The Jungle

On 16 november 2011, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Jungle’ (1905) van Upton Sinclair:

Twee uur lang spraken we met Wu Ziling, adjunct-directeur stadsontwikkeling van Wuhan, Centraal-China. Op het eind vroeg ik hem welke stad hij bewonderde. Zonder aarzelen antwoordde hij: Chicago. De redenen waren volgens hem voor de hand liggend: net als Wuhan ligt Chicago in het centrum van het land, en net als Wuhan is Chicago het industriële hart van de natie. Ook het klimaat is vergelijkbaar: hele hete zomers en koude winters. Bovendien liggen beide steden aan breed water. Ik dacht dat daarmee de vergelijking tussen beide steden wel was gemaakt, maar voor Wu Zhiling ging ze nog verder. In het tijdschrijft dat ter gelegenheid van het 47e wereldcongres van ISOCARP in China verscheen, las ik een interview met Wu Zhiling waarin hij uitwijdt over de geest van Wuhan. Opnieuw is Chicago, USA, zijn grote voorbeeld. Zo vergelijkt hij de Chinese tennisster Li Na, afkomstig uit Wuhan, met Michelle Obama, de presidentsvrouw uit Chicago. Beide vrouwen, licht hij toe, zijn sterk en ambitieus, net als de twee steden. “The character of the people implies the character of a city, which is molded by its unique cultural backround and living environment.” Wu Zhiling weet ook dat Ernest Hemingway uit Chicago afkomstig is, maar dat de stad er niet mee te koop loopt. Datzelfde geldt voor een aantal Chinese schrijvers. Voorts noemt hij Frank Lloyd Wright, een boer die later architect werd in Chicago. Zijn Prairy Style drong pas laat tot de Amerikaanse geest door. Zo is het, zegt hij, ook met Wuhan. Vele grootheden komen uit de Centraal-chinese stad, maar ze hangen hun nederige afkomst niet aan de grote klok. “It takes time to recognize the charm of Wuhan.” Wuhan is relatief onbekend, maar dat zal veranderen.

Tijdens het congres toonde Wuhan zich een trotse en ambitieuze stad, die zich probeert te meten met de grote drie: Peking, Shanghai en Guangzhou. De lokale heersers spreken van het herstel van de glorie van Wuhan en gebruiken Chicago als hun geliefde voorbeeld. De hoogbouw in het centrum van de stad in het Midden-Westen wensen zij ook hun eigen stad toe. Zelf moest ik denken aan Upton Sinclair’s ‘The Jungle’’. Dat boek, uit 1905, speelt zich af in Chicago aan het begin van de twintigste eeuw: “the crushing poverty, the disease, the depravity, the despair – he reveals all through the eyes of Jurgis Rudkus, a young immigrant who has come to the New World to build a home for himself, his fiancée and her family.” Het schitterende boek deed me denken aan al die Chinese migranten van het platteland, ze willen allemaal een bestaan opbouwen in Wuhan en hopen dat de stad hen goedgezind is. In korte tijd groeit de metropool in het hart van China uit van tien miljoen nu naar vijfentwintig miljoen zielen over twintig jaar. Ongetwijfeld zal ze daarbij welvaart creëren. Maar hopelijk ook rechtvaardigheid. “Chicago will be ours!”

Tagged with:
 

Niet te benijden

On 28 februari 2011, in politiek, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 24 februari 2011:

De Democraat Rahm Emanuel is afgelopen dinsdag gekozen tot nieuwe burgemeester van Chicago. Zijn voorganger, Richard Daley, vervulde de publieke functie gedurende liefst 42 jaar. Afgelopen september zag Daley af van een zevende termijn, waardoor de verkiezingen ineens ongemeen spannend werden. Emanuel, ooit topadviseur van president Obama, wordt gezien als een toekomstige presidentskandidaat. Het zijn twee redenen voor de wereldpers om stil te staan bij zijn uitverkiezing. Maar is Emanuel wel te benijden? In de Volkskrant refereert Diederik van Hoogstraten aan het gat in de begroting dat Daley achterlaat van niet minder dan 600 miljoen dollar. Hij noemt stijgende criminaliteit en dalende werkgelegenheid en gemankeerd onderwijs, maar vermeldt niet de achtergronden. Wat is er in Chicago aan de hand?

‘The Windy City’ is al jaren een krimpende stad, al gaat het de laatste jaren iets beter. Op dit moment telt de stad 2,69 miljoen inwoners. Nog altijd betreft het de op twee na grootste stad van de Verenigde Staten, maar tien jaar geleden was het centrum in het Midden-Westen beduidend groter. Een dalende bevolking betekent een verslechtering van de belastingvoet en afkalvende publieke dienstverlening. Vorig jaar nog (17 februari 2010) toonde VPRO’s Tegenlicht beelden van dichtgespijkerde woningen in de buitenwijken van Chicago, straat na straat bleek helemaal verlaten. De kredietcrisis had de stad ongemeen hard getroffen, veel bewoners waren weggevlucht. In ‘Dark Age Ahead’ beschrijft Jane Jacobs de hitteramp van 1995 waardoor honderden oudere inwoners van Chicago stierven in hun woningen. Een van de oorzaken van de opmerkelijk hoge sterftecijfers van destijds bleek het vervangen van sociaal en medisch geschoold gemeentepersoneel door politie en brandweer in een eerdere gemeentelijke bezuinigingsronde. Heroriëntatie in de lokale rampenbestrijding die had plaatsgevonden onder de vlag van ‘reinventing government’, bestond eruit ambtenaren bedrijfsmatiger te laten werken. Deze bedrijfsmatige aanpak, aldus Jacobs, werkte voor geen meter; de macho ethos sloot niet aan bij de behoeften van de bewoners. In een voetnoot citeert Jacobs de vader van burgemeester Daley. “I think there’s too much money going to the state capitals and Washington. It’s ridiculous for us to be sending them money and asking for it back. I don’t think the cities should have to go hat in hand when they need the money for improvements. We’re going to have to clarify the role of the locality in relation to state and national governments. The cities and metropolitan areas are the important areas of the country today, but they’re still on the low part of the totem pole.” Voldoende publiek geld is het probleem. Steden als Chicago lijden eronder. Desalniettemin verwacht Richard Florida dat Chicago beter uit de crisis zal komen dan dat ze erin ging. En ook Ed Glaeser dicht Chicago grote kansen toe. De eerste wijst op de gunstige inbedding van de maakindustrie in de stedelijke economie, de tweede op de vernieuwende en gedurfde hoogbouw. En in Newsweek lees ik deze week dat burgemeester Daley op grote schaal parken heeft aangelegd en het toerisme heeft bevorderd. Het komt dus wel goed. Emanuel moet alleen een enorm begrotingsgat dichten.

Tagged with:
 

Vreemd

On 20 mei 2010, in internationaal, by Zef Hemel
Gelezen in Hollandblad nr 6. 2010:
James Kennedy is Amerikaans historicus en hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij woont in Amersfoort. Hollandblad, het tijdschrift van de Vereniging Deltametropool, interviewde hem over de Randstad, in het bijzonder over de angst voor de metropool. Nu is de Randstad natuurlijk geen metropool. Het is gewoon een conglomeraat steden in het westen van Nederland. Dat vindt de Amerikaan Kennedy gelukkig ook. Of beter, hij noemt de Randstad "een metropool tegen wil en dank." Maar ook: "een fysieke metropool is het zeker niet". En daarin heeft hij natuurlijk gelijk. "Nergens is een compromisloze clustering van talent, geld en excentrieke cultuur. Alles is hier een beetje half. (…) Nederland is vooral vlak in dat opzicht." Dat komt vooral, zegt hij, doordat in dat vlakke Nederland de angst voor de grote stad is ingebakken in de cultuur. "In Nederland zijn die anti stedelijke sentimenten altijd heel groot geweest." Elders omschrijft hij fraai de kwaliteiten van de metropool als fenomeen: "Er wordt een gelegenheid geschapen om afzondering te zoeken en anders te zijn, en daarin elkaar op te zoeken. De metropool is een vrij kader, een verzameling van mogelijkheden om te vluchten uit de rest van de samenleving."
 
Zeker, als je als Amerikaan uit Illinois komt en je vergelijkt het leven in Chicago met dat in de rest van de staat Illinois, dan is Chicago een ‘vrij kader’, een plek om naar te vluchten als je vrijheid zoekt. De Randstad biedt die mogelijkheid dus niet. Als je uit het provinciaalse Nederland wilt vluchten, dan kun je hier nergens heen en moet je wel de grens over, naar het buitenland. De enige plek waar het nog een beetje kan is Amsterdam, lijkt mij. Maar de in Amersfoort woonachtige Kennedy noemt Amsterdam niet. Even vermoed je dat hij Amsterdam typeert waar hij New York beschrijft: "Een New Yorker kan zonder de rest van de wereld. Hij kan alles in zijn eigen stad doen. Natuurlijk kijkt de New Yorker naar wat er gebeurt in Shanghai, Hong Kong, Londen. Maar hij houdt zich niet bezig met wat er in de directe omgeving gebeurt." Van dat gedrag worden Amsterdammers ook beticht. Echter, hier en trouwens in het hele interview komt Amsterdam niet voor. Vreemd is dat.
Tagged with:
 

Tweedeling, lotsverbondenheid, respect

On 16 oktober 2008, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Respect in a world of inequality’ (2003) van Richard Sennett:

Deels autobiografisch is een van de laatste boeken die de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, docent aan de New York University en aan de London School of Economics, het licht heeft doen zien. De aanleiding tot het schrijven was de afbraak van veel van de sociale voorzieningen in de jaren ’90 in Amerika. Een van de drijfveren daarachter was het argument dat menselijk welzijn veeleer door talent wordt bepaald, dan door behoeften. Sennett beweert iets heel anders: in een wereld van grote ongelijkheid is vooral de behoefte aan wederzijds respect bepalend voor menselijk welbevinden. En respect is schaars.

Sennett illustreert die schaarste aan de hand van zijn eigen jeugd in Chicago. Daar groeide hij op in Cabrini Green, een sociaal woningbouwproject in het hart van de stad. Het project werd door planners in de jaren ’40 van de twintigste eeuw ontwikkeld met als doel om de blanke lagere en middenklasse – Italianen, Polen en Grieken – vast te houden in het deel van de stad dat tijdens en kort na de oorlog overspoeld werd door arme zwarten. Het werd een raciaal gemengde enclave die uitgroeide tot een voorbeeld van al het slechte in de sociale woningbouw – "full of drugs and guns, its lawns carpeted in broken glass and dog shit." Maar dat was later. Voor de zwarte bevolking die uit het zuiden kwam, waren de onder neutrale architectuur gebouwde woningen aanvankelijk een hele vooruitgang: "the future seemed bright". Maar voor de arme blanken was het signaal een heel andere. "Like government planners, before and since, the designers of Cabrini Green sought to remedy a large social evil in meeting that practical welfare need, using housing as a ‘tool’ for combating racial segregation." De blanke middenklasse kon hier goedkoop wonen, er was een enorm woningtekort, dus stapten ze erin – "they had become the servants of racial inclusion as imagined by a superior class."

Niemand had invloed op de architectuur of de inrichting van de omgeving. Dit was overigens met de beste bedoelingen gedaan: de omgeving symboliseerde iets nieuws en schoons, "a designer’s modernist flag". Erger was dat de mensen hun buren niet konden kiezen; dat deed de woningbouwcorporatie. En wanneer er sprake was van een incident, dan verliep de hulpverlening altijd via de politie, die de school of een hulpverleningsinstantie inschakelde – "a platoon of social workers, who descended upon the community" – maar niet de ouders of de relaties. Alle betrokkenen waren hierover telkens weer verontwaadigd: de blanken dat de autoriteiten zich met hun kinderen bemoeiden, de zwarten dat de kinderen de aandacht van de autoriteiten hadden getrokken. De hulpverleners hadden de plaats ingenomen van de ouders. Waarna Sennett concludeert: Cabrini bracht de inwoners weinig zelfrespect om twee redenen. De eerste is de vernederende afhankelijkheid van autoriteiten, die de blanken dwongen tot omgang met zwarten, een omgang die ze zelf niet aangingen; de tweede was het onthouden van controle over hun eigen leven door diezelfde autoriteiten. "It was here that they experienced that peculiar lack of respect which consists of not being seen, not being accounted as full human beings." Sennett voegt daar wijs aan toe dat de zwarten daar al eeuwen aan gewend waren. Maar de blanken niet.

Tagged with:
 

Civic honour

On 3 augustus 2008, in geschiedenis, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in The Devil in the White City (2003) van Erik Larson:

Indrukwekkende geschiedenis van de Wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago, USA, zoals opgetekend door Erik Larson. Ik kocht het boek dit voorjaar in New York (sic!, zie hieronder). Zeer de moeite waard om te lezen. De door Daniel Burnham en Frederic Law Olmsted ontworpen ‘White City’ die van mei tot eind oktober 1893 in Chicago was te bewonderen, heeft destijds enorme furore gemaakt, en vormde in feite het begin van de City Beautiful beweging in Amerika. Later is The White City door de modernistische architecten verguisd, die daarbij gretig refereerden aan het lelijke commentaar van stads- en tijdgenoot Louis Sullivan, maar Erik Larson weet veel van die lelijkheid in het juiste historische daglicht te plaatsen, waardoor de grootheid van Burnham en Olmsted weer overtuigend naar voren komt. Ook de receptiegeschiedenis van de Fair werpt een nieuw licht op de effecten ervan, destijds, op de rest van Amerika die zondermeer indrukwekkend genoemd mogen worden. En dan doel ik niet op het feit dat de vader van Walt Disney aan de opbouw van het tentoonstellingsterrein heeft meegewerkt of dat sinds die tijd bij elke Amerikaanse kermis tijdens Columbus Day een reuzenrad wordt opgebouwd (het eerste reuzenrad stond op de Worlds Fair van 1893, bedoeld om daarmee de Eiffeltoren van de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1889 te overtroeven), nee, "the fair’s greatest impact lay in how it changed the way Americans perceived their cities and their architects." Hoe dan? "The fair taught men and women steeped only in the necessary to see that cities did not have to be dark, soiled, und unsafe bastions of the strictly pragmatic. They could also be beautiful." Dat lijkt me fundamenteel en belangwekkend voor de stedenbouw in het algemeen. Het leidt vijftien jaar later bovendien tot de opdracht van het stadsbestuur aan Burnham om een plan te maken voor Chicago, wat later ook grotendeels zou worden uitgevoerd:

chicago plan 1907

Maar het meest opvàllende aan de geschiedenis van de tentoonstelling is wel de tomeloze inzet van de stad Chicago om in een recordtijd van nog geen drie jaar zo’n enorme ”witte stad” uit de grond te stampen. De aanleiding was de viering van Columbus’ ontdekking van de Nieuwe Wereld. Dan denk je niet direct aan Chicago voor het organiseren van zo’n feest. In de race om als stad in aanmerking te komen voor de organisatie was haar grootste concurrent dan ook New York, dat, zou je zeggen, de oudste rechten had. Chicago was sinds kort weliswaar de tweede stad van Amerika, maar voelde zichzelf nog altijd nietig vergeleken bij de miljoenenstad New York. Bovendien was Chicago een vieze en stinkende stad in het lege Midden-Westen, groot geworden door de slachterijen. Zelf is Larson ook het meest geïntrigeerd door dit historische gegeven. "The thing that entranced me about Chicago in the Gilded Age was the city’s willingness to take on the impossible in the name of civic honour, a concept so removed from the modern psyche (…)" Iets onmogelijks mogelijk willen maken vanuit een gevoel van eer en trots, als zo’n gevoel aanwezig is in een stad, dan kun je met de talenten van iemand als Daniel Burnham èchte stedenbouw bedrijven. Soms, heel soms heeft een bepaalde stad die psychische gesteldheid. Je hebt geluk als je als stedenbouwer dan net ter plekke bent. Maar, stelt Larson terecht, zo’n psyche kan ook gevaarlijk zijn. Want trots ligt dicht bij kwaad. Ook die donkere kant van Chicago tekent hij op in zijn boek. Wat heet donker! Inderdaad, een indrukwekkend relaas.