Nieuw-Amsterdam

On 7 juni 2018, in bestuur, by Zef Hemel

Gehoord bij BNR Nieuwsradio te Amsterdam op 5 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor cushman & wakefield nieuw-amsterdam

Bron: Cushman & Wakefield

Begin deze week begon de Provada, de grote vastgoedbeurs in de RAI in Amsterdam. Provada groeit, maar is nog net iets kleiner dan de MIPIM in Cannes. Ze noemt zich de tweede vastgoedbeurs van Europa. Direct op maandag ging er een persbericht uit van Cushman & Wakefield, wereldwijd adviseur in commercieel vastgoed. De kop luidde: ‘Nieuw-Amsterdam’. Die dag zou directeur Jeroen Lokerse een Visie Nieuw-Amsterdam overhandigen aan Jan van Zanen, burgemeester van Utrecht, tevens voorzitter van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Nieuw-Amsterdam bleek een oproep tot het samenvoegen van de steden in de Randstad tot één grote stad met één bestuur “die een integrale visie op woningbouw, leefbaarheid, duurzaamheid en infrastructuur ontwikkelt en van daaruit richting geeft aan versterking van de internationale positionering van Nederland en de optimale afstemming tussen wonen, werken, verkeersstromen, toerisme, opleiding en infrastructuur.” Het bedrijf hoopte dat Van Zanen het debat hierover zou willen entameren en een onderzoek zou starten naar “mogelijke agglomeratievoordelen van Nieuw-Amsterdam, een stad die bij samenvoeging meer dan 7 miljoen inwoners telt.” Gaat Van Zanen dat werkelijk doen?

Die ochtend nog zat ik, samen met Peter Savelberg, in de uitzending ‘Ask me anything’ van BNR Nieuwsradio om een uur lang over de toekomst van de Randstad te praten. In het programma riep Jörgen Raymann de luisteraars op om vragen aan ons te stellen. Dit keer mochten de luisteraars ook suggesties doen en ideeën leveren voor zo’n Nieuw-Amsterdam. Wat bleek? De suggesties stroomden op Facebook en Twitter binnen, mensen uit het hele land belden. Het onderwerp leeft sterk, het waren uitsluitend mannen die belden, er kwam een vrachtwagenchauffeur aan het woord die vertelde dat hij net over de grens met België en Duitsland echte grote steden als Brussel en Keulen had aangetroffen, soms wel met twee miljoen inwoners, maar dat Nederland zulke grote steden niet kende, wat hij heel merkwaardig vond. Veel mensen gaven aan dolgraag in Amsterdam te willen wonen. Iemand stelde voor om de nieuwe stad ‘John Cruijff City’ te noemen. Maar het mooiste telefoontje kwam uit Tokio, Japan. Dat gebeurde nadat ik in de uitzending de vergelijking met Tokio had gemaakt. De vragensteller zei dat hij al zeker veertien jaar in Tokio woonde en dat hij met een Japanse vrouw was getrouwd. Hij werkte in de financiële sector, waar hij een goed salaris verdiende. Tokio vond hij duur, maar ook leefbaar, iedereen fietste er en gebruikte het openbaar vervoer, er was geen criminaliteit, wel georganiseerde misdaad, de straten waren schoon, maar het was wel allemaal ‘beton’ en de metro puilde uit. Dus begreep hij niet dat Tokio nastrevenswaardig zou zijn. Wel moest hij toegeven dat hij al veertien jaar naar volle tevredenheid in de Japanse megastad woonde en werkte. Daarna verbrak Raymann de verbinding. De vorige uitzending, zei hij me, belde er iemand uit Groenland.

Tagged with:
 

Superblocks in opmars

On 2 juni 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Barcelona op 30 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor superblocks barcelona

 

Barcelona, met 1,6 miljoen inwoners tweemaal zo groot als Amsterdam, dringt de auto effectief terug uit de stad. Uit het historische centrum met zijn nauwe straatjes is de automobiel al grotendeels verdwenen. Nu volgt de negentiende eeuwse gordel – de Eixample. De strategie gaat uit van zogenoemde ‘Superblocks’. Binnen het grid van stedenbouwkundige Cerda worden telkens negen blokken bij elkaar gevoegd en autovrij gemaakt. In totaal wordt er aan het autovrij maken van liefst negen van deze ‘Superblocks’ tegelijk gewerkt, elk in een ander tempo, in totaal gaat het om 81 blokken van de in totaal 520 blokken. Elk blok meet 113 meter bij 113 meter, de straten zijn 20 meter breed. Het is een kwestie van experimenteren en uitproberen en de bevolking raadplegen – sommige autorijders verzetten zich hevig -, maar uiteindelijk zal een groot deel van Barcelona van autoverkeer worden bevrijd. Een fijnmazig bussysteem over de hoofdaders komt ervoor in de plaats. We bezochten er afgelopen week de eerste, in de buurt van Poblenou, aan de zeekant van Avenida Diagonal. Ik bevond me in een denktank van experts uit de Nederlandse zorgsector en wonen die zich buigen over de toekomst van het zorglandschap in een vergrijzende samenleving: Archizorg. Dit was een model dat ons aansprak. Terwijl de dichtheid in elk van de blokken stevig wordt opgevoerd tot een formaat en hoogte die onze Nederlandse steden helaas niet kennen, kwamen we een uur lang bijna geen auto meer tegen. Onvoorstelbaar, maar het kan.

Van degene die ons rondleidde begreep ik dat het autovrij maken van zo’n stadsdeel gepaard gaat met verhevigde gentrificatie en snelle grondwaardestijging. Kennelijk zijn er ontzettend veel mensen die graag in de grootstad willen wonen en werken, maar die ervan afzien omdat ze het drukke autoverkeer niet verdragen. Ineens is er speelruimte voor de kinderen, worden er parken aangelegd, wandelen drommen mensen ongehinderd door de stedelijke ruimte. De stadsgeluiden zijn ook anders, veel prettiger, het autolawaai is teruggedrongen naar de achtergrond, je kunt gewoon een straat oversteken. Nog even en 7 van de 13,8 miljoen vierkante meter asfalt tussen de blokken is voor de bewoners, niet langer voor het blik. Sinds de invoering is het autoverkeer met 26 procent afgenomen, wandelen met 10 procent toegenomen, fietsen met 30 procent gegroeid, het busvervoer toegenomen met 5,5 procent. En de grondwaardestijging? Die leidt tot meer hoogbouw en verdichting, dus stelt de gemeente vooraf eisen aan de private grondeigenaren binnen elk blok: ze mogen ontwikkelen mits 10 procent sociale woningen, 10 procent nieuwe parkruimte, 10 procent extra publieke voorzieningen: scholen, winkels, zorgvoorzieningen, moeten worden toegevoegd. Ze dienen ook bij te dragen aan de herinrichting van het asfalt. Marktpartijen betalen zo mee aan de verdichting en het leefbaar maken van de stad. Ook voor ouderen is dit de oplossing. Een mooi model voor de uitbreidingsgebieden buiten de Amsterdamse ring A10. Iets voor het nieuwe gemeentebestuur?

Drifting

On 28 mei 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum te Amsterdam op 21 mei 2018:

 Afbeeldingsresultaat voor studio drift stedelijk

 

Afgelopen week de expositie van het werk van Studio Drift in het Stedelijk Museum bekeken. Studio Drift is een veelbelovend Amsterdamse kunstenaarsduo wier werk ik nog nauwelijks kende. In ‘Coded Nature’ (te zien tot 27 augustus 2018) gaat het om “bewustwording van een veranderende maatschappij waarin de impact van technologie groot is, zonder hierover een oordeel te vellen.” Grote woorden, actueel thema, dat zeker. ‘Drifter’ (2017) vond ik vooral fraai. Het traag en vrij in de ruimte zwevende betonblok deed me denken aan de zwevende steen van Wim T. Schippers. Die steen trotseert de zwaartekracht met drie elektromagneten in de sokkel die kracht uitoefenen op magneten die in de steen zijn verwerkt. Zoiets bespeurde ik ook bij ‘Drifter’. ‘Zwevende steen’ verheft zich nauwelijks en is daardoor verrassend en geestig, ‘Drifter’ niet. De film ‘Drifters’ maakte veel duidelijk. “Drifters is een twaalf minuten durende film over een entiteit die zijn oorsprong en bestemming ontdekt, gesitueerd tegen de achtergrond van de Schotse Hooglanden. De vraag die rijst is: valt er voor het individu te ontsnappen aan het collectief?” Gek, maar die vraag stelde ik mij niet. Ik bespeurde eerder een onafwendbare verstedelijking, omineus verbeeld door middel van zwevende blokken die – als vliegende schotels –, afgetekend tegen een maagdelijk landschap, hermetisch in elkaar schuiven tot er geen ontkomen meer aan is. Niet grappig. Eerder ernstig en esthetisch.

Helemaal op het eind van de tentoonstelling zag ik een video van Floris Kaayk, een van de inspiratiebronnen van Lonneke Gordijn en Ralph Nauta, het duo dat Studio Drift uitmaakt. Die video was fantastisch. Ik bedoel niet The Modular Body, maar The Order Electrus. Daarin ontstaat in een vervallen industrielandschap een nieuwe insectensoort die zich razendsnel vermenigvuldigt. De film is vormgegeven als een natuurdocumentaire, maar let op, de nieuwe insect bestaat uit elektronisch afval en loopt op het eind de hele wereld onder de voet, het blijkt een ware plaag. De zeven minuten durende film is eng, aangrijpend, geestig nee hilarisch, en beslist niet esthetisch. Kaayk fabriceerde niet minder dan een moderne ‘Frankenstein’. In het thema bespeurde ik sterke verwantschap met ‘Drifters’ van Studio Drift, maar de ernst en esthetiek van de laatste stond me nu nog meer tegen. Ik vond het teveel ‘Eindhoven’ en te weinig ‘Amsterdam’. Mag ik dat zeggen? Nee, dan Floris Kaayk. Kijk zelf maar: https://www.youtube.com/watch?v=mH6lg2F3EiI

Tagged with:
 

Zo los je het woningvraagstuk op

On 9 mei 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen op de blog van James Gleeson op 19 februari 2018:

world_city_supply_chart

Bron: GLA, Housing in London 2017 Report

Terwijl de bevolking van Japan krimpt, groeide die van Tokio met bijna een miljoen inwoners tussen 2005 en 2015. Het lukt de Japanse megastad heel goed om al die nieuwkomers te huisvesten want woningbouw is hier al jaren politieke topprioriteit. Op zaterdag 23 juni organiseren Moriko Kira en ik een dag over Tokio in Amsterdam. Tijdens New Tokyo Story, onderdeel van WeMakeThe.City, zullen zes Japanse deskundigen verhalen komen vertellen over de nieuwste ruimtelijke trends in de Japanse megastad. Natuurlijk is alles anders in Tokio, maar tegelijk loopt Tokio zeker twintig jaar op Nederland vooruit als het gaat om nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. In dat kader las ik de blog van James Gleeson met meer dan gewone belangstelling. Met behulp van cijfers van drie Japanse instanties produceerde deze Britse blogger een helder overzicht van de woningmarkt van Tokio, uitgaande van de prefectuur Tokio die 13,5 miljoen inwoners omvat. Tokio zelf is bijna drie keer groter (38 miljoen). En kijk nou toch, de jaarlijkse woningproductie van Tokio is ronduit imposant: gemiddeld 155.000 nieuwe woningen elk jaar over de periode 1993-2015. Over de afgelopen vijftig jaar is de woningvoorraad van de stad gegroeid van 2,51 miljoen woningen naar 7,36 miljoen. Op elke vier nieuwe woningen werd er eentje afgebroken. Ook het aantal huishoudens nam toe, want de huishoudenverdunning zette door, maar de woningvoorraad groeide sneller.

Hoogbouw is sinds kort ook in Tokio aan een snelle opmars bezig, de groei deed zich vooral voor in de categorie appartementen. De gemiddelde woningdichtheid is opgelopen tot 110 woningen per hectare. In Londen is dat 60. Dat houdt in dat Tokio in een razend tempo verdicht, de randen krimpen, er is geen sprake meer van suburbanisatie. Alle groei vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, dit is een buitengewoon duurzame ontwikkeling. En denk niet dat dit tot kleinere woningen leidt. Tokio staat bekend om zijn kleine woningen (gemiddeld 64 m2), maar dankzij de enorme woningproductie nam het gemiddelde aantal vierkante meters vloeroppervlak juist toe, de huishoudenverdunning kon hierdoor goed worden opgevangen. Had een inwoner van de megastad in 1963 gemiddeld slechts 15 m2 tot zijn beschikking, in 2013 was dit opgelopen tot 32 m2. Gleeson: “Londoners have a similar amount of space per person on average today, but in stark contrast to Tokyo there has been little or no increase in London in around 20 years.” Kortom, oververhitte woningmarkten in succesvolle steden als Londen en Amsterdam zouden aan Tokio een voorbeeld moeten nemen. Hoe lukt het de Japanse hoofdstad om zoveel woningen te bouwen? Tokio heeft een eenvoudige zoning code (bestemmingsplan/bouwvergunning), die door opeenvolgende regeringen verder is versimpeld. Gleeson noemt dit progressieve politiek.

Tagged with:
 

Sterke clustereffecten van datacenters

On 16 april 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord op het Marineterrein te Amsterdam op 12 april 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Equinix

Wereldwijd zijn er niet meer dan twaalf plekken waar datacenters ruimtelijk zo sterk clusteren als in Amsterdam. In Europa zijn het er vier, in alle gevallen betreft het grote steden. In en rond Londen, Parijs, Frankfurt en Amsterdam willen de meeste datacenters zich vestigen, ook al is de grond er duur. Daar zitten hun klanten. Het Hilversumse bureau Stratix vertelde er over tijdens een speciale bijeenkomst voor beleidsmakers van gemeenten, provincie en rijk op het Amsterdamse marineterrein. Organisatie was in handen van de Amsterdam Economic Board. Een groot deel van het gesprek ging over de uitzonderlijke clustereffecten van dataopslag in Nederland en dan met name in en rond Amsterdam. Stratix wees op de grote effecten die gunstige beleidsbeslissingen in het verleden op deze groei hebben gehad. Wat gaat de regio de komende jaren ondernemen? Co-locatiecenters zijn in de metropoolregio het meeste in trek. Het merendeel staat in de Watergraafsmeer. Daar vinden ze optimale interconnectiviteit vanwege de meer dan 730 verschillende verbindingen die AMS-ix levert. Het cluster op Schiphol-Rijk heeft zich gespecialiseerd in cloud-opslag. Het derde cluster bevindt zich in Amsterdam-Zuidoost. Een afstand van een tot drie kilometer tussen de verschillende datacenters is optimaal, een afstand van tien kilometer lijkt het maximaal haalbare. Wie zich op grotere afstand vestigt betaalt fors extra kosten. Zelfs Hilversum en Haarlem zijn al te ver weg. Elektriciteitsvoorziening is essentieel, want datacenters verbruiken veel stroom. Lokaal moeten onderstations voldoende capaciteit kunnen leveren.

Hoe snel de technologische ontwikkelingen kunnen gaan, werd al aan het begin van de avond duidelijk. Robotica en kunstmatige intelligentie zullen de volgende golf dataverkeer verder opstuwen. Fotonica kan de servers ingrijpend doen veranderen. Het noodzaakte de aanwezigen om in toekomstscenario’s te denken. Van belang lijkt vooral of de regio voldoende elektriciteit zal blijven leveren. Iemand rekende voor wat het zou betekenen als de hele Amsterdamse regio ineens op elektrisch autorijden zou overschakelen of wanneer de woningen van het aardgas af zouden gaan. Het elektriciteitsnet zou zoveel stroom nooit kunnen leveren. Ook gebrek aan vertrouwen in dataopslag kon wel eens tot overcapaciteit leiden en alle voorsprong in één klap kunnen laten verdampen. Vanwege de Olympische Spelen gaf Londen bijvoorbeeld een tweetal jaren niet thuis. Weg was haar voorsprong in de datacenterontwikkeling, ook omdat de stop samenviel met de opmars van cloud-computing. Of neem Parijs, dat al lang worstelt met haar data-exchange. Kortom, de Amsterdamse regio mag niet achterover leunen. Economisch zijn datacenters van groot belang. In combinatie met de luchthaven en de grootstedelijke diensteneconomie vormen ze een unieke combinatie. Elke grootstedelijke regio zou zich in de handen wrijven als ze de schaal en potentie van de clustervorming als die in het Amsterdamse regio ook maar enigszins zou benaderen.

Tagged with:
 

Simpel over stedenbouw

On 2 april 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in het Bijlmermuseum, Amsterdam, op 22 maart 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Bijlmermuseum

In 1969 trad architect Pi de Bruijn (1942) in dienst van de gemeentelijke Woningdienst van Amsterdam. In hetzelfde jaar ging hij wonen in de net opgeleverde G-buurt van de Bijlmermeer. Bijna dertig jaar bleef hij met grote tevredenheid in de Bijlmer wonen. De Bruijn vertelde er boeiend over tijdens een bijeenkomst van het bestuur van de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen stichting afgelopen week. Een raam dat hij als beginnend architect in de zijgevel van een 400 meter lange honingraatflat had getekend werd door de gemeentelijke stedenbouwkundige resoluut afgekeurd. Hoe kwam hij erbij? Het uitgangspunt van de Bijlmer was dat elke bewoner precies dezelfde rechten had, dus er mocht geen onderscheid worden gemaakt tussen de woningen. Elke woning mat ook precies 100 vierkant meter. Kleiner mocht niet. Een alleenstaande, zei men hem, kon toch een hond of een hobby hebben? Op het maaiveld mocht ook geen woning worden getekend, want de grond was publieke ruimte, en die was voor ‘de spelende mens’. De volkstuintjes die De Bruijn wilde introduceren stuitten op hetzelfde verzet: niet privatiseren. De hele essentie van de Bijlmermeer stak volgens de stedenbouwkundigen in het stelsel van verhoogde dreven: elke snelheid zijn eigen landschap. “Heb je ooit de originele tekeningen van de verkeersstructuur gezien? Die tekeningen waren schitterend!” Met zijn voorbeelden illustreerde De Bruijn hoe in de Bijlmermeer een maximaal gebruik van menselijke rationaliteit samenviel met een totalitaire utopische toekomstvisie.

Al spoedig kwamen woningen leeg te staan. Winkels ontbraken, garages moesten nog worden gebouwd, wegontsluitingen kwamen pas later, de huren bleken te hoog, het beleid tussen corporaties wisselde, de politiek was alleen in het bouwen van veel woningen geïnteresseerd, de bewoners weken af van de doelgroep. In 1974 werd de eerste van de veertig flats gekraakt. Toen in 1976 eindelijk de metro ging rijden, kwam al snel de heroïne naar Gliphoeve. In 1977 werd het De Bruijn duidelijk dat het gemeentebestuur de Bijlmer had opgegeven. Wethouder Kuijpers geloofde er niet meer in. In dat jaar nam De Bruijn ontslag. Maar hij bleef wel in de Bijlmer wonen. Zo vertelde hij tussen neus en lippen door hoe zijn schoolgaande dochter voor haar verjaardag vroeg om een mes. Een stad, zei hij, is complexiteit, die bouw je niet zomaar uit het niets tevoorschijn. Zijn kritiek gold feitelijk alle groeikernen en grootschalige stadsuitbreidingen die na de oorlog in Nederland waren gebouwd. Te eenvoudig was telkens de opgave benaderd. De Bruijn hield vol dat de problemen die al vroeg in de Bijlmer ontstonden, niet staken in de modernistische stedenbouwkundige structuur. Die utopische toekomstvisie zou deugen. De dreven hadden wat hem betreft ook niet afgegraven hoeven worden. De oorzaak was veeleer gelegen in het simplisme waarmee de bouwopgave was benaderd. Een goede stad maken is complex, maar de politiek denkt, nog steeds, alleen in aantallen te bouwen woningen. Veel te simpel.

Tagged with:
 

‘Amsterdam vreest zijn eigen succes’

On 27 maart 2018, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 26 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor metrosysteem amsterdam 1960

Plan voor stadsspoorwegen Amsterdam 1968

Amsterdam vreest zijn eigen succes’. Met dat motto begon hoogleraar Coen Teulings zijn Amsterdamlezing op maandagavond 26 maart 2018. Teulings, tegenwoordig universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, bestudeert de economie van steden. Economisch onderzoek verweeft hij met elementen van geschiedenis, biologie, recht, politicologie en geografie. Amsterdam noemde hij een ‘parel’. De stad is naar internationale maatstaven gemeten buitengewoon aantrekkelijk en ook succesvol. De verdere groei van de hoofdstad vond hij logisch en onvermijdelijk en zou voor de Nederlandse regering topprioriteit moeten zijn. Amsterdam is in vergelijking met andere wereldsteden helemaal niet zo duur, er dreigen hier ook geen ‘Londense toestanden’. Nederland is juist een egalitair land en no-go areas kent de hoofdstad niet. Dat Amsterdam duurder wordt noemde hij onvermijdelijk; goedkoper zal de stad niet meer worden. De dynamiek is groot, maar dat geldt voor meer steden. Buiten Amsterdam denken ze dat Airbnb de prijzen opjaagt, maar dat is niet zo. In zeker vier varianten legde hij het principe van agglomeratievoordelen uit. Mensen zijn bereid een fortuin te betalen om heel dicht bij elkaar te zitten. Hoe drukker een plek, hoe hoger de grondprijzen. En het internet jaagt deze locatievoordelen aan. Vooral hoger opgeleiden kopen zich een weg naar het centrum. De verdere uitleg van Amsterdam vond hij een gewichtige zaak. Daarmee kunnen meer mensen toegang krijgen tot al die felbegeerde voorzieningen.

Vanuit de zaal kwamen tegenwerpingen. Worden hiermee de armen niet de stad uit gedreven? Teulings aarzelde even. Dat verdringing optreedt kon hij niet ontkennen. Sommige categorieën mensen zullen de stad zeker verlaten. Maar Turken en Marokkanen en Surinamers, die blijven wel, dus mensen zijn niet tot vertrek veroordeeld. Maar krijg je dan niet ernstige vormen van segregatie?, kwam er opnieuw uit de zaal. Teulings gaf de zaal tot op zekere hoogte gelijk, maar zei dat hij niet elke vorm van segregatie op voorhand afwees. Liever sprak hij van ruimtelijke ‘specialisatie’. Het is begrijpelijk en natuurlijk om als migrant je medemigranten op te zoeken. Ook dat is een vorm van agglomereren. Waarna hij een warm pleidooi hield voor grootstedelijk openbaar vervoer. Uitgerekend openbaar vervoer kan onvermijdelijke uitsorteringsprocessen helpen verzachten. Juist daar is in Amsterdam grote behoefte aan. Opnieuw zullen rond de stations de grondprijzen stijgen. Maar zo is de stad. Behalve, gek genoeg, op sommige plaatsen in Amsterdam. Want hoe kan het nou dat rond het Amstelstation zo weinig hoogbouw wordt gerealiseerd? En waarom is de Noordzuidlijn zo’n onbeduidend kort stukje? Zijn lezing eindigde Teulings met het schema van het Amsterdamse metrostelsel zoals dat in de jaren zestig van de twintigste eeuw door planologen was geprojecteerd. Waarom is slechts een fractie van dit grootstedelijke project uitgevoerd? Antwoord: Amsterdam vreest zijn eigen succes.

Gelezen in ‘Groei en krimp’ (2016) van De Groot, Marlet, Teulings en Vermeulen:

Afbeeldingsresultaat voor groei en krimp parool teulings

Bron: Groei en krimp/Het Parool

Coen Teulings is mijn een na laatste gast in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen die alle gaan over de toekomst. Teulings is econoom en universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. In het verleden was hij directeur van het Centraal Planbureau, het CPB. In die laatste hoedanigheid schreef hij, samen met Henri de Groot, Gerard Marlet en Wouter Vermeulen, de publicatie ‘Stad en land’ (2010). Daarin vroegen de auteurs zich af hoe het toch komt dat mensen sinds eind jaren tachtig weer massaal naar steden trekken. En waarom is de ene stad populairder dan de andere? Steden worden steeds meer consumptiesteden in plaats van productiesteden. De rol van voorzieningen, ontdekten zij, is cruciaal en drukt zich uit in hogere grondprijzen, maar ook in hogere lonen. De grondprijzen van sommige steden stijgen sterk, vooral die van Amsterdam. Prijsverschillen zijn de afgelopen twintig jaar meer dan verdubbeld. Amsterdam is zowel productie- als consumptiestad. De prijs van de grond in het centrum van Amsterdam is inmiddels tweehonderd maal hoger dan in Oost-Groningen. Anders gezegd, door het maatschappelijk gewenste pakket publieke voorzieningen aan te bieden kan een stad mensen aan zich binden en de grondwaarde doen stijgen. Dat is wat Amsterdam zo goed doet en waarom ze door andere steden wordt benijd.

Twee jaar geleden publiceerden dezelfde auteurs een tweede studie, met als titel ‘Groei en krimp’ (2016). Daarin vroegen zij zich af waar we in Nederland zouden moeten bouwen en waar vooral niet. Die publicatie kreeg, ten onrechte, veel minder aandacht in de pers dan de eerste. Toch liggen beide in elkaars verlengde. Ik citeer: “Het proces van groei en krimp is een nieuwe fase ingegaan: een fase die gepaard zal gaan met scherpere tegenstellingen in regionale ontwikkeling.” Volgens de auteurs is er maar één optie voor de overheid: ‘go with the flow.’ “Bouw daar waar er vraag naar is.” Daartoe berekenden ze de marktwaarde van alle opstallen in heel Nederland. Is die marktwaarde hoger dan de bouwkosten, dan is het verstandig om te bouwen, anders niet. Met behulp van meer dan één miljoen huizentransacties over de afgelopen twintig jaar berekenden ze de meerwaarde tot op postcodeniveau. En wat bleek? Ongeveer de helft van alle woningen in Nederland is op de juiste plek gebouwd. De andere helft niet. Daarmee zijn veel kosten gemaakt, die nooit meer zullen worden terugverdiend. En veel woningen blijken in een veel lagere dichtheid te zijn gebouwd dan economisch gerechtvaardigd. De belangen van projectontwikkelaars, concluderen zij, lopen niet parallel met de economische belangen. Waar zou je in en rond Amsterdam moeten bouwen en in welke dichtheid? Teulings in Het Parool van 5 maart 2017: overal rond Amsterdam, maar niet in Almere. Op maandag 26 maart 2018 spreekt Teulings zijn Amsterdamlezing.

Tagged with:
 

Adelheid Roosen als burgemeester

On 20 maart 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Amsterdam, op 19 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor adelheid roosen de oversteek

Foto: Zina

De zwerver voor haar voordeur heette Jan. Toen de politie hem uit haar portiek wilde halen, ontfermde Adelheid Roosen zich over hem. Jan werd lid van het bewonersoverleg. Hij kreeg als taak om de voordeur te schilderen. Jan koos voor bordeauxrood. Maar het afschuren en lakken duurde eindeloos. Roosen (1958) vertelde er prachtig over tijdens de vierde Amsterdamlezing van dit jaar. In diezelfde lezing vertelde ze over haar overbuurman die elke avond als hij naar bed ging de gordijnen sloot met de tandenborstel in zijn mond. Op een avond belde ze bij hem aan en stelde voor om een nacht bij hem door te brengen. Wat ze vervolgens ook deed. Voor haar was het een experiment geweest. Verschil tussen theater en het normale leven is er niet bij, bij regisseur en theatermaker Adelheid Roosen. Een schouwburg is voor haar gewoon een droge plek om te acteren. Alles draait om menselijk contact, om ontroering, om nieuwe mogelijkheden te verkennen. Contact met anderen noemde ze vormend, dat wist ze zeker. Anderen vormen jou, jij bent niet wie je bent. Ze raadde aan om Emmenuel Levinas te lezen. ‘Ware schoonheid zit in kleine dingen’. Indrukwekkend was haar verhaal over het avontuur met een criminele motorbende in Mexico-stad die ze had gevraagd om in haar wijksafari om te treden. Hoe het was om veertien dagen lang met moordenaars op te trekken? Ze wist wie ze tegenover zich had, maar oordelen deed ze niet.

Het fragment dat ze vertoonde was uit de film over De Oversteek, het toneelstuk dat in zeven schouwburgen in zeven steden was opgevoerd en waarbij telkens honderd gewone burgers het toneel op waren geklommen om zich vervolgens in pyjama te hijsen en er de nacht door te brengen. Maanden hadden de deelnemers geoefend, Roosen en Muizelaar hadden “als kinderen van 6” bij de mensen aangebeld om ze voor de voorstellingen te werven, elke nacht was weer totaal anders geweest. Mensen die nog nooit in het theater waren geweest, speelden nu rollen in ‘Dantons dood’ bij Toneelgroep Amsterdam in de regie van Johan Simons. Het publiek moest maar zien wanneer het vertrok, maar het mocht ook blijven slapen. Het was een enorme operatie geweest, een helse operaproductie. Kijk: https://www.youtube.com/watch?v=QxjM8eY2uQw Stel, Adelheid, ze vragen je om burgemeester van Amsterdam te worden. Zou je dat doen? Waarop de zaal losbarstte. Jazeker! Dit is wat ze zou doen als ze burgemeester werd van Amsterdam: iedereen mag blijven slapen in de Stopera, dat spreekt vanzelf. Er komt een ‘liefdespolitie’ en er wordt een team van dertig burgers geïnstalleerd die alle regels in de stad inventariseren en zoveel mogelijk verwijderen. Roosen wil de mensen bevrijden uit ‘het systeem’, ze is ervan overtuigd dat Amsterdammers lief zijn voor elkaar. Waar had ik dat ook alweer eerder gehoord? Volgende week spreekt econoom Coen Teulings. Mis het niet!

Tagged with:
 

Alles is mogelijk

On 18 maart 2018, in kunst, participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 7 juni 2017:

Afbeeldingsresultaat voor adelheid roosen wijksafari

In 2012 begon ze in Amsterdam Slotermeer. Daarna volgde Mexico-City. Toen de Utrechtse wijken Ondiep, Overvecht en Zuilen, de Mexicaanse grensplaats Ciudad Juárez, Banne en Floradorp in Amsterdam Noord, in mei 2015 volgde de Bijlmer. Voor haar ‘adoptiemethodiek’ ontving theatermaakster Adelheid Roosen op 23 oktober 2017 in New York de drie-jaarlijkse ‘Gilder/Coigney International Theatre Award’ van de ‘League of Professional Theatre Women’. Komende maandagavond 19 maart 2018 vertelt ze over haar wijksafari’s tijdens de Amsterdamlezing in de theaterzaal van CREA op Roeterseiland. Wat gebeurt er in de wijken die ze bezoekt? Hoe beleven bewoners en bezoekers de door haar ontwikkelde werkwijze? Hoe maken wij stedelingen weer contact? Bij elke wijksafari worden theatermakers twee weken geadopteerd door bewoners in sociaal kwetsbare wijken om het contact met de ander te verdiepen en levensverhalen te verzamelen. Theatermakers doen mee in de dagelijkse routine van de ander. Op basis van dit verblijf maakt elk koppel een theaterscène, die ze tijdens de Wijksafari thuis opvoeren. Door twee weken met elkaar te leven, ontstaat een band en vriendschap tussen mensen. Bij de Wijksafari draait het om intiem contact. Roosen: "Het contact is het geluk."

Samen met Johan Simons deed ze in 2014 een grote theaterproductie rond Georg Büchners klassieker over de Franse Revolutie in de Amsterdamse Stadsschouwburg. In De Oversteek nam ze honderd wijkbewoners mee naar de schouwburg op het Leidseplein, waar ze met slaapzakken en matjes de nacht doorbrachten op het toneel. Idee: schouwburgen omtoveren in buurthuizen. Tegenover de redactie van Ons Amsterdam zei ze: “Ik heb een enorme ruimtelijke beleving van de dingen om mij heen en ik zie nooit beren op de weg. Alles is mogelijk en als iets niet lukt heb ik geen gevoel van verlies. Ik hou er ook van om zandkastelen op het strand te bouwen, die bij vloed weer wegspoelen. Niets is blijvend. ‘Maak de wereld elke dag zoals jij hem wilt zien’, zei Gandhi. Die filosofie is in de loop der jaren in mij gaan wonen."  Wat ik zo graag aan haar wil vragen: is luisteren echt zo belangrijk voor mensen? Hoeveel tijd nemen wij voor elkaar? Wat is er mis met onze steden? En wat is ze van plan met onze straten? Zouden we onze steden niet heel anders moeten inrichten? Kunnen we de openbare ruimte niet veel beter programmeren? Iemand als Adelheid Roosen zou daar toch ideeën over moeten hebben. Meld je snel aan: http://www.uva.nl/nieuws-agenda/nieuws/amsterdamlezingen/amsterdamlezingen-uva.html

Tagged with: