Een nieuwe taal voor bouwen

On 22 maart 2022, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Afgelopen week is de Brits-Amerikaanse architect Christopher Alexander op 85-jarige leeftijd overleden. Alexander brak door met ‘A Pattern Language’ (1977). Het boek wilde een nieuwe taal aanreiken voor bouwen en planning. Want een gemeenschappelijke taal, aldus Alexander, hebben we nodig om elkaar te verstaan bij het ontwikkelen van onze steden en dorpen. Let op, het gaat niet om de ontwerpen, plannen of beelden, maar om de woorden, begrippen en verhalen. Zijn doel: een democratische planning waarin burgers volwaardig participeren. Een taal is levend, verandert dus voortdurend, kan door iedereen naar eigen inzichten worden gekneed. En een taal deel je met anderen opdat iedereen elkaar kan verstaan. Alexander schreef ‘A Pattern Language’ in de hoop dat mensen zich de nieuwe taal zouden aanleren en verbeteren, waardoor het bouwen en plannen tot iets gemeenschappelijks wordt, niet iets uitsluitend van bestuurders, architecten, ontwikkelaars, bureaucraten. Dat is hem niet gelukt. Toch is zijn boek nog altijd een van de best en meest gelezen architectuurteksten die ooit zijn geschreven.

Na ‘A Pattern Language’ zou nog ‘The Oregon Experiment’ (1975) verschijnen. Daarin vertelt Alexander over zijn vernieuwende aanpak bij de planning van de campus in Eugene van de plaatselijke universiteit. Je kunt het boek nog altijd gratis downloaden. Het leert je precies hoe je volwaardige participatie van alle betrokkenen kunt regelen. Het is, net als ‘A Pattern Language’ zeer de moeite van het bestuderen waard. Zes principes worden onderscheiden: “organic order, participation, piecemeal growth, patterns, diagnosis, coordination.” Zoals iemand schreef: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, streets, and communities. This idea may be radical (it implies a radical transformation fo the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.” In de Nederlandse bouwpraktijk zijn we verder verwijderd van het gedachtegoed van Alexander dan ooit. Men pleit zelfs voor een nieuwe Vinex. Wie pleit er voor eerherstel van Chris Alexander?

 

4’33”

On 15 maart 2022, in ethiek, filosofie, muziek, by Zef Hemel

Tijdens het lezen van ‘Where the heart beats’ (2013), de biografie over John Cage, greep ik keer op keer naar mijn eigen boek over visionaire planologie om delen ervan te herlezen. Er was zoveel dat ik herkende. Had ik het boek maar eerder gelezen. De Amerikaanse componist John Cage (1912-1992) verdiepte zich in het Zen boeddhisme en schreef muziek die enorme vrijheid liet en waarin stilte steeds meer naar de voorgrond drong. Het experimenteren en leren mondde bij hem uit in zijn compositie 4’33”. Hij liet het stuk voor het eerst spelen in Woodstock, augustus 1952. Kay Larson gebruikt 250 bladzijden tekst om bij die première uit te komen. Het concert werd een compleet schandaal. Mensen voelden zich bekocht. Mooi hoe Kay Larson de ontvangst en de ontwikkelingen daarna beschrijft. “The basic message of Silence seems to be that everything is permitted.” Maar ook knap hoe hij de onbegrepen compositie uitlegt en in het licht plaatst van het Zen Boeddhisme van de grote Daisetz Suzuki. Pas dan begin je het te begrijpen. Cage: “It opens you up to any possibility only when nothing is taken as the basis.”

Als je je wil niet oplegt aan anderen of aan de dingen, dan schep je een enorme vrijheid, je creëert een geweldige ruimte, ook voor anderen. Pas als je verantwoordelijkheid neemt voor je eigen problemen, kun je werkelijk in verbinding staan met anderen. Daarvoor hoef je niets te doen, geen handen uit de mouwen te steken, geen daadkracht te tonen, “you will simply be yourself.” Planologen zouden zich dit aan moeten trekken. Ze zouden minder hun spierballen moeten laten rollen en veel beter luisteren, vragen stellen, stilte koesteren, niet oordelen, opereren vanuit het niet-weten. “”We observe that 4’33” is always itself, and it’s always wide open to everything. This apparent paradox is actually the piece’s perfection.” Het was ook waarom Cage zo van Satie hield, die hij beschouwde als een soort Zen-meester. Erik Satie hechtte nergens aan, was een onafhankelijke geest, geloofde niet in techniek of methode, drong zich niet op, trok zich niets aan van kritiek, maakte zich niet druk om schandalen. De muziek die hij componeerde beschouwde hij ook niet als kunst. “Satie appears at unpredictable points springing always from zero.” En bij nul, dat is waar het hart klopt. Satie en Cage zijn ook nu nog inspirerend.

 

Seeking silence

On 10 maart 2022, in muziek, wonen, by Zef Hemel

Over John Cage (1912-1992) gesproken. De geniale maar straatarme Amerikaanse componist verhuisde in 1942, dertig jaar oud, van Los Angeles naar New York. Arm als hij was, ging hij in Hudson Street, Tribeca, wonen, de straat waar vijf jaar later ook de schrijfster Jane Jacobs met haar man zouden neerstrijken. Maar in 1946 verhuisde Cage alweer, kort na de scheiding van zijn Xenia. Ik las erover in ‘Where the heart beats. John Cage, Zen Buddhism, and the Inner Life of Artists’ (2013) van Kay Larson. Cage trok naar Monroe Street, vlak bij Grand Street en de East River. Daar vond hij een ruimte bovenin een oud, donker, ‘onmogelijk’ industrieel gebouw, “a wreck of a place.” Maar het voldeed aan zijn eisen: groot, licht en goedkoop. Bovendien was hij in die jaren juist op zoek naar stilte. Hij en zijn vrienden noemden het Bozza Mansion (Bozza heette de verhuurder). Larson: “Cage punched windows into the walls, opening up a dramatic vista of the East River. Het stripped the interior, painted everything white, and added a kitchenette and bathroom.” Hij schreef er o. a. Sonatas and Interludes. Harper’s Bazaar kwam kijken.

Ook Morton Feldman, die regelmatig bij Cage over de vloer kwam, beschreef het appartement: “Two large rooms, with a sweeping expanse of the river encircling three sides of the apartment. Spectacular. And hardly a piece of furniture in it.” Er stond inderdaad alleen een lage marmeren tafel met enkele Japanse kussens erop, een paar potten met planten en een Steinway piano. De beeldhouwer Richard Lippold bleek de buurman. Die leefde daar samen met Ray Johnson. Larson: “Bozza residents flowed down the hallways and into each other’s studios.” En wat schreef Harper’s Bazaar? Het tijdschrift noteerde dat Cage “has launched a trend in living: Artists, musicians, and writers are beginning to invade slum and industrial districts bordering on the lower East River.” Dertig jaar later, in 1981, verscheen ‘Loft Living: Culture and Capital in Urban Change’ van de Amerikaanse socioloog Sharon Zukin. In haar monumentale boek typeert ze het complex van beroepen, winkels en bewoners dat verwijst naar de smaak van kunstenaars als Cage – een nieuwe sociale laag van goed verdienende professionals en medewerkers van de hoogwaardige diensteneconomie – als de ‘arts infrastructure’ in New York tijdens de de-industrialisatie. Cage, met andere woorden, tekende met zijn armoede voor het begin van de wereldwijde trend van grootstedelijke gentrificatie. Is dit ironie?

Tagged with:
 

Burgers hebben het gemakkelijker

On 3 maart 2022, in politiek, by Zef Hemel

Na afloop van mijn korte inleiding vroeg de moderator mij of ik aan de aanwezige politici een vraag wilde stellen. Ik vroeg ze of ze, wanneer ze na de gemeenteraadsverkiezingen bij de formatie betrokken zouden worden, bereid waren een collegeprogramma op te stellen dat niet meer een reeks van beloftes zou inhouden, maar een heldere analyse van wat er volgens hen aan de hand is in de stad, gevolgd door een open vraag: wie wil helpen deze vraagstukken op te lossen. Stadsontwikkeling is immers het samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en burgers. Het was de kern van mijn betoog in het oude Muiderpoorttheater in Amsterdam Oost waar die avond de verkiezingskoorts was losgebarsten. Vier lijsttrekkers (GroenLinks, PvdA, VVD en D66) spraken over wonen en stadsontwikkeling. Over dat laatste ging mijn inleiding. Ik sprak over hoe we met elkaar de dingen doen in de stad, niet over wat we zouden moeten doen. Mijn stelling was: terwijl de bevolking van Amsterdam sterk van samenstelling en karakter is veranderd, verandert de gemeente niet of nauwelijks mee. Het is nog altijd besluitvorming, projectmanagement, poging om de boel onder controle te houden. Zie de overheid worstelen. Ondertussen zijn Amsterdamse burgers hoogopgeleid, mondig, buitengewoon divers, multicultureel: die verwachten een andere overheid. Het enige wat de gemeente in het recente verleden deed was stadsdelen instellen, die het vervolgens weer opdoekte. Het wordt tijd dat de gemeente zijn werkwijze ècht verandert.

Bijval kwam er niet, maar dat had ik ook niet verwacht. Eerder was sprake van verwarring. GroenLinks vond dat er in de gemeentelijke werkwijze wel degelijk veel was veranderd. Er was immers tegenwoordig volop gelegenheid tot participatie. Toen daarbij verwezen werd naar de mogelijke vestiging van een eroscentrum in De Eenhoornbuurt, werd geantwoord dat dit slechts een van de negen mogelijke locaties betrof en dat de buurt zeker nog gehoord zou worden. Vroeger zou de gemeente gewoon een plek hebben aangewezen. En de omstreden windmolens bij IJburg dan? Dat moet nu eenmaal van het rijk, antwoordden een aantal partijen, waarbij GroenLinks aantekende dat de partij dit ook zelf wil: de stad moet zijn energievoorziening verduurzamen. Een collegeprogramma zonder beloftes kan gewoon niet, daarover waren alle partijen het met elkaar eens. De oppositie zou er de vloer mee aanvegen. Zo werkt nu eenmaal de gemeentepolitiek. Na afloop sprak ik aan de bar met een bezoeker die medelijden had met de aanwezige politici. Zij kunnen, merkte hij op, niet vrijuit spreken, ze zitten vast in hun beperkte rol. Datzelfde geldt voor de ambtenaren. Burgers hebben het veel gemakkelijker.

Tagged with:
 

Verticale groei in Frankfurt

On 21 februari 2022, in ruimtelijke ordening, wonen, by Zef Hemel

Net als met Seattle, Austin en Tel Aviv is Amsterdam goed vergelijkbaar met Frankfurt. Al deze steden groeien razendsnel. De Duitse stad aan de Main telt op dit moment 740.000 inwoners, is dus iets kleiner dan Amsterdam. Maar de economie draait er als een tierelier. Meer nog dan de Nederlandse hoofdstad profiteert ze van de Brexit. Frankfurt is met de Europese Centrale Bank dan ook een absoluut financieel centrum. Daarnaast telt de stad veel techbedrijven en universiteiten. En het vliegveld van Frankfurt is een echte continentale hub, vergelijkbaar met de Amsterdamse luchthaven. Ten slotte, Frankfurt bevindt zich in een zwaar verstedelijkt gebied in het hart van Duitsland; Regionalverband Frankfurt telt evenveel inwoners als de Metropoolregio Amsterdam: 2,5 miljoen. En dat Regionalverband is weer genesteld in de Frankfurt Rhine-Main Region, groot 6 miljoen inwoners. Een soort Randstad dus. Net als Amsterdam is Frankfurt daarbinnen de onbetwiste trekker. Men verwacht dat de stad tot 2030 groeit met bijna 200.000 nieuwe inwoners. Dat zet stevige druk op de woningmarkt. Is Frankfurt duur om in te wonen? Nou en of! Veel duurder nog dan Amsterdam. Maar de inkomens zijn ook beduidend hoger.

De groei van Groot-Frankfurt wordt door uitstekende ruimtelijke planning begeleid. Net als de unieke scheggen- en lobbenstadstructuur van Amsterdam koos Frankfurt al in 1925 voor een stadsvorm die landschappelijk zorgvuldig is ingepast en gelimiteerd. De stad wordt omgeven door bossen, beken, dorpen en rivieren die zijn opgenomen in een groengordel van circa 8.000 hectare in een zeventig kilometer lange band rond de stad is getrokken. In 1991 werd de gordel bestuurlijk in een niet-bindende constitutie vastgelegd. Als er al aan het groen wordt getornd, dan moet dit elders worden gecompenseerd. Het weerhoudt de stad er niet van om stevige woningbouwambities te hebben. De nieuwbouw slaat vooral neer in het stadscentrum en in het westen en zuiden. Zo werden er in 2018 7.329 nieuwe woningen in aanbouw genomen, het jaar erna 6.000. Men schat het tekort echter op zeker 50.000 appartementen, en tegen 2030 zou dit wel eens kunnen zijn verdubbeld. Vooral het aantal huishoudens groeit snel: een groei van 32 procent tussen 2005 en 2035 – veel meer dan de 10 procent die andere snelgroeiende Duitse steden kennen. Veelal gaat het om expats. En daklozen? Na de financiële crisis kreeg ook Frankfurt te maken met mensen die in tenten sliepen op straat, in 2020 ging het om circa 200 daklozen, ze waren veelal afkomstig uit Oost-Europa, in heel Duitsland een groei sinds 2014 van liefst 150 procent. Bankslapers worden sinds 2017 in Frankfurt beboet.

 

Op de ruïnes van het kapitalisme

On 20 februari 2022, in boeken, duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

We leven in het Antropoceen, dat wil zeggen: op de ruïnes van het kapitalisme. Daar moeten we zien te overleven. De Amerikaanse antropoloog Anna Lowenhaupt Tsing (69) schreef er een fascinerend boek over. Ik las het met ingehouden adem. Haar ‘The Mushroom at the End of the World’ (2015) vormt een gedetailleerde beschrijving van landschappen die door het kapitalisme nog niet zo lang geleden werden geëxploiteerd, leeggezogen en daarna verlaten. Wat komt ervoor in de plaats? Ze voert de lezer mee door de bossen van Japan, Oregon, Verenigde Staten, en Yunnan, China, en laat zien wat er met deze verwoeste landschappen is gebeurd, wie ze bevolken, hoe de mensen er leven. Een kleine paddenstoel – mitsutake – is haar gids. Die gedijt uitgerekend waar bosbouwers en internationale houthandel ecosystemen hebben verstoord. Mitsutake kun je niet kweken, verschijnt onregelmatig, leent zich dus niet voor commerciële exploitatie. Maar in Japan is men er dol op. Daar is het iets wat je anderen geeft als geschenk. Haar matsutake zette haar op het spoor van een vorm van samenleven tussen planten, dieren en mensen die wèl duurzaam is en die we, ondanks het kapitalisme, zouden kunnen beproeven. Vandaar de ondertitel: “On the Possibility of Life in Capitalist Ruins”. Maar het zal niet eenvoudig zijn. Om een lang verhaal kort te maken: hoop is er wel, maar de toekomst is anders dan wat je zou verwachten. Verplichte kost voor alle planologen, zeker als die zich met het Nederlandse platteland bezighouden.

Eén ding is zeker. Vooruitgangsgeloof zullen we moeten loslaten, stabiele ecosystemen bestaan niet, plannen zijn zinloos, onze kwetsbaarheid als het gaat over de toekomst moeten we accepteren. “Precarious living is always an adventure.” Kan planologie dan nog wel bestaan? Veel van wat ik in ‘Er was eens een stad’ (2021) als visionaire planologie beschrijf vond ik in haar boek terug: afscheid nemen van maakbaarheidsdenken, in plaats daarvan scherp observeren, ook oog hebben voor planten en dieren, alle zintuigen goed gebruiken, wetenschappelijke kennis met lokale lekenkennis combineren, vrijwilligers laten participeren, wederzijds leren (“do, think, observe, and do again”), geduld bewaren, vertragen, bescheiden zijn, procesgericht zijn, niet weten waar de wereld naar toe gaat, verhalen vertellen, gevoelsmatig bewegen en vooral: “the joy of doing things together with other people”. In de Japanse bossen ontdekte ze duizenden groepen jonge mensen die het verwoeste platteland weer proberen te revitaliseren en die daarvoor het herstel van de matsutake als uitgangspunt nemen. Daar zit de hoop, in zoiets als het tijdelijk hervinden van de ‘commons’. “No one thinks matsutake will bring Japan back to its pre-bubble glory. Rather than redemption, matsutake-forest revitalization picks through the heap of alienation. In the process, volunteers acquire the patience to mix with multispecies others without knowing where the world-in-process is going.”

 

Verhalen als strategie

On 20 februari 2022, in film, planningtheorie, politiek, by Zef Hemel

Afgelopen week gaf ik gastcollege op de Erasmus Universiteit in Rotterdam in het Masterprogramma City Developer (MCD). WouterJan Verheul had me uitgenodigd. Onderwerp: verhalen vertellen als strategie in de omgang met complexe systemen. Steden, stelde ik, zijn van nature complex, dat betekent dat niemand er werkelijk greep op heeft, ook de gemeente niet. Wat kun je dan het beste doen? Een van de mogelijkheden is toekomstverhalen vertellen. Als voorbeeld noemde ik de binnenstadsvisie van Amsterdam die ik in 2019 voor de burgemeester maakte. We bespraken de kracht van mijn toekomstverhaal en hoe met name de gemeente er daarna mee was omgegaan. Daarbij kwam de vraag op of een overheid wel gevoelig is voor verhalen. Denkt ze niet alleen in macht? Na afloop kwam een cursist op me af, die vroeg of ik The Angel (2018) had gezien. Dat had ik niet. Thuis bekeek ik de film op Netflix. Hij is gebaseerd op het waargebeurde verhaal over een Egyptische (dubbel)spion die voorafgaand aan de Oktoberoorlog van 1973 president Assad adviseerde. De geschiedenis werd opgetekend door Uri Bar-Joseph in ‘The Angel: The Egyptian Spy Who Saved Israel’. Wie meer over de achtergronden wil lezen, raadplege Le Monde Diplomatique van 8 oktober 2018. Dat artikel schetst goed de politieke dimensies van de film en hoe het script zich verhoudt tot boek en geschiedschrijving in zowel Israël als Egypte.

Wat leerde mij The Angel? Of, waarom moest ik de film eigenlijk zien? De strategie van hoofdpersoon Ashraf Marwan (gespeeld door de Nederlandse acteur Marwan Kenzari) in het geraffineerde dubbelspel tussen de aartsvijanden Egypte en Israel blijkt ontleend aan een fabel van Aesop die Marwan niet alleen aan zijn zoontje voor het slapen gaan vertelt, maar ook aan president Anwar al-Sadat. Het gaat als volgt. In ‘De jongen die wolf riep’ moest een zoontje van zijn vader op de schapen passen. Als er een wolf kwam, moest hij heel hard ‘wolf!’ roepen. Het jongetje was ondeugend en sloeg driemaal vals alarm. Toen hij voor de vierde keer ‘wolf’ riep, luisterde zijn vader niet meer. Dat, aldus Marwan, moest de strategie van Egypte worden bij het terugveroveren van de Sinaï die ze was kwijtgeraakt in de zesdaagse oorlog van 1967. Tegen de Mossad speelde hij het spel door driemaal vergeefs voor een Egyptische invasie te waarschuwen. En nog een vierde keer, nu tegen het hoofd van de Mossad persoonlijk. Dit keer viel Egypte de Sinaï wèl binnen. Volgens Israelische regisseur Ariel Vromen was Marwan integer en heeft hij met zijn verhaal enorm veel doden voorkomen. Het verhaal van de jongen die wolf riep is oud (620-560 voor Christus). In 1973 bleek het nog verrassend vitaal. Planologen, leerde ik opnieuw, moeten net als Marwan verhalen vertellen. En machthebbers zijn er wel degelijk gevoelig voor. De kracht was in werkelijkheid zelfs zo groot dat de echte Marwan in 2007 in Londen werd vermoord, althans dat is het vermoeden van de politie. Nu maar hopen dat mijn binnenstadsvisie niet als bedreigend wordt ervaren. Gelukkig kun je hem ook negeren.

 

De puzzel rond het datacenter van Facebook in Zeewolde is eindelijk opgelost. Dit weekeinde publiceerde De Volkskrant nieuwe achtergronden: het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), dat is het agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat buitenlandse bedrijven naar Nederland haalt, lokte Facebook vanuit Silicon Valley naar Flevoland. Het schreef alle zes Flevolandse gemeenten aan met het verzoek om 166 hectare te leveren. Met wat hulp van ingenieursbureau Arcadis kwam de locatie Zeewolde uiteindelijk uit de bus. Daarna verleende het agentschap aan Facebook alle benodigde diensten. De minister van EZ regelde zelfs persoonlijk een aansluiting op het elektriciteitsnet. Gemeente Zeewolde, wilt u hier even tekenen? Toen pas kwam de pers. Wat de krant niet vermeldt is dat de internetknoop in Amsterdam zit en dat de metropoolregio Amsterdam in zijn ruimtelijke beleid de vestiging van datacenters aan banden had gelegd, dus NFIA moest buiten de hoofdstad zijn gemene zaakjes regelen. En Flevoland, dat beschouwt het rijk nog altijd als haar kolonie; het ministerie van de Waterstaat heeft haar immers nog niet zo lang geleden drooggelegd en ingericht. Daar kun je ten slotte ook vliegvelden bouwen. Dus waarom geen reusachtig datacenter?

Waarom deed het ministerie van Binnenlandse Zaken helemaal niets? Bij dat ministerie zit immers Ruimtelijk Ordening. BZK deed niets omdat het niets meer kon. De decentralisatie van de ruimtelijke ordening die in 2004 zijn beslag kreeg gaf met name het ministerie van Economische Zaken vrij spel. Dat had last van ruimtelijke ordening op rijksniveau. Zoals ik in ‘Er was eens een stad’ (2021) al schreef wilden de regeringen Balkenende destijds alle hindernissen voor economische groei definitief opruimen. De Rijksplanologische Dienst werd opgeheven. Na 2000 ontstond er aldus een groot speelveld voor het Nederlandse bedrijfsleven, dat zich zonder veel planologische bemoeienis in alle corridors kon vestigen, met een ministerie van EZ dat alles regelde. Afwegingen op rijksniveau werden niet meer gemaakt. Economische groei was het enige wat telde. Ook binnen Rutte I, II en III was EZ feitelijk de baas over Nederland. Gaat Binnenlandse Zaken, nu het in Rutte IV weer met ruimtelijke ordening is belast, een echte tegenspeler van Economische Zaken worden? Dat is nog maar de vraag. Als het departement zich alleen op die 1 miljoen woningen gaat richten niet. Wel als het met de Nationale Omgevingsvisie in de hand het ministerie van EZ aan banden gaat leggen.

 

Woningnood? Opletten!

On 18 februari 2022, in wonen, by Zef Hemel

Het mantra ‘Eén miljoen woningen erbij in tien jaar’ doet het goed en heeft de vaderlandse politiek definitief wakker geschud. Verhalen over dakloosheid en zakkenvullende beleggers doen de rest. Er is weer een heuse minister van Wonen. Maar kijk uit, de wooncrisis verandert snel van karakter. Het woningtekort in Nederland, ontstaan in de financiële crisis, is al flink ingelopen. Dat komt deels door een verminderde bevolkings- en huishoudensgroei, maar zeker ook door de stevige woningproductie, waardoor tijdens de pandemie veel achterstand is weggewerkt. In 2020 nam de woningvoorraad met liefst 75.000 woningen toe en ook in 2021 groeide deze aanzienlijk: 69.000 (CBS). In 2022 worden 72.000 nieuwbouwwoningen verwacht, ondanks de stikstofcrisis. Vooral in de zone langs de A2 van Amsterdam tot Eindhoven worden relatief veel woningen gebouwd, de meeste in Amsterdam. Het statistische woningtekort is nu nog maar 3,5 procent, zeg een kleine 300.000 woningen. Is die nieuwe minister van Wonen nog wel nodig? Ja toch wel.

Neem de prognoses en scenario’s van ABF Research ‘Vooruitzichten bevolking, huishoudens en woningmarkt 2021-2035’ (juni 2021) en lees mee. Alleen voor een paar regio’s zou hulp van het kabinet, ondanks het slinkende tekort, uitkomst kunnen bieden. Want daar is woningnood nog altijd zeer nijpend, met extreme prijsstijgingen tot gevolg. Dan gaat het om Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Het tekort blijft daar meer dan vijf procent. En dat zal de komende jaren niet slinken. Amsterdam, Den Haag en Utrecht blijven groeien, zowel in inwoners en als in huishoudens. Dat komt door de zeer jonge bevolking die daar is samengetrokken, waardoor veel kinderen worden geboren. Bovendien is de buitenlandse migratie vooral op deze steden gericht. En de economie groeit er het snelst. In alle scenario’s is de toename in de noordelijke Randstad in absolute aantallen het hoogst. De problemen met infrastructuur, bedrijfsverplaatsingen en grondsaneringen moeten daar echt worden aangepakt. De rest van Nederland vergrijst. Zwolle, Maastricht en Heerenveen bijvoorbeeld kampen nauwelijks nog met tekorten. Zulke kleine tekorten helemaal wegwerken is zelfs gevaarlijk. Er hoeft maar iets te gebeuren of de boel staat leeg. In ieder geval moet gevreesd worden voor flinke waardedaling. De gemiddelde Nederlander leeft nu op 65 vierkante meter woonruimte, dat is meer dan waar ook in Europa. Als ik minister van Wonen was, dan wist ik het wel.

 

Ruimtelijke ordening in Seattle

On 18 februari 2022, in wonen, by Zef Hemel

Nog een stad die zich goed vergelijken laat met Amsterdam: Seattle. Deze tech-stad aan de westkust van de Verenigde Staten is al jaren in economisch opzicht zeer succesvol. De stad huisvest onder andere het hoofdkantoor van Amazon en Starbucks, maar ook van Microsoft, Boeing, Expeditors en Colliers International. De bevolking groeide de afgelopen tien jaar met liefst 21 procent. Dat groeicijfer is vergelijkbaar met Amsterdam. Amsterdam is alleen nog iets groter: 873.338 inwoners, tegenover de 725.000 van Seattle. Is er ook sprake van een woningcrisis in Seattle? Nou en of. Prijzen van woningen schieten daar omhoog. Er werden in het wilde weg woningen gebouwd. Sinds 1990 kent de staat Washington daarom ‘Growth Management’ (GMA). Dat is een vorm van regulering van het regionale grondgebruik die extreme vormen van suburbanisatie probeert uit te bannen en die verdichting van de bestaande bebouwing wil bevorderen. Juist door de middenklasse in de suburbs werd om zulke ruimtelijke ordening met duidelijke begrenzingen gevraagd. Aanleiding waren het snelle verlies van bossen, rivierstromen (vol zalm), verkeerscongestie en stijgende woningprijzen. Sindsdien groeit kernstad Seattle, ten koste van de suburbs waar de groei is geluwd. Dus terwijl in Nederland de ruimtelijke ordening overboord werd gezet, werd ze in Washington ingevoerd.

Wat is de actuele discussie in Seattle en hoe staat het daar met Growth Management? Het grondgebied binnen de grenzen van de GMA is sinds 1990 aardig volgebouwd. Niettemin houdt de bevolkingsgroei aan en blijven de woningprijzen stijgen. Er wordt daarom gepleit voor aanpassing van de contouren van de GMA. Tegelijkertijd dringt het besef door dat door klimaatverandering een nieuwe situatie ontstaat. De randen van Seattle liggen aan de kust en worden in hun voortbestaan bedreigd. De stad zelf zou nog flink kunnen groeien want de 84 vierkante mijl die ze beslaat zijn vergelijkbaar met die van steden als Parijs en Barcelona. Een miljoen bewoners erbij is denkbaar. Maar dat betekent wel verdere verdichting: hoogbouw en einde aan het verbod op de bouw van appartementen in grote delen van de stad. Verdere aanscherping van het ruimtelijk beleid wordt daarom bepleit. En de woningcrisis? Seattle bouwt stevig door en de huren lijken te stabiliseren. Niettemin blijft het daklozenprobleem groot. “Seattle is under siege”, schreef City Journal in 2018. Voor een linkse stad was dat een schande. De burgemeester maakt er sindsdien werk van. Er zijn nu zeven ‘permitted villages’ in de stad van tiny houses speciaal bedoeld voor opvang van daklozen, maar de kampementen in de parken zijn er nog steeds. De naweeën van de financiële crisis zijn hier nog altijd voelbaar.