Creative Metropoles

On 18 mei 2010, in economie, by Zef Hemel
Gelezen in de Volkskrant van 25 januari 2010:
Vandaag hadden we een boeiende bespreking van deel 1 van ‘Creative Metropoles’, een internationaal vergelijkend onderzoek naar stedelijk beleid voor de culturele en creatieve industrie in elf Europese steden, waaronder Amsterdam. Het is, althans voor mij, altijd weer moeilijk om in dit soort kwesties in algemeenheden te spreken. De parallellen met ouderwets industriebeleid en traditioneel economisch stimuleringsbeleid zijn voor de hand liggend en snel gemaakt, maar ze zijn volstrekt ongepast. Dat we niet met een traditionele economische tak van sport te maken hebben, moet toch duidelijk zijn. Maar steeds weer begaat iedereen weer dezelfde fout. Een groot deel van het gesprek ging dan ook over legitimering van het beleid en de noodzaak de omvang van de ‘sector’, de toegevoegde waarde en de betekenis voor de onderkant van de arbeidsmarkt aan te geven. Vergeefse moeite allemaal. Als je de betekenis ervan niet begrijpt, helpt geen lieve moeder je.
 
Neem het voorbeeld van Jan Taminiau. Taminiau is modeontwerper, die gericht is op maatwerk. Zijn bedrijfje bestaat, naast hemzelf, uit drie mensen. Daarnaast is hij voor het naaiwerk afhankelijk van freelance specialisten. Voor een show is het extra druk; dan zitten zeker acht vrouwen in zijn kantoor gebogen over borduurramen, want bijna ieder stuk uit de nieuwe collectie wordt versierd met pailletten. Vorig jaar verkocht hij dertig outfits, hoofdzakelijk avondjurken en zakenpakjes. Dat is niet veel. Maar ondertussen toont hij zijn collectie wel in Parijs, tijdens de coutureweek, alweer voor de vijfde keer, en draagt prinses Maxima zijn kleding. Zijn bedrijfpand dateert uit 1601 en staat op de Amsterdamse Wallen. Hij trok erin dankzij Red Light Fashion, de actie van de gemeente Amsterdam om vrijkomende wallenpanden als gevolg van de schoonmaakacties tijdelijk aan ondernemers in de culturele en creatieve industrie te verhuren. Met succes. Inmiddels heeft Taminiau het pand officieel gehuurd. "Mijn klanten vinden het geen probleem om hier te komen," laat hij in de Volkskrant weten. Zo’n jonge topondernemer werkt nu vanuit Amsterdam, op de Wallen, mede dankzij een onorthodoxe huisvestingsactie van de gemeente. Zo’n type beleid onttrekt zich aan elke officiële categorie, maar werkt uitstekend. Het bedrijf is klein, maar het werk is arbeidsintensief, met een zeer hoge toegevoegde waarde. Zijn aanwezigheid straalt af op Amsterdam en doet de stad internationaal stijgen in aanzien. En dat alles dankzij een bescheiden inspanning van de gemeente. Legitimering overbodig, zou ik zeggen. Of toch maar niet doen?
Tagged with:
 

Het Paradisomodel

On 21 december 2009, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 18 december 2009:

Saskia van Drimmelen is modeontwerper. Samen met Desirée Hammen en Margreet Sweerts voert ze het label ‘Paintes Series’. Elk kledingstuk dat het drietal ontwerpt is een gezamenlijk werk en gaat letterlijk van hand tot hand. "Margreet maakte een begin, uitgaande van een detail dat door Rumjana in Bulgarije was gemaakt en daarna ben ik ermee verder gegaan. Toen ik even niet verder kwam, nam Desirée het over. Zo zijn al onze ontwerpen gemaakt door vele handen." Haar inspiratiebron was de Amerikaanse band Flaming Lips. "Wat mij vooral trof was wat de Flaming Lips uitstraalde: gewoon pretentieloos doen waar je plezier in hebt. En dat kleinschalig houden, hoe beroemd je ook bent. Dat de buitenwereld mooi vindt wat je maakt is niet het doel, maar leuk meegenomen. Gegrepen door hun manier van doen dacht ik: dát is wat ik wil. Kleding maken zoals de Flaming Lips muziek maken: samenwerken met geestverwanten en persoonlijk contact hebben met de mensen voor wie je iets maakt." Journaliste Marjon Bolwijn schreef er in de Volkskrant een intrigerend stuk over.

Van Drimmelen werkt tegenwoordig vanuit Amsterdam. Acht jaar lang had ze succes in modestad Parijs, haar eigen label verkocht ze over de hele wereld. In het voorjaar van 2003 besloot ze om met dit hectische leven te breken. Haar inspiratiebron, de Flaming Lips, ontdekte ze tijdens een optreden in Paradiso. "Met mijn vriend ging ik naar een optreden van deze Amerikaanse rockband in Paradiso in Amsterdam. Dat was een openbaring. Het concert was één groot feest met de zaal. Niks popgroep die op afstand van het publiek op een voetstuk staan te musiceren. De vier bandleden betrokken hun fans bij het optreden." Prompt stopte ze in Parijs en maakte een begin met ‘Painted series’. Haar eerste modeshow hield ze in Amsterdam, in een tuin van een 17e eeuws grachtenpand. "Zo heeft Painted Series à la de Flaming Lips de afstand tot het publiek dat op de catwalk in Parijs zo groot is, willen opheffen." Painted Series heeft inmiddels zijn weg gevonden naar een designwinkel in New York, maar vooral naar individuele klanten. Ook bestaat het op internet.

Je ziet het vaker. Steeds meer talentvolle kunstenaars/ontwerpers kiezen bewust voor kleinschaligheid, rechtstreeks contact met publiek en/of afnemers, kwaliteit en samenwerking met bekenden uit de directe nabijheid, maar vooral: plezier in het werk. Dat doen ze vanuit een stad waar ze inspiratie vinden, want ze hebben het contact met de wereld wel nodig. Internet doet de rest. Het is het Paradisomodel: een kleine zaal, een geweldig publiek, beroemde artiesten, een menselijke maat, en dat alles in een inspirerende stad. Juist deze manier van werken brengt de kunstenaars roem. En Amsterdam bezorgt het wereldfaam.

Tagged with:
 

Doorgroeien

On 28 mei 2009, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 27 mei 2009:

ccaa

Gisteren zat ik, samen met vertegenwoordigers uit Helsinki, Boedapest, München en Barcelona, in een beleidspanel op een congres over creatieve kennissteden, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam en de CCAA (Creative Cities Amsterdam Area). Dit congres werd gehouden in De Bazel aan de Vijzelstraat. De laatste vraag die door de moderator aan ons gesteld werd, was of de creatieve industrie ons uit de recessie gaat halen.

München was daarover niet optimistisch. Haar creatieve (media)sector is sterk verbonden met de zwaar onder vuur liggende autoindustrie. Boedapest vertelde dat in alle post-socialistische steden de creatieve industrie de hoop is en de redding moet brengen, maar of dat ook gebeurde was natuurlijk zeer de vraag. Barcelona dacht in deze zware tijden eerder strategisch te moeten kiezen voor het Florida-model: toerisme opkweken, en geloofde minder in de zegeningen van de creatieve industrie. Maar Amsterdam, stelde ik, zal zeker, net als alle andere creatieve steden in Europa, de recessie het eerste te boven komen. Waarom? Omdat laagconjuncturen altijd door sterke stedelijke economieën zijn bestreden. En in een Europa waar de bevolking krimpt en het jonge talent samentrekt in een aantal creatieve steden, zal de redding zeker uit de hoek van deze laatste moeten komen.

‘s Avonds bij thuiskomst las ik in Het Parool dat de creatieve sector in Amsterdam in 2008 sterk is gegroeid: met liefst 11,2 procent. Dat zou blijken uit de Monitor Creatieve Industrie die door het College van Burgemeester en Wethouders de dag tevoren was vastgesteld. Het aantal bedrijven groeide zelfs met 16,2 procent. Sinds 1996 komen er in de Amsterdamse regio jaarlijks gemiddeld 4,3 procent creatieve banen bij. Banengroei in de andere sectoren is de helft minder. Ook de cijfers voor januari 2009 laten nog steeds een groei zien. Dat is opmerkelijk, omdat de sector zeer conjunctuurgevoelig zou zijn. Het is goed nieuws in deze slechte tijden. Niet alleen voor Amsterdam, maar voor heel Nederland.

