken met wanden van beton doen Chinees aan. O ja, in het Amsterdamse Bos zijn ruim 4.000 bomen gekapt. Daar wordt nog aan het asfalt gewerkt. Rond Parijs of Londen vind je zoiets niet, zelfs niet rond Shanghai of Beijing. Ik merkte dat ik zat te janken in de auto.

 

Woningnood? Kooplust!

On 8 februari 2021, in vastgoed, wonen, by Zef Hemel

En daar was Zillow met zijn 2020 Urban Report. Zillow is een digitale marktplaats voor vastgoed, sinds 2006 gevestigd in Seattle. Het bedrijf beheert data van meer dan 110 miljoen woningen in de Verenigde Staten. Regelmatig publiceert ze overzichten. En u weet, de woningmarkt is een trage markt. Van snel even iets bouwen is geen sprake. Het jaar 2020, aldus Zillow, was buitengewoon. Er werd volop in woningen gehandeld, veel verkocht, veel verhuisd. Het gemiddelde prijsniveau steeg skyhigh. Het verhaal dat in het begin van de pandemie de ronde deed – dat woningen op het platteland meer in trek zouden zijn dan in de steden – blijkt helemaal niet te kloppen. Wel stegen voor het eerst in lange tijd weer de prijzen op het platteland en in de suburbs door een algemene honger van kooplustige woonconsumenten. En alleen op het eind van de zomer was heel even de belangstelling voor het buiten wonen groter dan die voor het wonen in de grote stad, maar dat was dus van korte duur. Want op het eind van 2020 steeg de waarde van woningen in de grootstedelijke gebieden alweer sneller dan in het buitengebied.

Er waren twee uitzonderingen. Op de bizar dure woningmarkten van San Francisco en New York stegen in de suburbs de prijzen sneller dan in de grootstedelijke kerngebieden. Stijging van het woningaanbod maakte daar geen verschil. Maar voor de rest van de VS was met name vanaf augustus sprake van een zeer snelle groei van de woningwaarde zowel in de steden als daarbuiten. Die stijging leek zelfs in lijn met de extreem snelle waardegroei van vlak voor de pandemie. Welbeschouwd is het een tamelijk krankzinnige situatie. Mensen kopen huizen alsof het zoete broodjes zijn en zijn kennelijk bereid daarvoor idiote bedragen te betalen. Zijn het vooral beleggers? Deels zullen de lage rentestand en allerlei fiscale voordeeltjes de oorzaken zijn, maar misschien is digitalisering van de woningmarkten de hoofdschuldige. Het is immers kinderlijk eenvoudig geworden om een huis op internet te bekijken en te kopen. Gedurende de lockdown surft iedereen tussen de bedrijven door naar Funda of Zillow alsof het prijsschieten is. Jeff Tucker van Zillow viel het ook op: mensen in New York en Los Angeles surften als gekken op de website naar huizen in Boise, Phoenix en Atlanta. Kies je droomhuis, klik en koop! Het is net als met het toerisme. Ook dat groeide voor de pandemie tegen de klippen op dankzij Booking, Expedia en Airbnb. Aannemelijk?

 

Afgelopen week vergaderde de Amsterdamse gemeenteraad over de toekomst van de binnenstad. Opnieuw ging het over toeristen, drugs en prostitutie. Geen woord over de UvA. Het is een achterhoedegevecht. Ab Flipse van de VU stuurde me een exemplaar van ‘De universitaire campus’, een bundel artikelen van historici over de ruimtelijke transformaties van de Nederlandse universiteiten na 1945. Dat van Peter Jan Knegtmans gaat over de Universiteit van Amsterdam. Die wijkt af van alle andere. Terwijl na 1950 alle universiteiten in Nederland grootschalige nieuwbouwplannen ontwikkelden voor campussen buiten de stad, bleef de UvA als enige de binnenstad trouw. Ze nam genoegen met oude gebouwen waaraan al decennia niets was gebeurd, en dat terwijl de universiteit onstuimig groeide. Niet dat ze zich er volledig bij neerlegde. De financiering van de panden was nu eenmaal in handen van het rijk en die trof pas in 1958 met Amsterdam een regeling, waarbij de gemeente overigens nog financieel moest bijspringen ook. De jaloerse burgemeester Van Hall gaf daarop stadsbouwmeester Nielsen de opdracht een ambitieus plan voor de universiteit ín de binnenstad te ontwikkelen, passend in de nieuwe grootstedelijke structuurvisie met de nieuwe lobbenstructuur en met het verbindende metrostelsel. Dat Amsterdam halsstarrig vasthield aan de oude, vervallen binnenstad, kan de rijksoverheid nooit leuk hebben gevonden.

Nielsen maakte een gedurfd ontwerp voor een compleet nieuwe universiteitscampus in het historische wallengebied bij de Oudemanhuispoort (1965). Vrijwel alle gebouwen tussen Rokin en Kloveniersburgwal zouden worden gesloopt, inclusief Hotel de L’ Europe en het Doelencomplex. Aan de Grimburgwal verrees zelfs een toren van 55 meter hoogte. Omdat er op dat moment een prijsvraag liep voor de bouw van een nieuw stadhuis, kreeg de UvA het oude complex aan de Oudezijds Voorburgwal van de gemeente cadeau; ook het hoofdgebouw van vertrekkende DNB aan de Oude Turfmarkt maakte deel uit van de bruidsschat. Daarna begon een bestuurlijke impasse die precies dertig jaar zou voortduren en die pas eindigde in 1995, toen het rijk het gebouweneigendom overdroeg aan de universiteiten. Al die tijd bleef de UvA de Amsterdamse binnenstad trouw. Overal had ze panden gehuurd of tijdelijk gekocht. Binnenkort komt aan die noodsituatie een einde wanneer de geesteswetenschappen terugkeren op het Binnengasthuisterrein. Dus na zestig jaar stug volhouden, als Amsterdam 750 jaar bestaat, beschikt de Amsterdamse binnenstad eindelijk over een schitterende binnenstedelijke campus met een nieuwe UB. Knegtmans: “De Universiteit van Amsterdam, die graag een stadsuniversiteit wil zijn, heeft hiermee gekozen voor een universiteit die midden in het stedelijke leven staat.” Natuurlijk moet dat worden gevierd. Dus, in plaats van zich blind te staren op die paar ramen en coffeeshops, zou de gemeenteraad zich beter kunnen richten op de grootste werkgever in haar historische centrum, wiens aanwezigheid door eerdere generaties zwaar is bevochten en die de binnenstadsfunctie nieuwe betekenis geeft.

 

Eerst testen!

On 28 december 2020, in boeken, gezondheid, by Zef Hemel

Martin Arrowsmith is hoofdpersoon in een van de romans van Sinclair Lewis. Ik las ‘Arrowsmith’ (1925) bij toeval met de kerst. Een toepasselijker boek kon ik mij achteraf niet wensen. Ik doel op de pandemie en het vaccin. Arrowsmith studeert geneeskunde en voelt zich aangetrokken tot het laboratorium. Zijn grote leermeester is de uit Duitsland gevluchte geleerde Max Gottlieb, die hem inwijdt in de wetenschap. Gottlieb is streng. Zijn finest hour lijkt aan te breken als er een virus rondwaart op de eilanden van St. Hubertus. Mensen sterven bij de vleet. Het door Martin ontwikkelde vaccin komt als geroepen. Maar Arrowsmith is voorzichtig, zijn vaccin is nog onvoldoende getest. Weliswaar reist hij in gezelschap naar de eilanden, maar alleen om testen uit te voeren opdat hij wetenschappelijk betrouwbare uitspraken kan doen. Maar niemand zit op zijn prudentie te wachten. Daarvoor is de nood te hoog, en zijn directe omgeving snakt naar het succes en de roem. Op de eilanden verliest hij zijn vrouw en zijn beste collega’s, die allemaal aan het virus overlijden. Gebroken keert hij huiswaarts. Daar besluit hij zijn carrière af te breken en naar de bergen van Vermont te trekken, waar hij met een vriend proeven gaat doen op muizen. Zuivere wetenschap. Ach arme.

