De oppervlakte is alles

On 6 juni 2013, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De barbaren’ (2012) van Alessandro Barrico:

De Italiaanse schrijver Alessandro Barrico schreef een verbluffend boek over de overgangsfase waarin onze cultuur zich bevindt: een cultuur van diepgang naar een cultuur aan de oppervlakte, in de breedte. Ik las het ademloos in de hogesnelheidstrein van Amsterdam naar Marseille. Geen betere toestand trouwens dan zo’n hoge snelheid om een dergelijk boek te lezen. Als ruimtelijke ordening een culturele opgave is, dan is Barrico’s essay voor planologen zeker relevant. Kort gezegd is zijn stelling dat wij van een burgerlijke cultuur van diepgang en ernst naar een cultuur van doorgangssystemen gaan, van kennis als surfen, synthetische sequenties, ervaringen in de vorm van een baan. Hoe zal ik het zeggen? In het verleden kauwden we op een stuk verfijnde muziek, tegenwoordig hechten we eerder aan “alle flauwekul die zich voordoet in de vorm van een oppervlakkige, snelle en spectaculaire sequentie.” Verwerpelijk? Nee hoor, in de Verlichting en in de Romantiek gebeurde hetzelfde.

Mooi vond ik vooral hoe Barrico de democratie typeert: als kenmerkend voor de barbaarse manier van doen. “Denk aan het idee om de betekenis te verpulveren over het oppervlak van een heleboel equivalente punten (de burgers) in plaats van die verankerd te houden in één heilig punt (de koning, de tiran). (…) Denk aan de overtuiging dat de macht geen enkele verticale legitimatie heeft (de koning was de uitverkorene van God), maar alleen een horizontale legitimatie (de instemming van de burgers). Zodat de hele geschiedenis van de macht zich aan de oppervlakte afspeelt, waarbij alleen de actuele feiten van belang zijn en de diepgang er niet toe doet (…)” Volgens Barrico zijn er geen idealen meer in de politiek. Het is de triomf van de techniek boven de principes. Wat overblijft is een inhoudelijke leegte. Hiertegen een muur opwerpen heeft geen zin. Op het eind blijkt dat de verteller leeft in het jaar 2026 en op onze tijd terugblikt. De overgangsfase mondt uit in de volgende toestand: “Het wereldbeeld dat de media ons verschaffen, de geografie van idealen die de politiek ons voorstelt, het idee van kennis dat de digitale wereld ons ter beschikking stelt hebben geen greintje diepte: het zijn verzamelingen van subtiele, of zelfs fragiele vanzelfsprekendheden die wij rangschikken in figuren met een zekere kracht.” De oppervlakte is alles, het eindpunt van de democratie: alles wordt licht, oppervlakkig, gemakkelijk, betekenisloos, commercieel, spectaculair, gericht op ervaring.

Tagged with:
 

De toekomst is perfect

On 7 februari 2013, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Future Perfect’ (2012) van Steven Johnson:

Optimistisch nieuw boek van internetexpert Steven Johnson. In ‘Future Perfect’ waagt hij zich zowaar aan de politiek. Democratie zoals wij die kennen is nog altijd sterk gecentraliseerd. “The leaders themselves are selected from below, but they govern from above.” Hij ontwaart een nieuwe beweging die op een andere manier politiek wil bedrijven. Die beweging duidt hij aan als die van de ‘Peer Progressives’. Ze bedrijft politiek door de principes van het internet toe te passen in de praktijk van de politiek van alledag. Dat is niet twitteren om de politieke boodschap uit te dragen, maar decentralisatie van de besluitvorming, peer-to-peer netwerken benutten, platforms oprichten, luisteren in plaats van verkondigen. “Tellingly, the solution ultimately outperformed any rival approaches developed by the marketplace.” De praktijken van de Peer Progressives zijn ook beduidend beter dan wat een krachtige bureaucratie of een scherp raadsdebat kan bewerkstelligen. Niet dat ze via internet mensen willen laten stemmen, zeker niet; het gaat erom het denkwerk van alle mensen te benutten: “webs of human collaboration and exchange.” De aanhangers van de nieuwe beweging geloven in sociale vooruitgang en ze menen dat de grondslag van die vooruitgang gelegen is in het bouwen van netwerken van ‘peers’ in hun eigen gemeenschappen.

Een fraai voorbeeld van deze werkwijze toont Johnson aan de hand van het werk van de Sterlings in Vietnam. Zij losten de problemen van ondervoeding in de steden niet op door als externe experts oplossingen aan te dragen, maar ze luisterden in de gemeenschappen; ze schuwden geen statistieken, maar ze maakten tevens gebruik van de resultaten van vele gesprekken, ze zagen patronen, hadden boodschappen die in de gemeenschappen door de mensen zelf werden verspreid; bij alles wat ze deden werd gegeten en gedronken. “Gatherings were indistinguishable from a fun, delectable repast with peers.” Technologie was afwezig, maar de principes van moderne technologie werden benut: “instead of dictating laws from above, they worked within the existing peer networks of those communities in discovering, spreading, and rewarding the solutions that the villagers themselves had developed.” Goede planning werkt net zo. Gewoon hulp bieden in het delen van ideeën en inzichten in netwerken van gelijken. Alles informeel, liefst met lekker eten en drinken erbij.

Tagged with:
 

Volledige democratie

On 17 december 2012, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Een ongeluk in slow motion’ (2012) van Ewald Engelen:

De Amsterdamse financieel geograaf Ewald Engelen heeft al zijn recente columns gebundeld. Zo kunnen we de financiële crisis nu herlezen als ‘een ongeluk in slow motion’. Tijdens die herlezing stuitte ik wederom op zijn felle kritiek op economische beleidsverhalen, gedateerd 21 juli 2011. Die beleidsverhalen duidt ‘ramptoerist’ Engelen aan als ‘bestuurlijke lulkoek’. “Wie er oog voor heeft, ziet deze bestuurlijke lulkoek overal. Of het nu de Noord-Zuidlijn, Olympische Spelen 2028, krachtwijken, burgerschapscursussen, kenniseconomie, de creatieve klasse, toponderzoek, innovatiebeleid of de Zuidas is, steeds gaat het om verhalen die daadkracht suggereren, groei en succes simuleren, en daarmee draagvlak moeten genereren. En die steeds uit dezelfde elementen bestaan: een projectorganisatie met een prominente ‘trekker’, een eigen adres en een eigen logo, meestal gevolgd door een futurologische maquette of een glimmende brochure, een website die dat virtueel verdubbelt, en natuurlijk dure rapporten van gerenommeerde hoogleraren die de verhalen aan academische legitimiteit moeten helpen.” Engelen wantrouwt het allemaal, het is hem te vaag, niet meetbaar, resistent tegen weerlegging, en erachter gaan dikwijls verdachte coalities schuil. Het wil, schrijft hij, alleen maar mobiliseren.

Volgens de financieel geograaf gedijt dit soort beleid in ‘postdemocratische tijden’. “Door het afkalven van georganiseerde belangenverbanden is het politieke spel steeds meer veranderd van een elitair onderhandelingsspel achter gesloten deuren in een quasi openbaar gezelschapsspel dat draait om verleidelijke verhalen.” Dat lijkt mij de spijker op zijn kop! Ik zou de trend alleen veel positiever willen zien. Er is niets tegen verleidelijke verhalen maken, integendeel. We moeten juist af van het zogenaamde toetsbare, meetbare beleid. Het politieke spel wordt ook steeds openbaarder en het draait in toenemende mate om verhalen die geloofwaardig moeten zijn. Zijn die verhalen niet geloofwaardig, dan mobiliseren ze niet en liggen ze binnen de kortste keren onder vuur; dan staan de Ewald Engelens van deze wereld op om ze de grond in te boren. Ziedaar de kern van de moderne politiek: deze is ‘een strijd om verhalen’ geworden. Die strijd speelt zich in toenemende mate af op het internet. Alleen de geloofwaardige overleven. Dat is geen beleid in postdemocratische tijden, maar politiek bedrijven in een tijdperk dat al bijna 100 procent democratisch is. Bijna, want pas wanneer de verhalen door de mensen zelf worden gemaakt, zal sprake zijn van volledige democratie.

Tagged with:
 

Nobelprijs voor planners

On 17 oktober 2012, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 7 juni 2012:

Afgelopen week maakte het Zweedse comité bekend dat de Europese Unie dit jaar de Nobelprijs voor de vrede heeft gewonnen. Zelf vond ik het een verrassende keuze die me stiekem blij maakte. Maar onmiddellijk herinnerde ik me het artikel van Ian Buruma in NRC Handelsblad van afgelopen juni, waarin deze de EU neerzette als een technocratische utopie van planners als de Fransman Jean Monnet. Utopie? Planners? Ik citeer: “Jean Monnet was een geboren technocraat, die een aversie had tegen politiek conflict en een haast Chinese neiging tot vereniging. (…) Zoals alle technocraten was Monnet een geboren planner. Hierin was hij overigens een kind van zijn tijd. De maakbare samenleving, het idee dat de economie en de maatschappij zoveel mogelijk moesten worden gepland, was allang voor de oorlog populair.” Vervolgens maakt Buruma alle planners zwart. Het zijn volgens hem ingenieurs en technocraten die de samenleving willen besturen en die wars zijn van politiek.

Ik voelde me aangesproken. Maar eerst nog Buruma: “De Europese vereniging na de oorlog werd gedreven door planners; het was een technocratische utopie.” Duidelijk? Planners tonen zich ongevoelig voor politiek, ze hebben de neiging door te drammen. Ze zijn niet minder dan een bedreiging voor de democratie, zeker als er zwaar moet worden bezuinigd. “Het rationele antwoord op huidige financiële crisis is nog nauwere fiscale vereniging, maar ook dit is weer een technocratische oplossing waar Europa niet democratischer van zal worden. Verder extremisme is daarom waarschijnlijk.” Zou het heus? Krijgen de planner dan eindelijk een Nobelprijs, net wanneer politiek extremisme dreigt? En wordt dat extremisme opgeroepen uitgerekend door de planners en niet door de politici zelf? Ik twijfel. Wat zei Amitav Ghosh ook alweer?

Tagged with:
 

Reusachtige visioenen

On 18 september 2012, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Over de democratie in Amerika’ van Alexis de Tocqueville:

In 1840 publiceerde de politiek filosoof Alexis de Tocqueville zijn tweede deel over de democratie in Amerika. Het eerste deel was vijf jaar eerder verschenen. De jonge staat in de nieuwe wereld fungeerde bij hem als model voor het postrevolutionaire Frankrijk. Kunst, schreef hij in deel 2, wordt talrijker en onbeduidender in de democratie dan in een absolutistische staat. Maar er zijn uitzonderingen. Vervolgens behandelde hij de ‘kunstmonumenten’ in de nieuwe hoofdstad Washington DC. “De Amerikanen hebben op de plek waarvan zij de hoofdstad wilden maken de ruimte afgepaald voor een immense stad die vandaag nauwelijks meer inwoners telt dan Pontoise, maar die volgens hen ooit een miljoen inwoners moet herbergen; zij hebben de bomen al gerooid tot tien Franse mijl in de omtrek uit angst dat deze de toekomstige bewoners van de imaginaire metropool zouden hinderen. In het centrum van de stad hebben zij een prachtig paleis gebouwd dat als zetel van het Congres moet dienen, en zij hebben het de pompeuze naam Capitool gegeven.” Niet bepaald een onbeduidend werk van een democratie, die hoofdstad.

Hoe kan De Tocqueville het imposante stedenbouwkundige werk van de Franse ingenieur L’Enfant rijmen met een democratische politiek die doorgaans slechts ‘onbeduidende’ werken voorbrengt? Immers, “nergens lijken de burgers kleiner dan in een democratische natie.” Zijn verklaring voor deze ongerijmdheid luidt als volgt: “In democratische samenlevingen wordt de verbeeldingskracht kleiner wanneer zij aan zichzelf denken en wordt zij oneindig groot als zij aan de staat denken. Dat leidt ertoe dat dezelfde mensen die klein leven in minuscule woningen, dikwijls reusachtige visioenen krijgen als het gaat om publieke monumenten.” Een teken van verlichting vindt hij die grootheidswaan niet. De Romeinen, schrijft hij, zouden nooit al die aquaducten rond hun steden hebben gebouwd als ze de wetten van de hydraulica hadden begrepen. “Het volk dat geen andere sporen van zijn verblijf op aarde achterlaat dan een paar loden pijpen in de grond en enkele ijzeren stangen aan de oppervlakte, zou meer meester over de natuur kunnen zijn geweest dan de Romeinen.”

Tagged with:
 

Jazz of marsmuziek?

On 15 juni 2012, in planningtheorie, politiek, technologie, by Zef Hemel

Gehoord op 14 juni 2012 in Amsterdam:

Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut, hield gisteravond een lezing over ‘Stedelijke Vernieuwing in de improvisatiemaatschappij’. Hij deed dat tijdens de jaarvergadering van het algemeen bestuur van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing bij Stadgenoot in de Sarphatistraat in Amsterdam. Voor zijn lezing putte hij rijkelijk uit zijn recent verschenen boek (‘De improvisatiemaatschappij’, 2011). Wat hij vooral deed was een diagnose stellen van onze tijd, die hij als ‘een ander type wereld’ typeerde. Die wereld was niet meer solide, wel complex, in hoge mate netwerkachtig, richtingloos. Hij sprak van ‘complexiteit zonder richting’. Veel mensen ervaren haar als chaotisch en verwarrend. Enerzijds lijkt zij overgereguleerd, anderzijds moeten mensen juist meer zelfredzaam zijn. Toch kent die nieuwe wereld meer structuur – een hogere organisatiegraad – dan wij denken. Boutellier vergeleek haar met een zwerm spreeuwen. Hij sprak van ‘small worlds in a big society’. Aan de basis van deze complexe wereld zonder richting legde hij het internet, dat informatie, contacten, personen van over de hele wereld samenbrengt in een klein doosje: een computer op zakformaat die iedereen bij zich draagt.

Boutellier sprak niet over steden, wel over instituties. Geen wonder, want de hele zaal zat vol met vertegenwoordigers van bekende instituties. Die reorganiseren zich suf, om alle veranderingen bij te benen. Helpen doet het allemaal niet. Stuk voor stuk verkeren ze in een permanente crisis. Zelfs de rechterlijke macht staat op zijn grondvesten te schudden. Boutellier adviseerde de instituties om terug te keren naar hun kern en zich af te vragen waartoe ze op aarde zijn. Het deed me denken aan de kerntakendiscussie van jaren geleden. Maar bij Boutellier paste het in de behulpzame metafoor van de jazzimprovisatie. Wat we het beste kunnen doen in deze verwarrende situatie, zei hij, is leren improviseren, ons sterker richten op de buitenwereld, ons eigen instrument goed bespelen, een helder thema kiezen, niet teveel kaders stellen, experimenten toelaten, lichte vormen van leiderschap introduceren, dialoog, fysiek contact, plezier beleven aan het samenspel met anderen. Zijn voorstel riep als vanzelf bij de zaal het verleidelijke alternatief op van de sterke staat die volgens Singaporees model een duidelijke koers bepaalt en iedereen daarin meeneemt. Bernard Wientjes. Maxime Verhagen. Een sterke man. Een heldere lijn. Niet links, niet rechts, maar recht door zee. Boutellier leek er verlegen mee. Jazz of marsmuziek? Het wereldwijde web mag het zeggen.

The City of Capitalism Rampant

On 22 februari 2012, in film, politiek, by Zef Hemel

Gezien op 20 februari 2012 in Amsterdam:

Terwijl mijn vrouw bioscoopkaartjes kocht voor ‘The Iron Lady’, trad Job Cohen terug als partijleider van de PvdA. De film die we even later gingen zien, gaat over een politiek leider. We zagen een 86-jarige Margareth Thatcher terugblikken op haar roerige carrière. Hoe anders was ze dan de fatsoenlijke Cohen. Hier vocht een ‘ijzeren dame’ zich meedogenloos naar de top. Opvallend was haar gebrekkige communicatie; die was er typisch een van ‘one to many’. Geen vraag stelde ze in de film, geen twijfel viel er in haar te bespeuren, ze had ook geen vrienden, het was alleen maar zenden; er ontbrak elk spoor van een dialoog. Thatcher haatte coalities, ze bleek louter ideologie. Met gevoelens, zei ze, had ze niets te maken, men moest vooral een dáád stellen. Dat deed ze dan ook. Terwijl buiten een burgeroorlog woedde en ze in Brighton door een bom van de IRA bijna een hotel werd uitgeblazen, zette ze haar oorlog tegen de eigen bevolking stug door. Uiteindelijk had ze een Falklands oorlog nodig om de sympathie van de bevolking terug te winnen. Het resultaat waren honderden doden. De democratie was op dat moment vrijwel buiten werking gesteld. Het parlement kon haar ten slotte alleen nog afzetten. Eenzaam en verbitterd verliet ze het politieke toneel. Hoewel er sympathie voor haar doorklinkt in het scenario, kan je dit gedrag en deze politiek van een vrouw alleen maar afkeuren. Nee, dan Job Cohen.

Sir Peter Hall schreef weinig vleiend over de periode-Thatcher. Het was er een van ijskoud populisme. In ‘Cities and Civilization’ (1998) typeert hij Thatchers politiek als een radicale afbraak van de verzorgingsstaat, “one result of was collapse of the urban order on the streets of Britain, of a kind never seen in the twentieth century.” Thatcher, schreef hij, noemde haar land ziek – moreel, sociaal en economisch. Nergens, aldus Hall, was dit duidelijker zichtbaar dan in Londen. “Thatcher did not teeter: her ruthless project for London was actually to assist the processes to their logical completion: through a creative combination of public spending and private enterprise, London would cease to be a centre of goods making and goods handling, and instead would devote itself wholeheartedly and enthusiastically to the new informational economy.” De uitkomst van haar stedelijke politiek was er een van toenemende verschillen, grote tegenstellingen, intense verdeeldheid, nee verscheurdheid. “The capital, like the country, was divided: inner city versus outer suburbs, west versus east.” De film gaat eraan voorbij, maar het land heeft er nog steeds last van. Welke scenarioschrijver staat op om een film te maken over Job Cohen in Amsterdam? Een film over moord en doodslag, jazeker. Met in de hoofdrol Job Cohen die ‘de boel bij elkaar houdt.” Een film met dialogen, vragen en twijfels; een film over democratie.

Tagged with:
 

Global Thought

On 13 december 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord op 12 december 2011 in Amsterdam:

In de Oude Lutherse Kerk – “Luther, is he present here?” – sprak Saskia Sassen ter gelegenheid van de opening van het Centre for Urban Studies, gevestigd aan de Universiteit van Amsterdam. Sassen is hoogleraar sociologie aan Columbia University, New York. Ze sprak over ‘The Urbanization of Global Networks’. Daarmee bedoelde ze dat in de netwerken die de wereld omspannen steden steeds bepalender worden, soms zelfs bepalender dan landen; immers, sommige steden bevinden zich “at the intersection of multiple mobilities, multiple histories, multiple stories”, soms gaat het ook om meer onzichtbare verstedelijking van mondiale netwerken. Van elke vorm gaf ze voorbeelden en ze hoopte maar dat het publiek dit ten minste als een mogelijkheid wilde aanvaarden. Zo bespeurde ze binnen landen assen van sleutelsteden, voor elk netwerk probeerde ze de bepalende steden te vatten. Voor China waren dat Peking en Hong Kong, volgens haar niet Shanghai. Voor Turkije waren het Istanbul en Ankara. In de Verenigde Staten zijn het New York, Washington en Los Angeles. Chicago voegde ze daar nog aan toe. In Europa noemde ze de as Berlijn-Frankfurt en meende daarmee de nodige controverse uit te lokken. Even later schaarde ze Brussel in het opmerkelijke rijtje. Ze prees de hoofdstad van Europa, vanuit wereldperspectief bezien achtte ze Brussel zelfs “a heroic attempt to develop soft power, unique in its effort,” en: “I wish the world had more of it.” Ten slotte noemde ze de “admirable axis” van Genève, Wenen en Nairobi. Die drie steden deelden volgens haar veel kennis over mondiale armoede, hongersnood en internationale hulpverlening. In haar artikel in Foreign Policy hierover had de redactie ze echter geschrapt. Alle steden die ze noemde beschreef ze als sterren aan het firmament en de stedenassen waren als sterrenbeelden. Er waren duizenden netwerken, zei ze, en in elk netwerk spelen weer andere steden een meer of minder strategische rol.

Steden worden ook in concrete zin steeds bepalender in het politieke en sociale domein. Ze maken nieuwe realiteiten. De Occupy-beweging noemde ze als treffend voorbeeld. Met zijn bezetting van stedelijke pleinen door middel van tenten wist deze beweging een nieuwe politieke realiteit te scheppen, alles heel fysiek want “they enter a territory of global finance and with their encampment they make the political, the social.” Occupy vond ze heel anders dan het gebruikelijke kortstondige demonstreren op straat. Hier werd een nieuwe democratie uitgevonden, sommigen bedreven er urban agriculture, mensen leerden talen, men bracht duurzaamheid in praktijk, en dat alles in de directe nabijheid van Wall Street. Het feit dat stad na stad zich aansloot zonder direct contact vond ze een sterk voorbeeld van het ontstaan van “emergent urban political systems” via mondiale netwerken. Het Tahrirplein in Caïro had model gestaan, zeker, maar de makers hadden er hun eigen betekenis aan gegeven. Occupy, zei ze, liet mooi zien “the capabilities of urban space,” oftewel hoe mensen zonder macht geschiedenis kunnen maken en dingen daadwerkelijk naar hun hand kunnen zetten. Kortom, iedereen opgelet: grote steden, gevat in mondiale netwerken, zijn bezig de wereld snel en ingrijpend te veranderen.

Tagged with:
 

Wikicity

On 25 november 2011, in demografie, duurzaamheid, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Dierbaar is duurzaam’ (2011) van het Vlaams Architectuurinstituut:

Vandaag houd ik opnieuw m’n Chinese voordracht over Wikicity. Ditmaal niet in Wuhan, maar in Den Helder. Daar congresseert het Platform voor Wijkgericht Werken LPB. Hun jaarcongres staat in het teken van ‘Meer met minder’. Dat klinkt als: wijkbeheer moet efficiënter, met minder geld, met minder mensen. Ik voel me bezwaard. Want Wikicity is helemaal niet efficiënt, wel effectief. Bespaart het geld? Nou en of! Bespaart het tijd? Jazeker. Biedt het betere oplossingen? Reken maar van yes! Het moet ook allemaal sneller en veel beter. Maar wijkbeheer is geen bedrijf en de natuur is niet efficënt. Wikicity is duurzaam omdat het werkt volgens de wetten van de natuur.

Gisteravond kreeg ik van Christoph Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut, een bescheiden pamflet in handen dat gaat over architectuur, cultuur en ecologie. Het vlugschrift is getiteld ‘Dierbaar is duurzaam’. Wie schetst mijn verbazing? Grafe schrijft daarin dat duurzaamheid ‘een heruitvinding van de democratie’ vereist. Ook laat hij ons weten dat ‘de inrichting van de leefomgeving’ een sleutelrol speelt in de culturele verandering die we voor ons hebben om met z’n allen te overleven. Het gaat om het ‘zoeken naar het onvoorspelbare’ en: ‘er zijn geen onvermijdelijkheden’.  Mooi is ook hoe hij zijn pamflet begint: “Minder slecht is niet goed genoeg’. Is dat de Vlaamse variant op het oer-Hollandse ‘Meer met minder’? Ook hij gebruikt het woord ‘effectief’. “Want hoe effectief is de maatregel om eco-wijken met passiefhuizen aan te leggen, die voor het grootste deel op groene weilanden worden gebouwd, en waarbij andere aspecten – zoals mobiliteit en gezondheid – grotendeels buiten beschouwing worden gelaten?” (…) “Hoe effectief is het om huizen in zo’n dikke laag isolatiemateriaal in te pakken, dat de lichtinval danig gereduceerd wordt en we met zijn allen aan de spaarlampen moeten om het überhaupt nog leefbaar te houden?” De vragen stellen is ze beantwoorden. Hier wordt effectiviteit eindelijk voorop gesteld. De ingenieur Grafe neemt afscheid van de technologisch oplossingen, van het productgeoriënteerde denken, van de managementstijl die in overheidsland nog altijd domineert. Oplossingen, zegt hij, zijn niet meer te voorspellen en kunnen ook niet worden gestandaardiseerd. We moeten af van ’instrumenteel rationalisme’. Daarentegen zou de overheid processen van dialoog moeten faciliteren en zo aan langetermijnoplossingen werken. Participatie dus, maar dan echte participatie. Precies dáárover gaat ‘Wikicity’. Abstract? Helemaal niet! Het is juist heel concreet. Concreet genoeg voor wijkgericht werken.

Tagged with:
 

Minsheng

On 1 juli 2011, in politiek, regionale planning, by Zef Hemel

gelezen in NRC Handelsblad van 7 maart 2011:

Binnenkort brengt een hoge delegatie van het Chinese ministerie van Planning een bezoek aan Amsterdam. In hun reisschema staat dat ze ook Zürich en Kopenhagen zullen aandoen. Drie middelgrote Europese steden waar het leven goed is. Waarom bezoeken ze uitgerekend deze drie steden? Waarom niet Londen, Berlijn of Parijs? Naast economische, milieu- en ruimtelijke planning zijn ze ook geïnteresseerd in sociale planning, zo schrijven ze. Misschien dat dit laatste iets verklaart.

In NRC Handelsblad van 7 maart jongstleden stond een bericht over de Chinese Communistische Partij. Premier Wen Jiabao zou vlak voor de opening van het Nationale Volkscongres op 5 maart 2011 hebben geblogd over een nieuwe taak voor de partij die al 61 jaar het enorme land regeert. “We moeten de mensen gelukkiger en tevredener maken.” In de daaropvolgende twee uur durende rede zou hij dezelfde boodschap hebben verkondigd ten overstaan van 3000 partijleden. “Het welbevinden (minsheng) van de Chinese bevolking is vanaf nu een politieke prioriteit.” NRC Handelsblad bracht het bericht in verband met de Arabische lente. “Al sinds de ineenstorting van het communisme in de Sovjet Unie en Oost-Europa zijn de Chinese communisten zich scherp bewust van de samenhang tussen sociale en economische ontwikkeling en hun eigen machtspositie.” Het gist in China, zij het onder de oppervlakte. In 2010 werden 180.000 demonstraties, opstootjes en relletjes geregistreerd door de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen. Over twee jaar gaat de Chinese partijtop met pensioen. In China, schrijft deze week The Economist, leidt dat steevast tot grote nervositeit. Het nieuwe vijfjarenplan (2011-2015), het Twaalfde plan voor Economische en Sociale Ontwikkeling, werd tijdens het volkscongres van maart geaccepteerd. Caijing Magazine telde 45 nieuwe luchthavens, 15 nieuwe steden en ontelbare vierkante meters asfalt en kantoorruimte.  De vraag  is: kunnen steden als Zürich, Amsterdam en Kopenhagen daar alternatieven voor bieden? Hopelijk verlegt China mede door het voorbeeld van deze drie democratische steden haar koers in de richting van een groener en socialer en wellicht ook democratischer groeimodel.

Tagged with: