Uniek gedoogbeleid

On 30 oktober 2020, in gezondheid, innovatie, politiek, by Zef Hemel

Inmiddels vijf afleveringen van ‘Cannabis’ op NPO2 gezien, een fascinerende documentaire in zes afleveringen over de zaak Van Laarhoven. Regisseur en maker Robert Oey verweeft de kwestie rond de Tilburgse coffeeshophouder Van Laarhoven met de opkomst, verspreiding en ‘vervolksing’ van cannabis in Nederland en in de rest van de wereld. Met een hoofdrol voor Amsterdam en dan met name The Bulldog van Henk de Vries. Een absolute aanrader. Alles begon op het Holland Pop Festival op Kralingen in de zomer van 1970. Het latere Nederlandse gedoogbeleid kreeg daar min of meer vorm. De Amsterdamse coffeeshop – Mellow Yellow op Weesperzijde 53 – wordt twee jaar later uitgevonden. Vervolgens worden soft drugs door Justitieminister Van Agt gelegaliseerd. Waarna de Amerikanen een heksenjacht beginnen die ook in Nederland zijn doorwerking vindt. Het ontaardt in gedoe rond de ‘voordeur’ en de ‘achterdeur’ en de limiet van 500 gram. De zaken blijken politiek nooit goed geregeld. En doordat ook softdrugs door politie-invallen verdacht worden gemaakt, vluchten de goeden en maken criminelen als Klaas Bruinsma zich van de sector meester. Van Laarhoven, die ‘keurige, transparante coffeeshops’ in Tilburg ontwikkelt, wordt in het tumult dat ontstaat door de autoriteiten vermalen. Hij verdwijnt in een Thaise cel.

Alle feiten waren me al door derden verteld in de Oude Kerk op de Amsterdamse Wallen toen ik in de zomer van 2019 aan de toekomstvisie voor de binnenstad werkte. Toch nog verrassend vond ik de recente legalisering van het softdruggebruik aan de Amerikaanse westkust die in de vijfde aflevering fraai in beeld wordt gebracht met de beweging die Henk de Vries dan maakt: de Amsterdamse coffeeshophouder gaat vanuit zijn Vinkeveense villa nu zakendoen met de Amerikanen. Niet dat ik het niet wist, maar het blijft een verbazingwekkende wending. Je ziet het team van The Bulldog aan het werk in Las Vegas en Los Angeles. Cannabis wordt een groeimarkt met cijfers waar je koud van wordt. Ineens is alles anders. De stemmen die in Nederland opgaan om alle coffeeshops te sluiten blijkt internationaal gezien ineens een hele vreemde zet. Ik bedoel, terwijl er goud geld te verdienen valt met de verkoop van cannabis in de rest van de wereld en The Bulldog een ijzersterk wereldmerk blijkt waarop de Amerikanen maar wat jaloers zijn, gaat Nederland de ramen en deuren van zijn coffeeshops sluiten. Het zou het einde zijn van een uniek gedoogbeleid en een unieke Amsterdamse geschiedenis. Komende woensdag kijken hoe het afloopt.

 

Hoe ouder, hoe jonger

On 27 oktober 2020, in duurzaamheid, economie, energie, innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gisteren werd Amsterdam 745 jaar oud. Nog vijf jaar te gaan en dan viert de hoofdstad zijn 750-jarig bestaan. Er zijn natuurlijk steden die veel ouder zijn, zoals Rome (2000 jaar) of Athene (3000 jaar), en zelfs Utrecht is ouder (900 jaar). We staan er misschien niet van te kijken, maar toch is het heel vreemd. De natuurwetenschapper Geoffrey West viel het ook op. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ (2017) kwam hij tot de conclusie dat steden de enige organismen zijn die niet sterven. Alle andere – planten, dieren, organisaties – hebben een beperkte levensduur. Er zijn natuurlijk een paar uitzonderingen op de regel, maar steden groeien in principe eeuwig door. En hoe groter de stad, hoe vitaler, want op leeftijd wordt deze steeds innovatiever, welvarender, dynamischer, hij….. verjongt. Dat uiterst merkwaardige gegeven spot met alle wetten die voor alle andere organismen gelden. Dus toen 6000 jaar geleden de eerste steden ontstonden gebeurde er iets raadselachtigs. En deze urbanisatie gaat nog steeds door. Sterker, wereldwijd is sprake van een geweldige versnelling.

West legt het uit. Steden omvatten grote aantallen mensen die voortdurend met elkaar interacteren, ze zijn geschaalde representaties van de structuur van het menselijke brein. Hoe meer mensen, hoe complexer het brein wordt. De vergelijking met het brein is meer dan een metafoor. De fysieke en sociaal-economische stromen binnen steden vormen, aldus West, een niet-lineaire representatie van de geometrie en de stromen in de menselijke hersenen. Hoe groter de stad, hoe sneller de mensen gemiddeld lopen, hoe jachtiger het leven, hoe drukker het verkeer, hoe langer er gewerkt wordt, hoe meer er verdiend wordt, hoe slimmer de mensen. Zeker, steden verbruiken veel energie. Maar per inwoner is het energieverbruik juist gering, althans gemeten aan de verhoogde output is het verbruik veel efficiënter. En naarmate steden groter en ouder worden, neemt deze efficiency toe. Heeft een stad eenmaal een voorsprong genomen, dan houdt ze die vaak decennia vast. Amsterdam was de afgelopen twintig jaar bezig een flinke voorsprong te nemen, maar wordt op dit moment door corona hard getroffen. ‘Social distancing’ en een gedeeltelijke ‘lockdown’ hinderen haar in het functioneren (als brein!). Maar een oude, pardon: vitale, stad als Amsterdam zal het zeker overleven. De vervelende time-out die we nu beleven kan het beste worden benut om ambitieuze plannen te maken. Voor de komende honderd jaar.

 

Juist Baltimore

On 19 oktober 2020, in Geen categorie, politiek, sociaal, by Zef Hemel

De dood van George Floyd eind mei 2020 zette niet alleen Minneapolis maandenlang in vuur en vlam. In vrijwel alle Amerikaanse steden waar sprake is van ernstige ruimtelijke segregatie tussen een zwarte en een blanke bevolking braken felle onlusten uit. De rellen leken nog het meest op die uit de jaren ’60. De beweging van Black Lives Matter stemde velen hoopvol. Maar is dat terecht? Een paper van Robert Margo uit januari 2016 wierp nieuw licht op de ruimtelijke effecten van de raciale onlusten op de lange termijn. Margo is hoogleraar economie aan Boston University. In ‘Obama, Katrina, and the Presistence of Racial Inequality’ schetste hij de economische geschiedenis van raciale verschillen tussen 1870 en 2015. Hij liet zien dat de onlusten van de jaren ’60 een negatief effect hebben gehad op inkomensverschillen, werkgelegenheid, voorzieningenniveau, woningprijzen in de getroffen steden. Al die negatieve gevolgen raakten vooral de Afro-Amerikaanse bevolking. Margo, zelf afkomstig uit Detroit, schetste in 2016 de situatie op dramatische wijze: terwijl de langetermijntrend juist was dat de verschillen tussen zwart en wit in de Verenigde Staten kleiner werden – met name in de periode tussen 1940 en 1980 – , was die toenadering na de grootschalige rellen bijna tot stilstand gekomen.

PBSO News Hour interviewde Margo in het voorjaar van 2015. Aanleiding was de verschijning van zijn artikel gecombineerd met de mysterieuze moord op Freddie Gray in Baltimore, nu vijf jaar geleden. Opnieuw gingen de mensen massaal de straat op. Margo was niet optimistisch. Baltimore kreeg het zwaar te verduren, ook al waren de vernielingen minder. Dezelfde sociaal-ruimtelijke effecten van de toenmalige rellen vreesde hij ook toen, met name door de vele media-aandacht. “So this might stigmatize Baltimore.” En dan nu, de zomer van 2020, was er dan de verstikking van George Floyd door de politie in Minneapolis die afgelopen zomer wederom zoveel mensen de straat opjoeg. “I can’t breathe.” Meer nog dan in 2015 besteedden de media aandacht aan wat er daar in Oregon had plaats gegrepen. Het te verwachten effect? Wegtrekkende winkels, dalende woningprijzen, groeiende werkloosheid onder met name de getergde zwarte bevolking van Portland. En ditmaal is er geen president Obama in het Witte Huis, maar ene Donald Trump die voor een herverkiezing gaat en die Portland en, jawel, Baltimore uitmaakt voor “a complete and total disaster” en “a disgusting, rat and rodent infested mess.” Juist Baltimore. Hier de link naar het artikel van Margo: https://www.nber.org/papers/w21933.

