Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with:
 

Voorbeeldige stedelijke verdichting

On 22 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Parijs op vrijdag 18 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor plan clichy batignolles metro

Toch jammer dat Amsterdam zijn bid voor de Olympische Spelen van 2028 niet heeft doorgezet, nee zelfs ruimtelijk nooit heeft ingevuld. Het bleef bij vage opties (op de Zuidas respectievelijk Coen- en Vlothaven) en ook nog in een vervelende strijd verwikkeld met Rotterdam en de rest van de Randstad. Totdat de regering Rutte de stekker uit de kandidatuur trok, om financiële redenen. Ook Parijs verloor van Londen voor de Spelen van 2012, maar de Franse hoofdstad beschikte tenminste wel over een plan voor een Olympisch dorp in Clichy-Batignolles en heeft, ondanks het verlies van destijds, dit plan uitgevoerd. In 2007 kwam het eerste deel gereed. In 2014 volgde het tweede deel. Nog een jaar en dan zal het hele plan voltooid zijn: circa 3.500 woningen in een zeer hoge dichtheid, een nieuwe rechtbank naar een ontwerp van Renzo Piano, kantoren als op de Amsterdamse Zuidas (maar dan veel beter) en een aantrekkelijk nieuw park van 10 hectare in het midden. Afgelopen week ging ik met een gezelschap van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing kijken. Aanleiding: 35 jaar stedelijke vernieuwing in Nederland. We werden rondgeleid door Stéphane Kirkland van Arcadis. Indrukwekkende woningbouw. Maar dat niet alleen. Het dichtbebouwde gebied wordt met verlengde metrolijnen (lijn 14) aangesloten op het bestaande netwerk, de buitenwijken en de vliegvelden en wel op zodanige wijze dat het voelt alsof je straks in de binnenstad van Parijs woont. Porte de Clichy is om de hoek. Wat een uitzonderlijke prestatie! Hier wordt een belangrijke stap gezet van stedelijke vernieuwing naar stedelijke verdichting.

Clichy-Batignolles ligt op voormalige rangeerterreinen van de Franse spoorwegen in het 17e arrondissement in het uiterste noordwesten van de Parijse binnenstad. Bij zijn aantreden in 2001 als burgemeester namens de Groenen had Bertrand Delanoë zijn oog al laten vallen op het rangeerterrein in de periferie. Het voornemen om het terrein te bebouwen dateert dus al van voor het Olympische plan. Het moest een groene en ecologische woonwijk worden in zeer hoge dichtheid, met sociale woningbouw en veel nieuwe werkgelegenheid. Vervolgens nam de regering-Hollande dit idee over als onderdeel van het Olympische bid. De nieuwe burgemeester, Anne Hidalgo van de Parti Socialiste, kan binnenkort het ecologische park openen. Vrijwel alle linkse idealen werden hier gerealiseerd. Ondertussen gaan de vrijesectorwoningen in het gebied van de hand voor prijzen die de miljoen euro gemakkelijk overtreffen. Kwaliteit betaalt zich altijd terug. Geen van de appartementen in dit gebied is overigens groter dan 100 vierkante meter. Zoals gezegd, in Nederlandse steden hoef je op zo’n uitzonderlijke prestatie niet te rekenen. Niet alleen ontbreekt het bij ons aan zo’n gezamenlijke ambitie, ook missen onze steden de kritische massa die nodig is om zo’n dicht en veelzijdig programma te realiseren. Clichy-Batignolles is zelfs geraffineerder dan wat ik in Londen heb gezien. Nederland raakt steeds verder achterop als het gaat om het toevoegen van duurzame programma’s in hoge dichtheid in een grootstedelijke context. Wij zijn al tevreden met stedelijke vernieuwing.

Tagged with:
 

What dooms losers?

On 14 maart 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Scale’ (2017) van Geoffrey West:

Afbeeldingsresultaat voor collapse diamond

Eerder schreef ik over het nieuwste boek van de Britse natuurkundige Geoffrey West. In ‘Scale. The Universal Laws of Life and Death in Organisms, Cities and Companies’ concludeert hij dat de wijze waarop wij steden bouwen de sleutel vormt naar een duurzame toekomst. Zo ontdekte West dat grote steden veel duurzamer zijn dan kleine. Dat laatste komt door enorme schaalvoordelen. Bij elke verdubbeling van een stad is de winst 15 procent. Die constante is opvallend. West: “Despite their amazing diversity and complexity across the globe, and despite localized urban planning, cities manifest a surprising coarse-grained simplicity, regularity, and predictability.” Het beste wat planologen dus kunnen doen is de groei van steden niet verhinderen en de diversiteit en complexiteit laten toenemen. Het gevolg is wel dat het drukker wordt, dat er meer kapitaal vergaard wordt, dat de sociaaleconomische verschillen groter worden en dat het tempo van verandering toeneemt. Dat moet niet ontsporen. West: “It’s as if we are on a succession of accelerating treadmills and have to jump from one to another at an ever-increasing rate.” En ergens moet er een bovengrens zijn. Want we kunnen niet eindeloos doorgroeien. “This is clearly not sustainable, potentially leading to the collapse of the entire urbanized socioeconomic fabric.” Kan ineenstorting worden voorkomen? Of zijn we als mensheid gedoemd te falen? Dat is de grote vraag die West met zijn boek ons stelt.

Wat schreef ook alweer Jane Jacobs? Na het lezen van ‘Collapse’ (2005) van de geograaf Jarred Diamond noteerde ze dat ‘environmental ignorance’ steevast heeft geleid tot de ondergang van beschavingen. Culturele xenofobia ging eraan vooraf. Waarop ze zich afvroeg: ”What dooms losers?” Haar antwoord: “Losers are confronted with such radical jolts in circumstances that their institutions cannot adapt adequately, become irrelevant, and are dropped.” Sommige mensen denken dat regeringen zich zullen aanpassen als er een ramp dreigt, maar dat is niet zo. Alleen goed werkende democratieën leveren voldoende feedback. Er er is nog een ander probleem. Mensen raken gewend aan verlies. Volgens Jacobs waren dit de vijf pijlers van een vitale samenleving: 1. gemeenschap en familie, 2. hoger onderwijs, 3. technologie, 4. belastingen gericht op behoeften, 5. professionals die elkaar scherp houden. Ze herinnerde aan de Grote Depressie van de jaren ‘30. Vijftien jaar lang had de wereld op alle vijf ernstig aan kracht ingeboet. En planners, schreef Jacobs, volharden in de verkeerde aanpak. Nog steeds koesteren ze groen, zijn tegen hoge dichtheden en scheiden onverminderd wonen van werken. Alles wordt precies afgemeten, geen gebouw mag leeg blijven staan. Maar zo creëer je geen stedelijkheid. Overmaat, redundancy, is cruciaal. En op het allerlaagste schaalniveau is pertinente bescherming geboden, maar verder zou alles vrij moeten worden gelaten. “The object of a good performance code should be to combine the greatest degree of flexibility and adaptability possible with the most germane and direct protections needed in the close-up view.” Vandaar de titel van haar boek: ‘Dark Age Ahead’ (2004).

Bringing Ostrom to the City

On 29 januari 2018, in bestuur, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in Masterstudio The Circle City van de UvA op 10 januari 2018:

 

Afbeeldingsresultaat voor labgov bologna

 

Christian Iaione van Labgov (Laboratory for the Governance of the City as a Commons), was de derde internationale spreker tijdens de Masterstudio The Circle City van het Centre for Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. De Italiaan Iaione is van huis uit jurist, gespecialiseerd in ruimtelijk recht, en doceert in Rome. Zijn bijdrage was allesbehalve juridisch en oversteeg verre zijn discipline. In ‘The Co-City’ vertelde hij over zijn samenwerking met Sheila Foster, hoogleraar Publiek Recht aan Georgetown University, Washington DC, en hun gezamenlijke zoektocht naar een ander besturingsmodel voor steden. Want zonder een gewijzigde governance kunnen steden nooit circulair worden. In hun werk hadden ze zich laten inspireren door Elinor Ostrom (1933-2012), de Nobelprijswinnares economie 2009. Die had ontdekt dat gemeenschappen zeer wel in staat zijn hun hulpbronnen duurzaam te beheren zonder privatisering of dictaten van bovenaf. De ‘tragedie van de meent’ bestaat, maar mensen kunnen door op een bepaalde manier samen te werken wel degelijk voorkomen dat individuen zichzelf overeten of zich verrijken ten koste van anderen. Iaione’s boeiende verhaal over Co-City ging over het overstijgen van de tegenstelling tussen publiek en privaat. Het ging over hoe kennis tussen alle partijen kan worden gedeeld en hoe zelforganisatie praktisch in zijn werk gaat. Het ging over, zoals hij samenvatte, “bringing Ostrom to the city.”

In ‘Governing the Commons’ (1990) vatte Ostrom de acht ontwerpprincipes samen die tot een gemeenschappelijk beheer van hulpbronnen leiden:  “1) Clearly defined boundaries; 2) Congruence between rules and local conditions; 3) Collective choice arrangements; 4) Monitoring; 5) Graduated sanctions; 6) Fast and fair conflict resolution; 7) Local autonomy; 8) Appropriate relations with other tiers of rule-making authority (polycentric governance).” Aan al deze voorwaarden moet worden voldaan om een stad duurzaam te maken. Zeker, een overheid is nodig, maar deze moet in de eerste plaats anderen in staat stellen om verantwoord te handelen. De werkelijke besluitvorming moet plaatsvinden in grootstedelijke platforms die quintuple helix zijn. Ook de stedelijke infrastructuur zou als een commons beheerd moeten worden. ‘Tech justice’ moet niet worden vergeten. Verder zou iedereen in staat moeten worden gesteld om te experimenteren. Iaione schetste de werkwijze als: open gesprekken voeren, alles in kaart brengen, vervolgens gezamenlijk ontwerpen, dan  het prototype testen, daarna reguleren, ten slotte het resultaat modelleren. Een dergelijke werkwijze leidt tot een verbetering van de lokale democratie. Met meer publieke investeringen. Het betekent wel dat de overheid minder dominant moet zijn en een deel van zijn macht afstaan. En toch, “there should be institutional diversity in the city.” Het was alsof ik de handleiding bij de gemeentelijke leergang De Nieuwe Wibaut (2012-2014) las.

Tagged with:
 

Club van Rome negatief over steden

On 23 januari 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rapport van de Club van Rome’ (1972):

Afbeeldingsresultaat voor rapport van de club van rome grenzen aan de groei

Vandaag opent het jaarlijkse World Economic Forum in Davos. Onderwerp: klimaatverandering, armoede, obesitas, ongelijkheid, economische groei. In 1972 verscheen het Rapport van de Club van Rome, getiteld ‘Grenzen aan de groei’. Mijn ouders kochten een exemplaar, ik weet het nog goed. Ik was toen 15 jaar. Onlangs las ik het, 46 jaar later, in één avond uit. Huiveringwekkend actueel is het. Alles staat erin. Niets lijkt er mee gedaan. En wat een verhaal! De hele planeet in het geding, en dat honderd jaar vooruit. Een groot deel van het rapport gaat over de aard van exponentiële groei. Binnen honderd jaar zouden de grenzen aan de groei worden bereikt. We zijn inmiddels halverwege. Op het eind schrijven de auteurs dat er een ‘Copernicaanse omwenteling van de geest’ nodig is om de portee van het vraagstuk te begrijpen. Een evenwichtsmaatschappij realiseren – een maatschappij in een bestendige toestand van economisch en ecologisch evenwicht – is maar al te ‘pijnlijk’, een taak ‘met overstelpende moeilijkheden en complicaties’. Het onderzoek naar de ‘world dynamics’ zou worden voortgezet, maar de politiek moest in beweging komen. Ondertussen verwachtten de samenstellers dat mensen met elkaar zouden bespreken “niet of maar hoe we deze nieuwe toekomst kunnen creëren.” De mens, schreven ze, moet zichzelf onderzoeken – zijn eigen doelstellingen en waarden – evenzeer als de wereld die hij wil veranderen. Is dat gebeurd?

En wat schreven de samenstellers eigenlijk over steden? Weinig. Steden werden door hen niet onderzocht, wel versnelde industrialisatie, snelle bevolkingsgroei, wijdverspreide ondervoeding, uitputting van niet-vervangbare hulpbronnen en verslechtering van het milieu. Het rapport gaat vooral over het platteland, over voedselvoorziening, grondgebruik en hulpstoffen. Maar wanneer technologie in het wereldmodel wordt opgevoerd, komen de steden toch even in beeld. “Toen de Amerikaanse steden nieuw waren, groeiden zij zeer snel. Grond was overvloedig aanwezig en goedkoop, er verrezen doorlopend nieuwe gebouwen, zowel de bevolking als de economische opbrengst van de streek nam toe.” Daarna ontstonden problemen. Die werden met liften en wolkenkrabbers opgelost. Toen konden de steden weer verder groeien. Maar opnieuw ontstond congestie. Mensen trokken naar buiten, de steden zelf werden oorden van drug, geweld en criminaliteit. “Nu groeien de meeste van de grotere Amerikaanse steden niet meer. De groei werd uiteindelijk tot staan gebracht door problemen zonder technische oplossing.” Dat was in 1971. New York lag er hopeloos bij. In de metropool geloofden de onderzoekers niet. Een stad, dat was voor hen hooguit een technologische constructie. En technologie wezen ze weliswaar niet af, maar dan alleen in combinatie met opzettelijke beheersing van de groei. Sindsdien hebben de meeste steden hun problemen opgelost. Met behulp van de nieuwste technologie. Wordt het niet eens tijd dat de aandacht zich gaat richten op steden? Dat bijvoorbeeld het World Economic Forum zich serieus in steden verdiept? Minder negatief, eerder de oplossing.

Tagged with:
 

Ons als migranten gedragen

On 22 december 2017, in boeken, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De ambachtsman’ (2008) van Richard Sennett:

 Afbeeldingsresultaat voor building and dwelling sennett

Twee weken geleden ontmoette ik Saskia Sassen in De Balie in Amsterdam. Sassen is hoogleraar Sociologie aan Columbia University in New York. Ze vertelde me dat haar man, Richard Sennett, het manuscript van zijn laatste boek eindelijk heeft ingeleverd bij de uitgever. Het gaat om het derde en laatste deel van de ‘Homo Faber’-serie. Volgens haar is het een geweldig boek geworden, dat eind februari 2018 zal verschijnen. Voor wie zich het nog herinnert: in 2008 publiceerde de socioloog Sennett het eerste deel van zijn trilogie over ‘Homo Faber’ in de vorm van ‘’The Craftsman’.  De trilogie zou gaan over de materiële cultuur van de mens, geschreven binnen de Amerikaanse traditie van het pragmatisme. In 2012 verscheen deel twee, getiteld ‘Together’. Dit deel ging over rituelen zoals diplomatie, het vermijden van oorlog, religie en vakkundige rituelen opgevat als beproefde samenwerkingsvormen. Oorspronkelijk zou dit tweede deel ‘Warrior and Priests’ heten, maar daarvan kwam Sennett later terug.  Het binnenkort te verschijnen derde deel, beloofde hij in 2008, zou de titel van ‘The Foreigner’ krijgen. Eerder dit jaar verscheen al een bundel met essays van zijn hand onder dezelfde titel. Nee, het boek, blijkt nu, gaat ‘Building and Dwelling. Ethics for the city’ heten. Op 20 maart 2018 zal Sennett erover spreken in de London School of Economics.

‘Building and Dwelling’ zal gaan over de aarde zelf. Sennett tien jaar geleden: “We staan zowel qua natuurlijke bronnen als klimaatverandering voor een crisis van de natuur waar wij zelf voor het grootste deel debet aan zijn.” Dat betekent dat we de dingen die we maken en de manier waarop we ze gebruiken moeten veranderen. “We moeten ons andere bouw- en transportwijzen eigen maken en rituelen bedenken die ons wennen aan spaarzaamheid.” Om vakmensen op milieugebied te zijn achtte hij grondige zelfkritiek noodzakelijk die je volgens hem alleen aantreft bij migranten. We zullen ons dus als vreemdelingen moeten gaan gedragen in eigen land. Niet de droom over een bestaan in evenwicht en in harmonie met de wereld zal ons helpen, want dat zijn uitvluchten, nee we moeten een echte confrontatie durven aangaan, onszelf een spiegel voorhouden, de dingen die we doen niet langer als vanzelfsprekend beschouwen. “Zo’n vakmanschap is ons nu vreemd.” Bij het verschijnen van ‘Together’ in 2012 schreef hij dat deel drie zal gaan over hoe betere steden te bouwen. “Physically, too much urban design is homogeneous and rigid in form; socially, modern built forms frequently take only a faint imprint of personal and shared experience.” Door terug te grijpen op ambacht en samenwerking kunnen betere steden worden gemaakt.  ‘Building and Dwelling’ gaat hoe het zelfdestructieve territorium dat we in werkelijkheid hebben gemaakt kunnen omvormen tot een houdbare materiële wereld. Zalig kerstfeest!

Tagged with:
 

De noodzaak van andere steden

On 15 december 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De sociale staat van Nederland 2017’ van het SCP:

Afbeeldingsresultaat voor scp de sociale staat van nederland 2017

Over hoe het met de Nederlandse bevolking gaat. Ik las het nieuwste SCP-rapport met meer dan gewone belangstelling. Eigenlijk, maak ik op uit de tekst, gaat het met ons best goed. De kwaliteit van de woonomgeving, van natuur en milieu, is bij ons behoorlijk op orde, ook anderszins zijn we erop vooruit gegaan. We leven langer, verdienen meer, zijn hoger opgeleid, blijven langer gezond, hebben minder last van criminaliteit. Maar de houdbaarheid van onze manier van leven is allerminst vanzelfsprekend. Dit, en zorgen over de solidariteit zijn volgens de opstellers van het rapport de vraagstukken van de toekomst. Althans dat las ik in de inleiding. In de kranten las ik over die vraagstukken van de toekomst echter vrijwel niets. ‘Nederlander is gelukkig’, kopte Het Parool zelfgenoegzaam. En NRC Handelsblad vond vooral ‘Nederland milder over migranten’. Wel zag de krant het verschil tussen hoogopgeleiden en kansarmen groter worden. Zo’n vijf procent van de bevolking is echt ongelukkig. Geluk, geluk, geluk. De obsessie met geluk is, ook nu weer, opvallend. In Europa doen we goed, maar de Denen zijn gelukkiger.

Wat mij opviel en ook verontrustte in het rapport was paragraaf 12.8. Onder de kop ‘Maar erg duurzaam is het nog niet’ gebruikten de onderzoekers de ecologische voetafdruk als maatstaf voor de houdbaarheid van onze manier van leven. Deze voetafdruk geeft een beeld van de hoeveelheid ruimte die nodig is als iedereen op aarde zou leven zoals wij. Wat blijkt? De ecologische voetafdruk van Nederland komt neer op drieënhalf wereldbollen. Vijfentwintig jaar geleden waren dat er nog drie. Hoezo, ‘maar erg duurzaam is het nog niet’? De makers van het rapport wijzen graag op de licht gunstige wending in de afgelopen jaren, maar ik vrees dat dit vooral de invloed van de financiële crisis is. Over de afgelopen jaren, dus na de recessie, helaas nog geen gegevens. Ik schreef het al in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’: “Volgens het World Happiness Report (2015) van John Helliwell en Jeffrey Sachs van the Earth Institute van Columbia University behoren de Nederlanders inderdaad tot de gelukkigste mensen op deze wereld. (…) De prijs is in elk geval hoog.” Mijn conclusie was en is nog steeds dat we in dit land heel andere steden moeten bouwen.

Fourier in de woestijn

On 8 december 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in de Grand Hyatt te Dubai op 7 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor the sustainable city dubai

De laatste spreker op de eerste dag van het Future Mobility-congres in Dubai was zowaar vrouw. Ze heette Tara Tariq en bleek de Monitoring and Reporting Manager van SEE Nexus, Verenigde Arabische Emiraten. Ze vertelde ferm en met passie over The Sustainable City, een project van een geavanceerde nieuwe enclave voor expats in Dubai die honderd procent duurzaam zou zijn. De ontwikkelaar, Diamond Developers, stelt dat hier, in de woestijn aan de Perzische Golf, een netto uitstoot kan worden bereikt van nul procent CO2 door een kleine stad van 500 villa’s te bouwen op 46 hectare die volledig draait op zonnepanelen. Een ziekenhuis, een internationale school en een hotel voor gasten moeten het leven veraangenamen. Het gaat om een enclave van in totaal 2700 inwoners in Dubai die samen 10 MWP opwekken met behulp van 40.000 zonnepanelen. Midden in de enclave bevinden zich elf bio-domes voor stadslandbouw waar op 3.000 vierkante meter groente wordt verbouwd, het verkeer gaat met elektrische auto’s, 350 m3 meter grijs water wordt er per dag gerecycled, het programma is ronduit indrukkend. Inmiddels is de stad gerealiseerd.

Het project deed me denken aan de vroeg-negentiende eeuwse Phalansteres van Charles Fourier. Buiten het hectische Parijs wilde deze Franse utopist een groot aantal zelfvoorzienende enclaves bouwen die de toekomstige bewoners gelukkig zouden maken en die de vieze en overvolle Franse metropool zouden doen vergeten. Er zou eten in overvloed zijn, alle voorzieningen zouden de 1400 inwoners voorzien van alle gemak, er kwamen paardenstallen, werkplaatsen, gaarkeukens; deze utopische droom zou beslist werkelijkheid worden voor iedereen. Of eigenlijk deed het project me denken aan de vroegste vakantieparken van Centerparcs, maar dan helemaal duurzaam gemaakt. Het mooiste nog vond ik de tekst over de bufferzone langs de grens van de enclave. In de bijgeleverde brochure lees ik het volgende: “The borders of The Sustainable City act as the first line of defence against pollutants. With a remarkable 10-meter-high buffer zone running along the periphery of the development consisting of 2.500 trees scattered in multiple layers, purifying the air coming into the city will be a breeze.” Hier, in deze schaduwrijke bufferzone, kun je ook paardrijden.

Tagged with:
 

De gemakkelijke weg

On 25 september 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in het provinciehuis van Lelystad op 20 september 2017:

Afbeeldingsresultaat voor emancipatie van de periferie

Kaart: Middenstad, uit: De emancipatie van de periferie, 2016

Afgelopen woensdagmiddag de Cornelis Lely lezing 2017 uitgesproken in de statenzaal van de provincie Flevoland in Lelystad. Als coreferent trad Floris Alkemade op, rijksbouwmeester. In mijn lezing stelde ik voor om Schiphol integraal te verplaatsen naar Lelystad. Mijn voorstel past in het vooruitzicht van een sterk verdichtende Randstad, nu al tot uitdrukking komend in een extreme druk op Amsterdam, en de wetenschap van een aanhoudende groei van het mondiale vliegverkeer. Dringend nodig is een ruimtelijke her-configuratie binnen de metropool Amsterdam en Flevoland zal hierin positie moeten kiezen. De tegenwerpingen van rijksbouwmeester Floris Alkemade waren interessant. Uitbreiden van Amsterdam, betoogde hij, is duur en lastig; er is ruimte genoeg in Brabant, Utrecht en Gelderland; het idee van een Randstad is al verwaterd; in Brabant wordt driftig gebouwd (óók 120.000 nieuwe woningen erbij); aan vliegverkeer verdien je niet veel; luchthavens genereren vooral laagwaardige banen in de dienstensector; Flevoland kan zich beter op duurzame landbouw en op windturbines richten. Als voorbeeld noemde hij Goeree-Overflakkee dat ook behoud van leefbaarheid en identiteit voorop heeft gesteld.

Die genoemde toekomstvisie van Goeree-Overflakkee heb ik erop nagelezen. Op het Zuid-Hollandse eiland richt men zich inderdaad op het behoud van de unieke identiteit, het behoud van een voldoende zorg- en voorzieningenniveau en op het behoud van de kwaliteit van leven en van groei. “Goeree-Overflakkee kan en wil het meest duurzame eiland worden”. Innovatie ziet men, terecht, als de vestigingsvoorwaarde voor bedrijven en onderwijs. Ondertussen wil men betere verbindingen op het eiland zelf en met Rotterdam en Antwerpen. Zeker, dat zijn prachtige uitgangspunten voor een duurzame toekomst van een plattelandsgemeenschap in de delta. Maar Goeree-Overflakkee is een krimpregio. Dat kun je van de dynamische Flevopolders niet zeggen. Duurzaamheid in de metropoolregio Amsterdam is juist geconcentreerde metropoolvorming en verder zo weinig mogelijk geluidsbelasting door aanhoudende groei van het internationale vliegverkeer. Gespreide verstedelijking leidt tot nog meer files. Door in heel Midden-Nederland huizen te bouwen omdat de grote steden duur zijn, zoals Alkemade voorstelt, is VINEX herhalen en allesbehalve duurzaam, nee het is de gemakkelijke weg.

Tagged with:
 

Ark van Noach

On 30 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Shogun’s City at the Twenty-First Century’ (1998) door Roman Cybriwsky:

 

Ook Tokio gaat de hoogte in. De grootste stad op aarde (35 miljoen inwoners) ligt in een delta en is in de twintigste eeuw langs spoorlijnen extreem naar buiten uitgedijd, met overwegend lage bebouwing die inmiddels reikt tot aan de voet van de bergen. Op dit moment kruipt echter alles en iedereen weer naar binnen, naar het centrum toe. Inwoners accepteren de lange reistijden niet langer, ze willen dichter bij hun werk wonen. Dan maar minder vierkante meters en flink gestapeld. In Tokio bezochten we Roppongi Hills, een nieuwe typologie van hoogbouw, ontwikkeld door de Mori Building Company in de buurt van de uitgaanswijk Roppongi. Voor Tokio is hoogbouw een relatief nieuw fenomeen. Minoru Mori, de oprichter van Mori, was een van de eersten die torens in de Japanse hoofdstad bouwde: Mori Biru 1  stamt al uit 1955. De zoon van een rijsthandelaar die op hogere leeftijd een zeer succesvol ontwikkelaar werd, heeft inmiddels 80 Mori Biru’s op zijn naam staan, alle in de buurt van Toranomon, de CBD van Tokio. Zijn nieuwste creatie is Roppongi Hills, een enorme toren met een gemengd programma van wonen en werken dat gereedkwam in 2003 in een armere buurt van houten huizen rond een aantal Amerikaanse kazernes. Het masterplan is van de hand van het Amerikaanse Kohn Pedersen Fox Associates.

We gingen kijken en schoten met een lift naar de veertigste verdieping na eerst het dure winkelcentrum aan de voet van de kolos te hebben doorkruist. Kosten noch moeite zijn hier gespaard. Het Mori museum met de privé kunstcollectie van Minuro Mori sloegen we over. Ik moest denken aan het artikel in The Guardian van 18 mei 2015 waarin de 17 jaar worden beschreven die Mori nodig had om de grond onder de toren te verwerven. Vierhonderd grondeigenaren kregen een appartement in de toren aangeboden, slechts 161 accepteerden het aanbod; de rest moest tegen exorbitante prijzen door de ontwikkelaar worden uitgekocht. Een kwart van het complex bestaat nu uit parkachtige semi-openbare ruimte; op alle daken zijn groentetuinen aangelegd – op één dak ligt zelfs een rijstveld (foto); afval wordt hergebruikt, regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, een eigen, op gas gestookte energiecentrale reduceert de uitstoot van emissies met 27 procent, zonnepanelen genereren elektriciteit voor de verlichting. Het gebouw zou gegarandeerd aardbevingsbestendig zijn. Is dit de toekomst van Tokio? Wonen, werken en recreëren in hoogbouw, alles zeer dicht opeengepakt, in grote hoogbouwcomplexen die bijna zelfvoorzienend zijn, die bestand zijn tegen tsunami’s, branden en aardbevingen – onheil dat in de toekomst zeker komen gaat. Roppongi Hills is ontworpen als een Ark van Noach. Helaas alleen voor de happy few. Al onze Hollandse vooroordelen moeten overboord.

Tagged with: