Eerst testen!

On 28 december 2020, in boeken, gezondheid, by Zef Hemel

Martin Arrowsmith is hoofdpersoon in een van de romans van Sinclair Lewis. Ik las ‘Arrowsmith’ (1925) bij toeval met de kerst. Een toepasselijker boek kon ik mij achteraf niet wensen. Ik doel op de pandemie en het vaccin. Arrowsmith studeert geneeskunde en voelt zich aangetrokken tot het laboratorium. Zijn grote leermeester is de uit Duitsland gevluchte geleerde Max Gottlieb, die hem inwijdt in de wetenschap. Gottlieb is streng. Zijn finest hour lijkt aan te breken als er een virus rondwaart op de eilanden van St. Hubertus. Mensen sterven bij de vleet. Het door Martin ontwikkelde vaccin komt als geroepen. Maar Arrowsmith is voorzichtig, zijn vaccin is nog onvoldoende getest. Weliswaar reist hij in gezelschap naar de eilanden, maar alleen om testen uit te voeren opdat hij wetenschappelijk betrouwbare uitspraken kan doen. Maar niemand zit op zijn prudentie te wachten. Daarvoor is de nood te hoog, en zijn directe omgeving snakt naar het succes en de roem. Op de eilanden verliest hij zijn vrouw en zijn beste collega’s, die allemaal aan het virus overlijden. Gebroken keert hij huiswaarts. Daar besluit hij zijn carrière af te breken en naar de bergen van Vermont te trekken, waar hij met een vriend proeven gaat doen op muizen. Zuivere wetenschap. Ach arme.

De carrière van Arrowsmith als dokter en onderzoeker begint op het platteland van Dakota nadat hij is afgestudeerd aan de universiteit van Zenith, Winnemac. Stad en staat blijken door Lewis verzonnen. Winnemac, las ik ergens, staat voor “the standardized chain-store state of the midwest”. Geen wonder dat hij er ongelukkig is, net als zijn leermeester Gottlieb, wiens talenten niet worden gezien. Op het platteland van Dakota is het al niet beter. Zijn kansen keren als hij Gottlieb opzoekt in New York, waar men hem een onderzoeksplaats aanbiedt op een privaat gefinancierd laboratorium. Geld speelt geen rol, de concurrentie is moordend, zijn salaris schiet omhoog, hij kan carrière maken, hij mag onderzoek doen met apen, maar als het virus uitbreekt wil zijn manager liefst roem te vergaren. Arrowsmith blijft trouw aan zijn principes. Hij gelooft in echte wetenschap. Succes vindt hij vergankelijk. Zelfs als een nieuwe miljonairsvrouw zich aandient, zwicht hij niet. Hij neemt ontslag, verlaat New York en voegt zich bij zijn vriend Terry Wicket in Vermont. Dat zeg ik, honderd jaar na verschijnen van dit boek is de situatie in de wereld niet wezenlijk veranderd. Lezen dat boek, voordat u zich laat vaccineren.

Tagged with:
 

Vluchten naar New York

On 25 december 2020, in migratie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Ze belde me op vanuit New York. Ze schrijft voor NRC Handelsblad. Ze wilde me interviewen over de vermeende vlucht naar het platteland. ‘Wat doe jij dan in New York?’, vroeg ik haar aan het eind van het interview. Daarop vertelde ze me dat ze vlak voor de lockdown naar de Big Apple was verhuisd, maar ook dat ze zich nu vertwijfeld afvroeg of ze daar wel wijs aan had gedaan. Vandaar het interview met mij en vandaar het artikel. Nee, van weggaan was echt geen sprake, haar vriend studeert in New York. Maar jongens, wat was het leven duur hier. Als ze geen werk had gehad en haar vriend geen studieplek bemachtigd, dan hadden ze nooit in New York kunnen leven. Waarop ik vroeg hoe ze vanuit de Amerikaanse Oostkust voor een Nederlandse krant kon schrijven. Corona, antwoordde ze, heeft alles veranderd. Op afstand werken is voor de redactie nu echt geen probleem meer. Zelfs wonen in New York behoort tot de mogelijkheden. Haar nog te verschijnen artikel zal dan ook gaan over de voordelen en kansen van op afstand werken, en niet zozeer een in Nederland veronderstelde en omarmde vlucht naar het platteland. Die plattelandsromantiek sprak haar niet aan.

Vluchten van de Hollandse polder naar New York in tijden van Corona. Die mogelijkheid had ik nog niet in het vizier. Ineens schoot me het mooie essay van Arnon Grunberg te binnen, die op 31 oktober in datzelfde NRC Handelsblad over zijn pogingen om Amerikaan te worden had geschreven. “Het paspoort moet nog arriveren, de ceremonie moet nog plaatsvinden, het laatste examen moet nog worden afgelegd, maar alles is in werking gesteld.” Hij woont al tientallen jaren in New York. Amerikaans staatsburger wordt hij uitgerekend nu, in deze ‘perverse tijd’. Hij moest het iedereen keer op keer uitleggen. Nee, met Corona had het niets te maken. En als we het er toch over hebben: Woody Allen heeft zijn geloof in New York allerminst verloren. Bij de première van ‘Rifkin’s Festival’ zei hij tegen een journalist (2 december 2020): “Aan deze afgrijselijke tijd komt ook weer een einde. Er komt een vaccin. De meeste mensen die nu uit New York zijn vertrokken komen weer terug. Of er komen nieuwe mensen voor in de plaats. Er zijn nu eenmaal altijd mensen die in een grote stad móeten leven, die nergens anders kunnen aarden, omdat hun emotionele ritme alleen past bij een grote stad.” Hij was zelf zo iemand. “New York zal altijd een geweldig kosmopolitisch centrum blijven, net zoals Londen, Rome en Parijs.” Een mooie kerstgedachte. Die jonge journaliste en haar vriend, Arnon Grunberg, Woody Allen en al die anderen kon ik alleen maar benijden.

 

Los Angeles als voorbeeld

On 17 december 2020, in duurzaamheid, infrastructuur, by Zef Hemel

Wie herinnert zich nog de blauwe, schone luchten en de weldadige stilte tijdens de eerste lockdown in het vroege voorjaar van 2020? Alle auto- en vliegverkeer kwam in één klap tot stilstand. Mensen wandelden en fietsten buiten. Wekenlang voelde het rustig en rook het schoon in de stad. Je hoorde de vogels weer fluiten. Dat is tijdens deze tweede lockdown beslist niet het geval. Sterker, auto’s en motoren zijn aan de winnende hand; de luchtvervuiling is weer terug op het oude niveau. Ondertussen kampt het Nederlandse openbaar vervoer met de ernstigste terugslag in jaren en het is de vraag of dit er zonder hulp van rijkszijde ooit weer bovenop komt. Ook Nederland kiest op dit moment massaal voor de auto, want die is veiliger. De minister van infrastructuur doet er nog een schepje bovenop en werkt aan wegverbredingen zoals die bij Amelisweerd. Als het waar is dat mensen menen dat ze ook na de pandemie op afstand kunnen gaan werken en dus hun biezen pakken en verhuizen naar het platteland, dan is elke vorm van transit-oriented development (bouwen bij stations) vergeefs geweest. De toch al sterk gespreide verstedelijking in de lage landen zal nóg verder uitdijen. Iedereen wordt straks veroordeeld tot de auto. Weg schone lucht.

In Los Angeles zagen ze dit gevaar al vroeg aankomen. Ik las erover in Planetizen (16 december), de website van de Amerikaanse vereniging van stadsplanners. De metropool aan de westkust van de Verenigde Staten bereidt zich voor op de Olympische Spelen van 2028. Bij die spelen hoort schone lucht, het IOC wil duurzaamheid. De autostad kan zich ook niet nog meer auto’s permitteren. Dus direct in het begin van de eerste lockdown smeedden de planners van de Los Angeles County Metropolitan Transportation Authority (Metro) al plannen voor versnelling van de investeringen in het openbaar vervoer. LA heeft na New York het grootste busnetwerk van alle steden in de Verenigde Staten; de stad werkt aan plannen voor nieuwe metroverbindingen en versterking van het buslijnennet, alles gericht op 2028. Daarbij wordt vooral gekeken naar de arme wijken en buurten waar mensen zich geen auto kunnen permitteren en waar goed openbaar vervoer vrijwel geheel ontbreekt. Juist de ongelijkheid wil men bestrijden. De hoop van de stadsplanners is gevestigd op de regering Biden. Die belooft, anders dan de vertrekkende president, belangrijke investeringen in publieke diensten en infrastructuur. Zou Nederland – met evenveel inwoners als Los Angeles – geen voorbeeld aan LA moeten nemen en ambitieuze plannen moeten maken voor omvattende investeringen in openbaar vervoer, te beginnen in de grote steden, en binnen die grote steden in de arme wijken in de eerste plaats? Is er een politieke partij die dit in haar programma heeft staan?

 

Afboeken geblazen

On 10 december 2020, in economie, by Zef Hemel

Onlangs verscheen een nieuw rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over de toestand in de Nederlandse binnensteden. In ‘Veerkracht op de proef gesteld’ (2020) wordt vijf jaar na het verschijnen van ‘De veerkrachtige binnenstad’ (2015) de thermometer opnieuw in een groot aantal binnensteden gestoken. Aanleiding is Covid-19 en de grote impact die deze heeft op bezoekersstromen. Winkels en horeca zijn al maanden gesloten. Wat gaat dit op termijn voor de binnensteden betekenen? Hier is het antwoord: de eerder gesignaleerde trends zetten door. De winkelleegstand neemt verder toe, wonen komt ervoor in de plaats, de binnensteden passen zich aan, er is sprake van ‘veerkracht’. De geschatte effecten van Corona zijn, opmerkelijk genoeg, al even weinig verrassend: er zal een nivellering plaatsvinden tussen zwakke en perifere centra als ene uiterste en bruisende centra in sterke regio’s als andere uiterste. De hardste klappen zullen vallen in de binnenstad van Amsterdam. Daar was 40 tot 45 procent van de bezoekers in de drukste winkelstraten in de periode vlak voor de pandemie van buitenlandse origine. Kennelijk is de professionele inschatting dat de toeristen niet zo snel terug zullen keren.

Wat me opvalt in het hele rapport, dat als verwacht opnieuw gedegen is, is dat er zo sterk de nadruk wordt gelegd op vastgoed en beleggingen. Alsof het fenomeen van de Nederlandse binnensteden hoofdzakelijk een vastgoedportefeuille betreft, die kan worden afgezet tegen vastgoedportefeuilles elders, in buitenwijken en langs snelwegen. De auteurs zijn ook niet zomaar experts; het betreft vooral kenners van winkelpanden en vastgoedbeleggingen. Het rapport kwam tot stand in nauwe samenwerking met Locatus, marktleider op het gebied van retail-informatie, en het werd gemaakt op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken. Vijf jaar geleden werd zo’n rapport niet met zulke financiële accenten samengesteld. Toen lag de nadruk op bereikbaarheid, leefbaarheid, diversiteit, potentie en betekenis van binnensteden. Nu gaat het, oneerbiedig gezegd, alleen nog over het vullen van leegstaande panden met horeca dan wel woningen en dat daaraan grenzen zitten. Die accentverschuiving is misschien wel het grootste effect van Corona. Ten slotte: voor het eerst wordt weer gesproken over krimp. Krimp was lange tijd een besmet woord. Dat wordt afboeken geblazen.

 

Overwinteren

On 3 december 2020, in bestuur, by Zef Hemel

Gisteren sprak de burgemeester van Amsterdam de jaarlijkse ‘State of the Region’. Ze bleek oud-ondernemer Ben Verwaayen te hebben gevraagd om advies uit te brengen over de toekomst van de Metropoolregio Amsterdam. Die had voorgesteld om voor de 32 gemeenten, de twee provincies en de vervoerregio binnen de MRA een aparte directie in te stellen, met een bestuur en een algemene vergadering. Alleen zo kan de bestuurlijke samenwerking betekenis krijgen. In ‘Koninkrijk vol sloppen’ (2010) beschrijft historicus Auke van der Woud het begin van stedengroei in Nederland in de negentiende eeuw. Daarin besteedt hij ook aandacht aan het openbaar bestuur. Fijntjes merkt hij op dat de Grondwet van 1848 een einde maakte aan het staatsrechtelijke onderscheid tussen stad en platteland. Dat gebeurde juist op het moment dat de steden begonnen te groeien. Alles heette voortaan gemeente. “Gemeenten met een rijk stedelijk en internationaal verleden waren voor de wet niet belangrijker dan gemeenten met een povere, marginale geschiedenis.” Binnen dertig jaar begon deze politiek van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ zich te wreken. Sommige steden groeiden veel harder dan andere, het platteland liep ten dele leeg. Dit verschijnsel, aldus Van der Woud, bleek structureel.

Ondertussen is de Nederlandse bevolking explosief gegroeid en ligt zelfs versterkte urbanisatie in het verschiet. Tot op de dag van vandaag echter heet alles in Nederland nog steeds gemeente. Annexaties en gemeentelijke herindelingen waren er wel, maar veranderden het stelsel niet wezenlijk, en elke poging tot bestuurlijke vernieuwing strandde. Nu wordt er weer gesmeekt om een Minister van Ruimte. Lieve help. Men kan zich afvragen of het openbaar bestuur wel is opgewassen tegen de verhevigde urbanisatie. Waarom past het zich niet aan? Antwoord: omdat het bestaande staatrechtelijke systeem grote voordelen biedt. De Amerikaanse politicoloog James Scott vergeleek het met een bijenkorf: een geraffineerd bouwwerk van gelijke, gescheiden kamers dat de imker in staat stelt om honing, was en propolis op te vangen, een ordelijk systeem dat uitstekend leesbaar is en vooral een imker die elk jaar precies genoeg honing onttrekt om de bijen te laten overwinteren. Die imker, dat is Den Haag. En de gelijke, gescheiden kamers, dat zijn de gemeenten. Verwaayen noemde het Rotterdamse Havenbedrijf als voorbeeld. Dat acteert stevig en doet ferme zaken. Zoiets wenst hij de MRA ook toe.

 

Too ridiculous to be true

On 1 december 2020, in boeken, by Zef Hemel

Deze week staat bij BNR Nieuwsradio (ochtendprogramma Big Five) in het teken van de vermeende kloof tussen stad en platteland. Ik was er maandag. Ondertussen lees ik het vermakelijke ‘News from Nowhere’ (1890) van de Britse kunstenaar William Morris. De hoofdpersoon in deze negentiende eeuwse sciencefiction roman, William Guest, valt na een avondje debatteren bij de Socialistische Liga in slaap in een saaie buitenwijk van Londen. Hij wordt de volgende ochtend wakker, maar dat blijkt dan wel in de verre toekomst. Hij bevindt zich in een communistisch paradijs. Geld bestaat niet meer, fabrieken en gevangenissen zijn overbodig geworden, iedereen geniet onderwijs en de regering in Londen is afgeschaft. Zelfs vrouwen blijken geëmancipeerd. Heel Londen is van de aardbodem verdwenen; er is alleen nog maar uitgestrekt platteland. En alles wat de hoofdpersoon ziet is mooi, elegant, esthetisch. Maar ergens staat nog oude rommel overeind: voorbij tuinen en boomgaarden stuit de hoofdpersoon op Trafalgar Square. Een voorbijganger noemt het plein ‘a dead folly’. Hier waren in 1887 socialistische protestmarsen gehouden, waarop burgemeester en wethouders keihard hadden ingegrepen. “That seems too ridiculous to be true; but according to this version of the story, nothing much came of it, which certainly IS too ridiculous to be true.”

‘News from Nowhere’ beschrijft een bootreis over de Theems dwars door het idyllische Engelse platteland en het in een groen paradijs getransformeerde Londen. Morris hield van het platteland en verafschuwde de metropool. De rivier de Theems was zijn grote liefde. Toen de grote kunstenaar de toekomstroman schreef, was hij met zijn gezin juist verhuisd van Red House in het gehucht Upton in Kent naar Kelmscott Manor, in de buurt van Lechlade in Gloucestershire. Echter, hij zou er maar een paar dagen per jaar verblijven. Het was er koud en het leven was er simpel. Het was meer iets voor zijn vrouw en kinderen. Zelf ging hij wonen aan Queen Square, Londen, waar zijn werkruimte beneden was en de woonruimte boven. In 1878 betrok hij een bakstenen huis in Hammersmith. Ja hij hield van vogels, struiken en bomen. En Londen was vies en vuil. Maar er waren rijke Londenaren die veel geld aan zijn schitterende kunstwerken spendeerden. En om de hoek, op loopafstand, lag het South Kensington Museum, waar hij de zeldzame textielverzameling bestudeerde. De droom van een welvarend platteland ging bij deze socialist, zoals bij zovelen, gepaard met een intense hekel aan de grote stad. Ondertussen had hij alles aan Londen te danken. En zijn vrouw, zijn kinderen? Zodra ze konden, vluchtten ook zij terug naar de grote stad.

 

Het is niet (alleen) stikstof

On 28 november 2020, in duurzaamheid, kunst, landschap, by Zef Hemel

Was het toeval? Verschillende gebeurtenissen kwamen afgelopen week samen. Rijksadviseur voor het landschap Berno Strootman nam afscheid met een interview in de Volkskrant (24 november 2020) waarin hij waarschuwde voor een Nederland als ‘één grote hagelslag’: een windmolen hier, een paar zonneparken daar, een optelsom van plaatselijke initiatieven. Hij hield zijn hart vast. Diezelfde avond organiseerde het Forum voor Stedelijke Vernieuwing vanuit Amsterdam een webinar met Janna Bystrykh over ‘Countryside: The Future’, de verontrustende tentoonstelling in het Guggenheim Museum in New York over de toekomst van het platteland. Als een van de makers van de tentoonstelling waarschuwde Bystrykh dat initiator Rem Koolhaas dit keer geen oplossingen had. Maar als er niets verandert verdwijnt de komende tien jaar zeker vijf procent van alle biodiversiteit op de wereld. Zestig procent was sinds de Industriële Revolutie al verdwenen. Ondertussen vertelde ze wat ze allemaal had geleerd van de boeren in de Great Plains. Het kan dus wèl. Ten slotte bezocht ik vrijdag de tentoonstelling in de Leidse Lakenhal met monumentale werken van wol en vilt van de kunstenaar Claudy Jongstra. Jongstra’s boodschap was al even somber: de biodiversiteit op het platteland holt achteruit. Als er niet wordt ingegrepen blijft er niets over van de natuurlijke rijkdom van weleer.

Vooral Jongstra maakte indruk. NINE – een zeer groot, donker kunstwerk van geweven wol als een gebroken landschap – en Cosmic Cry – twee lange, al even donkere wandkleden van zwart geverfd gevilt wol in dezelfde ruimte – zijn niet minder dan ‘een politiek pamflet’ (citaat uit Friesch Dagblad): ‘een aanklacht tegen het monotone landschap’ dat in hoog tempo al zijn biodiversiteit verliest. In Extended Ground ontpopt de kunstenaar zich zelfs als een regelrechte activist: haar poging om zelf zaad te kweken en, samen met leerlingen uit het beroepsonderwijs, met bijna verdwenen planten en reststoffen eerlijke natuurlijke producten te maken. Ingrijpen nu. Terug naar af. In haar concrete kunst overtreft ze het administratieve werk van planologen doordat ze mensen hevig beroert en met haar natuurlijke kleuren hen de weg wijst naar een betere toekomst. Nee, het is niet alleen stikstof. Dat is iets abstracts. Het is kleur. Haar boodschap is: wij weten niet meer onze zintuigen te gebruiken. Wij zijn het kijken, voelen, ruiken en luisteren verleerd. Een half uur had ik inderdaad nodig om te wennen aan het geringe daglicht in de tentoonstellingsruimte. Eerst toen begon ik door het zwart heen de kleuren te zien. Zeldzaam indrukwekkend.

 

Broodje Aap

On 18 november 2020, in internationaal, wonen, by Zef Hemel

Als u mij op Twitter volgt, dan wist u het al lang. Juichkreten over een veronderstelde massale vlucht van mensen uit de grote steden als gevolg van Covid-19 klinken veel te vroeg. Ook in Nederland wordt door sommigen een vlucht uit met name Amsterdam naar de regio bijna als een wraakneming van het platteland op de grote stad neergezet. Alsof dat eerlijk en rechtvaardig zou zijn. Maar zelfs in de Verenigde Staten, waar de steden veel harder geraakt worden door het virus en mensen veel mobieler zijn dan in Europa, valt het reuze mee. Wat heet. Bloomberg CityLab gaf op 16 september 2020 toe dat het nog te vroeg is voor een definitief oordeel, maar voorlopig luidt de conclusie dat juist minder Amerikanen dan ooit hun biezen pakken. In ‘What we actually know about how Americans are moving during Covid’ schrijft Marie Patino: niet meer, maar minder. Die vaststelling blijkt gebaseerd op de gegevens van de twee grootste verhuisbedrijvenplatforms in de Verenigde Staten. Verkoopcijfers van woningen daalden trouwens ook.

Enquêtes wijzen uit dat degenen die wel verhuizen dat niet doen vanwege Corona. Als het al gebeurt, zijn het jongeren in de leeftijd tussen 18 en 29 jaar die dat vooral doen vanwege het sluiten van de universiteiten en het overschakelen naar online lesgeven. Waarom zou je dan nog een dure kamer op een campus huren? Ook een paar steden zoals New York en San Francisco worden erg duur gevonden. Degenen die daadwerkelijk verhuizen geven overigens aan niet te vluchten, maar hun heil te zoeken in andere grote steden, zoals Seattle en Los Angeles. “There is not a widespread movement of people prospecting to move out of urban areas to less dense environments.” De interesse van Amerikanen voor de suburb neemt alleen maar af. Bloomberg wijst erop dat na pandemieën in het algemeen steden weer snel herstellen. Ook in Nederland betreft het vermoedelijk broodjeaapverhalen. Dat zeg ik, het klinkt sensationeel en het speelt lekker in op angsten en vooroordelen van mensen. Het is gewoon niet waar. Grote steden kunnen zich beter voorbereiden op snel herstel en op een nieuwe, nog massalere toeloop.

 

Democratische steden

On 15 november 2020, in economie, politiek, by Zef Hemel

Eind oktober verscheen er in de Volkskrant een uitstekende ‘long read’ van Amerika-correspondent Michael Persson, getiteld ‘Een exceptioneel onaardig land vol aardige mensen’. Aanleiding waren de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In plaats van het vizier te richten op de twee strijdende kandidaten koos Persson, van wie onlangs ‘De val van Amerika’ verscheen, voor een reis vanuit New York naar de heuvels ten zuiden van Pittsburgh in Pennsylvania. Daar ontmoette hij mensen die meenden dat New York leegliep en dat de stad in een spookstad was veranderd. Dat vonden ze helemaal niet erg. “Laat de stad maar kapotgaan. Waarom moeten wij ze redden? Dat zijn geen Amerikanen.” Persson schrok. Hij ontdekte dat de mensen hier op het platteland als volgt redeneerden: Democratische steden = Democratische inwoners = Black Lives Matter = socialisten = anarchisten = terroristen. Ze leken niet door te hebben dat New York een nettobetaler aan Washington is, en dat deze plattelandsgebieden netto-ontvangers zijn. En New York loopt niet leeg, maar heeft het wel moeilijk. Zonder een welvarend New York wacht de armoede, ook op het uitgestrekte platteland. Persson concludeert: “Het is, in zekere zin, de wraak van het platteland op de stedelijke elite, die natuurlijk jarenlang heeft neergekeken op het ‘flyover country’ van Pennsylvania.”

Volgens Persson is er in Amerika sprake van een enorme kloof tussen stad en platteland. De stad kijkt neer op het platteland. Het platteland gunt de stad zijn succes niet. Het denkt zelfs dat het er het slachtoffer van is. De schaduwkanten van dat grootstedelijke succes – hoge huizenprijzen, woningnood, criminaliteit, een gejaagd leven, keihard werken – ziet ze niet of wil ze niet zien. Er is zelfs sprake van leedvermaak nu door Corona juist de grote steden het moeilijk hebben. Ondertussen vernietigt het platteland zichzelf. Want in de heuvels van Pennsylvania ontmoet Persson twee mannen van een gasbedrijf die boortorens inspecteren waarmee de grond wordt opengebroken in hun zoektocht naar gas. “Zie je deze vallei?” zeggen ze tegen Persson. “Dit is wat Amerika is. Bossen. Boerderijen. Grondstoffen. Mensen die elkaar kennen en die voor elkaar zorgen.” Persson zag echter vooral werkloosheid, armoede, resten van hoogovens en lege Chevrolet-fabrieken. De meedogenloze ‘fracking’ door het gasbedrijf komt daar nog eens bij. “Dit verhaal gaat over wat Amerika is,” besluit Persson: “Een land dat zichzelf de afgelopen jaren is tegengekomen, en geschrokken is van wat het heeft gezien.”

 

Ons platteland

On 13 november 2020, in duurzaamheid, landschap, by Zef Hemel

Eind vorig jaar verscheen in The New York Times een alarmerend artikel over het Europese landbouwsubsidiebeleid en de schadelijke gevolgen die dit heeft voor mens en natuur. In ‘Killer Slime, Dead Birds, an Expunged Map: The Dirty Secrets of European Farm Subsidies’ schrijven Matt Apuzzo, Selam Gebrekidan, Agustin Armendariz en Jin Wu (25 december 2019) over de 65 miljard dollar die de EU jaarlijks uitgeven aan boeren, (dat is nog altijd veertig procent van de EU-begroting), en de kwalijke gevolgen die deze hebben. Volgens de krant dragen de enorme subsidiestromen niet alleen bij aan klimaatverandering en ernstige vervuiling van bodem, lucht en water, ze zetten ook aan tot anti-democratische sentimenten en houden een apparaat in stand dat van de subsidies profiteert. Europa zegt weliswaar een Green New Deal te willen, maar doet ondertussen het tegenovergestelde. Het is overigens wel vreemd om met Amerikaanse ogen naar ons continent te kijken, om je vervolgens beschaamd af te vragen waar we nu eigenlijk mee bezig zijn.

Centraal in het artikel staat een kaart die in het voorjaar van 2017 in een gezelschap van Brusselse ecologen, academici en lobbyisten werd getoond. Onderwerp van gesprek waren groene landbouwpraktijken. De kaart toonde verontreinigingen in Noord-Italië gerelateerd aan EU-landbouwsubsidies: waar de meeste subsidie naar toe ging, daar was de verontreiniging het grootst. Iedereen verstijfde. De vraag lag voor of Europa niet vervuiling subsidieert. Geen spoor echter van de kaart in het uiteindelijke rapport. Maar The New York Times wist er beslag op te leggen. Waar de meeste subsidies naar toe gaan, is de vervuiling inderdaad het grootst. Waarna de krant wijst op de groeiende algenvelden in de Baltische Zee en voor de kust van Noord-Frankrijk. Overal waar intensieve veehouderij domineert, worden ecosystemen vernietigd. Ook in Nederland. Negentig procent van de patrijzen is uit ons land verdwenen. Patrijzen waren tot midden jaren negentig doodnormaal; ze leven van insecten en nestelen in heggen. Daar is niets meer van over. “We are talking about a collapse,” zegt Frans van Alebeek in het artikel. Van Alebeek is ecoloog in dienst van BirdLife Nederland. Al twintig jaar, aldus de krant, weten de ambtenaren van de EU van de desastreuse gevolgen van hun eigen landbouwsubsidiebeleid. Eind oktober besliste de EU over het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid. Tot en met 2027 zal er opnieuw weinig veranderen.