.

 

More mess, more jungle, more chaos

On 15 oktober 2020, in cultuur, geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

De aanleiding was een zwartwit foto van Jane Jacobs en Philip Johnson, staande voor Penn Station, New York. De foto, genomen op 2 augustus 1962, toont ook de weduwe Saarinen en de schrijver Norman Mailer. Ze protesteren tegen de voorgenomen sloop van het station, een ontwerp van McKim, Mead and White uit 1911. Saarinen, Mailer en Jacobs zijn bewoners van de Village, dus Penn Station is hun station. Maar waarom Johnson? Ik besluit er de biografie (1994) van Franz Schulze op na te slaan. De architect Johnson werd wereldberoemd met zijn boek en tentoonstelling uit 1932 in het MoMA over ‘the international style’. Hij was er op dat moment curator. In 1941 gaat hij op 35-jarige leeftijd op Harvard architectuur studeren, om daarna weer naar het MoMA terug te keren. In New York helpt hij de beroemde Duitse architect Mies van der Rohe met het ontwerp van het Seagram Building, dat in 1956 op Manhattan gereed komt. Dan krijgt hij ook de opdracht om een deel van het Lincoln Center te ontwerpen, het nieuwe kunstencentrum van New York. Zijn kantoor is in Forty-second Street. Kennelijk is de curator-architect van de witte, glazen dozen net zo verbolgen over het feit dat het oude treinstation wordt afgebroken als Jane Jacobs.

Om het samen optrekken van de auteur van ‘International Style: Modern Architecture since 1922’ (1932) en de auteur van het dan juist verschenen ‘The Death and Life of Great American Cities’ te begrijpen verwijst Schulze naar een panelbijeenkomst van architectuurcritici in november 1961, waar Johnson zou hebben gezegd dat de stad voor hem is: “more mess, more jungle, more chaos….” (Ongeloof in de zaal). Waaraan hij na een korte stilte toevoegt: “For me, a lovely, creative, delicious chaos where I feel at home and content.” Om vervolgens te verwijzen naar het ‘saaie onderwerp’ van de stadsplanning en zijn voorliefde voor steden als Sao Paulo en Tokio, “and if you know what I mean they’re in a real mess.” Zelf woont Johnson op dat moment in de bossen ver buiten New York. Het wordt hem door het panel voor de voeten geworpen. Hoon is zijn deel. Maar Johnson, ironisch, houdt vol: de steden groeien ongecontroleerd en zijn in verval. Dat verval is in zijn ogen niet te stoppen. Zelfs niet door een dictator. Het enige dat je als architect kunt doen is er een Parthenon in bouwen. Penn Station was zo’n Parthenon. Verder heeft Johnson helemaal niets met het gedachtegoed van Jane Jacobs.

 

Amsterdam is geen zeepbel, maar…

On 12 oktober 2020, in vastgoed, wonen, by Zef Hemel

Afgelopen week college gegeven op de Amsterdam School of Real Estate. Ik vroeg de studenten naar de hoogte van de Amsterdamse woningprijzen. Is dat nou normaal? Ik wist, op 3 september jongstleden kopte Het Parool ‘Huizen zijn terecht duur in Amsterdam’. Het ging om een onderzoek naar Amsterdamse huizenprijzen over de afgelopen vierhonderd jaar, uitgevoerd door drie universiteiten (Rotterdam, Maastricht en UvA). Al in de zeventiende eeuw, stellen de onderzoekers, waren de woningen in Amsterdam extreem duur. So what´s new? En op dit moment wijkt de vraagprijs nauwelijks af van de reële huizenprijs. Er is dus geen sprake van een zeepbel. Het is alleen de lage rente die de prijzen opstuwt en spaargeld dat niets waard is, dus dan investeren mensen graag in stenen. En omdat iedereen dat doet en ook internationale beleggers zich in Amsterdam melden en er relatief maar weinig koopwoningen in Amsterdam te vinden zijn, gaat het hard. Maar misschien wel de belangrijkste reden voor de snel stijgende prijzen is dat het aantal nieuwe banen in Amsterdam veel sterker stijgt dan het aantal woningen. Nog steeds gebeurt dat, want tech doet het ondanks of dankzij Corona juist verbluffend goed. Tech-hoofdstad Amsterdam moet dus blijven bouwen.

Op 20 juni berichtte het FD dat beleggers als Blackstone flink aan het kopen zijn in Amsterdam. Zo hebben de Amerikanen al voor 500 miljoen euro aan woningen in de Amsterdamse binnenstad gekocht. Telkens kopen ze kleine pakketjes van particulieren. Dat lokt weer lokale vastgoedpartijen, die hier een mooie kans zien om snel geld te verdienen: panden verzamelen en er een strik eromheen binden. Probeer er als gewone jongen maar eens tussen te komen. Ook verhuurders bieden graag aan, omdat het moeite kost om huurders te vinden vanwege de hoge huren die moeten worden betaald. Zo vliegen de woningen in pakketjes over de toonbank. Gevraagd naar waarom de Amerikanen juist op het hoogtepunt van de markt in Amsterdam kopen, zeggen ze dat ze dat doen voor de lange termijn. Covid heeft zeker geen invloed op de prijsontwikkeling. Het recente onderzoek van de drie universiteiten geeft ze gelijk. Amsterdam wordt de komende jaren dus alleen maar duurder. Kan Amsterdam dit aan? Ik moest denken aan wat The Economist op 18 januari 2020 schreef: “Far from shoring up capitalism, housing policies have made the system unsafe, inefficient and unfair. Time to tear down this rotten edifice and build a new housing market that works.”

 

Futurisme van de koude grond

On 3 oktober 2020, in technologie, voedsel, by Zef Hemel

Waarom zou de catalogus bij de tentoonstelling ‘Countryside, The Future’ in het Guggenheim Museum in New York zo klein en compact zijn? Is het vanwege Taschen, de uitgever, die ‘countryside in your pocket’ wel mooi bedacht vond en daarom een pocket op de markt wilde brengen? Of is het vormgever Irma Boom, die voor de verandering wel eens een klein boekje wilde maken? Het kan ook de ironie van architect Rem Koolhaas zijn, die het grote onderwerp van het mondiale platteland te lijf wilde met uitgerekend een pocket. We weten het niet. In ieder geval spaart het veel bomen. Het lezen van alle twintig verhalen in het handzame formaat is trouwens zeer de moeite waard. Ik las bijvoorbeeld over de permafrost in Siberië – ‘Thaw’, een uitstekend geschreven verhaal van de hand van Janna Bystrykh -, vervolgens over de grootschalige landbouw in Noord-Dakota – ‘Industrial Farming Blues’, ook al van Bystrykh, maar nu de platte weergave van een interview met zes Amerikaanse boeren en hun vrouwen. Twee huiveringwekkende verhalen zijn het over uit de hand gelopen landbouwpraktijken die onze wereld te gronde richten. In Siberië smelt de bodem en komt op grote schaal methaan vrij, in het Middenwesten van de VS verdwijnen de boeren. Dus daarna wilde ik weten hoe het met ons zou aflopen, want het zag er niet goed uit. Daarvoor las ik het allerlaatste verhaal, van Lenora Ditzler, over ‘pixel farming’.

Helemaal op het eind van de zilverkleurige pocket blijkt de verlossing uit Wageningen te komen. Er is nog hoop. Pixel farming met zwermen robots zou wel eens een uitweg kunnen bieden nu we weten dat alle andere doodlopen. De biodiversiteit kan ermee worden hersteld, het landschap verfraaid, de voedselveiligheid gegarandeerd en de voedselvoorziening van een groeiende wereldbevolking veiliggesteld. Een groep Wageningse ingenieurs van de Farming Systems Ecology Group experimenteert met een radicale herontwerp van agrarische praktijken waarbij robots heel precies het land bewerken en de dodelijke monocultuur doorbreken; op elke akker kunnen talrijke gewassen symbiotisch en productief naast elkaar floreren. Doorgaans is robotics een mannenwereld die niet vies is van monocultuur en die bestaande patronen liefst sterk uitvergroot. De Wageningse groep is anders, ze bestaat voornamelijk uit vrouwen en predikt diversiteit. Ditzler is een van hen. Hun pixel farming gaat over zingeving, gemeenschappen, toegang tot voedsel en technieken, eigenaarschap, zelfs hun robots blijken vrouwelijk. Ze proberen in hun gedrag zo dicht mogelijk de natuur te benaderen. Een geestig verhaal trouwens. Het deed me denken aan de foto op het omslag: drie Russische vrouwen in 1909, staande voor hun houten huis met borden voedsel in hun handen. Vrouwen gaan ons met robots redden. Dat zeg ik, hoopgevend verhaal.

 

Death of American Cities

On 2 oktober 2020, in bestuur, economie, gezondheid, by Zef Hemel

Eerder al schreef ik hier een blog over de penibele situatie in New York als gevolg van de pandemie. Ik noemde de vooruitzichten dystopisch. Afgelopen week zei Richard Ravitch tegenover de New York Times dat de metropool van 19 miljoen inwoners een financiële crisis tegemoet gaat die vergelijkbaar is met die van de jaren ’70. Ravitch was destijds een van de mensen die de boekhouding van de stad weer op orde moesten proberen te brengen. Gisteren kwam de genadeklap: Moody’s Investors Service waardeerde zowel de obligaties van zowel New York City als de staat New York ter waarde van resp. 38,7 en 65 miljard dollar af, van Aa1 naar Aa2. Reden: de economische motor van de Verenigde Staten wordt ongekend hard geraakt door Covid-19. Moody’s verwacht dat het een hele tijd zal duren voordat de metropool er weer bovenop komt. Het slechte nieuws greep burgemeester De Blasio aan om opnieuw hulp in te roepen van Washington. Want geld lenen door de stad wordt nu veel duurder. Maar hulp krijgt hij niet. De zittende president meent dat het een griepje betreft en dat het wel overwaait. Ondertussen heeft hij zelf corona opgelopen. En dat in verkiezingstijd.

De afwaardering komt op het moment dat New York zijn scholen heropent. Het aantal besmettingen in de stad neemt ondertussen toe. Er zijn al 33.000 New Yorkers bezweken aan het virus. In juni jongstleden was het werkloosheidscijfer van de stad opgelopen naar 20,4 procent. Er komt ruim 7 miljard dollar minder binnen bij de gemeente. Die heeft al 22.000 ambtenaren moeten ontslaan. Daarom vraagt de burgemeester 5 miljard aan de gouverneur van de staat New York om de komende twee jaar te overbruggen, maar Cuomo heeft dit al afgewezen. De salarissen van de openbare scholen moeten ondertussen worden betaald, de gezondheidszorg behoeft een injectie en Thanksgiving nadert. Zullen de andere twee rating institutions (Fitch en Standard & Poor) volgen? De komende drie maanden worden cruciaal. Gaan we terug naar de tijd van Jane Jacobs? Haar ‘Death and Life of American Cities’ schreef ze begin jaren ’60. Dat was een heel beroerde tijd voor grote steden als New York. En daarmee voor de hele wereld. Want wie zijn grote steden niet koestert kan ze ook niet meer afromen.

 

Toen de schrijver Herman Vuijsje in 2003 een lange voettocht door het landschap rond Amsterdam maakte, was zijn grote zorg het verdwijnen van het omringende groen. “De stadsplanners van de twintigste eeuw hebben ons een compacte stad nagelaten, omringd door een gordel van smaragd van waaruit groene vingers diep het stedelijk weefsel binnendringen.” Volgens hem stond die groene erfenis op het spel. Van zijn verslag van “een ontdekkingsreis langs de groene grens van Amsterdam” verscheen een aardig boekje, dat ‘Schuifgroen’ als titel droeg. De titel verwees naar’ schuifkaas’, een aanduiding uit de arme Amsterdamse jodenbuurt voor een stukje kaas dat je bij iedere hap een stukje naar achteren schoof. Elke keer hapte je ernaast, en even makkelijk kon het op de grond vallen en was je het kwijt. Met andere woorden, het was een teken van armoede en stil verlies. Dat kon, aldus Vuijsje, ook met het groen rond Amsterdam gebeuren.

Vuijsje begon te lopen vanuit Durgerdam. Tegen de klok in boog hij rond de hoofdstad. Aangekomen bij Nieuw-West schrok hij zich een hoedje. Het landelijke gebied leek hier nog het meest op België. Zijn conclusie: de Osdorper polders zijn jarenlang verwaarloosd en vergeten in zowel planologie als handhaving. Ook in de toekomst zag het er in zijn ogen somber uit. Een Westrandweg zou dwars door het open polderlandschap snijden. “Midden in de Lutkemeer, groot 220 hectare, komt een groot bedrijventerrein.” (Dat komt er nu, vijftien jaar later, alsnog, maar dan zonder de snelwegafslag) De vrolijke toekomstplannen voor polder De Eendracht – de noordelijke polder van de Tuinen van West – vertrouwde hij niet. Deze beloofden ‘een geheel verzorgde reis naar fantasyland’. Afgelopen zondag was ik er. Ik ging naar Fruittuin van West en nam een kijkje bij Mijn Stadstuin, waar Inge Slothouber mij gastvrij op haar prachtige tuin ontving. Ik was niet alleen. Er genoten zoveel mensen, die fruit plukten, een glaasje dronken en onbespoten aardappelen kochten. Inge stookte een vuur, bakte eigen gekweekte paddenstoelen en schonk ons appelcider. Het rook er heerlijk, het was windstil. Een feest was het. Ik heb op Herman Vuijsje het glas geheven.

 

Het virus en de stad

On 29 september 2020, in kunst, by Zef Hemel

Wij mensen denken vooral in termen van verlies, zelden van winst. Zo ook als het gaat om Corona en wat het virus doet met de stad. Neem de Amsterdamse binnenstad. Natuurlijk is er sprake van verlies. Cultuur lijdt onder de maatregelen, laat daar geen twijfel over bestaan. Bedrijven staan op omvallen. En sommige mensen kiezen ervoor om de stad uit te vluchten. Maar nu er een toekomstvisie voor de binnenstad ligt (‘Een nieuwe historische binnenstad’, oktober 2019), hoef je niet alleen maar problemen te zien, maar ook nieuwe mogelijkheden. De visie spreekt van nieuw ondernemerschap en nieuwe publieken in ruimtes die leeg zullen komen. Aangezien de toeristen nog veel langer weg zullen blijven en veel toeristisch georiënteerde bedrijven het loodje leggen, kunnen ineens nieuwe functies in de binnenstad een plaats krijgen, ook al is het maar tijdelijk. Vandaag liep ik weer eens door de binnenstad. De hele bloemenmarkt was leeg en verlaten. Wat zou hier niet allemaal mogelijk zijn? En bij de Heineken Experience stond nog altijd geen lange rij, sterker er meldde zich niemand. Wat zouden we in dit kolossale gebouw niet allemaal kunnen doen? Ik kwam er ook op door het lezen van een artikel in NRC Handelsblad van 17 september jongstleden. In Berlijn gebeurt het al. Waarom niet in Amsterdam?

De beroemde Berlijnse technoclub Berghain is door het virus buiten werking gesteld, het is verschrikkelijk. Net als in Amsterdam ligt het Berlijnse nachtleven al zes maanden op zijn gat. Berghain heeft het opgegeven. Op de gevel van prijkt nu in grote letters de leuze ‘Morgen ist die Frage’. Het is werk van Rirkrit Tiravanija. Binnen is werk te zien van 117 Berlijnse kunstenaars. De eigenaar benaderde de kunstverzamelaars Christian en Karen Boros om delen van hun collectie in de verlaten club tentoon te stellen. Het echtpaar had nog een beter idee. Ze verkozen nieuw, onbekend werk en gingen liefst zestig ateliers bij langs van kunstenaars uit de stad om het beste uit te zoeken. ‘Studio Berlin’ brengt alles bij elkaar. Binnen is het spookachtig donker, de grootste ruimte meet achttien meter hoog, je kunt er zelfs werk van Olafur Eliasson bekijken, want ook hij heeft zijn atelier in Berlijn. De hele kunstproductie van een grote stad anno 2020 is hier op één spannende locatie te vinden. Het is een simpel idee, en het is briljant uitgevoerd. Correspondent Juurd Eijsvoogel noemt het een ‘coronanoodsprong’. Ik noem het een groot geluk en een investering in de toekomst. Ook iets voor de Amsterdamse binnenstad? In naam van de kunst en het experiment, waar blijf je, Amsterdam?

 

Kanteljaar 1977

On 28 september 2020, in politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Interessante Amsterdam-bijlage van het jubilerende NRC Handelsblad. Om vijftig jaar NRC te vieren wijdden twee redacteuren afgelopen zaterdag 26 september elk een artikel aan het Amsterdam van 1970, het jaar waarin de fusiekrant voor het eerst het licht zag. Zowel Bernard Hulsman als Kester Freriks schrijft over het beslissende ‘kanteljaar’ 1970. De term is afkomstig van Geert Mak, die 1970 bestempelde als het jaar waarin de inwoners van Amsterdam zich begonnen af te vragen van wie de stad nu eigenlijk was. Volgens Hulsman was Amsterdam destijds ‘een zieke stad’, Freriks spreekt liever van een ‘roemruchte periode vol protest en verandering’. Hij laat ex-kabouter Roel van Duijn aan het woord, die spreekt van ‘een expressieve, vrolijke stad’ waar bewoners tegels lichtten om buurt-, gevel- en schooltuinen aan te leggen. In beide verhalen spelen het Waterlooplein en het aangrenzende Mr. Visserplein een grote rol. In 1970 is daar de oude Jodenbuurt gesloopt, de IJtunnel geopend, de metro naar de Bijlmer wordt aangelegd. Terwijl Amsterdammers vrolijk tegels lichten en geveltuintjes aanleggen gaapt er een onwaarschijnlijk groot gat aan de oostkant van de binnenstad. Daar kantelt de stad.

In 1954 hadden B&W besloten om op het eiland van Vlooienburg een nieuw stadhuis te bouwen. Daarna begon het slopen. In 1970 is eindelijk alles er met de grond gelijk gemaakt. In de leegte rijst aan de Jodenbreestraat het Maupoleum van Piet Zandstra op, dat zijn voltooiing nadert. Even eerder, in 1968, was een internationale prijsvraag uitgeschreven voor het nieuwe stadhuis. Had Hulsman de memoires van Max van den Berg gelezen (‘Jongens, maak het maar mooi’, 2016), dan had hij geweten dat Amstel 1 op dat moment nog overeind staat, want daar vergadert de jury. Achthonderd inzendingen hangen langs de muur. Op 22 november 1968 wijst de jury de Oostenrijkse architect Holzbauer aan als winnaar. Hierop brandt een hevige discussie los onder Amsterdamse architecten. Het gemeentebestuur zwicht niet en Holzbauer koopt een huis aan de Staalkade. In 1970 sneuvelt zijn plan alsnog. Niet omdat het een kanteljaar betreft, maar omdat Amsterdam artikel 12-gemeente is en premier Van Agt, pardon De Jong, niet bereid blijkt mee te betalen. Het antwoord op de vraag van wie Amsterdam destijds was, luidde dus: de Nederlandse regering. Het gat blijft nog jaren de Amsterdammers aangapen. Pas in 1977 kan Amsterdam weer over zijn eigen begroting beslissen. Dan stelt Holzbauer voor om het stadhuis met de opera te combineren. Dat is dus het echte kanteljaar. Pas daarna wordt het beter.