Steden als bossen

On 17 januari 2022, in boeken, duurzaamheid, filosofie, by Zef Hemel

Onder de kop ‘Als we de bomen verliezen, verliezen we onszelf’ verscheen afgelopen zomer een interview met Suzanne Simard in NRC Handelsblad. Simard is een Canadese hoogleraar Forest Ecology, verbonden aan de Universiteit van British Columbia. Aanleiding: het verschijnen van de Nederlandse vertaling van haar boek ‘Finding the Mother Tree: Uncovering the Wisdom and Intelligence of the Forest’. Daarin probeert ze op alle mogelijke manieren duidelijk te maken dat bossen meer zijn dan een verzameling bomen. Mooi om te lezen hoe ze zich van talrijke metaforen bedient. Een bos, aldus Simard, is een netwerk, een samenleving, een ‘Wood Wide Web’. Ernstige kritiek heeft ze op de commerciële bosbouw die nietsontziend bomen kapt alsof ze productiemiddelen zijn, daarbij sommige bomen en struiken vergiftigt omdat ze elkaars concurrenten zouden zijn. Die sector verwerpt overigens haar ideeën omdat ze dwars tegen het dominante businessmodel ingaan. Ze noemt het een masculiene wereld, want bosbouw wordt vanouds sterk door mannen gedomineerd. Vrouwen kijken volgens haar anders. “Ik heb patronen in de natuur ontdekt die veel weg hebben van de neurale netwerken in onze hersenen. Natuurlijk hebben bomen geen hersenen, maar wel hoogontwikkelde systemen om stoffen en informatie uit te wisselen.”

Toen haar hond ooit in een diep gat was gevallen, moest ze als klein meisje het arme beest uitgraven. Wat ze zag was een dwarsdoorsnede van de aarde met allemaal draden en netwerken ven verschillende kleuren lopen. Bomen, begreep ze later, krijgen water en voedingsstoffen aangeleverd via de kilometerslange ondergrondse netwerken van schimmeldraden. Die draden brengen ook chemische signalen over. In de veelkleurige netwerken vormen de grote, soms honderden jaren oude bomen, de moederbomen, de knooppunten. Ik las het interview met meer dan gewone belangstelling. Haar verhaal klinkt als Alice in Wonderland en haar beschrijving van bossen past naadloos bij hoe steden functioneren. Graaf maar eens een diep gat in de stad: u vindt riool, metrobuizen, kabels en leidingen, vaak kilometerslange netwerken. Ook een stad is een complex ecosysteem. Ze zijn onderling verbonden en de oudste steden vormen in die netwerken de knooppunten. Ook steden zijn bijzonder intelligent. Stop dus met het ruimtelijk scheiden van wonen en werken, zie stedelijke functies niet als elkaars concurrenten, gebruik de intelligentie van steden, beschouw stedelijke netwerken als een niet-competitief systeem. En laat vrouwen steden ontwerpen.

 

De grondmarkt in Nederland werkt slecht. Twee stukken las ik erover. De ene: ‘De werking van de grondmarkt’ (2021) is van de hand van Erwin van der Krabben, hoogleraar Gebiedsontwikkeling in Nijmegen, de tweede: ‘Waarom we niet te veel mogen verwachten van de Omgevingswet voor gebiedsontwikkeling’ (2022), geschreven door Demetrio Munoz Gielen, expert grondbeleid aan diezelfde universiteit. Van der Krabben schreef zijn rapport op verzoek van de Autoriteit Consument & Markt, Munoz Gielen publiceerde zijn onderzoek op Gebiedsontwikkeling.nu (5 januari 2022). Beide gaan over het ontbreken van transparantie bij het bezit en verhandelen van grond. Nu er sprake is van een wooncrisis zijn zulke technische documenten ineens bar interessant. Hierin lijkt de oorzaak te schuilen dat woningen niet op tijd worden gerealiseerd. Kort gezegd heet de grondmarkt in Nederland ‘imperfect’. Het eigendom van grond is juridisch afgeschermd. Wie grond bezit verwerft daarmee ook de bouwrechten. Daarbij komt dat slechts een paar partijen in Nederland strategische grondposities innemen. Imperfect wil ook zeggen: wie niet wil bouwen, bouwt gewoon niet; niemand die deze partij kan dwingen. Bij stijgende prijzen loont het zelfs om geduldig te wachten. Bij een kwart van de totale harde plancapaciteit is dit het geval. Grondprijsvorming krijgt dus verkeerde prikkels. Maar ook het overheidsbeleid ten aanzien van grond werkt slecht. Dit is “complex, onvoldoende transparant en niet toereikend.” Wie bepaalt wat en hoe er wordt gebouwd? Is dat de overheid of zijn dat de ontwikkelaars? Extra geld helpt niet. Bij meer publiek geld naar de woningbouw kunnen dus grote vraagtekens worden gezet.

De imperfectie leidt tot onzekerheid bij partijen. Gielen spreekt van een kip-ei situatie: gemeenten willen eerst zekerheid over afstemming met ontwikkelaars, terwijl ontwikkelaars juist worstelen met de risico’s. En binnen de gemeenten en tussen de verschillende overheidslagen bestaat vaak onenigheid en ook die kan lang duren. Het zijn de burgers die het nakijken hebben want pas als de contracten getekend zijn komen zij in beeld. Eerst dan ook wordt het bestemmingsplan getekend. Aanpassingen zijn dan vrijwel niet meer mogelijk. Gielen noemt dat “onvoldoende, niet-authentieke participatie.” Juridische procedures van burgers, gericht tegen de dichtgetimmerde plannen, beginnen ook pas daarna: zienswijzen indienen, beroep aantekenen, verhaal halen tot aan de Raad van State toe. Vaak krijgen burgers van de vertraging de schuld, maar dat is niet eerlijk. Het is juist de imperfecte grondmarkt die voor de vertraging zorgt. Gielen merkt op dat de nieuwe Omgevingswet hierin geen verbetering zal brengen. Voor echte oplossingen verwijs ik naar ‘Er was eens een stad’ (2021), mijn nieuwste boek. De oplossingen zijn niet technisch of instrumenteel, maar behelzen een andere planologische werkwijze. Dat boek zou u eens helemaal moeten lezen.

 

De wooncrisis bestrijden

On 11 januari 2022, in economie, participatie, politiek, wonen, by Zef Hemel

Op 28 september 2021 schreef Ifang Bremer in NRC Handelsblad over de ernstige woningcrisis in Zuid-Korea. Dat was interessant, want niet alleen Nederland tobt met woningschaarste en snel stijgende prijzen. Vooral hoofdstad Seoul dreigt onbetaalbaar te worden. Als oorzaken noemt Bremer de enorme aantrekkingskracht van Seoul, maar ook vastgoedspeculatie door de oudere generatie, die vaak twee tot drie huizen als belegging en investering aanhoudt. Jongeren zijn daarvan de dupe; in Korea spreekt men van een ‘generation rent’. Uitvoerig schrijft hij over de gevolgen, maar veel minder over hoe deze speculatie op enorme schaal nu precies kon ontstaan. Juist daarvan zouden wij in Nederland veel kunnen leren. Lees daartoe Won Bae Kim. In ‘Repositioning of the City Region: Korea after the Crisis’ (2001) beschrijft deze senior fellow van het Korea Research Institute for Human Settlement hoe Zuid-Korea zich economisch na de ernstige crisis van eind jaren ’90 herstelde. Het artikel, opgenomen in Allen Scott’s ‘Global City-Regions’, liet ik mijn studenten elk jaar lezen. Stedelijke regio’s werden in Korea van regeringswege tegen elkaar opgezet, landsdelen moesten met elkaar concurreren. Wie was de innovatiefste regio? Voor het landsbestuur was herstel van de internationale concurrentiekracht het allerbelangrijkste. Zelf investeerde ze massief in zware fysieke infrastructuur (autosnelwegen, havens en vliegvelden). Daarnaast moesten deregulering en privatisering het spook van de bureaucratie verjagen. Deze liberale economische politiek heeft uiteindelijk tot ernstige sociale en economische ontwrichting en polarisatie geleid, in de Oscar-winnende film ‘Parasite’ van Bong Joon-ho treffend maar vooral ook wrang verbeeld.

Nederland had beter kunnen weten, maar kwam na de financiële crisis van 2008 niet op haar schreden terug. Wat had ons land wel moeten doen? Won Bae Kim adviseerde al in 2001 het volgende: het bevorderen van samenwerking tussen steden, die daarbij in staat worden gesteld zichzelf te besturen. Decentralisatie dus, maar niet met het oogmerk van onderlinge concurrentie. “It requires local leadership to create common goals and a shared vision among managers, workers, citizens, and politicians within the city.” Kim: “It will increase the chance of solving problems of social and spatial polarization, interregional rivalry and competition, and environmental degradation.” Zo’n bestuurlijk model van samenwerking van onderop, geleid door een gemeenschappelijke visie, is niet alleen duurzaam en maatschappelijk minder ontwrichtend, maar zal ook de woningcrisis bestrijden. Dus stoppen met investeringen in grootschalige infrastructuur, geen verdere deregulering, beter luisteren naar stedelijke regio’s, competitie inwisselen voor interregionale samenwerking, werken aan een gemeenschappelijk toekomstverhaal. “Locally driven exchanges and cooperation, if facilitated by national governments, will contribute to building regional identity and community, the lack of which is apparent in Northest Asia.” In Noordwest Europa is het anno 2022 niet anders.

 

De landschapsarchitect van NL

On 7 januari 2022, in landschap, by Zef Hemel

Schitterend eerbetoon aan landschapsarchitect Nico de Jonge. In 1997 overleed hij, 77 jaar oud. Drie jaar daarvoor had hij de oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst gewonnen. Dat oeuvre betrof bijna het complete landschap van West-Nederland, eerst 32 jaar vanuit Staatsbosbeheer, daarna als hoogleraar in Wageningen: Walcheren, IJsselmeerpolders, Grevelingenmeer, Eemvallei. De Jonge hield van klei; daarop kon volgens hem een weelderig landschap groeien. Vorig jaar verscheen dan eindelijk een overzicht van zijn werk, geschreven door landschapsarchitecte Yvonne Horsten-van Santen. In ‘Luisterrijk cultuurlandschap’ treft de lezer alle belangrijke landschappen die De Jonge met zijn dikke vetkrijt ooit heeft getekend, inclusief de ontwerpen die hij voor heel Nederland maakte als ondergrond voor de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening. Wat een lef had De Jonge! Wat een fenomenaal ontwerper was die man! Horsten probeert zijn rijke erfenis recht te doen door de man een plek te geven in de geschiedenis van haar jonge vakgebied. Ze noemt hem de eerste landschapsarchitect van Nederland, zelfs DE landschapsarchitect van Nederland.

De Jonge leerde ik kennen in 1994. Uit het niets belde hij me ineens op. Hij zei dat hij mijn proefschrift had gelezen en dat hij me wilde spreken. We maakten kennis. Daarna reden we met zijn auto naar Walcheren, langs de bosranden naar Domburg, vervolgens naar het Veerse Meer. In het Zeeuwse liet hij me de menselijke bewoning van het moderne landschap zien. Maanden later gingen we opnieuw op weg, nu langs de zeventiende eeuwse landgoederen van de Utrechtse Heuvelrug, het traag stromende rivierenland in. Onderweg vertelde hij me alles over laanbeplanting, de vele soorten populieren, de Zeeuwse klei, het water, de zoete rivieren. Ook de IJsselmeerpolders liet hij me zien: zíjn Vogelweg! Over de discussie over de landschappelijke vormgeving van de A6 onderhield hij me alsof hij een late medestander in me zocht. Makkelijk was hij niet, een echte kunstenaar, nee een dramaturg van complete landschappen, een eigenzinnige man die niet schreef, niet reflecteerde of theoretiseerde. Horsten-van Santen doet hem eindelijk recht. “De Jonge vroeg zich af of het uitgangspunt voor de ruimtelijke planning niet zou moeten zijn: persoonlijke identiteit en individuele ontplooiingsmogelijkheden voor iedereen.” Die gedachte typeerde inderdaad De Jonge. Mensen, van allerlei slag, moesten vrijuit het landschap kunnen bewonen. Suburbaniseer! Maar plant wel nieuwe bossen aan, laat polders onder water lopen, bouw aan een rijk landschap! Wees niet benauwd. Leef!

 

Kathedraaldenken

On 4 januari 2022, in planningtheorie, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Een boeiend essay kreeg ik toegestuurd door de auteur, Peter Pelzer. Hij is universitair docent Planologie aan de Universiteit Utrecht. In ‘Verantwoordelijk voor de toekomst. Op zoek naar een planologie van de lange termijn’ (2021) onderneemt hij “een ontdekkingsreis die voert langs de stam der planologen, woorden en cijfers die ons kortetermijndenken versterken en het mysterie van het voorstellingsvermogen.” Een grappige omschrijving van een reeks gesprekken met collega-planologen. Onderweg keek Pelzer door een antropologische bril naar het Programma Aanpak Stikstof, de discontovoet in MKBA’s, de systematiek van de GREX, omgevingsvisies, Participatieve Waarde Evaluaties, enzovoorts. Moedeloos geworden stelt hij op het einde vast dat het kortetermijndenken zowel in de taal als in de cijfers wel erg dominant is. Volgens hem ligt er in de planologie teveel nadruk op coördinatie, te weinig op visie. Waar is de lange termijn gebleven? “Planologie gaat over het voorstelbaar maken van mogelijke toekomsten. Daar moeten we beter in worden.” Hij wil de planologie daarom heruitvinden en bepleit een nieuwe nadruk op de lange termijn. Die moet zowel inspirerend als verbindend werken. Dat vergt grote verbeeldingskracht.

Zijn essay deed me denken aan Roman Krznaric’s ‘De goede voorouder’ (2020), een boek dat Pelzer ook gelezen heeft want op bladzijde 48 noemt hij het in een korte bijzin. Maar daarmee doet hij de auteur beslist geen recht. Als er iemand gewezen heeft op de noodzaak van langetermijndenken, dan is het wel deze Britse filosoof en mede-oprichter van The School of Life. Krznaric: “Wij zijn de erfgenamen van schenkingen uit het verleden.” Langetermijndenken begint met een groot historisch besef. Sterker, we leven in een wereld die al miljoenen jaren oud is en dit gegeven zou ons moeten doen inzien dat we nietige wezens zijn. Dankbaarheid voor wat onze voorouders voor ons deden zou in ons denken en handelen leidend moeten zijn. En onze planologische acties zouden veel sterker op toekomstige generaties gericht moeten zijn. Doen we het goede? Zijn we goede voorouders? Planologen zouden veel bescheidener moeten zijn, hun inspanningen richten op beheren in plaats van ontwikkelen, zich beperken tot kleine toevoegingen aan het bestaande, zich in dienst stellen van toekomstige generaties, historisch onderlegd moeten zijn. Krznaric noemt dit ‘kathedraaldenken’. Overigens ziet Krznaric Nederlanders bij uitstek als planners voor de lange termijn. Al meer dan achthonderd jaar beheren wij onze polders gemeenschappelijk via onze waterschappen. Dat is misschien geen hoogdravend werk, maar wel heel duurzaam. Het is een veel positiever oordeel dan dat van Pelzer.

 

Nogmaals Sennett

On 3 januari 2022, in sociaal, by Zef Hemel

Interessant interview met Richard Sennett stond afgedrukt in het magazine van de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. Op 29 november 2021 spraken studenten met de Amerikaanse socioloog over zijn werk rond steden en ruimtelijke planning, via Zoom weliswaar, maar wel na bestudering van teksten en een goede voorbereiding. In ‘Blockbuster’ kreeg Sennett onder andere de vraag voorgelegd of al die optimistische verhalen over ‘de eeuw van de stad’ bij nader inzien niet sterk overtrokken waren. Steden zijn immers onbetaalbaar geworden, een groeiend deel van de bevolking wijst een sterk gemengde stedelijke bevolking af, Covid-19 lijkt grote steden te benadelen en het platteland biedt volop ruimte aan jonge mensen die de steden dan ook en masse verlaten. In zijn antwoord wijst Sennett er fijntjes op dat die beschrijving in ieder geval niet geldt voor de steden in het grootste deel van de wereld. In Latijns Amerika, Afrika en delen van Zuidoost Azië groeien metropolen nog steeds zeer krachtig. Vaak is de trek naar steden daar overigens niet vrijwillig omdat het platteland de mensen gewoon weinig perspectieven biedt. De veronderstelling die volgens hem verborgen zit in de vraag is dat kiezen voor of tegen de stad een leefstijlkeuze is, maar dat is het voor de meeste mensen zeker niet. Sennett: “I get very uneasy by a lot of predictions about the end of the city, because they seem to me to be very narrowly focused on people who have the economic or political power and privilege to live in places where they have alternatives.”

Een andere vraag ging over sociale cohesie. Of de socioloog – auteur van onder andere ‘Stadsleven’ (2018) – dacht dat een inclusieve stad werkelijk mogelijk is. Hierop vroeg Sennett de vragensteller of het sociale bindmiddel in zo’n stad bestond uit samenwerking of uit solidariteit. Als socioloog had hij meer geloof in het eerste dan in het laatste. Steden kennen van nature weinig sociale cohesie. Samenwerken kun je namelijk heel goed met mensen met wie je je niet wilt of kunt identificeren. Succesvolle steden zijn ook niet steden met een meer of minder homogene bevolking. Uitblinken in solidariteit is in een stedelijke economie ook allesbehalve nastrevenswaardig. Sterker, hoe diverser en competitiever de onderlinge verhoudingen, hoe succesvoller een stad doorgaans is. “The only places where the whole gets to be greater than the parts, are symbolic phantasies of ‘us’. That’s very static.” Waarna hij de essentie van ruimtelijke planning omschreef als: hoe de condities te scheppen waarbij heel verschillende mensen zonder al te veel conflicten kunnen interacteren. Als voorbeeld noemde hij informele marktplaatsen waar mensen van diverse pluimage elkaar tegenkomen. “We should want cooperation rather than solidarity.” Dat zeg ik, dat was een verslag van een mooi en verhelderend interview.

 

Tovenaar of profeet?

On 24 december 2021, in boeken, duurzaamheid, by Zef Hemel

Kunnen we onze eigen ondergang nog ontlopen? Die ernstige vraag stelt de bioloog Charles Mann in ‘The Wizard and the Prophet’, een boek dat al in 2018 verscheen, maar dat ik nu pas begon te lezen. Bij ondergang moet je denken aan de klimaatverandering, maar ook aan de ernstige vervuiling van oceanen, de snelle ontbossing, de uitputting van drinkwaterbronnen, de beangstigende achteruitgang van biodiversiteit. Twee wetenschappers voert Mann op in zijn vuistdikke boek, die tegengestelde opvattingen hadden: de een meende dat mensen zo inventief zijn dat ze telkens weer technische oplossingen zullen vinden (de tovenaars), de ander dat wij al lang geleden alle perken te buiten zijn gegaan en dat we op onze schreden dienen terug te keren (de profeten). De twee archetypen staan voor onbeperkte groei versus krimp, voor optimisme versus pessimisme. Waar bevind ik mij? Behoor ik tot de profeten of ben ik tovenaar? Een antwoord moet iedere planoloog in principe kunnen formuleren. Dat begint met de vaststelling dat alle planologen uiteindelijk optimistisch zijn omdat ze weten dat profetieën verlammend werken. Optimisme is een plicht. Maar ben ik dan per definitie een tovenaar? In ‘Er was eens een stad’ (2021) heb ik uitgewerkt hoe een duurzame planning er uit kan zien. Dat is anders dan de keuze die Mann zijn lezers voorlegt. Maar iets van toveren, geef ik toe, is wel noodzakelijk.

Uitgangspunt voor Mann is het onderzoek van de bioloog Lynn Margulis. Zij beschreef hoe soorten telkens tegen hun grenzen aanlopen. Soms konden ze door aanpassingen of puur geluk hun grenzen tijdelijk ontlopen, ze groeiden met enorme snelheid, maakten zich meester van omvangrijke gebieden, overweldigden hun milieu. Maar uiteindelijk renden ze toch tegen een muur op. Ze verhongerden, verdronken in hun eigen afval. Na bloei is verdorring onontkoombaar, uiteindelijk stort de populatie ineen. Zo zal het ook gaan met ons mensen. Nee, Mann brengt zijn lezers geen vrolijke boodschap. Op de Landbouw Universiteit van Wageningen werd onmiddellijk na verschijnen van het boek een congres aan het onderwerp gewijd. En terecht. Maar een uitweg vond ik daar niet. Als ik als lezer helemaal aan het eind van het boek gekomen ben stel ik vast dat Mann wel erg veel biologen, klimaatwetenschappers, ingenieurs en technici aan het woord laat, maar geen enkele menswetenschapper. De stelling van Mann is dan ook typisch bèta: “Als je iets wilt bereiken moet je òf de activiteiten van miljoenen mensen coördineren, òf kiezen voor processen die zo weinig mensen vereisen dat vrijwel niemand er nog wat over te zeggen heeft.” Dat is simplistisch en beperkt de keuze tussen dictatuur en dictatuur. Mijn benadering is anders. Visionaire planologie vertrekt vanuit het idee van radicale democratie. Zo’n benadering is organisch en optimistisch, maar dat wil niet zeggen dat ik een tovenaar ben. Nee, het is anders. Alle mensen kunnen in principe toveren. Onze verbeeldingskracht en inlevingsvermogen zijn oneindig. Wederzijds leren is wat ons onderscheidt van andere organismen. Door hiervan gewetensvol gebruik te maken kunnen we als wereldgemeenschap hele kleine stappen in de goede richting zetten. Die goede richting is aanvankelijk misschien nog vaag, maar zal op termijn steeds duidelijker worden. Alles begint met een gedeelde visie.

 

Mess is more

On 14 december 2021, in regionale planning, stedelijkheid, by Zef Hemel

In The Economist van 11 december 2021 trof ik een mooie special report over Japan. Daarin is ook een artikel opgenomen over Tokio, met 37 miljoen inwoners de grootste stad op aarde. Hoe kan het dat het immense Tokio behoort tot de leefbaarste steden? Die vraag staat centraal in ‘The Big City’. Antwoord: mess is more. Chaos in grote steden is georganiseerde chaos, want complexiteit kent wel degelijk regels, maar die worden op het allerlaagste niveau bepaald. Bestemmingsplannen in Japan laten erg veel toe, er wordt door planners weinig voorgeschreven. De stad kan vrijuit groeien, dat gaat organisch. Van een woningcrisis is geen sprake. Ook doet Tokio het in de pandemie gewoon beter dan alle andere steden. De vijftien-minutenstad is daar al decennia een feit. En nog steeds groeit Tokio, al veroudert de bevolking en krimpen de buitengebieden. Mensen trekken massaal naar het centrum, dat steeds verder verdicht. Er zijn planners die de randen van Tokio proberen nieuw leven in te blazen; slechts een enkele keer zal dit lukken. En over niet al te lange tijd zal ook de bevolking van Tokio als geheel gaan krimpen. Ook dat is een organisch proces. Aldus The Economist.

Volgens het Britse zakenblad is de planologische ontwikkeling van Tokio een lichtend voorbeeld voor de rest van de wereld. Arm, relatief klein en gevaarlijk was de stad in de decennia volgend op de Tweede Wereldoorlog, rijk, veilig, groot en leefbaar is ze in het begin van de eenentwintigste eeuw. Toekomstige bevolkingsgroei zal zich hoofdzakelijk afspelen in megasteden. Daarvan bestaan er nu wereldwijd 33. In 2030 zullen het er al 43 zijn. Gewoon een kwestie van de lessen van Jane Jacobs ter harte nemen, zoals beschreven in ‘Death and Life of Great American Cities’ (1961). Volgens The Economist was haar kritiek op de modernistische planners terecht. En inderdaad, Jacobs zou in haar latere boeken meermaals aan Tokio refereren. Wat Amerikaanse planners pertinent fout deden, dat deed men in Japan juist goed. Wie dat wil kan haar leven en denken nalezen in mijn nieuwste boek, ‘Er was eens een stad’ (uitgeverij Pluim, Amsterdam 2021). Hoofdstuk 6 gaat over Jane Jacobs en hoe zij ervaringskennis van burgers aan de basis legt van grootstedelijke planning. Gewoon een andere manier van plannen.

Tagged with:
 

That’s how it worked

On 13 december 2021, in boeken, geschiedenis, literatuur, migratie, sociaal, by Zef Hemel

Met Harlem Shuffle (2021) leverde de Amerikaanse schrijver Colson Whitehead een prachtige beschrijving van het oude Harlem, New York, zoals het was in de vroege jaren zestig. Afro-Amerikanen creëerden in het noordelijke deel van Manhattan begin twintigste eeuw hun eigen universum binnen een overwegend vijandige witte wereld waartoe ze kennelijk alleen veilig toegang kregen via het zwarte reisbureau van Black Star Travel, althans dat schrijft Whitehead. Omgekeerd hadden witte Amerikanen geen idee wat er zich precies afspeelde in de lokale zwarte gemeenschap rond 125th Street. Misdaad was in ieder geval alomtegenwoordig. Zelfs hoofdpersoon Ray Carney die een meubelzaak op de centrale winkel- en uitgaansstraat runt, heelt en steelt en huurt als het moet een vuige Pepper in om voor hem moorden te plegen. Maar Harlem Shuffle is meer dan een Amerikaanse misdaadroman, het is vooral een nauwkeurige beschrijving van de levens van de leden van een tamelijk gewoon gezin in West-Harlem, dat het lukt om met twee bescheiden salarissen carrière te maken door een woning te betrekken op het verlopen deel van Riverside Drive. Hoewel, een misdrijf af en toe helpt daarbij. Maar status verwerven kan het gezin alleen op Strivers’ Row, een klein eiland van zwarte welstand ter hoogte van 134th Street – en dan nog; “all it took was a stroll around the corner to remind its residents that they were among, not above.” Iedereen was uiteindelijk gevangen in de alomtegenwoordige armoede.

Ronduit verrukkelijk is de beschrijving van Hotel Theresa, het Waldorf van Harlem. Welke zwarte beroemdheid logeerde er niet? Duke Ellington, Ella Fitzgerald, Fidel Castro, Martin Luther King. In de roman wordt het legendarische hotel de plek van een grote sieradenroof onder leiding van de onbetrouwbare Miami Joe. “Cocktails at the Hotel Theresa were a hot ticket, and Miami Joe often installed himself at the long, polished bar with the rest of the neighborhood’s criminal class, talking shit.” Lees het boek en geniet van de overval en wat er daarna gebeurde, maar luister vervolgens ook naar de podcast over het fantastische hotel gemaakt door Bowery Boys. Op ‘Harlem nights at the Hotel Theresa’ (boweryboyshistory.com) kun je kennismaken met een unieke geschiedenis van een hotel in een New Yorkse zwarte buurt dat in 1913 zijn deuren opende en deze in 1970 definitief weer sloot. In ‘The Death and Life of Great American Cities’ van Jane Jacobs ontbreekt elk spoor van het hotel, al schreef Jacobs relatief veel over de hopeloze situatie in Harlem, maar haar blik is toch die van een witte buitenstaander. Overigens verscheen Death and Life (1961) precies in de historische periode waarop Colson Whitehead zijn literaire pijlen richt. Een reden temeer voor planologen om Harlem Shuffle aandachtig te lezen. En helemaal tot het eind doorlezen alsjeblieft, want dan kijkt Carney ten slotte in de bouwput van het World Trade Center. “The next time he was here it’d be something totally different. That’s how it worked.” En zo is het.

Tagged with:
 

De angel uit de woningcrisis

On 7 december 2021, in wonen, by Zef Hemel

Twee heren over de woningcrisis, de een is econoom, de ander architect. Hoogleraar Economie Coen Teulings analyseerde koelbloedig (in NRC Handelsblad 19 oktober 2021) de prijzen op de Nederlandse woningmarkt. De afgelopen 20 jaar stegen die met 94 procent. Oorzaak: weinig inflatie en lage rente. Alleen Amsterdam en Utrecht sprongen eruit. Die twee steden werden in dezelfde periode extreem duur. Dat komt, zegt hij, door een regionale concentratie van hoger opgeleiden in de zogenoemde Noordvleugel van de Randstad. Geweldig voor deze hoogopgeleide woningbezitters, jammer voor de starters. Overigens betekent een lage rente voor eigenaren in principe geen groot probleem: de woonlasten voor kopers stegen niet echt, ook al gingen de woningprijzen in Amsterdam compleet door het lint. Zijn advies: kijk goed uit, want de rente kan zo weer stijgen. En heel vervelend voor wie naar Amsterdam wil verhuizen. Het wordt er echt heel duur. We zullen er mee moeten leren leven. Er zit niets anders op dan genoegen te nemen met minder vierkante meters. In Parijs en Londen is dat al heel gewoon.

Architect Reinier de Graaf, werkzaam bij OMA, beziet diezelfde woningmarkt in een gesprek in dezelfde krant twee dagen later. Zijn analyse: een aantal zeer populaire, leefbare steden in de wereld zoals Vancouver, Wenen en Amsterdam prijken bovenaan de lijstjes van prettige leefbare steden. Ze prijzen zichzelf uit de markt en worden krankzinnig duur, te duur om in te wonen. Wereldwijde speculatie met vastgoed is daarvan de oorzaak. Vancouver kampt met daklozen, in Wenen kan iemand met een gemiddeld inkomen en een maximale hypotheek niet meer dan 12 vierkante meter kopen – het oppervlak van een parkeerplaats. Wonen als levensbehoefte loopt wereldwijd direct gevaar. De tragische lessen van de financiële crisis werden ook niet geleerd. Twee analyses die elkaar niet ver ontlopen, maar de inschattingen zijn totaal verschillend. Ik ben benieuwd hoe de toekomstige minister van Wonen en Ruimtelijke Ordening deze woningcrisis gaat oplossen: pakt ze de speculatie met vastgoed aan of richt ze zich op bouwen in de weilanden? En, belangrijker nog, wat gebeurt er straks met Amsterdam? Want los van rentestand en inflatie, dáár zit dus de angel.