De carrière van Arrowsmith als dokter en onderzoeker begint op het platteland van Dakota nadat hij is afgestudeerd aan de universiteit van Zenith, Winnemac. Stad en staat blijken door Lewis verzonnen. Winnemac, las ik ergens, staat voor “the standardized chain-store state of the midwest”. Geen wonder dat hij er ongelukkig is, net als zijn leermeester Gottlieb, wiens talenten niet worden gezien. Op het platteland van Dakota is het al niet beter. Zijn kansen keren als hij Gottlieb opzoekt in New York, waar men hem een onderzoeksplaats aanbiedt op een privaat gefinancierd laboratorium. Geld speelt geen rol, de concurrentie is moordend, zijn salaris schiet omhoog, hij kan carrière maken, hij mag onderzoek doen met apen, maar als het virus uitbreekt wil zijn manager liefst roem te vergaren. Arrowsmith blijft trouw aan zijn principes. Hij gelooft in echte wetenschap. Succes vindt hij vergankelijk. Zelfs als een nieuwe miljonairsvrouw zich aandient, zwicht hij niet. Hij neemt ontslag, verlaat New York en voegt zich bij zijn vriend Terry Wicket in Vermont. Dat zeg ik, honderd jaar na verschijnen van dit boek is de situatie in de wereld niet wezenlijk veranderd. Lezen dat boek, voordat u zich laat vaccineren.

Tagged with:
 

Vluchten naar New York

On 25 december 2020, in migratie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Ze belde me op vanuit New York. Ze schrijft voor NRC Handelsblad. Ze wilde me interviewen over de vermeende vlucht naar het platteland. ‘Wat doe jij dan in New York?’, vroeg ik haar aan het eind van het interview. Daarop vertelde ze me dat ze vlak voor de lockdown naar de Big Apple was verhuisd, maar ook dat ze zich nu vertwijfeld afvroeg of ze daar wel wijs aan had gedaan. Vandaar het interview met mij en vandaar het artikel. Nee, van weggaan was echt geen sprake, haar vriend studeert in New York. Maar jongens, wat was het leven duur hier. Als ze geen werk had gehad en haar vriend geen studieplek bemachtigd, dan hadden ze nooit in New York kunnen leven. Waarop ik vroeg hoe ze vanuit de Amerikaanse Oostkust voor een Nederlandse krant kon schrijven. Corona, antwoordde ze, heeft alles veranderd. Op afstand werken is voor de redactie nu echt geen probleem meer. Zelfs wonen in New York behoort tot de mogelijkheden. Haar nog te verschijnen artikel zal dan ook gaan over de voordelen en kansen van op afstand werken, en niet zozeer een in Nederland veronderstelde en omarmde vlucht naar het platteland. Die plattelandsromantiek sprak haar niet aan.

