Woonprotest

On 13 september 2021, in stadsvernieuwing, wonen, by Zef Hemel

Hij had zich sterk gemaakt voor het behoud van de Amstelburg en daarmee een verkeersdoorbraak en de sloop van woningen in de Ruyschstraat voorkomen. Een boek over brug 101 duwde hij me trots in handen. En zij, zij was destijds kraker van de Blaaskop geweest en herinnerde zich nog goed hoe het omver getrokken standbeeld van Wibaut bij het verslepen snerpend schuurde over het asfalt van de Wibautstraat. Het oprichten van het geschonden beeld voor de gevel van de Blaaskop, moest ik begrijpen, was niet tegen wethouder Wibaut gericht, maar tegen de PvdA. En hij, hij was destijds projectmanager van de gemeente geweest, jong en onervaren, maar wel verantwoordelijk voor de ontruiming van het kraakpand. Volkomen klem had hij gezeten tussen de krakers en zijn ambtelijke bazen. Maar steun kreeg hij van wethouder Schaefer, die koos voor de benadering van onderop van de jonge projectleider en die diens leidinggevenden de mond snoerde. Ze waren er die zaterdagmiddag allemaal bij, bij de opening van de kleine maar mooie tentoonstelling over de stadsvernieuwing van de Oosterparkbuurt op het Iepenplein, gemaakt door Geheugen van Oost. Ik zou er spreken en nam de ontruiming van de Blaaskop als beginpunt. Door de verhalen van de buurtbewoners na afloop waande ik me weer veertig jaar terug in de tijd.

De andere spreker was Jef Reintjes. Reintjes, afkomstig uit Limburg, was destijds betrokken geweest bij de Amsterdamse stadsvernieuwing. Als beginnend architect bij een van de woningcorporaties had hij ruim 100 woningen in de Oosterparkbuurt ontworpen. Hij bewonderde het werk van architecten als Van Herk, De Ley en Van den Bout. Net als zij sprak hij met de bewoners en vroeg hen wat ze wilden. Ook veertig jaar na dato had hij hun wensenlijstje nog paraat: ramen die zicht gaven op de straat, een keuken waar je kon eten, een ruime wc, een zolder waar de kinderen konden spelen, een eigen opgang en, niet onbelangrijk, een straatbeeld dat geen huisnummers nodig had voor het bezoek om zich te oriënteren. Rijntjes probeerde met al hun wensen rekening te houden. Op een paar woningen na staan ze er nog allemaal. Op straat sprak ik een jonge vrouw die net in de buurt was komen wonen. Ze vertelde me hoe ontzettend blij ze was met haar kleine woning. Een opbouwwerkster van destijds drukte me op het hart: de protesten van de buurtbewoners waren vooral gericht geweest tegen gedwongen verhuizing; door de stadsvernieuwing werden sociale verbanden uit elkaar geslagen, maar bewoners bleven het liefste bij elkaar. En de projectleider zei me dat hij spijt had dat er alleen maar aan woningen was gedacht, niet aan bedrijfsruimten. Door zijn opmerking schoot het me te binnen dat mijn bakker in de plint zit van het pand dat later op de plek van de Blaaskop werd gebouwd. De slag om de Blaaskop heeft uiteindelijk toch tot goede dingen geleid. De dag na de opening vond het grote Woonprotest plaats op de Dam in Amsterdam.

 

Visie zonder visie

On 8 september 2021, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Komt er een minister van ruimtelijke ordening? Wie het recente formatiestuk van Rutte en Kaag (document op hoofdlijnen) leest weet het zeker: die komt er niet. Het accent ligt op wonen en wie de passage over wonen leest maakt daaruit op dat het niet meer dan een staatssecretaris wordt. Maar de noodzaak van een bewindspersoon voor ruimtelijke ordening lijkt mij evident. Lees maar eens ‘Van woorden naar daden: over de governance van de ruimtelijke ordening’, verschenen in april 2021. Dat betreft een Interdepartementaal beleidsonderzoek, een IBO. Centrale vraag in dat IBO is in hoeverre de huidige governance binnen de ruimtelijke ordening effectief is om te komen tot integrale keuzes en een adequate uitvoering en welke aanpassingen nodig zijn om die effectiviteit te vergroten. Het staat er erg omfloerst, maar wie goed leest maakt eruit op dat het in het landelijk gebied van likmevestje is. Alleen de verstedelijkingsstrategieën in zeven stedelijke gebieden waar het Rijk zich zijdelings mee bemoeit onder de vlag van ‘samen optrekken’ bieden hoop. Daar ontbreekt alleen het geld. En een oplossing voor de woningcrisis bieden ze zeker niet: daarvoor gaat het allemaal te traag. Ik zou zeggen, hier is een krachtige bewindspersoon noodzakelijk plus een onderraad van de ministerraad.

Een interessante vaststelling in het IBO is deze: de komende (en opnieuw uitgestelde) Omgevingswet legt onverminderd de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bij de gemeenten, maar de nationale Omgevingsvisie straalt wèl regie uit, althans de ambitie daartoe. Maar die visie blijkt helemaal geen visie te zijn. “De beleidskeuzes in de NOVI zijn op een hoog abstractieniveau geformuleerd en zijn niet concreet ruimtelijk vertaald in een toekomstige kaart van Nederland. Zo bezien is de NOVI zelf niet een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland maar zet de NOVI vooral een route uit om tot een dergelijke visie te komen.” Deze zwakte lijkt mij cruciaal. Vergeet alle andere 26 aanbevelingen en richt je niet teveel op het ontbrekende geld, maar zorg eerst dat er een goede visie komt. Want dat de ruimtelijke ordening in Nederland stelselmatig is afgebroken en weer van de grond af zal moeten worden opgebouwd is duidelijk. Alleen een sterke visie op rijksniveau gaat daarvoor zorgen. Maar een staatssecretaris voor wonen gaat straks echt geen toekomstvisie op Nederland maken. Die gaat woningbouwlocaties aanwijzen. Boeren uitkopen en inruilen voor woningen, heel pragmatisch. Ik ben er dus allerminst gerust op.

 

Grote Vriendelijke Reus

On 5 september 2021, in boeken, regionale planning, sociaal, wetenschap, by Zef Hemel

Laten we dicht bij huis blijven en niets over het hoofd zien. Onlangs verscheen ‘Thuis is….’, een boek over Groot-Amsterdam. Je zou het zo maar op de stapel ongelezen kunnen leggen, maar doe het niet. Ga het lezen. Afzender is Stad Forum, een onafhankelijke denktank die de gemeente Amsterdam adviseert over stedelijke ontwikkeling. In een vierjarig programma onderzoekt ze de langetermijnopgaven van Groot-Amsterdam “en legt die langs de meetlat van de menselijke maat.” Ze begon in 2019. ‘Thuis is….’ is de zesde publicatie en het is de grootste en meest serieuze tot nu toe. Het is een zwart vierkant boek dat aan de buitenkant zacht aanvoelt, maar dat met enkele verontrustende woorden op de achterflap is uitgerust: ‘verkenners, thuisvoelen, onder druk, appèl’. Tijs van den Boomen, Lotje van den Dungen, Marissa Klaver, Nordin Lasfar en Ivan Nio gingen op onderzoek uit. De invalshoek: het gevoel van geborgenheid. Voelen mensen zich thuis in Groot-Amsterdam? De auteurs gingen kijken in Uithoorn, Beverwijk, Almere-Poort, Hilversum en Purmerend en concludeerden: jazeker, de mensen voelen zich thuis, misschien in Almere-Poort nog het minst, maar ja, daar is alles nieuw. En dan de boodschap: in deze vredige metropool moeten de komende jaren wel 175.000 woningen worden bijgebouwd.

Stop niet met lezen. De vijf expedities worden voorafgegaan door een uitgebreide sociologische beschouwing over thuisvoelen. Die maakt het boek pas echt de moeite waard. Ivan Nio zet hier vijf sociologische theorieën op een rij en dat is erg verhelderend. Hij noemt thuisvoelen, terecht, een glibberig begrip. En dan de epiloog: “Het denken over de toekomst van de stad is aan modes onderhevig. Tot voor kort was netwerkstad het sleutelbegrip, het ging om bereikbaarheid en daily urban systems, om polycentrische fragmentatie en ijle zones. Je hoort het woord steeds minder, nu zijn thuis en buurt dominant en gaat het om bottom-up, lokaal en circulair.” Amsterdam doopte recentelijk zijn omgevingsvisie zelfs ‘De menselijke metropool’ – dat is iets als de Grote Vriendelijke Reus. Maar woorden maken het monster niet kleinschalig, waarschuwt Nio. Kijk uit dat je de werkelijkheid van de netwerkstad niet uit het oog verliest.

 

Homo Lulu

On 11 augustus 2021, in cultuur, stedenbouw, technologie, toerisme, by Zef Hemel

Toch nog even iets over VPRO’s Zomergasten. De aflevering met rijksbouwmeester Floris Alkemade op 18 juli bevatte een interessant fragment van een documentaire uit 1962 waarin de kunstenaar Constant Nieuwenhuys zijn ideeën rond Nieuw Babylon ontvouwde. We zagen abstracte beelden van maquettes van een imaginaire kosmopolitische stad van de vrijheid waaraan Nieuwenhuys vijftien jaar werkte. Zijn redenering was: in een tijdperk van ruimtevaart en technologie zou de mensheid ongekende vrijheid krijgen. Machines en robots zouden zijn werk overnemen. Mensen gingen spelen, werden creatief. Maar de stedenbouwer, klaagde hij, denkt alleen aan huizen bouwen en aan snelverkeer. Hij vergeet de mens, de vrijheid, de stad als collectieve levensruimte. In de documentaire zien we eerst Nieuwenhuys over het Waterlooplein struinen, stratenmakers bekijken, een vishandel passeren, een glazenwasser ontwijken. Allemaal harde werkers. Onmiskenbaar is dit Amsterdam. Alles oogt volks, afgeleefd en sjofel, ik ruik De Pijp. Wat wil je? Het is 1962. Daarna richt de camera zich op de glanzende maquettes van Nieuw Babylon. Het blijken modernistische, veelal zwevende, van staal en glas gemaakte sculpturen. Prachtig, daar niet van. Maar ze contrasteren met de bestaande stad. Gebrek bij mij aan verbeeldingskracht? Nieuwenhuys, gezwollen: “Niet op planmatigheid, maar op desoriëntatie berust de stad. Het gaat om een voortdurende verstoring van de bestaande orde.”

Alkemade prijst de kunstenaar Nieuwenhuys en zijn grote verbeeldingskracht. Gewone mensen missen dat vermogen. Die schuwen verandering. Die weten niet wat ze willen. Wat jammer is dat. Stel u voor, een wereld waarin we niet meer hoeven te werken. Ik zit op het puntje van mijn stoel om keihard naar de buis te roepen: de toeristen, laten we het over de toeristen hebben! Toeristen zijn immers mensen die tijdelijk niet hoeven te werken. Steeds meer vakantie krijgen we, meer vrije tijd. Dankzij de robots. En wat doen we? We gaan massaal naar de Wallen in de oude binnenstad van Amsterdam! De spelende mens houdt van oude meuk, rommeligheid en gezelligheid en van pretparken, noem het gerust desoriëntatie. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk sprak bij de opening van de Vrijstaat Amsterdam in 2009 over Homo Lulu (Homo Ludens Luxurius) als de belangrijkste bouwheer van de toekomst. En wat doet interviewer Janine Abbring? Die begint over 1 miljoen nieuwe woningen bouwen. En Alkemade gaat braaf met haar mee, als een degelijke stedenbouwer uit de twintigste eeuw. Zo eentje waarvoor Nieuwenhuys zijn neus ophaalde. Wat een gemiste kans! En dat voor open doel! En toen moest de avond nog beginnen.

 

Een appèl aan de verbeelding

On 19 juli 2021, in kunst, by Zef Hemel

Over verbeelding gesproken. Op weg naar de 3D-geprinte brug van Joris Laarman over de Oudezijds Achterburgwal (een laat voorproefje van Constant’s Nieuw Babylon?) liep ik langs het voormalige stadhuis van Amsterdam. Het stadhuis is nu een chic hotel. Ineens stond ik in restaurant Bridges oog in oog met Karel Appel’s ‘Vragende kinderen’. Het restaurant was weliswaar gesloten, maar ik wilde de grote muurschildering van Appel even bekijken. Hij was er nog, mooier dan ooit. De wandschildering dateert van april 1949, toen de ruimte de koffiekamer was van het imposante stadhuis. Daar zaten in december 1949 de wethouders bij te komen van het raadsdebat over de begroting van 1950, waar ze bekend hadden gemaakt de wandschildering van Appel over te laten schilderen. Ze dronken juist een kopje koffie. Daarop was een jongeman in een afgedragen Engelse regenjas de koffiekamer binnengestapt, “die hun ostentatief de rug toekeerde om zich als een geïnteresseerde museumbezoeker in Appels wandschildering te verdiepen.” Midden voor het schilderij staande “trad hij geleidelijk aan axiaal achterwaarts, bij elke stap minutenlang pauzerend, tot hij zich tussen hun hoefijzervormig opgestelde tafels bevond.” Ik citeer hier de Vlaamse architectuurhistoricus Francis Strauven in zijn meesterlijke biografie van de architect Aldo van Eyck. Let op wat er vervolgens gebeurde.

Strauven: “Toen de wethouders acht op hem begonnen te slaan keerde hij zich om, keek hen een voor een strak in de ogen om daarna, geheel in de lijn van de dadaïstische traditie, energiek en bij herhaling zijn tong naar hen uit te steken.” De jongeman in de regenjas was de 31-jarige Aldo van Eyck, die op dat moment ambtenaar bij de Afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente was. Zijn wethouder heette In ‘t Veld, die hem onmiddellijk herkende. Die sommeerde hem op te stappen en rukte aan zijn arm. Maar niet Van Eyck viel tegen de vloer, maar de wethouder. Daarop ontstond tumult. Waarna Van Eyck terugtrad en bij de uitgang bij de trap, op de voet gevolgd door de andere wethouders, “in een geladen betoog zijn protest tegen hun beslissing te kennen gaf.” De ‘Vragende kinderen’, vond hij, moest blijven. Zijn verweer schreef hij in een fel en kernachtig manifest dat hij medio januari 1950 naar het gemeentebestuur zond. Het heette ‘Een appèl aan de verbeelding’. Dat zouden alle politici eens moeten lezen. Ambtenaren hingen daarop een wit doek voor de wandschildering. Datzelfde jaar nog vertrokken Appel, Constant en Corneille, naar Parijs. Van Eyck zwaaide ze uit. Het witte doek verdween later geruisloos. De muurschildering bleek gered.

 

Mystic Truths

On 15 juli 2021, in kunst, planningtheorie, by Zef Hemel

Waarom zouden planologen de tentoonstelling over het werk van de Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman (1941) moeten zien? Ik ben zeker twee keer in het Stedelijk Museum geweest om een antwoord op die vraag te kunnen formuleren. Van Nauman zijn in Amsterdam tot en met 24 oktober 2021 circa veertig werken te zien die hij sinds de jaren zestig maakte, variërend van Going Around the Corner Piece with Live and Taped Monitors (1970) tot Walks In Walks Out (2015), van Washing Hands Abnormal (1996) tot Setting a Good Corner (2000). Het duurt even voordat je als bezoeker greep krijgt op het werk, maar dat heeft goede redenen: Nauman’s werk is zeer divers, eenvoudig maar ongrijpbaar, en treedt overal buiten de perken van de traditionele kunst. Zijn motto is ‘The True Artist Helps the World by Revealing Mystic Truths’ (1967). En dat lijkt ironisch, want het motto verwijst naar de dodelijke ernst van de twintigste eeuwse avant garde. Zelf merkte hij erover op: “It was a kind of test – like when you say something out loud to see if you believe it. Once written down, I could see that the statement (…) was on the one hand a totally silly idea and yet, on the other hand, I believed it. It’s true and not true at the same time.”

Ambiguïteit is wat alle werk van Nauman kenmerkt. Juist dat maakt wat deze kunstenaar heeft gemaakt zo spannend en intrigerend. Voor planologen schuilt hierin de eerste les, want het planologische werk kenmerkt zich door even grote ambiguïteit. Die houdt verband met de grote mate van onzekerheid waarmee je als planner dagelijks moet dealen. Niets staat vast, alles verandert voortdurend. Geloof in wat je doet, maar blijf relativeren. Generaal Eisenhower zei het al: ‘plans are nothing, planning is everything’. Wat dan helpt is het hebben van een goed idee. Dat is de tweede les van Nauman: blijf net zolang zoeken tot je een goed idee hebt en ga niet eerder beginnen met de uitvoering. Die uitvoering kan van alles zijn. Bij Nauman is het film, neon, installaties, sculpturen, materiaal dat hij toevallig aantreft in zijn atelier. En dat is les drie: alles is er al. Met wat je vindt ga je iets nieuws beginnen: kijk dus goed om je heen; planning is een kwestie van samenstellen. Les vier: de tijd is alles, alles kost tijd. Neem dus echt de tijd voor wat je moet doen. Les vijf: het uitvoeren vergt aandacht en uithoudingsvermogen, maar het idee staat voorop. Mensen zullen de betekenis ervan herkennen. Voor planners geldt: leg niet teveel vast, schrijf niet alles voor. Vertrouw op je visie, want als die goed is zullen mensen die vroeger of later herkennen.

 

Bos ipv parkeerplaats

On 11 juli 2021, in duurzaamheid, gezondheid, by Zef Hemel

Hoe bereiden we onze steden voor op klimaatverandering? Terwijl sommigen in Nederland onmiddellijk denken aan het stoppen met bouwen van woningen in diep gelegen polders (Zuidplaspolder, Haarlemmermeer, Flevoland), komt The Economist van 3 juli 2021 met een geheel andere oplossing: twee artikelen gaan over het aanleggen van ultrakleine stadsbossen. Aanleiding is het bestrijden van hitte-eilanden, die in steden vanwege de vele bestratingen, platte daken en betonconstructies gevaarlijk, zelfs levensbedreigend kunnen zijn, met duizenden doden tot gevolg. In het ene artikel fungeren de Indiase steden New Delhi en Chennia als voorbeeld. In ‘A tale of two cities’ is de miljoenenstad Chennai de eerste die door opwarming wordt bedreigd: daar loopt de temperatuur op tot hoogtes vergelijkbaar met Delhi, maar de luchtvochtigheid is er veel hoger, waardoor mensen eerder – al bij een temperatuur van 36 C – het loodje leggen. Bij een recente hittegolf stierven 17.642 mensen in de stad. Nu al dreigt Chennai onleefbaar te worden. Wat daar volgens The Economist moet gebeuren is bomen aanplanten, veel bomen, snel, en snelgroeiend.

Het tweede artikel gaat over de kleine bossen die op dit moment in Azië in veel grote steden worden aangelegd en die vernoemd zijn naar de Japanse ecoloog Miyawaki Akita (90). Miyawaki ontdekte dat heel verschillende boomsoorten, dicht op elkaar geplant en kriskras gemengd, in korte tijd tot een gezond bos kunnen uitgroeien. Zulke kleine ruige bossen bestaande uit circa 100 inheemse planten blijken zich zelfs 14 procent sneller te kunnen ontwikkelen dan traditionele bossen. Temperaturen in de stad kunnen hierdoor liefst vijf graden dalen, bovendien houden de bossen het water vast, maken de bodem rul, trekken vogels en vlinders aan, vergroten de biodiversiteit. In een bijzin noemt The Economist Nederland een van de landen waar zulke ‘tiny forests’ volgens de Miyawaki methode de steden binnendringen. De eerste, las ik in Trouw (6 april 2018), verscheen in Zaanstad, dat was in december 2015. Inmiddels zijn er in ons land 108 tiny forests aangelegd. Kijk maar op de website van IVN natuur educatie. De meeste bossen zijn niet groter dan een tennisveld, maar mensen schatten ze veel groter in. Aanleg kost circa 10.000 euro – dat is even duur als een gemeenteplantsoen. Parkeerplaatsen kun je in een handomdraai omtoveren in een bos. De methode kun je downloaden van de website van Afforestt, het bedrijf van Shubhendu Sharma, de ingenieur die de methode naar India en later ook naar Nederland bracht. ‘Tiny Forests’ zijn onderhoudsarme, ecologisch rijke stadsbossen die onze steden gezonder, leefbaarder en koeler maken. Iedereen kan ermee aan de slag. Waar wacht u nog op?

 

Wetteloze jungle

On 2 juli 2021, in film, by Zef Hemel

Taxi Driver (1976) van Martin Scorsese zag ik pas afgelopen week voor het eerst. In 1976 studeerde ik en was ik kennelijk te druk met andere dingen. Het is een fantastische film. Misschien is het zien van de jonge Robert DeNiro anno 2021 nog wel leuker dan vijfenveertig jaar geleden. Hoofdpersoon is overigens New York. Die stad is volledig uitgewoond, failliet verklaard en kun je feitelijk opvegen. Travis Bickle is een anti-held; hij is juist teruggekeerd van het front in Vietnam en kan niet slapen. Hij zoekt een baantje als taxichauffeur. Eerst denk je nog dat hij de held is, maar dat is hij dus niet. Hij is volkomen getraumatiseerd geraakt in een volkomen zinloze oorlog. Naar wat hij als marinier in Vietnam precies heeft meegemaakt moeten we overigens gissen, maar hij projecteert het op New York. New York is voor hem de jungle. Nachtenlang rijdt hij door de metropool en zelfs daarna kan hij de slaap niet vatten. Hij blijkt er niet meer tegen te kunnen, tegen het vuil, de mensen, de drugs, de prostitutie. Er is een politicus die op straat campagne voert, maar zijn beloftes en slogans lijken volkomen hol en ongeloofwaardig. (Deze Palantine en zijn staf lijken eerder weggelopen uit een dwaas programma van Wim T. Schippers). Eerst prijst hij Palantine als deze toevallig in zijn auto stapt, maar even later besluit hij hem dood te schieten. Beveiligers krijgen hem echter in de gaten. Daarop zoekt hij een andere prooi. Hij wil iets doen. Iets concreets. Een pooier en zijn handlangers.

Travis, de ex-soldaat, wil beginnen met het schoonmaken van New York. Hij wil de held van de film zijn, niet de stad. De stad is ziek. Zijn New York ziet hij als een wetteloze jungle, vol onrecht dat hij niet kan verdragen. Wat een schitterend thema en wat geweldig uitgewerkt in verrukkellijke nachtelijke beelden, ondersteund door fantastische muziek. New York als één groot Red Light District, vergeven van de prostitutie, drugs en criminaliteit. Zoals bekend is dit New York tevens de geboortegrond van Donald Trump, die met zijn vastgoedinvesteringen destijds even concreet wilde bijdragen aan het schoonmaken van de Big Apple. Trump moet in 1976 even oud zijn geweest als Travis Bickle. Van die hele haveloze toestand is vijfenveertig jaar later trouwens niets meer over. New York is aangeharkt, behoort zelfs tot de duurste steden op aarde. Maar niet dankzij Travis Bickle of door toedoen van Donald Trump en ook niet door straf optreden van zijn vriend burgemeester Giuliani (!). Dat moet Martin Scorsese goed hebben begrepen. Ga er niet aan beginnen. Laat het Red Light District voor wat het is. Het verdwijnt vanzelf. Kijk op Netflix naar de gesprekken die hij voert met Fran Lebowitz in ‘Pretend it’s a City’. Stuk voor stuk zijn ze een ode aan New York, aan de stad die zichzelf telkens opnieuw uitvindt. De metropool is de ware held.

Tagged with:
 

Serieuze woningmarkt

On 1 juli 2021, in wonen, by Zef Hemel

Het is een zootje op de woningmarkt. Collega Hochstenbach heeft het er maar druk mee. Afgelopen zaterdag een stuk van hem in de krant, deze maand gaf hij een interview in De Blauwe Kamer. Veel boosheid en ongemak. Ondertussen lees ik in de Amsterdamse Uitkrant van zomer 2021 leuke interviews met jonge stedelingen die huizen hebben gekocht in de regio. ‘Corona zorgde ervoor dat we met gierende banden zijn vertrokken’. De Amsterdamse woningmarkt heet overspannen, dus zorgden het virus en het thuiswerken ervoor dat er een ware trek naar de periferie op gang is gekomen, vooral naar plaatsen met goede treinverbindingen: Zaandam, Krommenie, Castricum, Weesp, Abcoude, Bussum. De Uitkrant concludeert: “Groot-Amsterdam is ook een serieuze woningmarkt geworden nu mensen een heel andere visie hebben gekregen op afstanden en werken.” Serieuze woningmarkt?! Visie? Ja, Amsterdammers gaan volgens de krant steeds meer op expats lijken. Die zoeken net zo makkelijk een woning in Zoetermeer of Utrecht terwijl ze in Amsterdam werken. Ook architect Daan Roggeveen, gewend aan werken in China, bepleit daarom het denken over de Randstad als één grote metropool. De metropool als excuus, of: hoe een virus en een overspannen woningmarkt een Randstad baarden. We eten infrastructuur en spugen koolstofdioxide.

Nee, dan Amerika. In Wolf Street las ik een artikel (29 juni 2021) over de krankzinnige huizenprijzenstijgingen sinds 2000 die daar plaatsvinden. Gemeten werd de aankoopprijs, die vergeleken werd met de eerdere transactie voor hetzelfde pand. De allergrootste bubbel kent Los Angeles: prijzen voor een woning zijn daar in twintig jaar met 239% gestegen! In San Diego zijn ze met 231% gestegen, in Seattle met 225%, in San Francisco met 218%, in Portland met 184%. De recente woningmarktbubbel in Miami overtreft zelfs die van 2005-2007, die in de financiële crisis van 2008 genadeloos werd afgestraft. Alleen New York blijft steken op het krankzinnige hoge prijsniveau van net voor 2018, vlak voordat Corona toesloeg. Het commentaar bij al die statistieken is ultrakort: het is ‘insane’, een ‘raging mania’, ‘holy moly’! Het staat er niet, maar de conclusie kan niet anders zijn dan dat dit helemaal fout gaat. Amsterdam, pardon de Randstad gaat ze achterna. Al die duur gekochte huizen staan straks lelijk onder water. Ik wens al die jonge stedelingen in de provincie veel geluk toe. Veroordeeld tot de overvolle trein naar het werk, of vermoedelijk kiezen ze toch de auto; hun huis raken ze niet meer kwijt. Eindelijk een serieuze woningmarkt.

 

Echoput

On 24 juni 2021, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Grappige kop: ‘Nederland is nog lang niet af’. Hij prijkte boven een interview met de gepensioneerde landschapsarchitect Han Lörzing in de Volkskrant van zaterdag 29 mei 2021 naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwste boek (‘Een land waarover is nagedacht’). De kop deed voorkomen alsof iemand beweerd zou hebben dat Nederland ‘af’ is. Dat was in 1973 misschien het geval, toen de Amsterdamse tandarts tevens kunstenaar Max Reneman en zijn vriend Jasper Grootveld zich afvroegen of Nederland bijna klaar was. Maar ons wacht juist een bouwgolf van jewelste! Een miljoen nieuwe woningen erbij! En veel nieuwe bedrijventerreinen! Brrrrrr! Overigens wisten Reneman en Grootveld wel beter. Ze haatten de ordentelijkheid van Nederland en keken neer op de vaderlandse planologen die naar hun smaak bij uitstek de vertegenwoordigers waren van de ‘deskundigenmaatschappij’ die in ‘ongenietbare’ rapporten ‘in duisternis gedompelde oplossingen’ verzonnen voor ‘zwaarmoedige problemen’ als het bouwen van 1 miljoen huizen in Almere, Lelystad, Alkmaar, Purmerend en de Bijlmer. Op hun tiendaagse veldtocht per solex door Nederland onderzochten ze het vreemde land dat volgens Reneman zichzelf als een kunstwerk beschouwde. Hun bestemming: de echoput in de buurt van Lunteren. Komt daar vijftig jaar later ene Han Lörzing zonder ironie in de krant vertellen dat het tijd is voor eerherstel van zijn vakgebied – de ruimtelijke ordening.

Allemachtig! Een lelijke foto van een Bijlmerflat ontsierde het uitgesponnen krantenartikel. Dit keer was de fotograaf op de grond gaan liggen om het grofvuil bij de vuilcontainer in de Amsterdamse buitenwijk op de voorgrond te plaatsen. Met moeite had hij nog een betonnen flatgebouw kunnen vinden, want de meeste zijn allang afgebroken. Waarom terug naar de kapotgeschreven Bijlmer en waarom nogmaals tappen uit een leeg vat? Onder de foto stond: ‘De Bijlmer in Amsterdam moest arbeiders helpen aan een riante flatwoning in een groene omgeving, maar de menselijke maat werd uit het oog verloren, zegt planoloog Lörzing.” Kan het fantasielozer? Ernaast had de redactie als contrast een foto van een aantal twee-onder-één-kappers in het Utrechtse Leidsche Rijn afgedrukt. Op de voorgrond zwom een witte zwaan in een verder saaie sloot. Lörzing bleek hierover wèl tevreden. Wat een cliché! Wat een open deur! En wat een onzin! Trouwens, het hele interview hangt van de clichés aan elkaar ( ‘Als de jaren zestig het hoogtepunt waren: wat was het dieptepunt?’), al moet ik zeggen dat de rondgang door het ontruimde gebouw van het Ministerie van VROM – “alsof het geëvacueerd was na een bomalarm” – in het begin van het artikel mij wel aansprak. Lörzing: “Hier werd de ruimtelijke ordening, ooit een van de vlaggenschepen van het Nederlandse beleid, ten grave gedragen.” Als bewijs dat mijn vakgebied al vijftig jaar morsdood is heb ik het interview uitgeknipt en ergens opgeborgen zodanig dat degenen die na mijn dood mijn huis komen leegruimen het met moeite zullen kunnen terugvinden. Nu het boek nog lezen. Dat zal toch wel beter zijn?