Clay City

On 29 januari 2019, in cultuur, onderwijs, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in de Academie voor Bouwkunst te Amsterdam op 25 januari 2019:

Bron: Academie van Bouwkunst Amsterdam

De jaarlijkse Winterschool van de Amsterdamse Academie voor Bouwkunst mondde deze keer uit in één reusachtige maquette van een imaginaire metropool. De maquette, liefst 80 vierkante meter groot, stond afgelopen vrijdagmiddag opgesteld op de binnenplaats aan het Waterlooplein, in de open lucht onder de grote boom. Het idee voor de gezamenlijke maquette was afkomstig van de Russische artist-in-residence Alexander Brodsky (1955). Zijn opdracht aan de 140 internationale studenten was een stad van klei te bouwen door eerst in groepjes losse bouwwerken op schaal te fabriceren, om die op het laatst bij elkaar te voegen tot één grote compositie; het moest gaan om architecturen die elk van de studenten kent en bewondert, steeds uit één soort klei geboetseerd, helemaal vanuit het geheugen, waarbij een stempel van de raamopeningen een min of meer uniforme schaal of beeld garandeerde. De combinatie van klei, stempel en geheugen leidde uiteindelijk tot het Gesamtkunstwerk op de binnenplaats dat iedereen die vrijdagmiddag diep ontroerde. Brodsky had brede rivieren door zijn stad getrokken, met eilanden en brede vaarten, waardoor deze nog het meeste deed denken aan Sint Petersburg, Moskou, Amsterdam of Shanghai. Tegelijk benadrukte de klei de grote kwetsbaarheid. Brodsky: “Together you will build something that occupies a place in the cultural-historical history of Amsterdam and Moscow; a project that has a broad impact, based on memories from the countries of origin of our international student population.”

Wat me die vrijdagmiddag vooral opviel was dat iedereen vertelde dat tijdens deze winterschool concurrentie tussen de studenten had ontbroken en dat dit tòch tot zo’n fraai eindresultaat had geleid. Er was geen jury geweest en er waren geen prijswinnaars. Voor architecten is dit inderdaad uitzonderlijk. Die verzetten doorgaans slavenwerk, in de hoop ergens een prijsje te winnen. In de brochure las ik: “The focus in this Winter School will lie on individual expression, collaborating and how one’s own creative expression converges with that of another.” Elk gebouw werd afzonderlijk gefotografeerd, maar al die afzonderlijke gebouwen verdwenen op het laatst in het grote geheel, zoals een stad zijn gebouwen opeet. Sommige studenten kostte het zelfs moeite om hun eigen bouwwerken terug te vinden. De uiteindelijke compositie was het werk van Brodsky en zijn vrouw, die ‘s avonds na de sneeuwval aan het werk sloegen. De harmonieuze samenwerking mondde uit in een verbroederend groepsportret van alle studenten met hun Russische leermeester rond de voltooide maquette op de donderdagavond. Die werkwijze interesseert me. Misschien is hij het begin van een nieuw, hoopvol curriculum. Door de regen en wind zal de klei worden aangetast; na een maand zal niets meer aan de trotse stad herinneren. Zelfs de mooiste gebouwen zullen in het niets verdwijnen.

Tagged with:
 

Zelfverkozen angst

On 24 januari 2019, in cultuur, economie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Overvloed en onbehagen’ (1987) van Simon Schama:

Afbeeldingsresultaat voor overvloed en onbehagen

Aan de vooravond van de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam las ik opnieuw het meesterwerk van de Britse historicus Simon Schama: ‘The Embarrassment of Riches’ (1987). Het boek, inmiddels veertig jaar oud, gaat over de Nederlanden in de Gouden Eeuw. Of eigenlijk gaat het boek over de spanning tussen moraal en rijkdom. Die plotselinge overvloed door kapitalistische expansie overviel de gemiddelde burger in de steden en drukte op het gemoed. In een interview in NRC Handelsblad (14 augustus 1987) vertelde de toen 42-jarige Schama dat de tegenstelling tussen arm en rijk helemaal niets verklaart over de Nederlanden in de zeventiende eeuw. “Natuurlijk was er een elite die het voor het zeggen had, en een onderklasse maar de verschillen waren minder groot dan elders in Europa en de maatschappij viel er niet door uiteen.” In en rond Amsterdam werd juist een natie gevormd met gemeenschappelijke symbolen, gebruiken en rituelen. Dat gebeurde sterk van onderop. Dat er geen krachtig bestuur werd gevormd vond Schama geen zwakte. “Ik geloof dat het laten voortbestaan van tegenstellingen die geen directe schade aanrichtten juist de slimheid en de kracht van de Nederlanders uit de gouden eeuw is geweest.” Sober en bescheiden was de rijke Amsterdammer in ieder geval niet.

