Fearless Cities

On 14 september 2018, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Common dreams’ van 3 juni 2017:

Gerelateerde afbeelding

 

Er waait een frisse wind door de wereld. Hij komt uit Barcelona. Barcelona werd, net als de rest van Spanje, door de financiële crisis hard geraakt. Sindsdien is het er onrustig. Toen in de zomer van 2015 de burgerbeweging Barcelona En Comú in de Catalaanse hoofdstad de lokale verkiezingen won, werd er door de nieuwe machthebbers stevig ingegrepen. De vrouwelijke burgemeester Ada Colau, die kort daarvoor nog actievoerder was, leidt een heuse ‘municipalistische beweging’. Sinds haar aantreden investeert Barcelona vanuit het stadhuis substantieel in politieke burgerparticipatie, met een sterk feministische inslag. Het ‘commons-begrip’ speelt daarbij een belangrijke rol: burgers bezetten gebouwen, straten en pleinen en knappen deze gezamenlijk op, geprivatiseerde energie- en andere nutsbedrijven gaan terug in handen van de gemeente, enzovoort. Wat de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Elinor Ostrom ooit aanduidde als ‘commons’ wordt nu uitdrukkelijk naast publiek en privaat als mogelijkheid geplaatst. ‘Urban commoning’ wil zoveel zeggen als: de schaarse hulpbronnen gezamenlijk beheren in voortdurend open overleg met het doel overexploitatie te voorkomen. In 2017 startte vanuit Barcelona zelfs een internationale beweging die zich ‘Fearless City’ noemt. Ze probeert alle stedelijke burgerrechtenbewegingen te verenigen. Binnenkort houdt ze een conferentie in Brussel, waar sympathisant-steden uit Noord-West Europa de beginselen van de municipalistische beweging zullen onderschrijven. Amsterdam zal ook aanwezig zijn.

Ik las een gids van Barcelona En Comú die een handleiding wil zijn voor andere steden in ‘het terugveroveren van de stad’. Kern is een stappenplan voor het bouwen van een burgerplatform. Zo mag er per stad slechts één platform zijn waar alle groepen samenkomen. Het platform schrijft een manifest dat in een grote open bijeenkomst aan alle burgers wordt gepresenteerd, inclusief een tekst met principes en afspraken. Daarnaast dient een ethische code te worden afgesproken die door alle bestuurders wordt onderschreven. Alle financiële middelen die worden ingebracht dienen helder te worden verantwoord. Vervolgens wordt een politiek programma opgesteld, dat concrete maatregelen bevat. Deze wordt voorbereid door talrijke beleidsgroepen. Voor elke buurt worden bovendien de eisen van bewoners geïnventariseerd. Dan pas kunnen vertegenwoordigers worden aangewezen. “We try to seek a balance between horizontality and effectiveness, while maintaining a firm commitment to internal democracy and gender equality. This commitment implies ensuring that everyone feels comfortable in debate and decision-making spaces, that people can combine their activity in the platform with work and caring responsibilities, and that digital tools do not become a barrier to participation due to age or income.” Het geheel doet sterk denken aan het oude gemeente-socialisme van de legendarische wethouder Floor Wibaut gemengd met een vleugje stadsvernieuwingssocialisme van wethouder Schaefer. Fearless betekent radicaal van onderop. Ook in Amsterdam gaan we het meemaken.

Tagged with:
 

Eén groot Zwitserland

On 25 juli 2018, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Out of the Wreckage’ (2017) van George Monbiot:

Afbeeldingsresultaat voor george monbiot out of the wreckage

De Britse journalist George Monbiot schreef een vlammend pamflet, een driftige oproep, een niet te dik boek dat lekker wegleest maar dat in werkelijkheid grote woede verraadt. In ‘Out of the Wreckage. A New Politics for an Age of Crisis’ wordt niet minder dan het kapitalisme afgeschreven, de aanval ingezet op het neoliberalisme, de mensheid moet stoppen met consumeren, de politiek is dood, we strompelen van de ene crisis naar de andere, individualisme en competitie hebben ons eenzaam gemaakt, we hebben behoefte aan een ander verhaal. Een aanzet daartoe schrijft Monbiot. Het is een verhaal over saamhorigheid. Ik vond het mooi en heb het met aandacht gelezen. Vooral het deel over politiek sprak me aan. Monbiot maakt zich vooral boos over het Britse referendum over Brexit. Als Brits staatsburger voelt hij zich niet minder dan bedrogen. Is dit nou democratie? Waarom stelde de Britse regering zo’n grote vraag aan een volk dat nauwelijks ervaring had met directe democratie? Waarom was er niet in rondes met jury’s gewerkt die op onderdelen het vraagstuk eerst hadden bestudeerd. Waarom onder enorme tijdsdruk de bevolking zo geprest om met ja of nee te antwoorden? Na decennia als idioten te zijn behandeld, moest ze pardoes kiezen tussen status quo en een formidabele breuk. Nee, dan het Zwitserse systeem. De Zwitsers worden door hun regering tenminste als volwassenen behandeld. Zij stemmen zeker tienmaal per jaar.

Volgens Monbiot is de natiestaat failliet. Transnationale organisaties nemen bezit van het speelveld, multinationals dwingen regeringen tot belachelijke belastingvoordelen, natiestaten concurreren elkaar kapot. Laten we ons eens voorstellen dat de staat niet meer bestaat, nodigt Monbiot de lezer uit, hoe erg zou dat zijn? Laten we ons eens een systeem voorstellen waarin de stad met zijn achterland de fundamentele politieke eenheid is. Zo’n stedelijke autoriteit zou veel bevoegdheden kunnen delegeren naar buurten en wijken en dorpen. Ze zou kunnen samenwerken met andere kantons om grote problemen op te lossen, federale forums creëren maar verder onafhankelijk blijven. Wellicht zouden die federale forums bepaalde vraagstukken doordelegeren naar continentale of mondiale platforms, wier opdracht zo precies mogelijk vooraf is bepaald. Dit is hoe werkelijke democratie eruit ziet. Monbiot pleit voor een stelsel van stadstaten, voor één groot Zwitserland. Een onmogelijke droom? De auteur meent stellig van niet. “Organizing self-motivated networks of volunteers, using the wisdom of crowds to refine and enhance new political techniques, we mobilise a force that the power of money can never match: mutual aid, operating on a grand scale.” Hoor ik hier een echo van Benjamin Barber? In de gaten houden die man.

Tagged with:
 

Bumbling down

On 1 januari 2018, in landschap, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Vanishing Land’ (1985) van Robert West Howard:

Afbeeldingsresultaat voor robert west howard

In 1813 schreef president Thomas Jefferson dat de Verenigde Staten vooral agrarisch moesten blijven. Want zouden de mensen in grote steden gaan wonen, dan werden ze corrupt, net als in Europa, en zouden ze ‘elkaar opeten’ net zoals in Londen en Parijs. De Verenigde Staten bleven echter niet agrarisch. Toen Woodrow Wilson honderd jaar later president werd, leefden de meeste Amerikanen al in grote steden. De VS werden destijds inderdaad gezien als het meest corrupte land ter wereld, meer nog dan Duitsland, Engeland of Frankrijk. Grond- en vastgoedprijzen in New York en Chicago stegen tot ongekende hoogte; speculatie was aan de orde van de dag; steden beslisten over de prijzen van granen en voedsel, die ze bewust laag hielden. “Bossism and bureaucracy became a way of life.” Een jaar later begon de Eerste Wereldoorlog. Over de visie van Jefferson schreef Robert West Howard in 1985 in ‘The Vanishing Land’ instemmend, alsof de president de ontregeling van het Amerikaanse platteland had voorzien. Jefferson, noteerde hij, wist dat dit patroon zo oud was als de piramides en het Parthenon. Alle grote beschavingen gaan uiteindelijk ten onder aan de trek naar de grote steden en de veronachtzaming van het platteland. “The United Stated bumbled down the same road because of the way in which technology developed. Throughout the nineteenth century, all forms of machine power favored centralization.” Wie het platteland veronachtzaamt zal vroeg of laat het loodje leggen. Nee, dit kon alleen maar verkeerd aflopen.

Dit pessimistische toekomstbeeld van West Howard verschilt niet wezenlijk van dat van Lewis Mumford, de architectuurcriticus uit New York uit de eerste helft van de twintigste eeuw die ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad’ heb opgevoerd als penvoerder van een sterk antistedelijk conservatisme. Beiden zochten, net als Jefferson, de wortels van de beschaving en de democratie op het platteland, niet in metropolen. Een gezond platteland zou de kern zijn. West Howard: “Green pastures and country folk are directly essential to our future.” Maar het land verdween en de machines rukten op. “Meanwhile, industry ‘modernizes’ by replacing skilled workers with robots and by stressing computer and electrical engineering degrees for new workers.” Dat was dertig jaar geleden. Inmiddels is het land van West Howard zo goed als verdwenen. Nog steeds echter leven er mensen op het platteland, en zij hopen dat het tij zal keren en dat iemand hen zal redden. Donald Trump misschien? Het verlies aan democratie wijten ze aan de voortwoekerende metropolen met hun groeiende ongelijkheid, bureaucratie en speculatie, en die het platteland achterstellen of zelfs verwaarlozen. In Nederland vind je mensen die er net zo over denken. Hun gram richten ze op de grote stad, die in hun ogen veel te veel aandacht krijgt. Het platteland democratischer dan de grote stad? Nog even en we krijgen weer oorlog.

Tagged with:
 

Van onderop, maar gescheiden

On 17 februari 2017, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gehoord op de Universiteit van Amsterdam op 13 maart 2017:

 

Wat de planning van Istanbul betreft, verwees historicus Hans Luiten in zijn gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam naar het unieke mahalle-systeem dat de Turken na de verovering van Constantinopel in 1453 binnen de Romeinse vestingmuren instelden. Mahalles betroffen kleine woonbuurten van maximaal 2.000 inwoners die grotendeels zichzelf bestuurden. In totaal telde Istanbul in de vijftiende eeuw 219 van dergelijke mahalles. Ze ontwikkelden zich rond oude kerken en moskeeën. Vaak werden ze ook naar deze godshuizen vernoemd. Het systeem, dat al bestond in de Byzantijnse tijd, werd door de Turkse veroveraars dus verder uitgebouwd. Istanbul telde in 1453 overigens nog maar 200.000 inwoners, terwijl het in zijn gloriedagen na de stichting nog liefst 800.000 zielen had omvat. Krimp en teruggang waren het gevolg geweest van de verovering door stadstaat Venetië in 1204. Mahalles, die vaak ook over een eigen school en badhuis beschikten, konden Joods zijn, Armeens, Turks of Grieks. De islamitische Turken bleken behoorlijk tolerant; hun mahallesysteem zorgde ervoor dat religies en etniciteiten vredig samenleefden, alle in hun eigen buurten, autonoom, zichzelf besturend van onderop. Op deze manier raakte de multiculturele stad steeds dichter bevolkt.

In een artikel van Ilber Ortayli, verbonden aan de universiteit van Ankara, getiteld ‘The evolution of the spatial pattern of Istanbul’ (1996), las ik over hoe dit mahallesysteem ervoor zorgde dat op den duur extreem hoge dichtheden werden bereikt waarin verwante mensen met elkaar moesten samenleven. De meeste gebouwen waren bovendien van hout, waardoor voortdurend brandgevaar dreigde; sanitaire voorzieningenschoten schoten ernstig tekort. Dit alles zou later veranderen. Buiten de muren groeiden vanaf de negentiende eeuw de eerste buitenwijken rond voormalige dorpen of liever: hier vormden zich de eerste sloppenwijken. Ondertussen werd de stad zelf steeds meer uit steen opgetrokken. De informele sloppenwijken zouden in de twintigste eeuw de dominante vorm van verstedelijking worden, vooral toen bij het verval van het Ottomaanse rijk eind negentiende eeuw miljoenen Turken overhaast naar Istanbul vluchtten. Tot op de dag van vandaag vormen de gecekodu’s het dominante motief waarop de metropoolvorming onverminderd, nee sneller dan ooit, plaatsvindt. En het mahallesysteem functioneert ook nog steeds, dat wil zeggen in heel Istanbul heerst altijd nog een vorm van zelfbestuur, georganiseerd rond kerken, scholen en badhuizen, vanuit kleine buurten, maar wel gescheiden, zij het dat vrijwel alle mahalles nu door de islam worden gedomineerd.

Tagged with:
 

Democratie

On 11 mei 2015, in boeken, politiek, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘A pattern language’ (1977) van Christopher Alexander:

A Pattern Language.jpg

Ik geef toe, ik schiet weer vanuit mijn boekenkast. Overigens, tot mijn schuld moet ik bekennen dat ik het boek pas onlangs in New York kocht, terwijl het al dateert van 1977: Christopher Alexander’s ‘A pattern language’. Direct na aanschaf las ik het. Dat dan weer wel. Want wat een geweldig boek is dit! Tien jaar had hij eraan gewerkt. In werkelijkheid ging het om drie boeken, geschreven door een team van onderzoekers onder aanvoering van Alexander, hoogleraar architectuur aan University of California, Berkeley. Zelfhulpboeken waren het voor architecten, stedenbouwkundigen en planners. Of beter: “At the core of these books is the idea that people should design for themselves their own houses, street and communities.” Het hele democratische idee is op dit moment weer actueel. “This idea may be radical (it implies a radical transformation of the architectural profession) but it comes simply from the observation that most of the wonderful places of the world were not made by architects but by the people.”  Die observatie waren we na 1977 helemaal vergeten. Of wilden we het liefste toedekken, bang als we waren om werk te verliezen.

Gemeenschappen tellen niet meer dan 7.000 personen, aldus Alexander. Het is een oud idee. Ook in het antieke Athene was dit de maat van politieke gemeenschappen. De overheid, aldus de architect, moet steeds decentraliseren tot op dit niveau en mensen zelf hun gemeenschappen van maximaal 10.000 laten samenstellen. Grenzen zouden daarbij zoveel mogelijk moeten samenvallen met natuurlijke en historische barrières. “Give each community the power to initiate, decide, and execute the affairs that concern it closely: land use, housing, maintenance, streets, parks, police, schooling, welfare, neigborhood services.” Zelfbestuur is belangrijk, ook in een grote stad. Mensen moeten elkaar persoonlijk kennen. Elke subcultuur heeft recht op een eigen  gemeenschap. Een zekere mate van autonomie is goed. Fora moeten ook duidelijke plekken hebben. Allemaal grote waarheden. Deed me denken aan de intreerede van Job Cohen aan de Universiteit van Leiden. In ‘De vierde D’ (9 januari 2015) wijdt hij uit over nieuwe vormen van lokale democratie. De onlangs door Den Haag doorgevoerde decentralisatie vormt de aanleiding. Die gaat nog lang niet ver genoeg. Ook de gemeenten moeten decentraliseren. Dit is wel de richting.

De volle 100%

On 17 december 2014, in demografie, kunst, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in de Stadsschouwburg te Amsterdam op 13 december 2014:

 

Het waren er precies 100. Honderd inwoners van Amsterdam. Ze speelden zichzelf in een stuk van het Berlijnse theatercollectief Rimini Protokoll, opgevoerd in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein (foto: Tim Mitchell). Samen vormden ze een getrouwe afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Eerder had Rimini Protokoll dit type theater al uitgevoerd in vierentwintig andere steden in de wereld. In een kettingreactie waren de Amsterdammers vijf maanden geleden bij elkaar gebracht: ieder had een volgende kandidaat aangewezen op een zodanige wijze dat het geheel paste in de statistische opbouw van de Amsterdamse bevolking naar geslacht, leeftijd, afkomst, huwelijkse staat en buurt: 49% man, 51% vrouw, 49% Nederlands, 5% Turks, 16% westers allochtoon, 62% alleenstaand, 25% getrouwd, 19% uit Nieuw West, 11% centrum, 10% Zuidoost, enzovoort. Met elkaar maakten ze in een twee uur durende voorstelling de stedelijke statistieken van het gemeentelijk bureau Onderzoek & Statistiek levend door vragen te beantwoorden die hen werden gesteld. Ja/nee. Ik wel/ik niet. Ik was erbij.

Groter nog dan ik had gedacht bleek de diversiteit van de Amsterdamse bevolking. Wat een smeltkroes is de stad! Kleurrijk, maar zeker niet gemakkelijk. Wel tolerant. Veel toleranter dan ik dacht. Niet tolerant per se in positieve zin, eerder proefde ik een zekere onverschilligheid. Sommige politieke thema’s leefden nauwelijks, over andere zaken wonden de mensen zich juist vreselijk op. Ik zag een volksparlement dat stemde over stedelijke kwesties (waaraan stoort u zich het meest?), maar het sprak ook over zichzelf en durfde zich daarin soms verbluffend bloot te geven. Wie had ooit zelfmoord overwogen? Wie had wel eens een pistool op zich gericht gezien? Wie had schulden? Wie ging vreemd? Het was, in een woord, ontroerend. Ik had ook nooit op deze wijze naar de stad gekeken. En het mooiste was, op het toneel bleek er geen leider in de groep, de groep regelde toch alles zelf. Telkens nam iemand het voortouw door een vraag te stellen. Vragen stellen aan elkaar. Zo kun je de enorme diversiteit dus overleven, nee vieren.

Tagged with:
 

Urban Commons

On 18 september 2014, in participatie, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rebel cities’ (2012) van David Harvey:

Hoofdstuk 3 van ‘Rebel Cities’ van de Amerikaanse links-radicale geograaf David Harvey vind ik het interessantste hoofdstuk in een verder boos en verbolgen boek dat verscheen kort na de Occupy-beweging. Het gaat over ‘the creation of the urban commons’. Is het nog mogelijk, vraagt Harvey zich hardop af, iets gezamenlijks te ondernemen in de grote stad na de enorme golf van privatiseringen, buitensluitingen, bewakingen en overheidscontroles? Kleine burgerinitiatieven ziet hij nog wel, maar waar zijn de grote gebleven, die bijvoorbeeld in staat zijn de klimaatverandering te keren? En vele zijn trouwens niet werkelijk open. En wat nog erger is, neoliberale politiek bevordert juist decentralisatie en autonomie, uitgerekend om grotere ongelijkheid te bevorderen.

Radicale decentralisatie ziet Harvey nog steeds als een middel om weer ‘commons’ te organiseren. Staatsinterventie wijst hij resoluut af. Steden moeten het zelf doen. Maar kunnen die zichzelf organiseren zonder dat ze concurreren en er grotere ongelijkheid ontstaat? Hier refereert Harvey aan Murray Bookchin. Het blijkt te gaan om een boek uit 1992, getiteld ‘Urbanization Without Cities’. Bookchin ziet de oplossing in netwerken van steden, ‘a confederal network of municipal assemblies’. Deze lossen hun problemen gezamenlijk op. "Power thus flows from the bottom up instead of from the top down, and in confederations, the flow of power from the bottom up diminishes with the scope of the federal council ranging territorially from localities and regions to ever-broader territorial areas." Harvey vindt het een werkbare gedachte. Hij zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Volgende week vergadert de Amerikaanse filosoof Benjamin Barber in de Amsterdamse Stopera met vijftig burgemeesters, waaronder de Amsterdamse, in een ‘Global Parliament of Mayors’. Ben benieuwd wat ze gaan bespreken.

Tagged with:
 

Visieloos

On 20 februari 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 10 februari 2014:

D66 Amsterdam stopt met het maken van een verkiezingsprogramma. In Desmet studio toonde lijsttrekker Jan Paternotte aan de verzamelde leden op zaterdag 8 februari een leeg velletje A4. De partij laat bewoners en ondernemers voortaan zelf de problemen bepalen, was de stelling. Paternotte vindt het door een partijapparaat benoemen van problemen, daarna een oplossing bedenken en die oplossing vervolgens omzetten in beleid een volstrekt achterhaalde vorm van politiek bedrijven. “Het is iets uit de 20ste eeuw. Zo van: wij, politici, zullen wel even bepalen wat voor problemen jullie, burgers, allemaal hebben. Dat kan niet meer in deze tijd.” De poging van Paternotte om de politiek fundamenteel te vernieuwen en verder te democratiseren ontmoette echter allerminst bijval bij de democraten in de zaal. In de Volkskrant las ik dat de aanwezigen hun lijsttrekker vooral verweten visieloos te zijn. Waarop Paternotte zou hebben geantwoord: “Als u ons gebrek aan visie ziet als een probleem, dan gaan wij daar wat aan doen.”

Het betrof een grap van De Speld. Niettemin, het nieuws herinnerde me aan de avond van D66 in de Vrijstaat Amsterdam, oktober 2009. Het was een van de negenentwintig avonden over de toekomst van Amsterdam die door de genodigden – in dit geval D66 – zelf konden worden geprogrammeerd. In plaats van een programma organiseerde de partij een quiz voor de stampvolle zaal, met de vloer als speelveld. Quizmaster Sebastiaan Capel verkondigde een stelling, waarop de aanwezigen telkens moesten reageren met ‘voor’ of ‘tegen’; iedereen diende zich dan met een krukje naar de zaalhelft van keuze te bewegen. Het was, herinner ik me, een vrolijke toestand, waarbij iedereen goed op iedereen lette. Wat vind jij? Wat vindt de meerderheid? En inderdaad, ook daar ontbrak de visie. Pijnlijk? Nee, want in de loop van de avond ontstond toch iets van een gezamenlijk toekomstbeeld. De visie ontstond als het ware ter plekke. Nu valt er op stemmen heel wat af te dingen. Maar de vrolijkheid en deelname van iedereen werkte aanstekelijk. Paternotte weet dus wat hem te doen staat.

Tagged with:
 

Stedelijke democratie

On 3 februari 2014, in bestuur, geschiedenis, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Love and Capital’ (2011) van Mary Gabriel:

In haar biografie van Karl Marx vormt de Parijse Commune van 1871 een soort hoogtepunt. Op 1 maart waren de Pruisen de stad binnengetrokken na een maandenlange belegering, als definitieve overwinnaars. De Franse keizer Napoleon III – uitlokker van de oorlog – was daarop gevlucht. Parijs ging vervolgens ondergronds, om zich, na een maandenlange hongertijd, op de strijd voor te bereiden. Op 26 maart kiezen de inwoners hun eigen regering. Ruim tweehonderdduizend inwoners verzamelen zich de volgende dag voor het stadhuis om hun nieuwe, democratisch gekozen bestuur toe te juichen. Daar klinkt het: ‘Vive la Commune!’. De Franse regering verschool zich ondertussen in Bordeaux. Die proclameerde begin maart herstelbetalingen aan de Pruisische schuldeiser, waarvoor ze de uitgeputte Parijse bevolking keihard aansloeg. In die gemoedstoestand koos deze dus haar eigen regering.

Op 1 april opent de Franse regering het vuur op de burgers van Parijs. Parijs slaat terug. Gabriel omschrijft de Commune die vanaf 3 april volgt als één groot carnaval. Begin mei is het weer schitterend; terwijl op de achtergrond kanongebulder klinkt, eten en drinken de Parijzenaars op de Place de la Bastille een week lang hun buiken vol. Op 16 mei organiseert de schilder Gustave Courbet, lid van de door Parijs zelfgekozen regering, op het zonovergoten Place Vendome een groot feest; daar wordt het standbeeld van Napoleon met zuil en al van zijn sokkel getrokken. Op 21 mei volgt een groot concert in de Tuileries waaraan duizenden gewone mensen deelnemen. Die avond echter trekken de Franse regeringstroepen de metropool binnen en openen het vuur. Vijf dagen lang woedt er een burgeroorlog. Het Parijs van Haussmann staat in lichterlaaie. Het experiment van het Parijse zelfbestuur wordt in de kiem gesmoord. Marx, die het Commune experiment aanvankelijk maar foolish vond, raakte allengs enthousiaster. Ofschoon het nog ver afstond van zijn ‘dictatuur van het proletariaat’, zag hij in Parijs een stad die zichzelf voor het eerst werkelijk democratisch, van onderop, bestuurde. Terwijl ik de Commune altijd had vereenzelvigd met een bloedige strijd, blijkt ze zelf in werkelijkheid een vroege oefening in lokale democratie die echter nog geen twee maanden duurde.

Tagged with:
 

Energiewende

On 30 december 2013, in energie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 1 november 2013:

Een mooi verhaal. De 27-jarige Luise Neumann-Cosel woont in Berlijn. Ze voerde afgelopen twee jaar actie voor democratisering van het stroomnet in en rond de Duitse hoofdstad. Beter gezegd, ze wil geen atoomenergie. In plaats van te demonstreren richtte ze een coöperatie op die meedingt naar de concessie voor de energievoorziening van Berlijn. Die komt in 2014, na twintig jaar, vrij. ‘BurgerEnergie Berlin’ denkt 100 miljoen euro nodig te hebben om het net van Berlijn te kopen. Vorige maand had ze al acht miljoen binnen via haar leden. “Als burgers het stroomnet in handen hebben, kunnen we overschakelen naar duurzame energie en tegelijkertijd de winst die nu naar aandeelhouders gaat, investeren in meer groene stroom of uitkeren aan de leden.” BergerEnergie Berlin wil ‘een eerlijke regionale kapitaalbelegging’ voor burgers zijn. Net als andere energienetten is het Berlijnse elektriciteitsnet door de overheid geprivatiseerd. De kans bestaat nu dat de inwoners na twintig jaar het net weer terugkopen en zelf in beheer nemen.

Hoe reageerde het stadsbestuur? Begin november werd in Berlijn een referendum over het stroomnet gehouden. Neumann-Cosel won overtuigend, maar de opkomst bleek te laag; haar burgerinitiatief kwam 21.000 stemmen tekort. Toch kan haar initiatief grote invloed hebben op de politiek, al was het maar grootstedelijk. Er zijn nu al regio’s in Duitsland die honderd procent groene stroom leveren. Sommige steden – München, Frankfurt – lopen daarin voorop. Maar Neumann-Cosel gaat verder. Ze wil zelfs geen stroom meer van windparken in zee. Die produceren, zegt ze, energie op de plek waar niemand die nodig heeft. Er moeten miljarden worden geïnvesteerd om die zogenaamd groene energie te transporteren. Ze gelooft in zonne-energie en in warmte-krachtkoppeling. Haar streven is een decentrale energieopwekking  en een democratisering die veel verder reikt dan energieafname alleen. “De hele stad praat nu over energiepolitiek.” Berlijn moet een polis van burgers worden.

Tagged with: