Auto triomfator

On 16 oktober 2021, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Fietstocht gemaakt over de A2. Bij Maastricht ligt de autosnelweg sinds 2018 in een lange, twee verdiepingen tellende verkeerstunnel. Daarmee is een einde gekomen aan ‘de Berlijnse Muur’ die de zuidelijke stad decennialang in tweeën splitste. Met stedenbouwkundige Jake Wiersma fietsten we – ik en een aantal vervoersplanologen – over de zogenoemde ´’groene loper’, die tegenwoordig slingerend het tracé volgt en in noordelijke richting zelfs het omringende landschap in duikt. Ronduit schitterend is het. Het kostbare project lijkt een duurzame oplossing, maar Wiersma wilde daar wel iets op afdingen. De ondertunneling is van rijkswege gepaard gegaan met een stevige wegverbreding. Maastricht wordt daardoor na opening geteisterd door veel meer autoverkeer. Op alle toevoerwegen naar de stad is het nu dringen geblazen, van blik wel te verstaan. Dagjesmensen houden het openbaar vervoer zelfs voor gezien en toeren vrolijk met hun automobiel richting de binnenstad. Ook Maastrichtenaren gebruiken veel vaker de auto. Het autoprobleem is door de aanleg van de brede tunnel op veel plaatsen alleen maar toegenomen.

We verdiepten ons in het probleem van een krimpende regio als Zuid-Limburg, waar de bebouwing in een zeer lage dichtheid gespreid is over het landschap en dat door zijn meerkernigheid een enorme, groeiende mobiliteitshonger opwekt. Overal in Europa is sprake van een dergelijke situatie. De automobiliteit blijft verder groeien; duurzaam is het allerminst. Wiersma vertelde dat op de kaart van Nederland eigenlijk alleen Amsterdam nog condities heeft die gunstig zijn voor openbaar vervoer; overal elders is de auto aan de winnende hand. Want polynucleaire patronen zijn dominant geworden en die vormen een doodsteek voor goed, hoogfrequent openbaar vervoer. Zijn onderzoek naar autoafhankelijkheid in Nederland leek hem aanvankelijk nog optimistisch te stemmen, maar nu moest hij erkennen dat dit niet zo was. Nederlanders gebruiken steeds vaker de auto. Op onze fietstocht bereikten we de landgoederen buiten Maastricht; we waren nog niet in het groen, of we stuitten op een reusachtig parkeerterrein: een Park + Ride voor forensen en dagjesmensen. En ‘s avonds op de terugweg hoorde ik de filemeldingen. Het fileleed is groter dan ooit.

 

Bogotá vijf jaar later

On 14 oktober 2021, in duurzaamheid, regionale planning, by Zef Hemel

Bogotá, Colombia, is een stad van ruim zeven miljoen inwoners. Sinds gisteren heeft ze een nieuw masterplan. Burgemeester Claudia Lopez presenteerde ons het nieuwe P.O.T. (Plan de Ordenamiento Territorial) niet zonder trots in een liefst vier uur durende Zoom-verbinding. Daar was het ochtend, hier was het avond. Lopez, van huis uit journalist, is burgemeester namens de Green Party sinds oktober 2019. Daarmee is ze de eerste vrouwelijke burgemeester. Haar snel groeiende stad heeft ze knap door de pandemie geleid, en ondertussen maakte ze ook nog een uitstekend structuurplan. Daarin staan duurzaamheid, emancipatie en inclusie centraal. Ook met het openbaar vervoer heeft ze grote plannen, terwijl vooral fietsinfrastructuur de dichtbebouwde metropool straks adem moet geven. Alles refereert aan de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. En dat terwijl de Colombiaanse metropool verder zal groeien naar misschien wel veertien miljoen zielen. Van het resultaat was ik diep onder de indruk. Samen met vakgenoten uit Parijs, San Jose en Lima was ik gevraagd op de hoofdlijnen uit het plan te reageren, dat overigens door de gemeenteraad nog moet worden vastgesteld.

Chief Planner María Mercedes Jaramillo vertelde hoe ze bij de voorbereiding op alle mogelijke manieren de bevolking had geraadpleegd. Zo’n aanpak van onderop was nieuw. In dat verband verwees ze naar de lezing die ik in november 2016 in Bogotá had gegeven over open planning en hoe de Vrijstaat Amsterdam aan de latere structuurvisie Amsterdam 2040 had bijgedragen. Destijds was ik uitgenodigd geweest door de werkgeversvereniging van Colombia, die vaart wilde maken met een geordende planning van de snel groeiende metropool. Tijdens dat congres hadden Jaramillo en ik elkaar leren kennen. Nu, vijf jaar later en na een politieke wisseling van de wacht, was het dan eindelijk zo ver en vroeg ze me naar het resultaat te kijken. Niet alleen is haar plan technisch state-of-the-art, het blijkt ook regionaal en in alle opzichten sterk waardegedreven. We spraken erover, want zoiets verbaasde me eigenlijk niets. Wie samen met burgers plannen maakt vanaf het begin, volstaat niet met een technisch plan, maar doet wat burgers het liefste willen: duurzaamheid, inclusie, emancipatie, leefbaarheid. Helemaal op het eind van de sessie stelde ze me allerlei vragen. Zo wilde ze weten hoe het verder moest. Antwoord: de bevolking blijven activeren. Mensen zijn genereus en willen bijdragen. Wat daarvoor nodig is? Informaliteit en vertrouwen.

 

Tabula Scripta – een meesterwerk

On 11 oktober 2021, in duurzaamheid, ethiek, by Zef Hemel

Eindelijk een architectuurboek dat niet op een koffietafel past. In ‘Tabula Scripta. Rewriting Architecture 10+1 Actions’ moet door de lezer echt gelezen, gekeken en gestudeerd worden. Maar wie de moeite neemt wordt rijkelijk beloond. De redacteuren Floris Alkemade, Michiel van Iersel, Mark Minkjan en Jarrik Ouburg zijn alle verbonden geweest aan de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. Tabula Scripta was hun langjarige studieproject, een poging om op een andere manier naar architectuur te kijken. Het boek beschrijft elf acties om architectuur principieel in de context van een complexe wereld te beschouwen waarin al zoveel gebouwd is en ontwikkeld wordt. Wat kan architectuur dan nog bijdragen? Heel veel, aldus de samenstellers, maar anders dan wat op architectuuropleidingen studenten wordt geleerd. Begin bij wat er al is. Kijk vervolgens wat je kunt elimineren, continueren, verduisteren, anders samenstellen, van functie veranderen, verdichten, kopiëren, bedekken, herzien, opnieuw beginnen en: zie af, probeer je te onthouden. Elke actie wordt met een instructie toegelicht en verhelderd door associaties, illustere voorbeelden, eigen werk, interviews met kunstenaars, afstudeerprojecten. Inspiratie wordt gehaald uit de biologie, mode, kunst en psychiatrie. Dat maakt Tabula Scripta tot een uitzonderlijk rijk boek. Wie zich in alle 10+ 1 acties verdiept begint ‘het moeras van de bestaande fysieke omgeving’ te waarderen.

Het gevolg van deze andere manier van kijken is dat men na lezing bovenal bescheiden wordt. Bescheidenheid is trouwens wat alle stadsontwikkelaars zou sieren. En er wordt door architecten eindelijk weer aansluiting gezocht bij de grote sociale en ecologische kwesties. Dat was hard nodig. Zoals Jarrik Ouburg terecht schrijft: “The social position of architects remains precarious it they react too eagerly to an economy-driven demand and act less on behalf of the general and cultural interest.” Te lang hebben architecten zich als hoofdzakelijk op winst beluste ondernemers opgesteld, hangend naar internationale roem en eer, op jacht naar lucratieve opdrachten in Azië, daarbij geholpen door stimuleringsfondsen en Nederlandse ambassades. Maar het is geen gemakkelijke weg die de redacteuren van Tabula Scripta hebben uitgestippeld; hij vraagt betrokkenheid, creativiteit, een brede blik en bijzondere intelligentie. Actie elf is wat dat betreft sprekend: “How can we preserve or reveal qualities by refusing to act?” Door af te zien van bouwen zou de architect het moeilijkste en pijnlijkste doen wat voor hem denkbaar is. Maar in de meeste gevallen zou het zegenrijk zijn. Niet-materialistische waarden zouden weer een kans krijgen. “If the act of building creates desires, the lack of any could liberate us.

 

Op de Wallen zullen ze het merken

On 9 oktober 2021, in infrastructuur, toerisme, by Zef Hemel

Het eerste uur ging over station Zuid. Pas daarna kwam ik te spreken over het toekomstige toerisme op en rond de Amsterdamse Zuidas. Ruim dertig studenten Geografie en Planologie van de Universiteit van Amsterdam – leden van studentenvereniging Sarphati – verzamelden zich dinsdagmorgen 5 oktober op de Amsterdamse Zuidas. Ze wilden mijn visie horen op het Amsterdamse zakencentrum en de rol die ik het kantorengebied had toebedacht in mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. Maar eerst moest ik honderdvijftig jaar ruzie met Den Haag over de plek van het hoofdstation in ‘s lands hoofdstad ophelderen. Hoofdingenieur Van Nifrik situeerde in 1866 het grote treinstation aan de zuidkant van de stad. Het Rijk ging hiermee echter niet akkoord; het verkoos een kunstmatig eiland in het IJ, aan de noordzijde, aansluitend bij de geprojecteerde havensporen, want dat was goedkoper. Ook al werd dit Centraal Station gebouwd, in het plan-Berlage (1915) en later in het Algemeen Uitbreidingsplan (1935) hield Amsterdam vast aan een station in Zuid, ditmaal als onderdeel van een te bouwen ceintuurbaan. Zelfs toen later, begin jaren ’70, de Schiphollijn werd geprojecteerd wilde de Rijksoverheid de eindhalte niet in Zuid leggen, maar op het Museumplein. Met grote tegenzin opende de minister pas in 1981 een kleine treinhalte tussen de voetbalvelden die lagen ingeklemd tussen Buitenveldert en de vooroorlogse stad. Het recente besluit om een groot hoofdstation op de Zuidas te bouwen mag daarom niet minder dan als een doorbraak worden gezien. Eindelijk kan Amsterdam de zuidkant van de metropool gaan ontwikkelen.

Wat het toerisme betreft, toonde ik de studenten de oude rechtbank op de Zuidas. Daar, tussen de Rietveld Academie en de hoofkantoren, komt straks een uniek museum voor allernieuwste moderne kunst. Kunstkopers uit heel Europa zullen per vliegtuig en hogesnelheidstrein op de Zuidas arriveren, hun eerste attractie opzoeken, en die ligt dan op loopafstand van het station. Ook dat is toerisme. Wie zich realiseert dat toeristen zich liefst te voet verplaatsen, moet alle wandelroutes van het toekomstige zuidstation naar het historische centrum verkennen. Daartoe liepen we vervolgens de Minerva-as af, door het plan Berlage met zijn prachtige Amsterdamse School-architectuur, en genoten van de monumentale entree die zich hier in al zijn vroeg-twintigste eeuwse pracht aan ons toonde. In de verte, aan het einde van de as, lag het Hilton Hotel. Vandaar was het nog maar vijfhonderd meter lopen naar het Museumplein, met zijn Van Gogh, Stedelijk en Rijksmuseum. Terug liepen we via de Beethovenstraat. Ook dat is een aantrekkelijke route – ditmaal met chique winkels – van het toekomstige hoofdstation naar het Museumplein. Hier opent binnenkort een dependance van het vermaarde Conservatorium. Wie slechts drie dagen heeft om Amsterdam te bezoeken zal zijn tijd straks moeten verdelen tussen Zuidas, Berlage Zuid en historische binnenstad. Op de Wallen zullen ze het merken.

 

Dikke pech

On 4 oktober 2021, in geschiedenis, ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gisteren een Israëlische filmploeg te woord gestaan over de geschiedenis van de Bijlmermeer. Hun documentaire zal gaan over de vliegramp met het ElAl-toestel, dat op 4 oktober 1992 de flat Groeneveen doorboorde. We spraken af in het Bijlmermuseum in Grubbehoeve. Al snel kwam de vraag ter tafel: hoe heeft het zo fout kunnen lopen met de Bijlmer? Waar moest ik beginnen? Bij het begin natuurlijk. Toen eind jaren veertig het inzicht groeide dat met de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935 niet kon worden volstaan, kwam het idee bij de gemeente Amsterdam op om richting zuidoost, op grondgebied van de gemeente Weesperkarspel, een nieuw stadslob te bouwen. Provincie en Rijk waren echter tegen. Niet dat ze de noodzaak niet zagen, maar ze gunden het socialistische Amsterdam zoiets niet. De zwakke buurgemeente moest het zelf doen. Meer dan twintig jaar bleven ze de hoofdstad dwarsbomen in zijn vaste voornemen. Ondertussen was woningnood ‘volksvijand nummer 1’. Dat verklaart mede het extreem utopische en rigide karakter van de Bijlmer als Amsterdamse antwoord op de vraag hoe de ‘stad van de toekomst’ er uit moest gaan zien. Maar het geeft ook aan hoe moeilijk het zou worden om die sociale ideaalstad later daadwerkelijk te bouwen. Want zonder medewerking van het Rijk gaat dat niet.

Daarnaast was er sprake van dikke pech. De eerste paal was nog niet geslagen, of er brak een oliecrisis uit. Die vormde de opmaat tot een zware economische crisis die liefst vijftien jaar zou aanhouden. Bezuiniging op bezuiniging volgde. Liften werden geschrapt, parkeergarages bleven uit, het winkelcentrum kwam later en de metro ging niet rijden. Het plan werd ‘tot op het bot’ uitgekleed, terwijl de huren stegen. Bewoners protesteerden. Er ontstond leegstand (de woningnood viel door de invallende crisis verrassend mee). Leegstaande flats – allemaal huur, dus sociaal – leidden tot vreemde, onbeheersbare situaties. Suriname werd onafhankelijk; er kwamen heel andere bewoners; later verscheen er heroïne op de markt; weer later ging de politie ingrijpen op de Zeedijk, waardoor de drugshandel met de pas geopende metro via halte Wibautstraat naar Ganzenhoef emigreerde. Ondertussen bouwde het Rijk Lelystad en Almere. Het was een keten van gebeurtenissen die niemand kon voorzien en die niemand kon beheersen. Tot overmaat van ramp boorde ten slotte een Boeing 747 zijn neus in de flat Groeneveen, in het hart van de Bijlmer. Tenminste 43 mensen kwamen om het leven. Het was het spontane begin van de afbraak van de hoogbouw die later zou volgen, (want stedenbouwkundigen gaven inmiddels de hoogbouw de schuld). Een paar flats werden door nota bene bewonersacties op het nippertje gered. In dit ‘beschermde stadsgezicht’, vlak bij ‘de boom die alles zag’, kwam ik de Israëlische filmploeg tegen. Kan het ironischer?

Tagged with:
 

Marxistisch alternatief

On 23 september 2021, in duurzaamheid, economie, participatie, stedenbouw, by Zef Hemel

De Chinezen noemen het ‘ecological civilization’. Het is een relatief nieuw ontwikkelingsmodel waarin duurzaamheid voorop staat en waarbij naast het economische ook het sociale en ecologische aspect veel aandacht krijgen. Ruimtelijk ligt de nadruk op stedelijke verdichting en hergebruik van het bestaande. De algehele kwaliteit van het stedelijk weefsel en leefbaarheid staan voorop, het platteland moet mooier. Niet langer zijn investeringen eenzijdig gericht op economie en infrastructuur. De nieuwe koers heet ‘people oriented’. Maar de vraag is of het in de praktijk ook zo werkt. De stedenbouwkundige Harry den Hartog, woonachtig te Shanghai, schreef erover in Urban Planning (2021, volume 6, nummer 3). In ‘Shanghai’s Regenerated Industrial Waterfronts: Urban Lab for Sustainable Transitions?’ onderzoekt hij de projecten langs de Huangpu Rivier in de Chinese megastad, speurend naar experimenten en innovaties die gericht zijn op duurzaamheid en leefbaarheid en die wegleiden van de heilloze weg van overproductie en overconsumptie. Grappig om te lezen, juist nu de Nederlandse discussie zich in omgekeerde richting beweegt. Bij ons gaat het om snel woningen bouwen voor een overspannen woningmarkt. Vastgoedontwikkeling is hier het dominante thema; het platteland wil nota bene weer groeien (De Groene Amsterdammer 16 september); grote beleggers en marktpartijen zijn bij ons in de lead. Alsof we in het China in het begin van de jaren tweeduizend zijn. Iets waar de Chinezen juist van terugkomen.

Ecologische beschaving (Sheng Tai Wen Ming) is een sociaal-technologische benadering die de Chinezen omschrijven als ‘een dynamisch evenwicht waarin mensen en natuur met elkaar interacteren en als geheel harmonisch functioneren’. Volgens Den Hartog zou het wortels hebben in Oosterse filosofie en wordt het door de huidige Chinese partijleiding opgevoerd als Marxistisch alternatief voor het verwoestende Westerse kapitalisme. Ook voor de Chinezen, gewend geraakt aan snelle groei, komt het neer op een radicale paradigmawisseling die de grote steden maar ook het platteland aan banden legt en die noodzaakt tot ingrijpende maatschappelijke hervormingen, ook economische. De autoriteiten hebben het over ‘schoonheid’ en ‘harmonie’, willen letterlijk straten en pleinen schoonvegen, informele markten moeten verdwijnen, op alle terreinen van de maatschappelijke ontwikkeling krijgt de staat meer greep, ruimtelijke ordening is weer helemaal terug en wordt beduidend strenger. Economische groei is in China niet langer heilig. En de bevolking? Voor het eerst experimenteren de Chinezen met participatie. Maar volgens Den Hartog is de lokale overheid nog altijd oppermachtig. Die bezit alle grond, van een ‘civil society’ is geen sprake. Ook al staat in de onderzochte projecten de leefbaarheid voorop, in Shanghai zoekt men tevergeefs naar burgers naar wie geluisterd wordt. Burgers dan niet opgevat als speculerende woonconsumenten, maar als mensen die een normaal, fatsoenlijk leven willen leiden en een dak boven hun hoofd willen. Het blijft iets wat een overheid niet kan.

 

Wazepergas

On 21 september 2021, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Over het Nationaal Holocaust Namenmonument in de Amsterdamse Weesperstraat is veel te doen geweest de afgelopen jaren. Deze week werd er een punt achter gezet, want zondag ging het eindelijk open. Op televisie zag ik de documentaire van Deborah van der Starre, ‘Lezecher’, met in de hoofdrol Jacques Grishaver, die zich al vanaf 2011 inspant om het monument gerealiseerd te krijgen. Zijn ‘lange strijd’ deed me denken aan de de fietstunnel onder het Rijksmuseum. Ook daarvan bestaat een prachtige documentaire. Verplichte kost voor mijn studenten, die op dit moment de Wibautstraat en Weesperstraat onderzoeken op planologische interventies. Dit is de casus: iemand wil een groot monument voor de Holocaust realiseren in de oude Jodenbuurt van Amsterdam en wendt zich tot de overheid. Hij heeft geen geld en geen grond, maar krijgt de wereldberoemde architect Daniel Libeskind aan zijn kant. Zijn verhaal is sterk. Ook al zijn er veel monumenten in de stad die de jodenvervolging herdenken, dit ene ontbreekt nog. De burgemeester besluit mee te werken. Aanvankelijk wil hij zijn droom in een openbaar plantsoen tegenover Artis verwezenlijken, maar de bewoners zijn tegen. Daarna zoekt hij zijn heil in het Wertheimplantsoen, maar ook daar vindt hij bewoners op zijn pad. Noem het beginnersfouten. Vervolgens begint de gemeente opnieuw, van voren af aan, met een nieuwe procedure. Ditmaal wordt er een inventarisatie gemaakt van alle mogelijke plekken. De persoon kiest in overleg met de burgemeester. Opnieuw blijkt het een plantsoen. Bewoners zijn opnieuw tegen.

Libeskind zegt zowel in de film als in de krant: dit is een sterk staaltje van ‘Nimby’: Not In My Backyard. En ook: deze mensen willen niet herinneren. Maar de bewoners verzetten zich alleen tegen het kappen van 24 bomen en zeggen dat ze geplaagd worden door het drukke autoverkeer op de Weesperstraat en dat ze de herrie en overlast beu zijn. Een bewoonster noemt de bomen belangrijk vanwege het fijnstof. De rechter moet eraan te pas komen, waardoor er jaren verloren gaan en de bouwkosten oplopen. Lees nu het stuk van Robert Vuijsje in Het Parool over de bakkerij van zijn overgrootouders die ooit op de plek van het namenmonument stond. Vuijsje: “Voordat na de oorlog alles werd afgebroken en geasfalteerd en volgeplempt met lelijke nieuwbouw was de Weesperstraat, in het Jiddisch ook wel Wazepergas genoemd, een smal straatje met aan beide kanten winkels.” De verkeersdoorbraak gebeurde op last van de gemeente nadat zijn overgrootouders, Isaac en Schoontje, waren opgepakt bij een razzia en vermoord in Sobibor en de gemeente na de oorlog autoverkeer dwars door de jodenbuurt naar de IJtunnel wilde dirigeren. Planologen trokken de autosnelweg en metro pal langs de voormalige bakkerswinkel van Vuijsje, maar precies bovenop het pand spaarden ze een klein plantsoen omdat de metrobuis daar rakelings langs kwam te lopen. Verderop projecteerden ze kantoren. Bedrijven werden uitgeplaatst, bewoners moesten vertrekken. Kijk maar op het Wederopbouwplan Oostelijke binnenstad van 1955. De 24 bomen staan keurig ingetekend, hun wortels reiken niet diep, want daaronder raast de metro. Vraag aan mijn studenten: heeft Libeskind gelijk en was dit Nimby? En wie maakte hier fouten?

 

Woonprotest

On 13 september 2021, in stadsvernieuwing, wonen, by Zef Hemel

Hij had zich sterk gemaakt voor het behoud van de Amstelburg en daarmee een verkeersdoorbraak en de sloop van woningen in de Ruyschstraat voorkomen. Een boek over brug 101 duwde hij me trots in handen. En zij, zij was destijds kraker van de Blaaskop geweest en herinnerde zich nog goed hoe het omver getrokken standbeeld van Wibaut bij het verslepen snerpend schuurde over het asfalt van de Wibautstraat. Het oprichten van het geschonden beeld voor de gevel van de Blaaskop, moest ik begrijpen, was niet tegen wethouder Wibaut gericht, maar tegen de PvdA. En hij, hij was destijds projectmanager van de gemeente geweest, jong en onervaren, maar wel verantwoordelijk voor de ontruiming van het kraakpand. Volkomen klem had hij gezeten tussen de krakers en zijn ambtelijke bazen. Maar steun kreeg hij van wethouder Schaefer, die koos voor de benadering van onderop van de jonge projectleider en die diens leidinggevenden de mond snoerde. Ze waren er die zaterdagmiddag allemaal bij, bij de opening van de kleine maar mooie tentoonstelling over de stadsvernieuwing van de Oosterparkbuurt op het Iepenplein, gemaakt door Geheugen van Oost. Ik zou er spreken en nam de ontruiming van de Blaaskop als beginpunt. Door de verhalen van de buurtbewoners na afloop waande ik me weer veertig jaar terug in de tijd.

De andere spreker was Jef Reintjes. Reintjes, afkomstig uit Limburg, was destijds betrokken geweest bij de Amsterdamse stadsvernieuwing. Als beginnend architect bij een van de woningcorporaties had hij ruim 100 woningen in de Oosterparkbuurt ontworpen. Hij bewonderde het werk van architecten als Van Herk, De Ley en Van den Bout. Net als zij sprak hij met de bewoners en vroeg hen wat ze wilden. Ook veertig jaar na dato had hij hun wensenlijstje nog paraat: ramen die zicht gaven op de straat, een keuken waar je kon eten, een ruime wc, een zolder waar de kinderen konden spelen, een eigen opgang en, niet onbelangrijk, een straatbeeld dat geen huisnummers nodig had voor het bezoek om zich te oriënteren. Rijntjes probeerde met al hun wensen rekening te houden. Op een paar woningen na staan ze er nog allemaal. Op straat sprak ik een jonge vrouw die net in de buurt was komen wonen. Ze vertelde me hoe ontzettend blij ze was met haar kleine woning. Een opbouwwerkster van destijds drukte me op het hart: de protesten van de buurtbewoners waren vooral gericht geweest tegen gedwongen verhuizing; door de stadsvernieuwing werden sociale verbanden uit elkaar geslagen, maar bewoners bleven het liefste bij elkaar. En de projectleider zei me dat hij spijt had dat er alleen maar aan woningen was gedacht, niet aan bedrijfsruimten. Door zijn opmerking schoot het me te binnen dat mijn bakker in de plint zit van het pand dat later op de plek van de Blaaskop werd gebouwd. De slag om de Blaaskop heeft uiteindelijk toch tot goede dingen geleid. De dag na de opening vond het grote Woonprotest plaats op de Dam in Amsterdam.

 

Visie zonder visie

On 8 september 2021, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Komt er een minister van ruimtelijke ordening? Wie het recente formatiestuk van Rutte en Kaag (document op hoofdlijnen) leest weet het zeker: die komt er niet. Het accent ligt op wonen en wie de passage over wonen leest maakt daaruit op dat het niet meer dan een staatssecretaris wordt. Maar de noodzaak van een bewindspersoon voor ruimtelijke ordening lijkt mij evident. Lees maar eens ‘Van woorden naar daden: over de governance van de ruimtelijke ordening’, verschenen in april 2021. Dat betreft een Interdepartementaal beleidsonderzoek, een IBO. Centrale vraag in dat IBO is in hoeverre de huidige governance binnen de ruimtelijke ordening effectief is om te komen tot integrale keuzes en een adequate uitvoering en welke aanpassingen nodig zijn om die effectiviteit te vergroten. Het staat er erg omfloerst, maar wie goed leest maakt eruit op dat het in het landelijk gebied van likmevestje is. Alleen de verstedelijkingsstrategieën in zeven stedelijke gebieden waar het Rijk zich zijdelings mee bemoeit onder de vlag van ‘samen optrekken’ bieden hoop. Daar ontbreekt alleen het geld. En een oplossing voor de woningcrisis bieden ze zeker niet: daarvoor gaat het allemaal te traag. Ik zou zeggen, hier is een krachtige bewindspersoon noodzakelijk plus een onderraad van de ministerraad.

Een interessante vaststelling in het IBO is deze: de komende (en opnieuw uitgestelde) Omgevingswet legt onverminderd de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bij de gemeenten, maar de nationale Omgevingsvisie straalt wèl regie uit, althans de ambitie daartoe. Maar die visie blijkt helemaal geen visie te zijn. “De beleidskeuzes in de NOVI zijn op een hoog abstractieniveau geformuleerd en zijn niet concreet ruimtelijk vertaald in een toekomstige kaart van Nederland. Zo bezien is de NOVI zelf niet een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland maar zet de NOVI vooral een route uit om tot een dergelijke visie te komen.” Deze zwakte lijkt mij cruciaal. Vergeet alle andere 26 aanbevelingen en richt je niet teveel op het ontbrekende geld, maar zorg eerst dat er een goede visie komt. Want dat de ruimtelijke ordening in Nederland stelselmatig is afgebroken en weer van de grond af zal moeten worden opgebouwd is duidelijk. Alleen een sterke visie op rijksniveau gaat daarvoor zorgen. Maar een staatssecretaris voor wonen gaat straks echt geen toekomstvisie op Nederland maken. Die gaat woningbouwlocaties aanwijzen. Boeren uitkopen en inruilen voor woningen, heel pragmatisch. Ik ben er dus allerminst gerust op.

 

Grote Vriendelijke Reus

On 5 september 2021, in boeken, regionale planning, sociaal, wetenschap, by Zef Hemel

Laten we dicht bij huis blijven en niets over het hoofd zien. Onlangs verscheen ‘Thuis is….’, een boek over Groot-Amsterdam. Je zou het zo maar op de stapel ongelezen kunnen leggen, maar doe het niet. Ga het lezen. Afzender is Stad Forum, een onafhankelijke denktank die de gemeente Amsterdam adviseert over stedelijke ontwikkeling. In een vierjarig programma onderzoekt ze de langetermijnopgaven van Groot-Amsterdam “en legt die langs de meetlat van de menselijke maat.” Ze begon in 2019. ‘Thuis is….’ is de zesde publicatie en het is de grootste en meest serieuze tot nu toe. Het is een zwart vierkant boek dat aan de buitenkant zacht aanvoelt, maar dat met enkele verontrustende woorden op de achterflap is uitgerust: ‘verkenners, thuisvoelen, onder druk, appèl’. Tijs van den Boomen, Lotje van den Dungen, Marissa Klaver, Nordin Lasfar en Ivan Nio gingen op onderzoek uit. De invalshoek: het gevoel van geborgenheid. Voelen mensen zich thuis in Groot-Amsterdam? De auteurs gingen kijken in Uithoorn, Beverwijk, Almere-Poort, Hilversum en Purmerend en concludeerden: jazeker, de mensen voelen zich thuis, misschien in Almere-Poort nog het minst, maar ja, daar is alles nieuw. En dan de boodschap: in deze vredige metropool moeten de komende jaren wel 175.000 woningen worden bijgebouwd.

Stop niet met lezen. De vijf expedities worden voorafgegaan door een uitgebreide sociologische beschouwing over thuisvoelen. Die maakt het boek pas echt de moeite waard. Ivan Nio zet hier vijf sociologische theorieën op een rij en dat is erg verhelderend. Hij noemt thuisvoelen, terecht, een glibberig begrip. En dan de epiloog: “Het denken over de toekomst van de stad is aan modes onderhevig. Tot voor kort was netwerkstad het sleutelbegrip, het ging om bereikbaarheid en daily urban systems, om polycentrische fragmentatie en ijle zones. Je hoort het woord steeds minder, nu zijn thuis en buurt dominant en gaat het om bottom-up, lokaal en circulair.” Amsterdam doopte recentelijk zijn omgevingsvisie zelfs ‘De menselijke metropool’ – dat is iets als de Grote Vriendelijke Reus. Maar woorden maken het monster niet kleinschalig, waarschuwt Nio. Kijk uit dat je de werkelijkheid van de netwerkstad niet uit het oog verliest.