Vluchten van de Hollandse polder naar New York in tijden van Corona. Die mogelijkheid had ik nog niet in het vizier. Ineens schoot me het mooie essay van Arnon Grunberg te binnen, die op 31 oktober in datzelfde NRC Handelsblad over zijn pogingen om Amerikaan te worden had geschreven. “Het paspoort moet nog arriveren, de ceremonie moet nog plaatsvinden, het laatste examen moet nog worden afgelegd, maar alles is in werking gesteld.” Hij woont al tientallen jaren in New York. Amerikaans staatsburger wordt hij uitgerekend nu, in deze ‘perverse tijd’. Hij moest het iedereen keer op keer uitleggen. Nee, met Corona had het niets te maken. En als we het er toch over hebben: Woody Allen heeft zijn geloof in New York allerminst verloren. Bij de première van ‘Rifkin’s Festival’ zei hij tegen een journalist (2 december 2020): “Aan deze afgrijselijke tijd komt ook weer een einde. Er komt een vaccin. De meeste mensen die nu uit New York zijn vertrokken komen weer terug. Of er komen nieuwe mensen voor in de plaats. Er zijn nu eenmaal altijd mensen die in een grote stad móeten leven, die nergens anders kunnen aarden, omdat hun emotionele ritme alleen past bij een grote stad.” Hij was zelf zo iemand. “New York zal altijd een geweldig kosmopolitisch centrum blijven, net zoals Londen, Rome en Parijs.” Een mooie kerstgedachte. Die jonge journaliste en haar vriend, Arnon Grunberg, Woody Allen en al die anderen kon ik alleen maar benijden.

 

Los Angeles als voorbeeld

On 17 december 2020, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Wie herinnert zich nog de blauwe, schone luchten en de weldadige stilte tijdens de eerste lockdown in het vroege voorjaar van 2020? Alle auto- en vliegverkeer kwam in één klap tot stilstand. Mensen wandelden en fietsten buiten. Wekenlang voelde het rustig en rook het schoon in de stad. Je hoorde de vogels weer fluiten. Dat is tijdens deze tweede lockdown beslist niet het geval. Sterker, auto’s en motoren zijn aan de winnende hand; de luchtvervuiling is weer terug op het oude niveau. Ondertussen kampt het Nederlandse openbaar vervoer met de ernstigste terugslag in jaren en het is de vraag of dit er zonder hulp van rijkszijde ooit weer bovenop komt. Ook Nederland kiest op dit moment massaal voor de auto, want die is veiliger. De minister van infrastructuur doet er nog een schepje bovenop en werkt aan wegverbredingen zoals die bij Amelisweerd. Als het waar is dat mensen menen dat ze ook na de pandemie op afstand kunnen gaan werken en dus hun biezen pakken en verhuizen naar het platteland, dan is elke vorm van transit-oriented development (bouwen bij stations) vergeefs geweest. De toch al sterk gespreide verstedelijking in de lage landen zal nóg verder uitdijen. Iedereen wordt straks veroordeeld tot de auto. Weg schone lucht.

In Los Angeles zagen ze dit gevaar al vroeg aankomen. Ik las erover in Planetizen (16 december), de website van de Amerikaanse vereniging van stadsplanners. De metropool aan de westkust van de Verenigde Staten bereidt zich voor op de Olympische Spelen van 2028. Bij die spelen hoort schone lucht, het IOC wil duurzaamheid. De autostad kan zich ook niet nog meer auto’s permitteren. Dus direct in het begin van de eerste lockdown smeedden de planners van de Los Angeles County Metropolitan Transportation Authority (Metro) al plannen voor versnelling van de investeringen in het openbaar vervoer. LA heeft na New York het grootste busnetwerk van alle steden in de Verenigde Staten; de stad werkt aan plannen voor nieuwe metroverbindingen en versterking van het buslijnennet, alles gericht op 2028. Daarbij wordt vooral gekeken naar de arme wijken en buurten waar mensen zich geen auto kunnen permitteren en waar goed openbaar vervoer vrijwel geheel ontbreekt. Juist de ongelijkheid wil men bestrijden. De hoop van de stadsplanners is gevestigd op de regering Biden. Die belooft, anders dan de vertrekkende president, belangrijke investeringen in publieke diensten en infrastructuur. Zou Nederland – met evenveel inwoners als Los Angeles – geen voorbeeld aan LA moeten nemen en ambitieuze plannen moeten maken voor omvattende investeringen in openbaar vervoer, te beginnen in de grote steden, en binnen die grote steden in de arme wijken in de eerste plaats? Is er een politieke partij die dit in haar programma heeft staan?