Tagged with:
 

If you snooze, you lose

On 20 oktober 2008, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 7 oktober 2008:

Peter Stigter is catwalkfotograaf. Hij behoort tot de vijftien beste ter wereld. De afgelopen weken heeft hij in New York, Milaan en Parijs bijna tweehonderd shows gefotografeerd. Zijn foto’s staan in bijna alle dagbladen en tijdschriften als Elle, Elegance, Glamour en AvantGarde. Maar hij heeft ook buitenlandse klanten, zoals de Totonto Star en het Amerikaanse Fashion Magazine. Zonder die buitenlandse afname had hij nooit de plek gehad die hij nu heeft: aan de kop van de catwalk. "Als Nederlander stel je in Parijs niet zoveel voor, (…)" Hoe heeft hij het zover geschopt? Peter studeerde aan de Design Academy in Eindhoven, net als zijn vrouw, die modejournaliste is. Zij zat al in Parijs, toen ze hem in 2000 belde om hem te vragen met een camera naar de Franse hoofdstad te komen. Samen richtten ze het bedrijf Fashiontalk op, waarmee ze, naast verslagen van shows, presentaties en fotoreportages maken in opdracht van ontwerpers en bedrijven. Het bedrijf telt inmiddels negen medewerkers, waaronder zogenaamde ‘spottakers’ die vooraf de modeshows verkennen en de te verkiezen plek markeren met tape. Daarnaast werkt hij samen met Jonas Gustavson, een Amerikaanse catwalkfotograaf, want soms worden er shows tegelijk gehouden, of te kort op elkaar. En buiten staat telkens straatmodefotograaf Joris Bruring, om de bezoekers van de shows vast te leggen. "Daar is vraag naar, omdat de catwalk zo artificieel is geworden." Eenmaal weer terug in het hotel, zit Lisa Klapper gereed om de beste foto’s te selecteren. Binnen een uur na de show moeten die namelijk online beschikbaar zijn. Van de gemiddeld 600 foto’s per show selecteert zij binnen 10 minuten de helft. De website van het bedrijf is alleen toegankelijk voor klanten. Die kunnen de foto’s direct downloaden.

Ziedaar een hooggespecialiseerd bedrijf. Catwalkfotograaf is een uiterst specialistisch beroep, net als straatmodefotograaf en spottaker. Het zijn beroepen die alleen in wereldsteden worden uitgeoefend. Moeilijk? "De druk tijdens zo’n show is onvoorstelbaar. Met een noodvaart komt er een supermodel op me afgelopen, en dan heb ik een fractie van een seconde om haar helemaal volmaakt in beeld te krijgen. Het geeft een ongelooflijke kick als het lukt, het is verslavend. (…) En dat binnen maximaal een kwartier. (…) Het luistert ontzettend nauw. Voor aan je neus krabben is geen tijd. If you snooze, you lose." De foto’s die Peter Stigter maakt gaan een half jaar lang de wereld rond. "Er is een hele industrie afhankelijk van die informatie die hier getoond wordt." Dat geeft hem enorme voldoening.

Tagged with:
 

Steriele stad

On 7 mei 2008, in cultuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 18 april 2008:

"Bestuurders moeten naar een stad kijken, zoals een ouder naar een kind: niet te veel opleggen of een bepaalde richting in duwen, maar juist inspelen op de talenten die het in zich heeft." Dat stelt Harry Starren, directeur van De Baak, het managementcentrum van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Hij maakt zich zorgen over Amsterdam. Juist daar komen de werelden van creatieve bedrijven en multinationals samen – een grote potentie, meent hij, want creatieve bedrijven hebben de toekomst nu het economische belang van grote bedrijven afneemt. In Amsterdam kunnen die grote bedrijven veel leren van creatieve ondernemers, terwijl de creatieve ondernemers het meer zakelijke organiseren kunnen leren van de grote bedrijven. Daarom heeft De Baak een vestiging geopend op de Zuidas. Maar het Amsterdamse gemeentebestuur, zegt hij, lijkt te veel "door te slaan naar een steriele stad, volledig volgebouwd, zonder rafelranden."

Een beetje gelijk heeft Starren wel. Het gevaar van steriliteit zit er zeker in, zelfs in Amsterdam. Daarom moeten we ook veel regionaler gaan opereren, grootstedelijker. In Haarlem, Zaanstad, Diemen en zelfs Almere zijn voldoende rafelranden. Die steden zouden veel meer ruimte moeten bieden voor experiment en Amsterdamse creatieve bedrijven moeten aantrekken. De boodschap van Starren lijkt me in de eerste plaats aan hen gericht, en aan de projectontwikkelaars, want die streven vanuit risicomijdend gedrag naar steriliteit. In Amsterdam moet het ondertussen allemaal nog veel dichter, compacter, grootstedelijker. Steriel zal het daardoor niet snel worden. Een steriele metropool bestaat niet.

Tagged with:
 

De lat hoger leggen

On 24 september 2007, in economie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 15 september 2007:

De Amsterdamse fotograaf Kadir van Lohuizen won onlangs in Perpignan de prestigieuze Visa d’Or voor zijn reportage uit Tsjaad. Samen met de World Press Photo is de Visa d’Or de belangrijkste fotoprijs in de wereld. Zijn reportage verscheen indertijd in Le Monde. Een echte wereldspeler dus, die Van Lohuizen, een groot talent. Hoe verhoudt hij zich tot de Amsterdamse ‘creatieve industrie’, waarvan hij immers deel uitmaakt? En kunnen we vanuit zijn specifieke situatie geredeneerd uitspraken doen over het beleid of tenminste over de condities waaronder zijn talent kon opbloeien?

Van Lohuizen woont op een woontjalk op de Kromme Waal, nabij de Montelbaanstoren. Op een mooie plek dus en geen dure, ruime ontwikkelaarswoning dus, maar een boot. Zijn kantoortje was lange tijd boven de redactie van De Groene Amsterdammer, aan het Frederiksplein, gevestigd. Het was een eenvoudige zolderruimte, volgestouwd met spullen, tegen een lage huurprijs. De redactie beneden hem bood toegang tot de wereld van de bladen. Dat was handig, zeker in de begintijd. Maar bovenal was het een goedkope ruimte op een prestigieuze plek in een stad die een naam heeft in de wereld. Veel geld verdient hij immers niet. Trouwens, hij reist de hele wereld rond, van de ene reportage naar de andere, dus veel waarde hecht hij niet aan zijn bedrijfsruimte. Het enige dat hij echt nodig heeft, is een adres. Schiphol in de buurt is voor hem een groot voordeel. Hij heeft geen auto, doet alles op de fiets, maar vliegreizen is de basis van zijn bestaan. Toen hij zijn kantoortje uit moest, verhuisde hij naar Post CS, waar juist goedkope tijdelijke werkruimte voor creatieve bedrijfjes vrijkwam. Dat is voor Van Lohuizen niet alleen voordelig, hij kan sindsdien van zijn woontjalk gemakkelijk naar zijn werkruimte wandelen.

Maar nu gaat hij toch verhuizen. Naar New York. Post CS moet hij verlaten. En daarmee verlaat hij Amsterdam. Niet dat dat de werkelijke reden van zijn verhuizing is. In New York, zegt hij, kan hij de lat hoger leggen. "Mensen in Nederland zeggen misschien wel dat het (werk van Van Lohuizen, ZH) goed is, maar ze zeggen nooit dat het waardeloos is. En dat is ook goed om af en toe te horen." Bij een blad als Time Magazine is zijn directe concurrent de legendarische oorlogsfotograaf James Nachtwey, "toch een ander speelveld." Wat bedoelt hij daarmee? Hij zegt: "Het maakt me beter" En verder kiest hij voor New York omdat daar zoveel meer geld is. "Bij tijdschriften en krantenmagazines is het op het ogenblik moeilijk om betaalde opdrachten los te krijgen. We moeten dus op zoek naar ander geld. Alleen al in New York is zo veel geld verzameld, dat geloof je gewoon niet. En je weet dat er mensen zijn die dat geld aan jou willen geven. De truc is om ze te vinden op het juiste moment en met het juiste idee." Precies dat zijn dus de zaken die mankeren in Nederland en dus ook in Amsterdam: te weinig topniveau, te weinig opdrachtgevers met geld, te weinig debat. Opvoeren dus de kritische massa van Amsterdam, vooral kwalitatief!

Tagged with:
 

Creatief als hype

On 25 april 2007, in cultuur, by Zef Hemel

Gehoord van Jan Boersema op 23 april 2007:

Na enkele jaren had ik weer contact met Jan Boersema, nu al weer enige jaren hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. "Ik zie aan je weblog dat je nog steeds in de creatieve steden gelooft," was het eerste wat hij me, bijna smalend, toewierp. Alsof het hele onderwerp, waar we vanuit de denktank van het Ministerie van VROM tussen 1999 en 2001 gezamenlijk aan werkten en waarmee we destijds in de voorhoede van het debat zaten (immers, er was op dat moment nog geen boek van Florida over het onderwerp verschenen), alweer passé is. Jan vond het destijds wel een leuk, fris en nieuw onderwerp, dat hij steunde, en waar hij op geheel eigen wijze een draai aan probeerde te geven. Zo betrok hij, herinner ik mij, de stelling dat Rotterdam Amsterdam zou moeten steunen in het ontwikkelen van een internationaal creatief profiel. Er kon er maar een stad binnen de zogenaamde Randstad zijn, die werkelijk een creatief milieu kon ontwikkelen. Provocerend, zo was Jan. Jan zelf zat trouwens meer in het duurzaamheidsdebat.

Je hoort het meer: die creatieve steden, dat hebben we nu wel gehad. Mensen worden er bijna murw van. Je mag de naam van Richard Florida in sommige kringen al niet meer gebruiken. Hoon is je deel. Terwijl feitelijk nog nauwelijks iemand zijn boeken werkelijk heeft gelezen. Waar gaat het debat dan nu over? Ik zou het niet weten. De ruimtelijke agenda van de Volkskrant leert ons er weinig over. De zogenaamde experts waren afgelopen weekeinde in deze kwaliteitskrant bepaald niet op dreef. Zorgen om verrommeling en graag wat meer en beter openbaar vervoer. Op rijksniveau is het al helemaal stuurloos. Om met AT5 te spreken: we wachten af….

Orson + Bodil

On 1 december 2005, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord, vandaag, tijdens de 9e netwerkbijeenkomst creatieve stad:

Vanmiddag weer een boeiende bijeenkomst van het door de Dienst Ruimtelijke Ordening onderhouden gemeentelijke netwerk Creatieve Stad. De presentaties van Hans Tijl (Ontwikkelingsbedrijf) over het aan te leggen glasvezelnet in Amsterdam en van Stephen Hodes en Johan Idema van LA Group over de transformatie van het Oostenburgereiland waren de moeite waard. Maar het mooiste verhaal kwam van gastheer Guus Beumer van Orsol + Bodil, die ons ontving in zijn tijdelijke onderkomen aan de Herengracht. De wederwaardigheden van dit Amsterdamse modebedrijf, dat in een niche in de wereldtop opereert, bevatte alle ingrediënten van een successstory in de creatieve industrie.
Aanvankelijk opereerde Orson + Bodil, een modebedrijf vergelijkbaar met Victor en Rolff, weliwaar vanuit Amsterdam, maar hun productie vond plaats in China en de verkoop overwegend in Japan. Hoezo Amsterdams bedrijf? Daarna kwam het succes met de Adidasschoen, die door Alexander van Slobbe en Guus Beumer was getransformeerd van een sportschoen in een hippe glitterschoen, waarop Adidas ‘not amused’ was, maar Puma herkende de betekenis ervan, waarna Van Slobbe en Beumer voor dat laatste bedrijf aan de slag gingen. Hun Pumaschoen werd een hit. Het bedrijf verdient er, nog steeds, veel geld mee. Al het andere wat ze doen kost alleen maar geld.

Sinds een paar jaar kiezen ze bewust voor Amsterdam en weven ze zich in lokale netwerken om hun kledinglijn zo lokaal mogelijk te maken. Turkse naaiateliers die in de stad gevestigd zijn, produceren onderdelen, de Friese firma Tichelaar levert door de heren ontworpen knopen, van keramiek gemaakt, voor de overhemden, enzovoort. Ze zijn voortdurend op zoek naar lokaal talent en gaan daarbij over disciplinaire grenzen heen. Veel werk wordt voor hen verricht, maar daar staan dan wel wederdiensten tegenover. Financiers kunnen ze moeilijk vinden, banken willen niet in hun zaken investeren. Veel talent dat voor hen werkt vertrekt uit Amsterdam en vestigt zich in Antwerpen, Frankfurt of Berlijn. Amsterdam is voor hen te duur, zowel qua bedrijfsvestiging als qua wonen (Antwerpen is vele malen goedkoper dan Amsterdam). Dus is er bij hen voortdurende angst dat het netwerk van talent onder hun handen wordt afgebroken. De gemeente is niet bereikbaar, EZ verandert voortdurend van koers. Kortom, alle ingrediënten van de creatieve industrie passeerden de revue: groot talent, enorme geldhonger, moeilijk risicokapitaal te krijgen, sterke wederzijdse afhankelijkheden binnen netwerken, talent dreigt voortdurend weg te lopen, ineens is er succes, telkens moet er iets nieuws verzonnen worden, de gemeente schittert door afwezigheid.
Ademloos stonden we te luisteren in een oogverblindende kamer achterin het historische pand. De kamer bleek ontworpen door architect K.P.C. de Bazel. Hij was nog in geheel originele staat, inclusief het prachtig geweven tapijt. Binnenkort verhuist het bedrijf naar de Westergasfabriek. De Herengracht is voor hen te duur.

Tagged with:
 

Junkie XL

On 23 oktober 2005, in cultuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in de PS-bijlage van Het Parool van 22 oktober 2005:

Tom Holkenborg (1967), alias Junkie XL, woont sinds twee jaar in Los Angeles, om precies te zijn in Venice Beach. "Venice, where art meets crime." Zijn wereld is Hollywood, waar hij samples maakt voor commercials, speelfilms en videogames. "Ik ben vierkant uitgelachen toen ik in 1996 muziek voor videogames en reclame ging maken. Dat was de totale sell-out. Nu staan de artiesten in de rij, en is het een belangrijk medium geworden. De muziek die ik voor een Cadillac-commercial maakte, was speciaal voor een reclameblok bij de Superbowl en de Oscaruitreiking. Daarvan komt de kijkdichtheid overeen met die van een WK-voetbalfinale." Met dit soort muziek wordt meer geld verdiend dan met het maken van CD’s.
Voordat Junkie XL naar LA vertrok, woonde hij tien jaar in Amsterdam, aan de Brouwersgracht. Zijn stamkroeg is Thijssen, onlangs door Johannes van Dam bekroond met een 8-. Daar heeft hij een vast tafeltje. Hij werkt er aan zijn samples (een nummer van Junkie XL bestaat in de regel uit een sample of veertig), want meer dan een laptop heeft hij niet nodig. "Tegenwoordig doe ik alles alleen. Ik zou niet eens met mezelf willen samenwerken." Nog steeds komt hij in Thijssen. Hij staat er voor duizenden euro’s aan de lat.

Alweer een verrassend voorbeeld van de nieuwe creatieve economie. Het gaat in die economie dus om het bedenken van content. Daarmee wordt ontzettend veel geld verdiend. We hebben het bovendien over een eenmanszaakje, deels gevestigd in Los Angeles, deels aan de Brouwersgracht in Amsterdam. De eigenaar is jong (hoewel hij zich alweer oud voelt, want de ontwikkelingen zijn ook voor hem nauwelijks bij te benen). Het bureau staat feitelijk in de kroeg, om de hoek. Welke overheidsstatistiek incorporeert dit soort relevante economische gegevens?

Tagged with:
 

Zonder bureau

On 22 oktober 2005, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 21 oktober 2005:

Victor Ponten en Jim Taihuttu zijn met hun reclamebureau Habbekrats door vakblad Marketing Tribune uitgeroepen tot reclametalent van het jaar. Dat gebeurde gisteren in de Amsterdam Arena. Beiden zijn twintigers. Bijzonder. Ze klagen over het gebrek aan geld dat ze, als twintigers, kunnen aantrekken in Nederland, ook al hebben ze veel ideeën. Ze willen geen groot bureau. Dus begonnen ze een website met daarop een korte uitleg van hun plannen."Er verschenen links naar onze site op andere websites. Kennelijk was die anders dan andere." En, opmerkelijk: ze hebben geen bureau. "Het is gevestigd in kroegen: Katoen of De Balie.

Zo werkt dus de nieuwe creatieve economie. Via websites. Met groot, jong talent. Zonder de banken, want die zijn conservatief. En zonder huisvesting. Men werkt gewoon vanuit de kroeg. Dus niet te vinden in de economische statistieken. Maar wel gezien door de vakpers. En al vroeg bekroond. O ja, en dat alles vanuit Amsterdam.

Tagged with: