Club van Rome negatief over steden

On 23 januari 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Rapport van de Club van Rome’ (1972):

Afbeeldingsresultaat voor rapport van de club van rome grenzen aan de groei

Vandaag opent het jaarlijkse World Economic Forum in Davos. Onderwerp: klimaatverandering, armoede, obesitas, ongelijkheid, economische groei. In 1972 verscheen het Rapport van de Club van Rome, getiteld ‘Grenzen aan de groei’. Mijn ouders kochten een exemplaar, ik weet het nog goed. Ik was toen 15 jaar. Onlangs las ik het, 46 jaar later, in één avond uit. Huiveringwekkend actueel is het. Alles staat erin. Niets lijkt er mee gedaan. En wat een verhaal! De hele planeet in het geding, en dat honderd jaar vooruit. Een groot deel van het rapport gaat over de aard van exponentiële groei. Binnen honderd jaar zouden de grenzen aan de groei worden bereikt. We zijn inmiddels halverwege. Op het eind schrijven de auteurs dat er een ‘Copernicaanse omwenteling van de geest’ nodig is om de portee van het vraagstuk te begrijpen. Een evenwichtsmaatschappij realiseren – een maatschappij in een bestendige toestand van economisch en ecologisch evenwicht – is maar al te ‘pijnlijk’, een taak ‘met overstelpende moeilijkheden en complicaties’. Het onderzoek naar de ‘world dynamics’ zou worden voortgezet, maar de politiek moest in beweging komen. Ondertussen verwachtten de samenstellers dat mensen met elkaar zouden bespreken “niet of maar hoe we deze nieuwe toekomst kunnen creëren.” De mens, schreven ze, moet zichzelf onderzoeken – zijn eigen doelstellingen en waarden – evenzeer als de wereld die hij wil veranderen. Is dat gebeurd?

En wat schreven de samenstellers eigenlijk over steden? Weinig. Steden werden door hen niet onderzocht, wel versnelde industrialisatie, snelle bevolkingsgroei, wijdverspreide ondervoeding, uitputting van niet-vervangbare hulpbronnen en verslechtering van het milieu. Het rapport gaat vooral over het platteland, over voedselvoorziening, grondgebruik en hulpstoffen. Maar wanneer technologie in het wereldmodel wordt opgevoerd, komen de steden toch even in beeld. “Toen de Amerikaanse steden nieuw waren, groeiden zij zeer snel. Grond was overvloedig aanwezig en goedkoop, er verrezen doorlopend nieuwe gebouwen, zowel de bevolking als de economische opbrengst van de streek nam toe.” Daarna ontstonden problemen. Die werden met liften en wolkenkrabbers opgelost. Toen konden de steden weer verder groeien. Maar opnieuw ontstond congestie. Mensen trokken naar buiten, de steden zelf werden oorden van drug, geweld en criminaliteit. “Nu groeien de meeste van de grotere Amerikaanse steden niet meer. De groei werd uiteindelijk tot staan gebracht door problemen zonder technische oplossing.” Dat was in 1971. New York lag er hopeloos bij. In de metropool geloofden de onderzoekers niet. Een stad, dat was voor hen hooguit een technologische constructie. En technologie wezen ze weliswaar niet af, maar dan alleen in combinatie met opzettelijke beheersing van de groei. Sindsdien hebben de meeste steden hun problemen opgelost. Met behulp van de nieuwste technologie. Wordt het niet eens tijd dat de aandacht zich gaat richten op steden? Dat bijvoorbeeld het World Economic Forum zich serieus in steden verdiept? Minder negatief, eerder de oplossing.

Tagged with:
 

Ons als migranten gedragen

On 22 december 2017, in boeken, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De ambachtsman’ (2008) van Richard Sennett:

 Afbeeldingsresultaat voor building and dwelling sennett

Twee weken geleden ontmoette ik Saskia Sassen in De Balie in Amsterdam. Sassen is hoogleraar Sociologie aan Columbia University in New York. Ze vertelde me dat haar man, Richard Sennett, het manuscript van zijn laatste boek eindelijk heeft ingeleverd bij de uitgever. Het gaat om het derde en laatste deel van de ‘Homo Faber’-serie. Volgens haar is het een geweldig boek geworden, dat eind februari 2018 zal verschijnen. Voor wie zich het nog herinnert: in 2008 publiceerde de socioloog Sennett het eerste deel van zijn trilogie over ‘Homo Faber’ in de vorm van ‘’The Craftsman’.  De trilogie zou gaan over de materiële cultuur van de mens, geschreven binnen de Amerikaanse traditie van het pragmatisme. In 2012 verscheen deel twee, getiteld ‘Together’. Dit deel ging over rituelen zoals diplomatie, het vermijden van oorlog, religie en vakkundige rituelen opgevat als beproefde samenwerkingsvormen. Oorspronkelijk zou dit tweede deel ‘Warrior and Priests’ heten, maar daarvan kwam Sennett later terug.  Het binnenkort te verschijnen derde deel, beloofde hij in 2008, zou de titel van ‘The Foreigner’ krijgen. Eerder dit jaar verscheen al een bundel met essays van zijn hand onder dezelfde titel. Nee, het boek, blijkt nu, gaat ‘Building and Dwelling. Ethics for the city’ heten. Op 20 maart 2018 zal Sennett erover spreken in de London School of Economics.

‘Building and Dwelling’ zal gaan over de aarde zelf. Sennett tien jaar geleden: “We staan zowel qua natuurlijke bronnen als klimaatverandering voor een crisis van de natuur waar wij zelf voor het grootste deel debet aan zijn.” Dat betekent dat we de dingen die we maken en de manier waarop we ze gebruiken moeten veranderen. “We moeten ons andere bouw- en transportwijzen eigen maken en rituelen bedenken die ons wennen aan spaarzaamheid.” Om vakmensen op milieugebied te zijn achtte hij grondige zelfkritiek noodzakelijk die je volgens hem alleen aantreft bij migranten. We zullen ons dus als vreemdelingen moeten gaan gedragen in eigen land. Niet de droom over een bestaan in evenwicht en in harmonie met de wereld zal ons helpen, want dat zijn uitvluchten, nee we moeten een echte confrontatie durven aangaan, onszelf een spiegel voorhouden, de dingen die we doen niet langer als vanzelfsprekend beschouwen. “Zo’n vakmanschap is ons nu vreemd.” Bij het verschijnen van ‘Together’ in 2012 schreef hij dat deel drie zal gaan over hoe betere steden te bouwen. “Physically, too much urban design is homogeneous and rigid in form; socially, modern built forms frequently take only a faint imprint of personal and shared experience.” Door terug te grijpen op ambacht en samenwerking kunnen betere steden worden gemaakt.  ‘Building and Dwelling’ gaat hoe het zelfdestructieve territorium dat we in werkelijkheid hebben gemaakt kunnen omvormen tot een houdbare materiële wereld. Zalig kerstfeest!

Tagged with:
 

De noodzaak van andere steden

On 15 december 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De sociale staat van Nederland 2017’ van het SCP:

Afbeeldingsresultaat voor scp de sociale staat van nederland 2017

Over hoe het met de Nederlandse bevolking gaat. Ik las het nieuwste SCP-rapport met meer dan gewone belangstelling. Eigenlijk, maak ik op uit de tekst, gaat het met ons best goed. De kwaliteit van de woonomgeving, van natuur en milieu, is bij ons behoorlijk op orde, ook anderszins zijn we erop vooruit gegaan. We leven langer, verdienen meer, zijn hoger opgeleid, blijven langer gezond, hebben minder last van criminaliteit. Maar de houdbaarheid van onze manier van leven is allerminst vanzelfsprekend. Dit, en zorgen over de solidariteit zijn volgens de opstellers van het rapport de vraagstukken van de toekomst. Althans dat las ik in de inleiding. In de kranten las ik over die vraagstukken van de toekomst echter vrijwel niets. ‘Nederlander is gelukkig’, kopte Het Parool zelfgenoegzaam. En NRC Handelsblad vond vooral ‘Nederland milder over migranten’. Wel zag de krant het verschil tussen hoogopgeleiden en kansarmen groter worden. Zo’n vijf procent van de bevolking is echt ongelukkig. Geluk, geluk, geluk. De obsessie met geluk is, ook nu weer, opvallend. In Europa doen we goed, maar de Denen zijn gelukkiger.

Wat mij opviel en ook verontrustte in het rapport was paragraaf 12.8. Onder de kop ‘Maar erg duurzaam is het nog niet’ gebruikten de onderzoekers de ecologische voetafdruk als maatstaf voor de houdbaarheid van onze manier van leven. Deze voetafdruk geeft een beeld van de hoeveelheid ruimte die nodig is als iedereen op aarde zou leven zoals wij. Wat blijkt? De ecologische voetafdruk van Nederland komt neer op drieënhalf wereldbollen. Vijfentwintig jaar geleden waren dat er nog drie. Hoezo, ‘maar erg duurzaam is het nog niet’? De makers van het rapport wijzen graag op de licht gunstige wending in de afgelopen jaren, maar ik vrees dat dit vooral de invloed van de financiële crisis is. Over de afgelopen jaren, dus na de recessie, helaas nog geen gegevens. Ik schreef het al in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’: “Volgens het World Happiness Report (2015) van John Helliwell en Jeffrey Sachs van the Earth Institute van Columbia University behoren de Nederlanders inderdaad tot de gelukkigste mensen op deze wereld. (…) De prijs is in elk geval hoog.” Mijn conclusie was en is nog steeds dat we in dit land heel andere steden moeten bouwen.

Fourier in de woestijn

On 8 december 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord in de Grand Hyatt te Dubai op 7 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor the sustainable city dubai

De laatste spreker op de eerste dag van het Future Mobility-congres in Dubai was zowaar vrouw. Ze heette Tara Tariq en bleek de Monitoring and Reporting Manager van SEE Nexus, Verenigde Arabische Emiraten. Ze vertelde ferm en met passie over The Sustainable City, een project van een geavanceerde nieuwe enclave voor expats in Dubai die honderd procent duurzaam zou zijn. De ontwikkelaar, Diamond Developers, stelt dat hier, in de woestijn aan de Perzische Golf, een netto uitstoot kan worden bereikt van nul procent CO2 door een kleine stad van 500 villa’s te bouwen op 46 hectare die volledig draait op zonnepanelen. Een ziekenhuis, een internationale school en een hotel voor gasten moeten het leven veraangenamen. Het gaat om een enclave van in totaal 2700 inwoners in Dubai die samen 10 MWP opwekken met behulp van 40.000 zonnepanelen. Midden in de enclave bevinden zich elf bio-domes voor stadslandbouw waar op 3.000 vierkante meter groente wordt verbouwd, het verkeer gaat met elektrische auto’s, 350 m3 meter grijs water wordt er per dag gerecycled, het programma is ronduit indrukkend. Inmiddels is de stad gerealiseerd.

Het project deed me denken aan de vroeg-negentiende eeuwse Phalansteres van Charles Fourier. Buiten het hectische Parijs wilde deze Franse utopist een groot aantal zelfvoorzienende enclaves bouwen die de toekomstige bewoners gelukkig zouden maken en die de vieze en overvolle Franse metropool zouden doen vergeten. Er zou eten in overvloed zijn, alle voorzieningen zouden de 1400 inwoners voorzien van alle gemak, er kwamen paardenstallen, werkplaatsen, gaarkeukens; deze utopische droom zou beslist werkelijkheid worden voor iedereen. Of eigenlijk deed het project me denken aan de vroegste vakantieparken van Centerparcs, maar dan helemaal duurzaam gemaakt. Het mooiste nog vond ik de tekst over de bufferzone langs de grens van de enclave. In de bijgeleverde brochure lees ik het volgende: “The borders of The Sustainable City act as the first line of defence against pollutants. With a remarkable 10-meter-high buffer zone running along the periphery of the development consisting of 2.500 trees scattered in multiple layers, purifying the air coming into the city will be a breeze.” Hier, in deze schaduwrijke bufferzone, kun je ook paardrijden.

Tagged with:
 

De gemakkelijke weg

On 25 september 2017, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gehoord in het provinciehuis van Lelystad op 20 september 2017:

Afbeeldingsresultaat voor emancipatie van de periferie

Kaart: Middenstad, uit: De emancipatie van de periferie, 2016

Afgelopen woensdagmiddag de Cornelis Lely lezing 2017 uitgesproken in de statenzaal van de provincie Flevoland in Lelystad. Als coreferent trad Floris Alkemade op, rijksbouwmeester. In mijn lezing stelde ik voor om Schiphol integraal te verplaatsen naar Lelystad. Mijn voorstel past in het vooruitzicht van een sterk verdichtende Randstad, nu al tot uitdrukking komend in een extreme druk op Amsterdam, en de wetenschap van een aanhoudende groei van het mondiale vliegverkeer. Dringend nodig is een ruimtelijke her-configuratie binnen de metropool Amsterdam en Flevoland zal hierin positie moeten kiezen. De tegenwerpingen van rijksbouwmeester Floris Alkemade waren interessant. Uitbreiden van Amsterdam, betoogde hij, is duur en lastig; er is ruimte genoeg in Brabant, Utrecht en Gelderland; het idee van een Randstad is al verwaterd; in Brabant wordt driftig gebouwd (óók 120.000 nieuwe woningen erbij); aan vliegverkeer verdien je niet veel; luchthavens genereren vooral laagwaardige banen in de dienstensector; Flevoland kan zich beter op duurzame landbouw en op windturbines richten. Als voorbeeld noemde hij Goeree-Overflakkee dat ook behoud van leefbaarheid en identiteit voorop heeft gesteld.

Die genoemde toekomstvisie van Goeree-Overflakkee heb ik erop nagelezen. Op het Zuid-Hollandse eiland richt men zich inderdaad op het behoud van de unieke identiteit, het behoud van een voldoende zorg- en voorzieningenniveau en op het behoud van de kwaliteit van leven en van groei. “Goeree-Overflakkee kan en wil het meest duurzame eiland worden”. Innovatie ziet men, terecht, als de vestigingsvoorwaarde voor bedrijven en onderwijs. Ondertussen wil men betere verbindingen op het eiland zelf en met Rotterdam en Antwerpen. Zeker, dat zijn prachtige uitgangspunten voor een duurzame toekomst van een plattelandsgemeenschap in de delta. Maar Goeree-Overflakkee is een krimpregio. Dat kun je van de dynamische Flevopolders niet zeggen. Duurzaamheid in de metropoolregio Amsterdam is juist geconcentreerde metropoolvorming en verder zo weinig mogelijk geluidsbelasting door aanhoudende groei van het internationale vliegverkeer. Gespreide verstedelijking leidt tot nog meer files. Door in heel Midden-Nederland huizen te bouwen omdat de grote steden duur zijn, zoals Alkemade voorstelt, is VINEX herhalen en allesbehalve duurzaam, nee het is de gemakkelijke weg.

Tagged with:
 

Ark van Noach

On 30 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Shogun’s City at the Twenty-First Century’ (1998) door Roman Cybriwsky:

 

Ook Tokio gaat de hoogte in. De grootste stad op aarde (35 miljoen inwoners) ligt in een delta en is in de twintigste eeuw langs spoorlijnen extreem naar buiten uitgedijd, met overwegend lage bebouwing die inmiddels reikt tot aan de voet van de bergen. Op dit moment kruipt echter alles en iedereen weer naar binnen, naar het centrum toe. Inwoners accepteren de lange reistijden niet langer, ze willen dichter bij hun werk wonen. Dan maar minder vierkante meters en flink gestapeld. In Tokio bezochten we Roppongi Hills, een nieuwe typologie van hoogbouw, ontwikkeld door de Mori Building Company in de buurt van de uitgaanswijk Roppongi. Voor Tokio is hoogbouw een relatief nieuw fenomeen. Minoru Mori, de oprichter van Mori, was een van de eersten die torens in de Japanse hoofdstad bouwde: Mori Biru 1  stamt al uit 1955. De zoon van een rijsthandelaar die op hogere leeftijd een zeer succesvol ontwikkelaar werd, heeft inmiddels 80 Mori Biru’s op zijn naam staan, alle in de buurt van Toranomon, de CBD van Tokio. Zijn nieuwste creatie is Roppongi Hills, een enorme toren met een gemengd programma van wonen en werken dat gereedkwam in 2003 in een armere buurt van houten huizen rond een aantal Amerikaanse kazernes. Het masterplan is van de hand van het Amerikaanse Kohn Pedersen Fox Associates.

We gingen kijken en schoten met een lift naar de veertigste verdieping na eerst het dure winkelcentrum aan de voet van de kolos te hebben doorkruist. Kosten noch moeite zijn hier gespaard. Het Mori museum met de privé kunstcollectie van Minuro Mori sloegen we over. Ik moest denken aan het artikel in The Guardian van 18 mei 2015 waarin de 17 jaar worden beschreven die Mori nodig had om de grond onder de toren te verwerven. Vierhonderd grondeigenaren kregen een appartement in de toren aangeboden, slechts 161 accepteerden het aanbod; de rest moest tegen exorbitante prijzen door de ontwikkelaar worden uitgekocht. Een kwart van het complex bestaat nu uit parkachtige semi-openbare ruimte; op alle daken zijn groentetuinen aangelegd – op één dak ligt zelfs een rijstveld (foto); afval wordt hergebruikt, regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, een eigen, op gas gestookte energiecentrale reduceert de uitstoot van emissies met 27 procent, zonnepanelen genereren elektriciteit voor de verlichting. Het gebouw zou gegarandeerd aardbevingsbestendig zijn. Is dit de toekomst van Tokio? Wonen, werken en recreëren in hoogbouw, alles zeer dicht opeengepakt, in grote hoogbouwcomplexen die bijna zelfvoorzienend zijn, die bestand zijn tegen tsunami’s, branden en aardbevingen – onheil dat in de toekomst zeker komen gaat. Roppongi Hills is ontworpen als een Ark van Noach. Helaas alleen voor de happy few. Al onze Hollandse vooroordelen moeten overboord.

Tagged with:
 

Niet exploderen, maar imploderen

On 8 juli 2016, in duurzaamheid, kunst, by Zef Hemel

Voorgedragen op het Marineterrein, Amsterdam, op 7 juli 2016:

TOFUD van Frank Havermans, op dit moment te zien in Cityscapes Gallery in Amsterdam, deed me aanvankelijk denken aan de PROUNs (‘pro-oon’) van El Lissitzky. Vooral zijn tweede serie uit 1923 betrof schitterende composities van geometrische vormen die de toekomst als ‘volstrekt nieuw’ wilden uitdrukken. Een soort van tijd-ruimte explosies waarbij alle geometrische vormen met verschillende snelheden vrij in de ruimte zweven. De PROUNs waren verbeeldingen van het utopische, een dynamisch communistisch universum. Ze waren een van de inspiratiebronnen van het Modernisme. Ook Havermans’ werk is ruimtelijk. Wie echter goed kijkt ziet geen explosie, maar implosie. Alle vormen trekken naar elkaar toe, klitten zelfs aan elkaar. TOFUD is allesbehalve PROUN. Havermans’ begrip van circulariteit is geavanceerder dan dat van de Modernisten.

De eerste denkfout van het Modernisme was tabula rasa. Dit was ook de essentie van Plan Voisin van Le Corbusier, 1925: alles moest tegen de vlakte, de stad zou opnieuw worden opgetrokken. De architect streefde een complete herordening van Parijs na, nu scherp begrensd, leesbaar, transparant. Alle elementen werden opengewerkt, zwevend in de ruimte, spottend met de zwaartekracht, helder stralend, zonder decoratie, de stad als een abstract explosie van volumes, lijnen en vlakken die zich gemakkelijk van bovenaf liet componeren, in een eindeloze variatie.‘Le Corbu’ meende ook dat de toekomst wetenschappelijk kon worden voorbereid. Begin jaren zestig wordt dit idee van de stad als berekenbare machine op de spits gedreven door futuroloog Richard Buckminster Fuller. Diens Dome over Manhattan uit 1960 getuigde van de opvatting dat de aarde een ruimteschip is, en de stad een gesloten systeem dat computers geheel konden beheersen door middel van kunstmatige klimaatbehandeling. Afbreken hoefde niet eens; gewoon een geodetische dome eroverheen. In ‘Operating Manual for Spaceship Earth’ (1969) ergerde ‘Bucky’ zich aan de politiek, de zouteloze compromissen. Zijn opvattingen over democratie stonden niet ver af van die van Le Corbusier, maar waren mijlenver verwijderd van het circulaire denken. Nee, het Modernisme heeft weinig circulairs voortgebracht. De architecten koersten op beheersing, controle en expansie. Havermans toont iets anders: chaos, gelaagdheid, groei, ruimtelijke implosie. Alleen rommelige, chaotische, informele, volgestouwde, onbestuurbare, van onderop georganiseerde metropolen zijn circulair.

Tagged with:
 

Heb jij ideeën of dromen over de stad van de toekomst? Wonen we anders dan nu en hoe ziet de nieuwe economie eruit? Hoe blijven we gezond in de metropoolregio Amsterdam? Wordt de stad nog groener? Hoe verplaatsen we ons in de toekomst en hoe zal ICT de stad veranderen? Kortom: wat vind jij waardevol?

Kom op 9 september a.s. naar het 2e open atelier Volksvlijt2016 en denk en doe mee!

Volksvlijt 2016

Volksvlijt 2016 is een open platform waaraan iedereen kan bijdragen. In drie ateliers bouwen we samen met ontwerpers, kennisinstellingen, bedrijven, bewoners en studenten aan een nieuw toekomstperspectief op de metropoolregio Amsterdam. Alle ideeën en dromen komen samen in één enorme maquette die vanaf 12 april 2016 twaalf weken lang te bewonderen zal zijn in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Naast deze tentoonstelling is er een interactief programma over de toekomst van de stad waarbij iedereen welkom is.

Meedoen op 9 september 2015

De stad van de toekomst is opgebouwd uit twaalf thema’s, zoals voedsel, logistiek, media, industrie, gezondheid, toerisme, ecologie, ICT en zelfvoorzienende buurten. In het atelier op 9 september kun je meedenken over de toekomst van deze thema’s samen met vernieuwende ontwerpers, die de ingebrachte ideeën verbinden

Hoe meer mensen meedoen, des te slimmer en aantrekkelijker de stad van de toekomst wordt. Dus, heb je ideeën over de stad of kennis van één van de thema’s? Ben je een betrokken stadmaker, visionair of creatief denker en wil je samen met anderen bouwen aan de stad van de toekomst?

Doe dan mee! De stad van de toekomst maken we samen.

Zef Hemel

Wibautleerstoel, Universiteit van Amsterdam | Amsterdam Economic Board 

Wat:                2e open atelier Volksvlijt

Wanneer:         Woensdag 9 september 2015, van 12.00 tot 18.00 u.

Waar:              Openbare Bibliotheek van Amsterdam (Oosterdok)

Bijdrage:          kennis, ideeën & toekomstdromen

>> Aanmelding (verplicht): via de volgende site: https://tamtam.viadesk.com/do/eventreadpublic?id=14706-6576656e74

wim.jan.hollebeek@amsterdam.nl

Word lid van onze community op Facebook ‘Volksvlijt2016’ om op de hoogte te blijven van Volksvlijt.

Tagged with:
 

Troeptrimmen

On 19 februari 2015, in afval, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord op Het Loopveld, Amsterdam, op 14 februari 2015:

 

Het gesprek in de sportkantine afgelopen zaterdag ging weer eens over drukte in de stad. Over het fietsparkeren, de vele toeristen, het vuilnis op straat. Ouders wisten wel een oplossing. Alle aandacht richtte zich in eerste instantie op het zwerfafval. Veel bewoners van de grachtengordel, wist iemand, zetten hun vuilnis ‘s avonds al op straat. Geen wonder dat het dan een bende wordt. Hoe ze dat wist? Elke ochtend fietst ze langs de grachten naar haar werk, aan het IJ. Nee, het waren niet zozeer de bedrijven. De bewoners mogen dan klagen, ze zijn zelf mede oorzaak van de troep, concludeerde ze. Iemand anders suggereerde dat de woede zich richt op de toeristen en dat de gemeente hierop wordt aangesproken, maar dat veel klachten vermoedelijk betrekking hebben op het gedrag van de eigen buren. Hierna maakten we de voorlopige balans op: we moeten, om het probleem op te lossen, bij ons eigen gedrag beginnen.

Vervolgens regende het oplossingen. Een van de ouders vertelde dat ze gefascineerd was door afval. Elke ochtend nam ze een tas mee. Je wilt niet weten wat je onderweg tegenkomt, zei ze. Veel afval raapte ze op, bundelde het en wierp het in een vuilnisbak of container. Ze vertelde over ‘troeptrimmen’, dat is een nieuwe sportieve manier om zwerfafval op te ruimen. Op een website las ik: “Het zwerfafval met kniebuigingen, rekkend en strekkend oprapen heeft een positief effect op het lijf, de geest en de buurt. Ergernis nummer drie in Nederland kun je dus omzetten in een positieve beweging.” Ze had nog meer tips. Met drie regels kunnen we alle straten en pleinen van onze steden schoon krijgen: 1. gooi nooit iets weg op straat; 2. raap elke dag tenminste één ding op; 3. moedig twee mensen aan om hetzelfde te doen. De tafel in de sportkantine die ochtend fungeerde even als een buitengewoon intelligent platform. Alles van onderop!

Tagged with:
 

Schraal

On 18 februari 2015, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in S&RO 2014 nr. 5:

Nummer 5 van Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (S&RO) editie 2014 was gewijd aan station en luchthaven. Ik ontving indertijd geen nummer, ook al was ik abonnee. Nu nam ik een exemplaar mee uit Den Haag, waar Platform 31 is gevestigd. In de trein terug naar Amsterdam las ik het. De onderwerpkeuze, zo begint het redactioneel, betreft een jubileum. In 2014 was het 175 jaar geleden dat de eerste trein in Nederland reed, u weet wel, tussen Haarlem en Amsterdam.  In datzelfde jaar bestond de KLM 95 jaar. In het nummer wordt de balans opgemaakt van bijna tweehonderd jaar stations- en luchthavenontwikkeling in relatie tot de stedelijke ontwikkeling, lees: de polycentrische metropool. Interessant vond ik vooral het artikel van de onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam en de Technische Universiteit Delft. In ‘More is less? Governance in de Schipholregio’ schrijven gastredacteur Michel van Wijk, Ellen van Bueren en Marco te Brömmelstroet over de vele overlegstructuren rond de nationale luchthaven. Hun analyse van deze overleggen sinds 1987 is genadeloos. Het zijn er erg veel en de inhoud van hun agenda’s verschraalt.

Wat is er loos? Al die overleggen blijken niet meer te werken. “Vergaderingen worden door gebrek aan onderwerpen regelmatig afgezegd.” Bestuurders wisselen elkaar snel af. Gedeputeerde Hooijmaijers moest aftreden wegens corruptie. Zijn opvolger werkte aan een schoon-schip actie. Die daarna deed het weer anders. De affaire-Poot wordt in het artikel niet eens genoemd. Inhoudelijk treedt er een verenging op. Er wordt alleen nog maar over economie gepraat. En een beetje over geluidsoverlast. Duurzaamheid heeft geen prioriteit. Meer dan veertig stakeholders werden in een Q-analyse geïnterviewd. Inhoudelijke ideeën bleken redelijk met elkaar te sporen, maar over de wenselijke bestuursvorm waren de geïnterviewden zeer verdeeld. Sommigen wilden terug naar formele overheidssturing, anderen juist naar open netwerksturing. Wat concluderen de onderzoekers? Voor het sluiten de kringlopen op en rond de luchthaven zou een drastische verbreding noodzakelijk zijn. Technische en wetenschappelijke kennis, lokale praktijk- en belevingskennis zouden elkaar veel directer en ook  intensiever moeten treffen. Waarom gebeurt dit niet? En hoezo corrupt?