Waarin uitte zich die plotselinge overvloed? Maatschappelijk in regelrecht onbehagen. En dat onbehagen uitte zich in verhalen over de vergankelijkheid van zeepbellen, de dwaasheid van de wereld, de tirannie van ‘Koningin Geld’. Bankiers werden door de synode zelfs buitengesloten van de avondmaalsviering. De aanvallen op de overvloed bleven niet beperkt tot kritiek op excessieve weelde of hebzuchtige woeker, maar uitten zich ook in angst voor de ondergang en het gevaar dat de dingen van de wereld de mensen de baas zouden worden. Burgers vreesden grote overstromingen, een enorme wrekende zondvloed. Angst en regelrecht pessimisme namen vrijwel iedereen in beslag. Amsterdammers creëerden visioenen van hun eigen ondergang. Schama: “Ze konden zichzelf ondermijnen door te overdrijven.” Boven het portaal van één van de kamers van het Amsterdamse stadhuis op de Dam beeldhouwde Artus Quellijn de Val van Icarus, symbool van wat ambitieuze hoogvliegers en dwazen te wachten staat. Wat wij anno 2019 beleven rond klimaatverandering en ideeën over de noodzaak van krimp en post-kapitalistisme doet sterk denken aan deze door angst en pessimisme ingegeven gemoedstoestand. Het kapitalisme is gevaarlijk en dwaas en het is overal. We zullen heel hard vallen. Onze tegenslag lijkt zelfverkozen. We hebben het eenvoudig te goed. Volgende week meer over Masterstudio ‘The Post-Growth City’.

Tagged with:
 

Sluisbuurt als collage

On 14 januari 2019, in boeken, hoogbouw, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 11 januari 2019:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ronnie Zijp

De Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) was afgelopen week in Amsterdam om de Nederlandse vertaling van zijn recent verschenen boek ‘Building and Dwelling’ te promoten. Journalist Bernard Hulsman sprak met hem. In NRC van afgelopen zaterdag verscheen van zijn hand een interview met de grote meester over hoe ‘het grote geld de steden koloniseert’. ‘Stadsleven’, de Nederlandse titel van het Britse boek, is een pleidooi voor een open stad. “En ook een stad die kan veranderen en ruimte biedt aan onverwachte activiteiten.” Terecht stelt Sennett dat het adagium ‘function follows form’ eigenlijk leidend zou moeten zijn en niet het modernistische ‘form follows function’. Maak eerst de vorm, want die functies veranderen toch voortdurend, en zorg ervoor dat die vorm functieverandering toelaat. “Het gaat in architectuur en stedenbouw niet om eenvoud en eenduidigheid, maar juist om complexiteit en contradictie.” In zijn boek gebruikt Sennett de collage als metafoor, in het interview refereert hij aan de Amerikaanse architect Robert Venturi. Beter kon mijn zaterdag niet beginnen. Totdat ik het einde las. Hulsman is al jaren kritisch over de plannen voor Sluisbuurt in Amsterdam. Aan het slot van het interview gebruikt hij Sennett om zijn gelijk te halen.

Eerst confronteert Hulsman Sennett met de Sluisbuurt. De Amerikaan weet van niets. Waarop de journalist zegt dat het gaat om een buurt “van zo’n 25 woonnaalden van omstreeks honderd meter hoog met 5500 woningen.” Sennett: “Echt? Waarom wil Amsterdam dat?” Waarop Hulsman antwoordt dat de gemeente meent “dat dit de enige manier is om veel vloeroppervlak op een beperkt stuk grond te krijgen.” Sennett, die zijn jeugd doorbracht in de Bijlmer van Chicago (Cabrini Green), schrikt zich een hoedje. “Torens zijn saai, niet duurzaam en ze vormen geen fijne buurt waar zich een community kan vormen.” Let op, hier wordt de socioloog die bekendstaat om zijn genuanceerde kijk in de val gelokt. Zijn uitspraak is een algemene. Amsterdam zou de oude Sennett moeten uitnodigen om, nu serieus, het plan voor de Sluisbuurt te bestuderen. Heus, het wordt geen Bijlmer. De in Shanghai woonachtige stedenbouwkundige Joost van den Hoek voerde onlangs in De Architect (19 november 2018) een interessant pleidooi voor een ‘verticale VINEX’. Zelf woont hij op de 22ste verdieping van een toren in een dichtbebouwde wijk dicht bij de Franse concessie. “Ik zou pleiten voor een model waar je ook als gezin comfortabel kunt ontsnappen aan het dogma van tuin en auto.” ( https://www.dearchitect.nl/architectuur/blog/2018/11/blog-kom-maar-op-met-die-verticale-vinex-101202943) Net als hij geniet ik van de skyline van Rotterdam, en wij verheugen ons op de Sluisbuurt. Als collage.

Tagged with:
 

Extreme drukte in New York

On 11 januari 2019, in openbare ruimte, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 26 januari 2015:

 

 Afbeeldingsresultaat voor new york times square public space map

Bron: A Better Times Square

Het Wallengebied in Amsterdam is vergelijkbaar met Times Square in New York: ooit een vervallen deel van de binnenstad waar pooiers en hoertjes domineerden, nu een toeristische topattractie van wereldklasse. Sterker, beide gebieden zijn zo succesvol dat ze onder de drukte dreigen te bezwijken. De New Yorkse burgemeester Bill de Blasio zit er behoorlijk mee in zijn maag, net als zijn Amsterdamse collega. In 2014 verdrongen niet minder dan 13 miljoen mensen zich op dit kleine stukje Broadway. Ze zijn een gewillige prooi van zogenaamde straatartiesten. Het gedrang van de menigten op en rond het plein op Manhattan ter hoogte van 42nd Street trekt irritante, meestal als Elmo of Spider-Man verklede types aan die van de toeristenstroom willen profiteren. De theaters zitten stampvol. Er worden topprijzen betaald voor het vastgoed, die het niveau naderen van die van Fifth Avenue. Die exorbitante prijzen leiden er weer toe dat zelfs gerenommeerde zaken Times Square de rug toekeren. Vooral de kantoorfunctie heeft het moeilijk; medewerkers willen niet meer de straat op voor de lunch of de koffie. De hoertjes waren al vertrokken. Robert Wankel, adjunct-directeur van de Shubert Organization die 17 theaters op Broadway runt, zei het tegenover de New York Times zo: ‘We’re having a problem from our success. We spent a lot of time and effort clearing up Times Square and now it’s the place everyone wants to be.” Luidt het succes van Times Square tevens haar ondergang in?

Drie jaar geleden dreigde burgemeester De Blasio het autoverkeer terug te brengen op Broadway om zo de toeristen te verdrijven. Het leek op een wanhoopsdaad. Zijn voorganger had vijf jaar geleden het gedeelte van de straat ter hoogte van Times Square juist autovrij gemaakt om zo de openbare ruimte aantrekkelijker te maken. Er waren provisorische terrasjes gemaakt, met zitbankjes en fietspaden. Er werden zelfs boompjes neergezet. Heel lief en aardig allemaal. Maar nu blijkt dat men dit misschien beter niet had kunnen doen. Sinds 1996 verdubbelt het aantal toeristen in New York elk jaar. In 2014 waren het er 40 miljoen, drie jaar later 62,8 miljoen. Die willen allemaal naar Times Square. Het is wrang en ironisch. Al sinds de jaren ‘90 spant de lokale overheid zich in om de ooit verlopen kruising weer op te krikken. Warenhuizen kwamen aarzelend terug, het ging geleidelijk steeds beter. In 2009 was er een omslagpunt toen het gemeentebestuur besloot het gedeelte van Broadway tussen 42nd en 47nd Street autovrij te maken. Binnen de kortste tijd groeide het aantal voetgangers van 350.000 per dag naar 480.000. Vastgoedprijzen schoten omhoog. “The recent overcrowding problems of Times Square have been caused in part by the construction of the plazas,” zegt een van de eigenaren. De bewoners en eigenaren hebben zich verenigd, ze vragen het gemeentebestuur om een toekomstvisie te maken. Hun eigen plan doopten ze ‘Times Square Commons’. (http://www.abettertimessquare.org/the-plan/) Dat zeg ik. De problemen van Times Square zijn vergelijkbaar met die op de Amsterdamse Wallen.

Silicon Island ligt in New York

On 20 december 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 18 december 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Business Insider

Daags nadat De Volkskrant schreef over het Amsterdamse Oosterdokseiland als ‘Silicon Island’ vanwege de aanwezigheid van vier van de bekendste internetbedrijven van Nederland – Booking, TomTom, Adyen en Takeaway – (12 december 2018), berichtte The New York Times over de komst van Google en Amazon naar de Big Apple. Geen twijfel mogelijk, New York wordt het tweede Silicon Valley. De Volkskrant rekende uit dat het voormalige spoor- en posteiland naast Amsterdam CS inmiddels een beurswaarde vertegenwoordigt van liefst 94 miljard euro. In 2007 vestigde zich hier TomTom, nadat grote delen van het postemplacement waren ontmanteld vanwege het vertrek van de PTT. Daarna kwam Takeaway.com die in 2015 zes etages op het eiland betrok. Adyen verlaat binnenkort de Keizersgracht en neemt zijn intrek in tien etages naast Adyen. En op dit moment bouwt Booking.com zijn internationale hoofdkantoor op de uiterste puntje van het eiland, tegen wetenschapsmuseum Nemo aan: groot 64.000 vierkante meter. Terwijl de advocatuur en de financiële dienstverlening samentrekt op de Amsterdamse Zuidas, balt aan de IJ-oevers het Nederlandse internetbedrijfsleven samen op nog geen vierkante kilometer.  De bankiers en advocaten kozen voor parkeerplaatsen, de techies voor ‘een spannende en inspirerende werkplek’, aldus De Volkskrant. Motief: getalenteerd, goedbetaald personeel werven uit de hele wereld en naar Amsterdam brengen. De arbeidsmarkt van Amsterdam is te krap en kookt al jaren over.

Het verhaal over New York is de overtreffende trap van deze bijzondere Nederlandse eigen kweek in Amsterdam. Nadat Amazon al had aangekondigd een tweede hoofdkantoor te openen in Queens, goed voor 25.000 hooggekwalificeerde medewerkers, maakte Google deze week bekend dat ze een campus ter waarde van 1 miljard dollar op de zuidelijke punt van Manhattan in Chelsea, vlak bij Hudson Square, gaat betrekken. Daar wordt ruimte gemaakt voor een verdubbeling van de 7.000 medewerkers die nu al in New York voor het bedrijf werkzaam zijn. Er zijn drie gebouwen langs de oevers van de Hudson aangekocht. Ook kocht Google Chelsea Market voor 2,4 miljard dollar. Het bedrijf spreekt van ‘Google Hudson Square’. Dit gebied wordt het hoofdkantoor van de ‘Global Business Organization’. Kijk ook op CBSN: https://newyork.cbslocal.com/video/3995617-expert-what-googles-hudson-square-campus-means-for-nyc/Let wel, aan de campus grenst de campus van New York University, aan Hudson Square bouwt bovendien Disney een campus ter waarde van 650 miljoen dollar, het hoofdkwartier van Google bevindt zich op loopafstand van Hudson Street, de straat waar Jane Jacobs ooit woonde. Arme Jane Jacobs. En pover Amsterdam. ‘Silicon Island’, dat is Manhattan, niet Oosterdok. Tegen de kritische massa en absorptievermogen van New York kan de Nederlandse hoofdstad echt niet op.

Tagged with:
 

Toerisme in bedenkelijke metaforen

On 21 november 2018, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: monumenten, Maps Amsterdam

In ‘Zet stop op de hele regio’ schetste journalist Michiel Couzy in Het Parool recentelijk de laatste ontwikkelingen in de felle discussie rond de spreiding van het toerisme in en rond Amsterdam. Diverse beleidsmakers komen aan het woord, met een hoofdrol voor toeristenkenner Stephen Hodes. Ik las het artikel met grote tegenzin. Waarom tegenzin? Wie het woord ‘toerist’ vervangt door ‘gans’, ‘parkiet’ of ‘rat’ zou niet raar opkijken. In de wijze waarop in het artikel over toeristen wordt gesproken, lijkt het alsof we het over een plaag, een ziekte, een uitbraak van nauwelijks te bestrijden ongedierte hebben. Zonder dat de auteur of de geïnterviewden het in de gaten hebben worden toeristen ontmenselijkt: ze moeten verdreven worden, maar ze laten zich niet verdrijven. Hodes maakt het helemaal bont: als je ze spreidt, stelt hij, dan komen er andere toeristen voor in de plaats. Het kwaad wordt dan alleen maar erger. Niet doen dus. Maar hoe moet je ze dan bestrijden? Lees het slot: “Spreiding is niet alleen bedoeld als wapen tegen overlast. Het (wapen) kan ook worden ingezet om te voorkomen dat te veel mensen tegelijkertijd op dezelfde plek verblijven.” Wapens inzetten? Woorden vormen ons gedrag. Gaan we schieten? Ik schrok er werkelijk van.

Volgende week spreek ik gemeentelijk ombudsman Arre Zuurmond in zijn tijdelijke woning op de Amsterdamse Wallen. Onderwerp: toerisme. Zuurmond bivakkeert al weken in de Sint Olofspoort en schrijft en twittert over zijn nachtelijke belevenissen. Ik bewonder zijn manier van werken en deel zijn zorgen. Hij eist meer handhaving. We moeten het erover hebben. Maar de binnenstad is geen ‘jungle’. Handhaving is humaan, spreiden niet. Lees ook Hodes in het blad van de Amsterdamse binnenstad (Binnenstad 277, zomer 2016): “Toeristen zijn als jagers die je ook alleen maar ziet waar prooi is. Anders gezegd, ze zijn als mieren die op een suikerklontje afkomen.” Jagers, prooi, mieren, allemaal verwerpelijke metaforen. Wie is trouwens hier de jager? Is dat niet Hodes zelf? In datzelfde interview bestrijdt Hodes mijn suggestie om Amsterdam in omvang te verdubbelen. Zoiets vindt hij ‘volkomen irreëel.” Nee, liever spreekt hij over Amsterdamse ‘creeping paralysis’: “stukje bij beetje raak je verder verlamd.” Ik weiger met Hodes en beleidsmakers over toerisme in termen van ‘spreiden’, ‘verjagen’, ‘prooi’, ‘verlamming’, ‘wapens’, ‘toeristenstop’ te spreken. Laten we met het zuiveren van onze taal beginnen. Amsterdam is gewoon heel erg mooi. Maar de stad is geen suikerklontje.

Tagged with:
 

Hoezo toeristische topbestemming

On 7 november 2018, in benchmarks, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘City Travel & Tourism Impact 2018’:

Afbeeldingsresultaat voor city travel and tourism impact 2018

Nee, Amsterdam behoort zeker niet tot de topbestemmingen in de wereld als het om toerisme en reizen gaat. Gezien alle ophef zou je bijna denken van wel, maar toch is het niet zo. In het nieuwe ‘City Travel & Tourism Impact 2018’ komt de Nederlandse hoofdstad gewoon niet voor. De belangrijkste bestemming in de wereld, aldus de World Travel & Tourism Council in haar jaarlijkse overzicht, is Shanghai, gevolgd door Beijing, Parijs, Orlando, New York, Tokio, Bangkok, Mexico City, Las Vegas, Shenzhen, Guangzhou, Londen, Hongkong, Miami. Nee, Amsterdam prijkt eens niet in de top 20. Zelfs relatief, dus afgemeten naar de omvang van de stad, komt Amsterdam niet in de top 20 voor. Dan heeft het Marokkaanse Marrakech eerder reden tot klagen. Of Antalya, Dubrovnik, Las Vegas, Venetië, Dubai. Nee, Amsterdam is helemaal geen wereldspeler als het om toerisme gaat. In Europa loopt de as van het toerisme nog altijd van Rome via Parijs naar Londen. Wel groeit het aandeel van steden in het wereldwijde toerisme. Dat aandeel is nu al 47% .

Met name de Chinese steden veroveren de wereld. Dat geldt zeker voor Macao. In Hongkong spenderen de toeristen het meeste geld, daarna volgen Macau, Dubai, New York, Bangkok, Singapore. Vanzelfsprekend ontbreekt de Nederlandse hoofdstad volkomen in dit rijtje. Amsterdam is ook geen ‘gateway’. Dat zijn Shanghai, Beijing, Parijs, Orlando, New York, Tokio, Bangkok, Mexico City. Nee, Dublin doet het in dat opzicht altijd nog beter. En ook behoort Amsterdam niet tot de snelste groeiers. Dat zijn Abu Dhabi, Teheran, Chongqing, Lagos, Singapore. Relatief dan toch wel misschien, want Amsterdammers ervaren het sinds 2014 toch aan den lijve? Nee dus. Dat zijn eerder steden als Manila, Cairo, Madrid, Abu Dhabi, Londen, Riyad. Wel staat Amsterdam op plek 16 als het gaat om het aandeel van de werkgelegenheid in toerisme in de totale werkgelegenheid van de stad (9%). En ook heeft het toerisme naar Amsterdam binnen Nederland een relatief hoog aandeel (33%). Nee, Amsterdam is absoluut en zelfs relatief geen wereldspeler als het om toerisme gaat. Dan eerder nog Barcelona. Die stad staat op plaats 15 als het gaat om het aandeel internationale toeristen (8,9%). De rest van de wereld begrijpt al die humbug in het Amsterdamse niet vanwege die letters en die hotels en die bierfietsen en die Airbnb-appartementen en die nutellawinkels. Of misschien is Amsterdam wereldleider in het aantrekken van een hinderlijk soort toerisme. Een toerisme dat veel op straat verblijft. Maar daarover verstrekt de Impact helaas geen cijfers.

Tagged with:
 

Zaadjes van bereikbaarheid

On 12 oktober 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metromorfose’ (2018) van Bas Kok:

Afbeeldingsresultaat voor bas kok metromorfose

Leuk essay van Bas Kok. Ik las het nadat bekend werd gemaakt dat gemiddeld 84.000 mensen elke dag de nieuwe Noord/Zuidlijn al gebruiken. Het metrogebruik in Amsterdam als geheel groeide na opening met een onstuimige 31 procent. In ‘Metromorfose’ (2018) beschrijft ‘stadsmaker’ Kok hoe hij denkt dat de nieuwe metrolijn Amsterdam zal veranderen. Dus geen terugblik van een mokkende belastingbetaler die er allemaal niets van begrijpt, maar een optimistisch verhaal van een visionair die begrijpt dat de investering van ruim 3 miljard euro de groeiende metropool veel zal opleveren. Zijn verkenning heeft hij geschreven vanuit stadsdeel Noord, waar Kok woont. Het begint met een beknopte geschiedenis van de stad waarbij Kok zijn verbazing uitspreekt over de opkomst van Zuid, ten koste van Noord. Volgens hem was Noord ooit rijk, en Zuid groezelig. Midden negentiende eeuw echter kreeg een groep notabelen belang bij het verbeteren van Zuid en verplaatste zij de industrie naar Noord. Daarmee werd Noord arm en Zuid rijk. Hij spreekt van ‘stuivertje wisselen’. Onzin natuurlijk. De Gouden Bocht in de Herengracht ligt al vierhonderd jaar in het zuiden, op veilige afstand van de haven, het Paleis voor Volksvlijt landde daar in de buurt, even verderop kwam het Rijksmuseum, gevolgd door het Vondelpark en Berlage die de Apollolaan iets zuidelijker projecteerde, met uiteindelijk de Zuidas als topmilieu, nee het rijke deel van Amsterdam wilde niets met de haven te maken hebben en schoof steeds verder op naar het zuidwesten, terwijl Noord kaal bleef, met een galgenveld aan de overkant van het IJ, waar je gemakkelijk vervuilende industrie naartoe kon verplaatsen. Kok pleit voor emancipatie van Noord. Hij wil de Noord/Zuidlijn daarvoor gebruiken. Dat is een mooi streven, maar zo gemakkelijk verander je steden niet.

De auteur voorspelt een ‘brainwash’ binnen vijf jaar. Alle Amsterdammers zullen Noord opeens heel dichtbij gaan vinden en dat zal van alles op gang brengen. Dat zou kunnen. West is uiteindelijk problematischer dan Noord, maar dat komt door de gure westenwind, de directe nabijheid van Westpoort en de weinige beschutting die West en ook Noord en Zaanstad de mensen biedt. Er is ook nooit een Vondelpark of Amsterdamse Bos voor arbeiders overwogen. Tegelijk pleit Kok voor krachtig beleid tegen segregatie waarbij ook forse aantallen sociale woningen in Noord zullen moeten worden bijgebouwd. Hij spreekt van een Catch22 van de tweedeling: “rijke inwoners in dure buurten willen niet dat hun wijk armer wordt, arme inwoners van achterstandswijken willen niet dat hun wijk rijker wordt.” Dat is scherp gezien. Het is een zelfversterkend proces. De contrasten worden dus groter. Ik denk niet dat de Noord/Zuidlijn of een corrigerend woonbeleid iets tegen dat groeiende contrast kunnen doen, ondanks ‘de zaadjes van bereikbaarheid’. Denk eerder dat het planten van een groot bos in het noorden en het westen uitkomst kan bieden. Noord, Sloterdijk en Zaanstad verdienen een ‘Bois de Boulogne’. Spaarnwoude zou tenminste in omvang moeten verdubbelen en de Noorder IJplas moet een mooi rij- en wandelbos worden. Dat was oorspronkelijk ook de bedoeling. Maar daarop is later door de rijksoverheid bezuinigd. Blijft over Westpoort met zijn industrie. Wie rijk is zal daar, ook met een Noord/Zuidlijn, nooit in de buurt willen wonen.

Tagged with:
 

Sea of Tranquility

On 28 september 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam op 26 september 2018:

Afbeeldingsresultaat voor sea of tranquility hans op de beeck

Op de bovenste verdieping van het Amsterdamse scheepvaartmuseum is nog tot 9 juni 2019 een tentoonstelling te zien over een imaginair cruiseschip. In ‘Sea of Tranquility’ neemt de Belgische kunstenaar Hans op de Beeck de bezoeker mee op een duistere reis op een niet bestaand cruiseschip dat met gemak 3.000 passagiers kan vervoeren, plus nog eens 1.000 bemanningsleden. Waarom duister? Alle zalen zijn donker geschilderd en hoewel de uitgestalde beelden, kostuums, maquettes, tekeningen, serviezen en stukken interieur smetteloos zijn uitgevoerd oogt het geheel toch vreugdeloos en zelfs gloomy. Het schip zelf is hybride: de voorzijde oogt als een oorlogsschip, de achterzijde als een feestboot. Er is geen sprake van een scheepsramp of ongeval. Alles lijkt onder controle, de reis zelf is absoluut veilig, de bediening is tot in de puntjes verzorgd. Maar dat is het hem nu juist.Op het eind is in een filmzaal een documentaire van een half uur uit 2010 te zien die het werkelijke verhaal vertelt van het leven aan boord van het schip. Echt gezellig wil het maar niet worden, ook al ontbreekt het de gasten aan niets. Alle leven lijkt uit het schip gezogen. Zelfs de muziek en de dansers wekken geen emotie op. Terwijl het varende machtig imposant oogt, zijn de mensen aan boord diep ongelukkig.

In een interview vertelt Op de Beeck over zijn denkbeeldige schip in termen van een reusachtig vaartuig dat op een uit de hand gelopen shopping mall lijkt, een wereld van perfecte consumptie. Deze perfecte genotswereld stelt hij tegenover de rommeligheid van de stad. Echte steden zijn chaotisch, zitten vol conflicten, zijn allesbehalve perfect. Maar juist daardóór zijn steden levendig. Op de Beeck in een interview: “Het gaat telkens om het op een bijzondere manier moduleren van banaliteiten. Op die wijze probeer ik iets te zeggen over hoe we het leven ensceneren, onze omgeving trachten te temmen en te vermenselijken en hoe we onbeholpen met elkaar en onze sterfelijkheid omgaan.” (kunstblog ‘Gesprekken met hedendaagse kunstenaars, 26 april 2012). Het is de gebrekkigheid die mensen gelukkig maakt. Ik sprak erover met mijn jongste broer, die tegenwoordig in Singapore woont en die bij me op bezoek was en mee was gegaan naar het museum voor een lunch. Op mijn vraag waarom hij Amsterdam zo aantrekkelijk vond, antwoordde hij: “Ook al is het openbaar vervoer hier veel slechter dan in Singapore, toch vind ik Amsterdam levendiger, de stad zit vol mooie, aantrekkelijke mensen, de huizen staan schots en scheef en zijn onderling sterk verschillend, maar die imperfectie voelt juist fijn.” Hij heeft gelijk. Toen ik het museum verliet lachte de stad me toe.

Tagged with:
 

Hoe duurder de stad, hoe duurzamer

On 15 september 2018, in duurzaamheid, energie, by Zef Hemel

Gelezen op NU.nl van 25 september 2015:

 Afbeeldingsresultaat voor energieverbruik in grote steden relatief laag nu.nl

Bron: Binnenlands Bestuur

In Nederland lijkt iedereen ineens hard aan een zogenoemde energietransitie te werken. Er is heus kabinetsbeleid, er is een Klimaatberaad, er zijn nationale Klimaattafels, er zijn overal warmteregisseurs aangesteld, er is zelfs een SER Energieakkoord, alle gemeenten en provincies moeten aan de bak. Wat is er gebeurd? De opstand in Groningen tegen de gasboringen heeft in Den Haag grote opschudding veroorzaakt. Heel Nederland moet plots van het gas af. De energietransitie heeft de trekken van een nationaal deltaplan, maar dan een plan zonder veel middelen. Vergeten daarbij wordt dat het energiegebruik nogal verschilt per woning en per regio. Saillant is dat het elektriciteits- en gasverbruik per woning in de grote steden aanzienlijk lager is dan elders in het land. Uit cijfers van het CBS blijkt bijvoorbeeld dat het gasverbruik van woningen in Amsterdam en Rotterdam rond de 850 kubieke meter ligt, terwijl het nationale gemiddelde op 1.200 kubieke meter ligt. In Amsterdam is het elektriciteitsverbruik het laagst: 2.350 kWh van alle gemeenten in Nederland. Waar rond de grote steden stadsverwarming is, is het verbruik ook lager, zoals in Purmerend en Almere. De verklaring van het opmerkelijke verschil is eenvoudig. Inwoners van de grote steden beschikken gemiddeld over minder vierkante meters woonruimte en leven vaker in appartementen. Wonen in de grote stad is gewoon duurzamer.

Een vrijstaande woning, meldt het CBS, verbruikt dubbel zoveel energie als een stedelijke appartement. Dat vond ik opmerkelijk. Ook uit recent Amerikaans onderzoek blijkt dat ruimtelijke ordening een flinke invloed heeft op het energieverbruik dat nodig is voor het verwarmen, koelen en verlichten van woningen, kantoren en andere gebouwen. Hier de link naar het onderzoek: ‘Global scenarios of urban density and its impacts on building energy use through 2050‘ . De grote lijn is dat het energieverbruik per persoon lager is als de bevolkingsdichtheid hoger is. Bijkomend effect van een hogere dichtheid is dat mensen vaak kleiner gaan wonen, omdat grond en woningen duurder zijn. En wie kleiner woont, verbruikt minder energie. Op het platteland, zo las ik in Binnenlands Bestuur, stoken mensen niet alleen meer vierkante meters, ze gebruiken ook nog eens gemiddeld méér elektrische apparaten. En dan hebben we het nog niet eens over het geringere autobezit in grote steden en het hogere aandeel openbaar vervoer. Kortom, je kunt dus flink energie besparen met bewuste stadsplanning. Door het ruimtelijke beleid te richten op groei van de grote steden in de Randstad kan de regering bevorderen dat er structureel flink op energieverbruik wordt bespaard. Gek dat in die hele nationale energietransitiediscussie daar nou niets over wordt opgemerkt. Alsof er geen grote steden en geen ruimtelijke ordening bestaan.

Tagged with: