Afgedwongen door de staat

On 9 februari 2019, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gehoord in het Universiteitstheater te Amsterdam op 18 januari 2019:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Castellers de Barcelona

Groei is meer van hetzelfde, krimp is minder van hetzelfde. Die opening koos Giacomo Dalisa voor zijn lezing tijdens de masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam. Dalisa is duurzaamheidseconoom en postdoctoraal onderzoeker aan de University of Coimbra, Barcelona. Groei, zei hij, is de oorzaak van een groot aantal problemen, krimp juist de oplossing. Nu lijkt het alsof iedereen steeds meer moet hebben om op hetzelfde peil te blijven. Zo kunnen we niet doorgaan. Hij riep de hulp in van de staat om het dominante groeidenken te keren. In een groene groei geloofde hij niet. Er is nog niets circulair aan de huidige economie. Er staat een olifant in de kamer. Hoe kunnen we de olifant veranderen? Dalisa gaf een aantal richtingen: terug naar het land, schulden-audits houden, werk eerlijk verdelen, stadslandbouw bedrijven. Mensen moeten hun leefstijl ingrijpend veranderen, lokaal geld in omloop brengen, progressieve belastingen invoeren, de werktijd verminderen, een basisinkomen uitkeren, zware belasting op CO2 heffen. Hij pleitte voor een ‘integrale staat’ zoals de Marxistische Italiaan Antonio Gramsci die had bedoeld en die deze alternatieve leefwijze bij de burgers afdwingt. Door consensus, zei hij, gaat het niet lukken.

Na afloop vertelde hij dat hij die avond in Barcelona werd verwacht. Zijn dochtertje zou die zaterdag deelnemen aan de bouw van een enorme menselijke toren, een van de ‘castells’ die in Catalonië in grote sporthallen onder toeziend oog van een enorme mensenmassa gebouwd worden. ‘Castells’ vormen een groot spektakel, typisch voor de streek aan de oostkust van Spanje, waarvan de vorming met opwindende muziek gepaard gaat en waarbij verschillende buurten het tegen elkaar opnemen. Zijn dochtertje zou, in kleurrijke kleren gestoken, de hoogste top van de toren uitmaken die door middel van een uitgekiende choreografie door een vijftal buurtbewoners was bedacht. Dalisa sprak verrukt. Als Italiaan, zei hij, bestudeerde hij al enige tijd het fenomeen van de ‘castells’: mensen werken hier samen, iedereen vertrouwt elkaar, de opbouw kan soms uren duren, mensen oefenen hun uithoudingsvermogen, jong en oud, man en vrouw, iedereen doet mee. Was het vroeger een typisch volksvermaak, tegenwoordig is het een traditie die sterk leeft in de brede middenklasse. Dalisa zag er alles in wat met niet-groei te maken heeft: elkaar helpen, gemeenschapszin oefenen, schoonheid ervaren, verbonden raken met de eigen streek. Dit was niet afgedwongen door de staat. Integendeel.

Tagged with:
 

Family, friendship, and community

On 5 februari 2019, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Prosperity without Growth’ (2009) van Tim Jackson:

Afbeeldingsresultaat voor tim jackson prosperity without growth

 

In voorbereiding op de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ aan de Universiteit van Amsterdam las ik onder andere Tim Jackson’s ‘Prosperity without Growth’. Jackson, die verbonden is aan de University of Surrey, was Economics Commissioner voor de Sustainable Development Commission (SDC) in het Verenigd Koninkrijk. De SDC adviseert de Britse regering over zaken rond duurzaamheid. Het boek schreef Jackson na de financiële crisis, toen duidelijk werd dat de Britse regering er alles aan zou doen de economie weer te laten groeien. Onze welvaart, schrijft hij, zijn wij steeds meer in termen van consumptie en economische groei gaan uitdrukken. We móeten en zúllen groeien. En dat is ons grote probleem. Want er zijn duidelijke limieten die we in acht moeten nemen, maar dat doen we niet. We zijn onverantwoordelijk bezig. We moeten veranderen, maar hoe? Technologie en innovatie zullen ons niet redden. Alle groeiprikkels moeten eruit. Jackson: “While social progress depends on the self-reinforcing cycle of novelty and anxiety, the problem can only get worse. Material throughput will inevitably grow. And the prospects for flourishing will evaporate.” Uiteindelijk zal ook onze welvaart eronder lijden. Betekent dit het einde van de kapitalisme? Zelf denkt hij van niet. Er zijn allerlei tussenvarianten denkbaar waarin waarden voorop staan van ‘family, friendship, and community’ en waarin markt en staat redelijk samenwerken. Minder groei? Jazeker, maar een groter welzijn van mensen en een herstel van het ecologisch evenwicht.

Dus wat te doen? Volgens Jackson is er een ‘stille revolutie’ gaande van mensen die afstappen van het denken in termen van meer consumptie en die niet langer status ontlenen aan het nieuwste. Zij bewegen naar alternatieve leefwijzen. Maar dat is, begrijpt hij ook, niet genoeg. Harde maatregelen zullen moeten worden getroffen. Dat kan alleen de overheid. Waarom wordt particulier vervoer bevoordeeld ten opzichte van openbaar vervoer? Waarom krijgen auto’s en brommers voorrang boven voetgangers? Waarom wordt energieopwekking gesubsidieerd en waarom is energie-afname zo slecht geregeld? Waarom is afval storten goedkoop en het recyclen van afval vaak armetierig? En waarom zijn lonen in het bedrijfsleven zoveel hoger dan de salarissen in de ambtenarij? Jackson pleit voor een economie waarin welvaart en welzijn niet langer volgens materialistische maatstaven worden gemeten en waarin veel meer aandacht is voor gelijkheid, gemeenschapszin en participatie. De enorme opgave waar we de komende decennia voor staan gaat niet lukken binnen de bestaande systemen. Vooral van dat laatste wil Jackson ons overtuigen. Geen spoor van utopisch denken in dit boek. Eerder stof voor een politiek programma.

Tagged with:
 

Who cares about growth?

On 31 januari 2019, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gehoord in het Universiteitstheater te Amsterdam op 16 januari 2019:

Afbeeldingsresultaat voor kuznets curve

In navolging van Kate Raworth (‘Donut Economy’) en Thomas Piketty (‘Capital in the 21st Century’) verklaarde nu ook Antonio Ferreira de Kuznetscurve voor dood. Dit deed hij aan het begin van de vierde dag van de Masterstudio ‘The Post-Growth City’ van de Universiteit van Amsterdam. Ferreira doet onderzoek naar grondgebruik, transport en milieu bij het CITTA aan de Universiteit van Porto. Portugal werd hard geraakt door de financiële crisis, het denken erover heeft er een bijzondere wending genomen. Over de Kuznetscurve merkte Ferreira op dat de bedenker ervan, Simon Kuznets, zijn curve kort na de Tweede Wereldoorlog had ontwikkeld toen alles beter ging. Kuznets veronderstelde dat naarmate een land verder industrialiseert de maatschappelijke ongelijkheid eerst toeneemt, maar voorbij een bepaald punt zou afnemen. Immers, eerst trekken arme landarbeiders naar de grote stad. Vervolgens doen democratie en emancipatie hun zegenende werk waardoor de ongelijkheid afneemt, tot deze uiteindelijk verdwijnt. Iedereen wordt in de opgaande lijn meegenomen. De curve werd later ook toegepast op het milieu: eerst zou vervuiling toenemen, maar voorbij een bepaalde ontwikkelingsgraad weer afnemen. Als een land maar voldoende industrialiseert, groeit en urbaniseert, komt het uiteindelijk wel goed. Het is een sprookje gebleken, aldus Ferreira. De kosten van ontwikkeling worden geëxporteerd naar arme ontwikkelingslanden. Kortom, urbanisatie en economische groei gaan de mensheid niet redden.

Hierop introduceerde de Portugese wetenschapper het rebound effect: als de efficiency van de productie van een goed of dienst toeneemt, blijkt dat er van dat goed of die dienst meer wordt geconsumeerd. De milieuwinst gaat teloor. Al in 1865 had de Britse econoom William Jevons vastgesteld dat technologische verbeteringen die de efficiëntie van het gebruik van steenkool deden toenemen, leidden tot een verhoogde consumptie. De Jevons paradox is een extreem voorbeeld van het rebound effect. Kortom, technologie gaat ons (ook al) niet redden. Nee, er zit niets anders op dan te stoppen met groeien. Er dient een wereldwijde culturele omwenteling plaats te vinden, een mentaliteitsverandering van de hele mensheid. In plaats van kapitalisme pleitte Ferreira voor localisme: een diep gevoelde verbondenheid met de eigen plek, de eigen gemeenschap, de eigen cultuur zonder in stagnatie te vervallen. Hij nodigde uit om naar inheemse kennisleren te zoeken die houvast bieden. Waarom zou je nog willen reizen, waarom groeien? “We áre indigenous people! Who cares about growth?” Daarna zouden de studenten nog twee dagen diep nadenken om oplossingen te vinden voor de netelige situatie waarin wij als mensheid verkeren.

Tagged with:
 

Afwegen of vergeten

On 10 oktober 2018, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kabinetsperspectief NOVI’ (2018):

image

Sinds 5 oktober ligt er een Kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie, NOVI, ter inzage. In de beknopte brochure opent het kabinet Rutte een perspectief op de toekomstige inrichting van Nederland. Ik las hem met grote interesse. Het eerste dat me opviel is de ernstige toon. ‘Urgentie’ is een veel gebruikt woord. Veel zaken zijn er die moeten gebeuren. Het land kampt met grote problemen want er is sprake van versnelde groei. Het kabinetsperspectief staat in het teken van forse groei en stevige druk: er zijn files, wachtlijsten, ruimteclaims voor de energietransitie, enzovoort. De crisis lijkt in Den Haag alweer vergeten. Een acute hoogconjunctuur mengt zich hier met existentiële vraagstukken van duurzaamheid. Ik kreeg het benauwd toen ik het las. En ik voelde een lichte boosheid opkomen. Waar is het gevoel voor de lange termijn gebleven? Het tweede dat me opviel was de marginale rol van de ruimtelijke ordening. Kennelijk is deze alleen nodig voor het reserveren van voldoende ruimte en het ‘slim met elkaar combineren’ van de vele ruimtevragende functies. Toen Jan Pronk nog minister was, ging het om kiezen, nu combineren. Het vakgebied is gereduceerd tot het trucje à la ‘Ruimte voor de rivier’. Een eigen ruimtelijke agenda las ik niet. Het derde dat me opviel waren de vele ‘tafels’ waaraan de urgente vraagstukken moeten worden besproken en ‘afgewogen’. ‘Tafels’ is ook al zo’n Haags toverwoord. We vergaderen wat af. Samen komen we er wel uit.

Ronduit teleurstellend vond ik de tekst over het ‘urgente onderwerp’ van de verstedelijking: “Nederland heeft een uniek historisch gegroeide structuur van steden en dorpen met kenmerkende cultuurhistorische kwaliteiten die onderling goed verbonden zijn en goed zijn aangesloten op een internationaal netwerk (een zogenoemde polycentrische structuur). Vanuit elke stad fiets je in relatief korte tijd het open landschap in. Juist dit fijnmazige netwerk zorgt voor een sterke economische verbondenheid, een grote regionale diversiteit en brengt een hoge kwaliteit van leven met zich mee. Dit is ook essentieel voor de aantrekkingskracht van (inter-)nationale kennis, arbeid en kapitaal. Deze kwaliteit willen we versterken door voort te bouwen op de bestaande stedelijke structuur. Zodoende zorgen we voor versterking van onze toplocaties en gezichtsbepalende gebieden als de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad en Eindhoven (waaronder onze mainports).” Er is geen urgentie in deze tekst te bespeuren. In feite staat er: vooral laten zoals het is. Geen idee ook wat er aan de hand is anders dan dat Nederland niet mag ‘verrommelen’. En dat terwijl ons land in 2050 liefst 80 procent minder CO2 zal moeten uitstoten om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen. Met het ‘unieke’ polycentrische stedenpatroon dat ‘voor een sterke economische verbondenheid zorgt’ ga je het heus niet redden. Zullen we de NOVI maar vergeten?

Toerisme als een plaag

On 26 september 2018, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in: ‘Overbooked’ (2014) van Elizabeth Becker:

Afbeeldingsresultaat voor overbooked becker

Elizabeth Becker is oud-correspondent van The New York Times. In 2014 schreef ze een boek over ‘overtourism’, het verschijnsel dat domweg teveel toeristen op één plek samentrekken, en dat gebeurt op dit moment over de hele wereld. In ‘Overbooked. The Exploding Business of Travel and Tourism’ wijdt ze de lezer in in de nieuwe wereld van het reizen met in elk hoofdstuk aandacht voor één land. Ze schreef er vijf jaar aan. Het boek eindigt in China en de Verenigde Staten. De rol van overheden in de toerisme-industrie staat centraal. Overheden, schrijft ze, verkopen hun land, promoten stranden, musea, evenementen, verstrekken visa, bouwen vliegvelden, beslissen over wie komt en wie gaat, bepalen kortom hoe ze de business willen reguleren. Dat begon al in 1925, toen landen de International Congress of Official Tourist Traffic Associations oprichtten, met een vestiging in Den Haag. Later, in 1967, verhuisde dit naar Geneve, nog weer later naar Madrid. Alles stelde het in het werk om toerisme tot een volwaardige industrie te laten bestempelen. Toerisme kreeg pas werkelijk vleugels toen vliegtuigen ononderbroken grote afstanden konden afleggen, American Express bereid was overal cheques uit te schrijven en de muur in Berlijn viel waardoor de wereld ineens openlag voor backpackers, later de hele middenklasse. Toerisme werd dé manier om een arm land uit de malaise te trekken. Stelselmatig werden de keerzijden van het toerisme onderbelicht. Een kwalijke zaak.

En toen begon het tijdperk van het internet. Daarmee was het hek van de dam. Maar het zijn niet de ondernemers of toeristen zelf die bij Becker op hun lazer krijgen. De enorme problemen in de toeristische sector in de hele wereld worden in de eerste plaats veroorzaakt door regeringen. Het product van toerisme zijn landen, stelt ze, niet bedrijven. Overheden bepalen of bedrijven hotels mogen bouwen, of vliegtuigmaatschappijen landingsrechten krijgen, of een congrescentrum mag worden geopend, of een Olympische Spelen naar de hoofdstad wordt gehaald. Ministeries spenderen miljoenen om toerisme naar hun land te promoten via nationale Bureaus voor Toerisme. Fraai en duurzaam is het allemaal niet. “The reputation of tourism is often poor, and rightly so. It is an extremely sensitive sector.” Milieuverontreiniging en overbelasting zijn buitengewoon ernstig; de in totaal 1 miljard trips elk jaar van toeristen en de mogelijkerwijs driemaal zoveel trips binnenslands doen een regelrechte aanslag op het milieu in alle getroffen landen. Desondanks weigeren overheden toerisme als een volwaardige economische sector te beschouwen en verantwoordelijkheid te nemen voor de desastreuse effecten. Dat is vreemd. Het is Frankrijk, aldus Becker, dat als toeristische bestemming nummer één in de wereld nadenkt over de toekomst van het verschijnsel. En wat denkt Frankrijk? Lokale gemeenschappen moeten het heft in eigen hand nemen. Ergens is er een tipping point. Voorbij dat punt is toerisme een plaag, een ziekte, een boze droom, nee een regelrechte nachtmerrie.

Tagged with:
 

Hoe duurder de stad, hoe duurzamer

On 15 september 2018, in duurzaamheid, energie, by Zef Hemel

Gelezen op NU.nl van 25 september 2015:

 Afbeeldingsresultaat voor energieverbruik in grote steden relatief laag nu.nl

Bron: Binnenlands Bestuur

In Nederland lijkt iedereen ineens hard aan een zogenoemde energietransitie te werken. Er is heus kabinetsbeleid, er is een Klimaatberaad, er zijn nationale Klimaattafels, er zijn overal warmteregisseurs aangesteld, er is zelfs een SER Energieakkoord, alle gemeenten en provincies moeten aan de bak. Wat is er gebeurd? De opstand in Groningen tegen de gasboringen heeft in Den Haag grote opschudding veroorzaakt. Heel Nederland moet plots van het gas af. De energietransitie heeft de trekken van een nationaal deltaplan, maar dan een plan zonder veel middelen. Vergeten daarbij wordt dat het energiegebruik nogal verschilt per woning en per regio. Saillant is dat het elektriciteits- en gasverbruik per woning in de grote steden aanzienlijk lager is dan elders in het land. Uit cijfers van het CBS blijkt bijvoorbeeld dat het gasverbruik van woningen in Amsterdam en Rotterdam rond de 850 kubieke meter ligt, terwijl het nationale gemiddelde op 1.200 kubieke meter ligt. In Amsterdam is het elektriciteitsverbruik het laagst: 2.350 kWh van alle gemeenten in Nederland. Waar rond de grote steden stadsverwarming is, is het verbruik ook lager, zoals in Purmerend en Almere. De verklaring van het opmerkelijke verschil is eenvoudig. Inwoners van de grote steden beschikken gemiddeld over minder vierkante meters woonruimte en leven vaker in appartementen. Wonen in de grote stad is gewoon duurzamer.

Een vrijstaande woning, meldt het CBS, verbruikt dubbel zoveel energie als een stedelijke appartement. Dat vond ik opmerkelijk. Ook uit recent Amerikaans onderzoek blijkt dat ruimtelijke ordening een flinke invloed heeft op het energieverbruik dat nodig is voor het verwarmen, koelen en verlichten van woningen, kantoren en andere gebouwen. Hier de link naar het onderzoek: ‘Global scenarios of urban density and its impacts on building energy use through 2050‘ . De grote lijn is dat het energieverbruik per persoon lager is als de bevolkingsdichtheid hoger is. Bijkomend effect van een hogere dichtheid is dat mensen vaak kleiner gaan wonen, omdat grond en woningen duurder zijn. En wie kleiner woont, verbruikt minder energie. Op het platteland, zo las ik in Binnenlands Bestuur, stoken mensen niet alleen meer vierkante meters, ze gebruiken ook nog eens gemiddeld méér elektrische apparaten. En dan hebben we het nog niet eens over het geringere autobezit in grote steden en het hogere aandeel openbaar vervoer. Kortom, je kunt dus flink energie besparen met bewuste stadsplanning. Door het ruimtelijke beleid te richten op groei van de grote steden in de Randstad kan de regering bevorderen dat er structureel flink op energieverbruik wordt bespaard. Gek dat in die hele nationale energietransitiediscussie daar nou niets over wordt opgemerkt. Alsof er geen grote steden en geen ruimtelijke ordening bestaan.

Tagged with:
 

Transitie naar energie-efficiency

On 27 augustus 2018, in duurzaamheid, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Urban Entrepreneurialism and the Conquest for Sustainability’ (2018) van Maurits Bongenaar:

Afbeeldingsresultaat voor transitietheorie geels

Bron: Geels, 2011.

Interessante doctoraalscriptie van Maurits Bongenaar. Deze zomer studeerde Bongenaar cum laude af aan de Universiteit van Amsterdam in de research master Urban Studies. In ‘Urban Entrepreneurialism and the Conquest for Sustainability’ (2018) vergeleek hij de aanpakken van twee metropolen – New York City en Amsterdam – ten aanzien van praktijken van energie-efficiënt bouwen. Hoewel de ontwikkeling van beide ‘Global Cities’ de afgelopen decennia gekenmerkt raakte door neoliberale, op groei en competitie gerichte praktijken (speculatieve ruimtelijke ontwikkelingen, kapitalistische groeicoalities en markante symboolprojecten), timmeren ze de laatste tien jaar aan de weg als het gaat om CO2-reductie en duurzaamheid in de gebouwde omgeving. Bongenaar vergeleek de uitkomsten, maar keek ook naar het achterliggende beleid van de beide gemeenten. Daarbij paste hij transitietheorieën toe uit de sociale wetenschappen, waaronder het ‘multi-level perspectief’, zoals ontwikkeld door de Nederlandse school van transitie studies (Geels, 2011). Hij maakte onderscheid tussen ‘landscapes’, ‘regimes’ en ‘niche innovations’. Beide steden, stelde hij vast, maakten de laatste jaren grote vorderingen als het gaat om transitie richting duurzaamheid, maar hun aanpakken verschillen sterk.

In New York speelt politiek leiderschap in de transitie naar duurzaam bouwen een grote rol. Het was burgemeester Michael Bloomberg die het lokale regime van bovenaf veranderde, zijn persoonlijk inzet was sterk op een collectieve inspanning van de hele metropolitane gemeenschap gericht. Leiderschap, concludeerde Bongenaar, is in New York veel nadrukkelijker aanwezig dan in Amsterdam, waar het bestuur bijna onzichtbaar is. Ook de impact van New York op de omgeving is groter, of zoals een betrokkene opmerkte: “When a cold-blooded, calculating city that is all about money, develops a sustainability strategy, it sends a message.” Overigens stelde Bongenaar vast dat de lokale autonomie van New York vele malen groter is dan die van Amsterdam, waardoor de eerste veel sneller en krachtiger kan acteren. Het beleid van Bloomberg was in feite een reactie op de intertie van president Bush, die de noodzaak van CO2-reductie totaal negeerde. Daarbij komt dat het ‘landschap’ in New York abrupt veranderde door 9/11 en later door hurricane Sandy (2012). Amsterdam blijkt sterk afhankelijk van Den Haag en wacht af. Bijgevolg bespeurde Bongenaar in Amsterdam een tamelijk geleidelijke en planmatige overgang naar duurzaamheid, waarbij de transitie eerder managerial is dan politiek. Het Amsterdamse beleid is technocratisch. Wie goed kijkt ziet dat verandering in Amsterdam in werkelijkheid van onderop komt. Zelfs op de Zuidas zijn het ontwikkelaars die het voortouw nemen. Groot zijn dus de verschillen, maar de in Amsterdam geboekte resultaten doen zeker niet onder voor die in New York. Mondiale competitie tussen steden, concludeert Bongenaar, is niet negatief. Concurrentie stimuleert steden juist om duurzaam te worden. Laat ze experimenteren, laat ze concurreren, geef ze bestuurlijke armslag, geef ze de ruimte.

Tagged with:
 

Mitigating these trends

On 3 augustus 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Thank You For Being Late’ (2016) van Thomas Friedman:

Afbeeldingsresultaat voor map population growth africa

Bron: Lauren Manning

Opnieuw veel bootvluchtelingen. Deze zomer wordt met name de zuidpunt van Spanje belaagd. De recente omstreden uitlatingen van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken komen niet uit de lucht vallen. Niet Brexit maar migratie zou wel eens de grootste bedreiging van Europese eenheid kunnen worden. Op 3 mei 2018 schreef Callum Brodie op World Economic Forum over de toekomstige bevolkingsgroei op aarde. In ‘The world’s fastest-growing populations are in the Middle East and Africa. Here’s why’ liet hij zien hoe de bevolking van Afrika tussen nu en 2050 in omvang zal verdubbelen: van 1 naar 2 miljard mensen. De daarop volgende vijftig jaar zal opnieuw van een verdubbeling sprake zijn: van 2 naar 4 miljard. Tegen die tijd zullen 11 miljard mensen op aarde leven. Sinds de oprichting van de Verenigde Naties in 1945 is de wereldbevolking al verdrievoudigd. De aanslag op de draagkracht van de planeet is gigantisch. Brodie wijst op de vrouwenemancipatie in het Midden-Oosten, die reden geeft voor voorzichtig optimisme. Als vrouwen eenmaal kunnen kiezen voor een carrière in plaats van kinderen, dan zou het allemaal nog kunnen meevallen. Maar dat veronderstelt wel dat ze, net als in China, in metropolen gaan wonen, waar ze hoger onderwijs kunnen genieten, werk vinden en deelnemen aan de wereldgemeenschap. Opvangkampen zijn beslist onvoldoende. Een metropolitane toekomst voor Afrika en het Midden-Oosten is de centrale opgave.

Het artikel deed me denken aan het hoofdstuk in ‘Thank you for being late’ van de Amerikaanse columnist Thomas Friedman over Niger, Afrika. In ‘Mother Nature’ meldde hij dat een vrouw uit Niger gemiddeld zeven kinderen krijgt. Woonden er in 1950 nog 2,5 miljoen mensen in Niger, op dit moment zijn dat er al 19 miljoen. In 2050 zullen het er 72 miljoen zijn. Vergeleken met 1950 zal de bevolking van Niger dertigmaal groter zijn in 2050. Nooit eerder is een bevolking zo dramatisch gegroeid. Al die mensen raken op drift want woestijnvorming is onvermijdelijk. “With Africa’s population likely to increase by more than three billion over the next 85 years, the European Union could be facing a wave of migration that makes current debates about accepting hundreds of thousands of asylum seekers seem irrelevant.” Niemand die het zo realistisch en klemmend beschrijft als Friedman. We hebben geen tijd te verliezen. Onze energieconsumptie moet drastisch omlaag, er moet flinke belasting op fossiele brandstoffen worden geheven. Vrouwen moeten kunnen studeren. Mensen op de hele wereld moeten emanciperen, zichzelf ontwikkelen, greep krijgen op hun eigen toekomst, kortom er moet worden vormgegeven aan een grootstedelijke toekomst ook voor mensen in Afrika en het Midden-Oosten. “If we don’t act quickly together to mitigate these trends, we will be the first generation of humans for whom later will be too late.” Wanneer organiseert deze minister van Buitenlandse Zaken eens een groot congres over de toekomst van de Afrikaanse stad?

Tagged with:
 

Vastklampen aan een spreidingsdoctrine

On 11 juli 2018, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2018:

Afbeeldingsresultaat voor economische verkenningen metropoolregio amsterdam 2018

Op 20 juni 2018 werden de nieuwste Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam gepresenteerd in Theater Amsterdam tijdens de ‘Facts of the Region’. Ze kreeg nauwelijks publiciteit, heel vreemd. Kort samengevat luidde de boodschap van Henri de Groot, hoogleraar Economie aan de Vrije Universiteit: het gaat uitstekend met de economie van Groot-Amsterdam, er is sprake van een hoogconjunctuur, Amsterdam presteert gemiddeld beter dan de rest van Nederland en andere stedelijke regio’s in Europa. Vooral Amstelland-Meerlanden en Amsterdam zelf deden het opmerkelijk goed. In de eerste domineert de logistiek, in de tweede de specialistische dienstverlening: advocaten, consultants, informatiekenniswerkers, communicatiekenniswerkers. Vooral de dienstensector blijkt een sterke banenmotor. De druk op centrumstad Amsterdam is immens, de arbeidsmarkt is zeer krap. De pendelstromen uit de rest van Nederland richting Amsterdam groeien sterk. En vergeet het toerisme niet. Ondertussen groeit de bevolking van Groot-Amsterdam ongeveer tweemaal sneller dan het landelijk gemiddelde.

Ziedaar een metropool die bloeit en expandeert omdat hij economisch voortreffelijk presteert. Zo’n expansie en groeiende dichtheid van economische activiteit vergen forse publieke investeringen om de leefbaarheid te bewaren. Het deed me denken aan een artikel van hoogleraar Ewald Engelen in Follow the Money van 20 maart 2018. In ‘Waarom ik lijstduwer ben van de Partij voor de Dieren’ pleitte de hoogleraar Financiële geografie voor ruimtelijke spreiding in plaats van concentratie. De groei van Amsterdam vond hij allesbehalve duurzaam. Een verdubbeling van Amsterdam noemde hij ‘de megalomanie ten top’. In plaats daarvan moest Nederland behouden wat karakteristiek voor haar is: zijn ‘prachtige middelgrote provinciesteden’. Max Weber haalde hij aan om een dicht netwerk van niet al te grote steden aan te bevelen. Hij was zelfs een voorstander van Amsterdamse krimp. Ik vrees dat het standpunt van Engelen op best veel steun kan rekenen. Zijn pleidooi spoort met de Nederlandse planningsdoctrine en klinkt ook geruststellend en lekker anti-Amsterdam. Gaat de politiek hem volgen, dan moeten we ons echter voorbereiden op nog grotere pendelstromen en nòg hogere huizenprijzen in en rond Amsterdam. Waarop Engelen zich nog meer zal vastbijten in zijn spreidingsdenken en andersdenkenden neerzetten als onverbeterlijke ‘neoliberalen’. Barbara Tuchman noemde dat ‘The March of Folly’.

Tagged with:
 

Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with: