Toerisme als een plaag

On 26 september 2018, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in: ‘Overbooked’ (2014) van Elizabeth Becker:

Afbeeldingsresultaat voor overbooked becker

Elizabeth Becker is oud-correspondent van The New York Times. In 2014 schreef ze een boek over ‘overtourism’, het verschijnsel dat domweg teveel toeristen op één plek samentrekken, en dat gebeurt op dit moment over de hele wereld. In ‘Overbooked. The Exploding Business of Travel and Tourism’ wijdt ze de lezer in in de nieuwe wereld van het reizen met in elk hoofdstuk aandacht voor één land. Ze schreef er vijf jaar aan. Het boek eindigt in China en de Verenigde Staten. De rol van overheden in de toerisme-industrie staat centraal. Overheden, schrijft ze, verkopen hun land, promoten stranden, musea, evenementen, verstrekken visa, bouwen vliegvelden, beslissen over wie komt en wie gaat, bepalen kortom hoe ze de business willen reguleren. Dat begon al in 1925, toen landen de International Congress of Official Tourist Traffic Associations oprichtten, met een vestiging in Den Haag. Later, in 1967, verhuisde dit naar Geneve, nog weer later naar Madrid. Alles stelde het in het werk om toerisme tot een volwaardige industrie te laten bestempelen. Toerisme kreeg pas werkelijk vleugels toen vliegtuigen ononderbroken grote afstanden konden afleggen, American Express bereid was overal cheques uit te schrijven en de muur in Berlijn viel waardoor de wereld ineens openlag voor backpackers, later de hele middenklasse. Toerisme werd dé manier om een arm land uit de malaise te trekken. Stelselmatig werden de keerzijden van het toerisme onderbelicht. Een kwalijke zaak.

En toen begon het tijdperk van het internet. Daarmee was het hek van de dam. Maar het zijn niet de ondernemers of toeristen zelf die bij Becker op hun lazer krijgen. De enorme problemen in de toeristische sector in de hele wereld worden in de eerste plaats veroorzaakt door regeringen. Het product van toerisme zijn landen, stelt ze, niet bedrijven. Overheden bepalen of bedrijven hotels mogen bouwen, of vliegtuigmaatschappijen landingsrechten krijgen, of een congrescentrum mag worden geopend, of een Olympische Spelen naar de hoofdstad wordt gehaald. Ministeries spenderen miljoenen om toerisme naar hun land te promoten via nationale Bureaus voor Toerisme. Fraai en duurzaam is het allemaal niet. “The reputation of tourism is often poor, and rightly so. It is an extremely sensitive sector.” Milieuverontreiniging en overbelasting zijn buitengewoon ernstig; de in totaal 1 miljard trips elk jaar van toeristen en de mogelijkerwijs driemaal zoveel trips binnenslands doen een regelrechte aanslag op het milieu in alle getroffen landen. Desondanks weigeren overheden toerisme als een volwaardige economische sector te beschouwen en verantwoordelijkheid te nemen voor de desastreuse effecten. Dat is vreemd. Het is Frankrijk, aldus Becker, dat als toeristische bestemming nummer één in de wereld nadenkt over de toekomst van het verschijnsel. En wat denkt Frankrijk? Lokale gemeenschappen moeten het heft in eigen hand nemen. Ergens is er een tipping point. Voorbij dat punt is toerisme een plaag, een ziekte, een boze droom, nee een regelrechte nachtmerrie.

Tagged with:
 

Overbodige steden

On 21 september 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 30 december 2017:

Gerelateerde afbeelding

In zijn column van 30 december 2017 in The New York Times keerde de econoom Paul Krugman, winnaar van de Nobelprijs economie in 2008, nog één keer terug naar zijn oude liefde: de economische geografie. Aanleiding was een artikel van Emily Badger over megasteden die eigenlijk geen kleine steden meer nodig zouden hebben. In ‘The Gambler’s Ruin of Small Cities (Wonkish)’ onderschrijft hij de analyse van Badger. Ooit fungeerden kleine steden als verzorgingskernen op een uitgestrekt platteland. Echter, sinds de landbouw als dominante economische sector is verdwenen zijn ze overbodig geworden en proberen ze te overleven. Sommige slagen erin industrie aan te trekken, andere lukt het een onderwijsinstelling of ziekenhuis naar zich toe te halen. Maar hun lokale economie blijft te specialistisch, wordt zelden divers genoeg om als zelfstandige kern op termijn te overleven. “Some localized industries created fertile ground for new industries to replace them; others presumably became dead ends. And while a big, diversified city can afford a lot of dead ends, a smaller city can’t. Some small cities got lucky repeatedly, and grew big. Others didn’t; and when a city starts out fairly small and specialized, over a long period there will be a substantial chance that it will lose enough coin flips that it effectively loses any reason to exist.” Na verloop van tijd leggen de meeste kleine steden dus het loodje. Welke dat zijn is toeval. Grote steden daarentegen zijn voldoende divers en groeien gewoon door.

Krugman begrijpt goed dat overheden bijspringen en proberen de kleine steden te redden met allerlei stimuleringsmaatregelen, subsidies en cadeautjes. Je laat ze niet imploderen. Maar dat bijspringen kost geld – geld dat wordt onttrokken aan de grote steden. “There are arguably social costs involved in letting small cities implode, so that there’s a case for regional development policies that try to preserve their viability. But it’s going to be an uphill struggle.” Uiteindelijk zullen de meeste kleintjes het toch niet redden. Hij wijst erop dat dit verdwijnen van kleine steden niets te maken heeft met globalisering. China is niet de schuldige en ook de megasteden treft geen blaam. “In the modern economy, which has cut loose from the land, any particular small city exists only because of historical contingency that sooner or later loses its relevance.” Dat verlies van relevantie geldt niet alleen voor steden in het Amerikaanse Midden-Westen, maar ook voor de vele ‘middelgrote’ Nederlandse steden. In Nederland springt de overheid overal bij. Ondertussen groeien de grote steden in het westen des lands gewoon door.

Tagged with:
 

Vastklampen aan een spreidingsdoctrine

On 11 juli 2018, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2018:

Afbeeldingsresultaat voor economische verkenningen metropoolregio amsterdam 2018

Op 20 juni 2018 werden de nieuwste Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam gepresenteerd in Theater Amsterdam tijdens de ‘Facts of the Region’. Ze kreeg nauwelijks publiciteit, heel vreemd. Kort samengevat luidde de boodschap van Henri de Groot, hoogleraar Economie aan de Vrije Universiteit: het gaat uitstekend met de economie van Groot-Amsterdam, er is sprake van een hoogconjunctuur, Amsterdam presteert gemiddeld beter dan de rest van Nederland en andere stedelijke regio’s in Europa. Vooral Amstelland-Meerlanden en Amsterdam zelf deden het opmerkelijk goed. In de eerste domineert de logistiek, in de tweede de specialistische dienstverlening: advocaten, consultants, informatiekenniswerkers, communicatiekenniswerkers. Vooral de dienstensector blijkt een sterke banenmotor. De druk op centrumstad Amsterdam is immens, de arbeidsmarkt is zeer krap. De pendelstromen uit de rest van Nederland richting Amsterdam groeien sterk. En vergeet het toerisme niet. Ondertussen groeit de bevolking van Groot-Amsterdam ongeveer tweemaal sneller dan het landelijk gemiddelde.

Ziedaar een metropool die bloeit en expandeert omdat hij economisch voortreffelijk presteert. Zo’n expansie en groeiende dichtheid van economische activiteit vergen forse publieke investeringen om de leefbaarheid te bewaren. Het deed me denken aan een artikel van hoogleraar Ewald Engelen in Follow the Money van 20 maart 2018. In ‘Waarom ik lijstduwer ben van de Partij voor de Dieren’ pleitte de hoogleraar Financiële geografie voor ruimtelijke spreiding in plaats van concentratie. De groei van Amsterdam vond hij allesbehalve duurzaam. Een verdubbeling van Amsterdam noemde hij ‘de megalomanie ten top’. In plaats daarvan moest Nederland behouden wat karakteristiek voor haar is: zijn ‘prachtige middelgrote provinciesteden’. Max Weber haalde hij aan om een dicht netwerk van niet al te grote steden aan te bevelen. Hij was zelfs een voorstander van Amsterdamse krimp. Ik vrees dat het standpunt van Engelen op best veel steun kan rekenen. Zijn pleidooi spoort met de Nederlandse planningsdoctrine en klinkt ook geruststellend en lekker anti-Amsterdam. Gaat de politiek hem volgen, dan moeten we ons echter voorbereiden op nog grotere pendelstromen en nòg hogere huizenprijzen in en rond Amsterdam. Waarop Engelen zich nog meer zal vastbijten in zijn spreidingsdenken en andersdenkenden neerzetten als onverbeterlijke ‘neoliberalen’. Barbara Tuchman noemde dat ‘The March of Folly’.

Tagged with:
 

Economie van New York City is groter

On 12 juni 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op World Economic Forum van 15 februari 2016:

Afbeeldingsresultaat voor this map will change the way you see the us economy

Bron: World Economic Forum

Afgelopen maandag gaf ik in Eindhoven een lezing over ‘Triomf van de stad’ als aftrap voor een nieuwe ronde ‘Fonds on Tour’. Fonds wil in dit geval zeggen: het Fonds Podiumkunsten. Onder andere vertelde ik de aanwezigen over de enorme economische trekkracht van metropoolregio’s in de wereld, die vaak de omvang van landen evenaart, en noemde daarbij een aantal voorbeelden. Terwijl ik mijn cijfers checkte, kwam ik dat ene korte artikel weer tegen van Emma Luxton op World Economic Forum, getiteld ‘This map will change the way you see the US economy’. Het dateert van februari 2016. Te zien is een fantastische animatie van de VS waarin de omvang van stedelijke en agrarische economieën naar de voorgrond dringen als bollende oppervlaktes. Kijk maar: https://www.weforum.org/agenda/2016/02/this-map-will-change-the-way-you-see-the-us-economy/  Strekking: de economie van de metropoolregio New York – groot 1.5 biljoen dollar -  is groter dan elke andere regio in de Verenigde Staten en ook groter dan die van elf landen, waaronder Australië en Zuid-Korea. De economieën van San Francisco en Los Angeles zijn samen even groot als die van New York. In het algemeen leveren de grootste steden aan de Oostkust en de Westkust van de VS de grootste bijdrage aan de economie van het hele continent. Een soortgelijke kaart is te vinden op Allthatsinteresting.com: de helft van de economie van de VS wordt verdiend in slechts een handjevol steden.

Zo’n kaartje zou ik ook wel eens van Nederland willen maken. Nu weet ik zeker dat het Nederlandse platteland beter presteert of, omgekeerd, dat de grote steden in Nederland als het aankomt op economische trekkracht minder dramatisch naar de voorgrond zullen dringen dan in de Verenigde Staten. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de geringe omvang van onze grote steden – wij kennen geen New York of Los Angeles –, en, daarmee samenhangend, het ontbreken van voldoende agglomeratiekracht. Veel armoede zit bovendien vast in onze grote steden, die wij decennia hebben verwaarloosd. Tegelijkertijd subsidiëren wij het platteland via Europese landbouwsubsidies en moedigen wij suburbanisatie aan met fiscale woonwerktoeslagen, het bieden van ov-jaarkaarten, de instelling van regionale fondsen, de spreiding van overheidsinvesteringen, de bouw van achterlandverbindingen, en ook door massieve investeringen in railinfrastructuur. Gevolg: logistiek en agrifood zijn bij ons veruit de grootste economische sectoren. Met onze zeventien miljoen inwoners zouden we de economie van New York (met slechts 12 miljoen inwoners) gemakkelijk naar de kroon moeten kunnen steken. Maar dat doen we niet. Onze nationale economie is niet groter dan die van Los Angeles. 

Schiphol alleen is niet genoeg

On 30 april 2018, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 15 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor global city hypothesis

Morgen vlieg ik naar Londen, de stad die nog steeds baalt omdat ze de komst van het hoofdkantoor van Unilever is misgelopen. Zou het werkelijk? ‘Een klap voor de Britten, een opsteker voor Rotterdam’, kopte de Volkskrant op 15 maart 2018. Inmiddels weten we beter. Door de dividendbelasting te verlagen om hoofdkantoren als die van Unilever en Shell in ons land vast te houden, is de Nederlandse regering op dit moment verwikkeld in een vervelend politiek debat met de kamer. Dat nationale debat gaat over memo’s. Mijn probleem is niet zozeer dat Rotterdam een bedrag van 1,4 miljard euro van het kabinet cadeau heeft gekregen zonder dat dit gepaard is gegaan met één extra baan, maar wel dat opnieuw níet is gekozen voor agglomeratiekracht. Hoofdkantoren van internationale bedrijven hou je namelijk niet vast met fiscale maatregelen. Die vestigen zich in wereldsteden. De trek naar zogenoemde ‘Global Cities’ is al decennia gaande en Londen is een mondiale winnaar, ondanks Brexit. Het grote probleem met Nederland is dat het geen wereldstad bezit. Unilever zit in Rotterdam en Koninklijke Shell is gevestigd in Den Haag. Andere Nederlandse hoofdkantoren bevinden zich op de Zuidas in Amsterdam. Alleen wie in de Randstad gelooft ziet hierin een metropolitane opzet. Nederland mist de agglomeratiekracht die nodig is om hoofdkantoren van multinationals goed te kunnen bedienen. Dat is het werkelijke probleem.

In 1986 lanceerde de Amerikaanse planoloog John Friedmann de World City Hypothesis. Hierin stelde hij dat door de economische en financiële globalisering steden steeds belangrijker worden, meer dan natiestaten. In mondiale netwerken gevat oefent nog slechts een tiental steden controle uit over kapitaal- en informatiestromen, deels ook over goederen- en mensenstromen. Binnen deze zogenoemde wereldsteden vormen hooggespecialiseerde intermediaire functies van accountancy, advocatuur en banking de spil in een netwerk van mondiale knooppunten. De nieuwe coördinatiecentra bevinden zich in Londen, New York en Tokio, schreef Saskia Sassen begin jaren ‘90. Nederland wil graag hoofdkantoren vasthouden, maar mist een grootstedelijk centrum als Londen en verliest dus hoofdkantoren. Dit keer dreigen Unilever en Shell ons land te verlaten. De volgende keer zijn het KLM en Philips. De regering denkt met fiscale maatregelen iets tegen deze afkalving te kunnen doen. Op den duur zal het niet werken. Nederland verzuimt om een echte metropool te bouwen. Schiphol en Randstad zijn niet genoeg. Verdere ruimtelijke concentratie is nodig. Amsterdam heeft potentie. Ondertussen groeit Londen onverminderd verder. Ik ga het zien.

Op de helft

On 20 april 2018, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ (2013) van Thomas Piketty:

Afbeeldingsresultaat voor piketty capital

Nu pas gelezen en nog maar halverwege: Thomas Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’. Eerst wilde ik ‘Dat Kapital’ van Karl Marx zelf lezen. Dat heb ik inmiddels gedaan. Nu dus Piketty. De lange historische lijnen die de Fransman, verbonden aan de École d’economie de Paris, trekt gaan terug op Marx, nee verder, ze voeren de lezer naar het begin van de Industriële revolutie. Mooi is het om te lezen hoe hij vanuit de negentiende eeuw op onze tijd terugblikt en vaststelt dat kapitaal terug is van weggeweest. De twintigste eeuw met zijn twee wereldoorlogen en moeizame wederopbouw zijn vooral een breuk geweest in een lange geschiedenis van het globale kapitalisme. Even leek arbeid beslissend te worden, maar uiteindelijk is vermogen toch weer in hoge mate bepalend voor iemands maatschappelijke positie. Dat is balen. Bijzonder in het boek is het hoe Piketty dit illustreert aan de hand van negentiende eeuwse romans als die van Austen en De Balzac. Zo ongeveer moeten we ons de toekomst dus voorstellen. Zelfs al is de recente verandering in de technologie gunstig voor de factor arbeid, toch zal het aandeel van kapitaal niet afnemen, denkt hij. Sterker, de moderne technologie maakt het mogelijk om kolossale hoeveelheden kapitaal te accumuleren zonder dat het rendement volledig verloren gaat. “Wordt de eenentwintigste eeuw nog minder egalitair dan de negentiende, voor zover hij dat niet al is?” De vraag stellen is hem beantwoorden.

Net als Marx heeft Piketty weinig op met steden. Zijn analyses gaan over landen, Engeland en Frankrijk in de eerste plaats. Dat vader Goriot, een schepping van Honoré de Balzac, in Parijs leefde, neemt hij voetstoots aan. Zijn dochters uithuwelijken in de beste Parijse kringen is ook al zo’n ding. En dan verschijnt daar Rastignac als berooide edelman uit de Franse provincie, die zijn geluk komt beproeven in de Franse hoofdstad. Ook die laat zich uiteindelijk meeslepen door de aanblik van alle rijkdommen, om uiteindelijk even meedogenloos te worden als de door geld gecorrumpeerde Parijse elite. Rastignac aast op de erfenis van Victorine in plaats van door studie, talent en hard werken rijkdom te vergaren. Kortom, het negentiende eeuwse Parijs groeide en bloeide in de ogen van De Balzac door de ongebreidelde accumulatie van kapitaal, door corruptie onder elites rond erfenissen en huwelijken, soms gepaard gaande met moorden, een zeer ongelijke samenleving waarin kapitaal belangrijker was dan arbeid. Volgens Piketty gaan we terug naar die verdorven tijd, een tijd van grote ongelijkheid, met grootstedelijke elites die zich via erfenissen verrijken en een verarmend platteland. Was het negentiende eeuwse Parijs werkelijk zo’n corrupte bende? Was die snel groeiende metropool van destijds niet óók een grandioos economisch, sociaal-cultureel laboratorium, een eclatant succes? Piketty, zelf woonachtig in Parijs, vertelt liever het oude verhaal van Karl Marx. Nogmaals, ik ben pas op de helft van zijn magistrale boek. Misschien ontdekt de auteur alsnog de zegeningen van de in de twintigste eeuw door Europeanen weggebombardeerde maar dus nooit verslagen metropolen.

Tagged with:
 

‘Go with the flow’

On 13 april 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Thank You for Being Late’ (2016) van Thomas Friedman:

Afbeeldingsresultaat voor thank you for being late friedman

Een veel te dik maar wel razend interessant boek schreef de Amerikaanse journalist Thomas Friedman. In ‘Thank You for Being Late’ neemt hij de tijd en de aandacht om te onderzoeken wat er met de wereld op dit moment aan de hand is. Drie krachten veranderen onze wereld ingrijpend: technologische innovaties, economische globalisering en klimaatverandering. In alle drie zit een venijnige versnelling: de Wet van Moore. Drie pijlers onder de huidige welvaartstaat: dat ieder mens in principe tot de middenklasse kan toetreden; dat migranten overal welkom zijn; dat de kansen op het platteland niet minder zijn dan in de stad – worden hierdoor ruw weggeslagen. “So, unless you have a really dynamic local leadership, or a close to a university, increasingly the only way to hold on to the American Dream is by living in a globally connected, multicultural, lifelong-learning-rich, urban context.” Er is geen ontkomen aan, iedereen zal zich de komende decennia moeten aanpassen. Tegenstand bieden, boos zijn of je verzetten helpt niet. ‘Go with the flow’ is de kunst die wij allen moeten leren. Alleen samenlevingen die voldoende open zijn en die permanent willen leren, zullen de ingrijpende versnellingen kunnen bijbenen. Ook Friedman komt uit bij Moeder Natuur die ons leert hoe we ons het beste kunnen aanpassen. Vijf ‘killer apps’ noemt hij die de natuur ons biedt en die we in onze alledaagse, veel te starre politiek moeten incorporeren.

De eerste ‘killer app’ is die van het tijdig onderkennen dat vreemde machten economisch en militair superieur kunnen zijn en dat je je daaraan tijdig dient aan te passen; 2. het vermogen om diversiteit en complexiteit te aanvaarden; 3. het vermogen om het eigenaarschap over de toekomst te accepteren en niet de rol van slachtoffer te spelen; 4. het vermogen om de juiste balans te vinden tussen top-down en bottom-up, 5. het vermogen om politiek te benaderen met een mind-set die tegelijk ondernemend, hybride, heterodox en niet-dogmatisch is. Cultuur, aldus Friedman, speelt in het nabootsen van deze vijf biologische killer-apps een belangrijke rol. Want uiteindelijk is het niet de politiek, maar de cultuur die mensen drijft. Leiding geven door te verrassen met uitspraken die openheid en complexiteit propageren biedt het meeste zicht op succes. Denk aan Nelson Mandela. Hij maakte Zuid-Afrika sterker door mensen op te roepen tot verdraagzaamheid, niet door het nemen van stoere besluiten. Alles draait om vertrouwen. Lokale gemeenschappen die zelf verantwoordelijkheid nemen zullen het de komende jaren moeten doen.

Tagged with:
 

‘Amsterdam vreest zijn eigen succes’

On 27 maart 2018, in economie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA te Amsterdam op 26 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor metrosysteem amsterdam 1960

Plan voor stadsspoorwegen Amsterdam 1968

Amsterdam vreest zijn eigen succes’. Met dat motto begon hoogleraar Coen Teulings zijn Amsterdamlezing op maandagavond 26 maart 2018. Teulings, tegenwoordig universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, bestudeert de economie van steden. Economisch onderzoek verweeft hij met elementen van geschiedenis, biologie, recht, politicologie en geografie. Amsterdam noemde hij een ‘parel’. De stad is naar internationale maatstaven gemeten buitengewoon aantrekkelijk en ook succesvol. De verdere groei van de hoofdstad vond hij logisch en onvermijdelijk en zou voor de Nederlandse regering topprioriteit moeten zijn. Amsterdam is in vergelijking met andere wereldsteden helemaal niet zo duur, er dreigen hier ook geen ‘Londense toestanden’. Nederland is juist een egalitair land en no-go areas kent de hoofdstad niet. Dat Amsterdam duurder wordt noemde hij onvermijdelijk; goedkoper zal de stad niet meer worden. De dynamiek is groot, maar dat geldt voor meer steden. Buiten Amsterdam denken ze dat Airbnb de prijzen opjaagt, maar dat is niet zo. In zeker vier varianten legde hij het principe van agglomeratievoordelen uit. Mensen zijn bereid een fortuin te betalen om heel dicht bij elkaar te zitten. Hoe drukker een plek, hoe hoger de grondprijzen. En het internet jaagt deze locatievoordelen aan. Vooral hoger opgeleiden kopen zich een weg naar het centrum. De verdere uitleg van Amsterdam vond hij een gewichtige zaak. Daarmee kunnen meer mensen toegang krijgen tot al die felbegeerde voorzieningen.

Vanuit de zaal kwamen tegenwerpingen. Worden hiermee de armen niet de stad uit gedreven? Teulings aarzelde even. Dat verdringing optreedt kon hij niet ontkennen. Sommige categorieën mensen zullen de stad zeker verlaten. Maar Turken en Marokkanen en Surinamers, die blijven wel, dus mensen zijn niet tot vertrek veroordeeld. Maar krijg je dan niet ernstige vormen van segregatie?, kwam er opnieuw uit de zaal. Teulings gaf de zaal tot op zekere hoogte gelijk, maar zei dat hij niet elke vorm van segregatie op voorhand afwees. Liever sprak hij van ruimtelijke ‘specialisatie’. Het is begrijpelijk en natuurlijk om als migrant je medemigranten op te zoeken. Ook dat is een vorm van agglomereren. Waarna hij een warm pleidooi hield voor grootstedelijk openbaar vervoer. Uitgerekend openbaar vervoer kan onvermijdelijke uitsorteringsprocessen helpen verzachten. Juist daar is in Amsterdam grote behoefte aan. Opnieuw zullen rond de stations de grondprijzen stijgen. Maar zo is de stad. Behalve, gek genoeg, op sommige plaatsen in Amsterdam. Want hoe kan het nou dat rond het Amstelstation zo weinig hoogbouw wordt gerealiseerd? En waarom is de Noordzuidlijn zo’n onbeduidend kort stukje? Zijn lezing eindigde Teulings met het schema van het Amsterdamse metrostelsel zoals dat in de jaren zestig van de twintigste eeuw door planologen was geprojecteerd. Waarom is slechts een fractie van dit grootstedelijke project uitgevoerd? Antwoord: Amsterdam vreest zijn eigen succes.

Gelezen in ‘Groei en krimp’ (2016) van De Groot, Marlet, Teulings en Vermeulen:

Afbeeldingsresultaat voor groei en krimp parool teulings

Bron: Groei en krimp/Het Parool

Coen Teulings is mijn een na laatste gast in de nieuwe reeks Amsterdamlezingen die alle gaan over de toekomst. Teulings is econoom en universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. In het verleden was hij directeur van het Centraal Planbureau, het CPB. In die laatste hoedanigheid schreef hij, samen met Henri de Groot, Gerard Marlet en Wouter Vermeulen, de publicatie ‘Stad en land’ (2010). Daarin vroegen de auteurs zich af hoe het toch komt dat mensen sinds eind jaren tachtig weer massaal naar steden trekken. En waarom is de ene stad populairder dan de andere? Steden worden steeds meer consumptiesteden in plaats van productiesteden. De rol van voorzieningen, ontdekten zij, is cruciaal en drukt zich uit in hogere grondprijzen, maar ook in hogere lonen. De grondprijzen van sommige steden stijgen sterk, vooral die van Amsterdam. Prijsverschillen zijn de afgelopen twintig jaar meer dan verdubbeld. Amsterdam is zowel productie- als consumptiestad. De prijs van de grond in het centrum van Amsterdam is inmiddels tweehonderd maal hoger dan in Oost-Groningen. Anders gezegd, door het maatschappelijk gewenste pakket publieke voorzieningen aan te bieden kan een stad mensen aan zich binden en de grondwaarde doen stijgen. Dat is wat Amsterdam zo goed doet en waarom ze door andere steden wordt benijd.

Twee jaar geleden publiceerden dezelfde auteurs een tweede studie, met als titel ‘Groei en krimp’ (2016). Daarin vroegen zij zich af waar we in Nederland zouden moeten bouwen en waar vooral niet. Die publicatie kreeg, ten onrechte, veel minder aandacht in de pers dan de eerste. Toch liggen beide in elkaars verlengde. Ik citeer: “Het proces van groei en krimp is een nieuwe fase ingegaan: een fase die gepaard zal gaan met scherpere tegenstellingen in regionale ontwikkeling.” Volgens de auteurs is er maar één optie voor de overheid: ‘go with the flow.’ “Bouw daar waar er vraag naar is.” Daartoe berekenden ze de marktwaarde van alle opstallen in heel Nederland. Is die marktwaarde hoger dan de bouwkosten, dan is het verstandig om te bouwen, anders niet. Met behulp van meer dan één miljoen huizentransacties over de afgelopen twintig jaar berekenden ze de meerwaarde tot op postcodeniveau. En wat bleek? Ongeveer de helft van alle woningen in Nederland is op de juiste plek gebouwd. De andere helft niet. Daarmee zijn veel kosten gemaakt, die nooit meer zullen worden terugverdiend. En veel woningen blijken in een veel lagere dichtheid te zijn gebouwd dan economisch gerechtvaardigd. De belangen van projectontwikkelaars, concluderen zij, lopen niet parallel met de economische belangen. Waar zou je in en rond Amsterdam moeten bouwen en in welke dichtheid? Teulings in Het Parool van 5 maart 2017: overal rond Amsterdam, maar niet in Almere. Op maandag 26 maart 2018 spreekt Teulings zijn Amsterdamlezing.

Tagged with:
 

Meer dan genoeg woningen

On 5 maart 2018, in internationaal, wonen, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseiland Campus, Amsterdam, op 26 februari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor richard ronald housing seoul

Bron: Richard Ronald, UvA

Zuid-Korea is ongeveer even groot als Engeland. Beide landen tellen circa 50 miljoen inwoners. In Korea woont de helft daarvan in slechts twee provincies. Samen vormen die Groot-Seoul. Aan het woord is Richard Ronald, hoogleraar Housing, Society and Space aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen week verzorgde Ronald een gastcollege over Seoul in het bachelorprogramma Cities in Transation. Het eerste deel van zijn college ging over de wonderbaarlijke naoorlogse groei van Seoul, het tweede over woningbouw- en huisvestingstrends in recente jaren. De economische groei van Korea na het bestand van 1953, zei hij, was nog indrukwekkender dan die van Japan. Een ‘IJzeren Driehoek’ van bedrijven, politici en bureaucraten had de leiding genomen over een groei die het Westen naar de kroon moest steken. Ronald noemde het ‘developmentalism’, naar een begrip geïntroduceerd door Chalmers Johnson (1982). Koreanen waren in de jaren bereid geweest om grote offers te brengen. Het letterlijk bouwen van steden werd de economische groeimachine van het arme land. In plaats van een welvaartsstaat te ontwikkelen en mensen een vangnet te bieden, werd een dak boven je hoofd het middel om hardwerkende gezinnen materieel te ondersteunen. Bijgevolg werd de ‘Land and Housing Corporation’ een van de grootste bedrijven van het land. Seoul groeide razendsnel en stelde alle andere Koreaanse steden in de schaduw.

Door de economische crisis stokte echter eind jaren ‘90 de groeimachine die veertig jaar daarvoor onafgebroken had gestampt. Van een indrukwekkende 10 procent jaarlijkse groei ging het ineens naar 4 à 5 procent. Niet alleen groeide de Koreaanse economie langzamer, ook was welvaartsgroei voor iedere Koreaan niet langer vanzelfsprekend. Bijgevolg ontstond er een verschil tussen rijk en arm. Maar na en door de crisis werd Zuid-Korea wel democratischer. Veel inwoners willen niet langer puur economische groei tegen elke prijs en kiezen een regering die hen alternatieven biedt. Onderwijs vinden zij belangrijker. Wonen in Seoul is erg duur, dus nieuwe vormen van sociale woningbouw doen hun intrede. Het National Rental Housing Program werd in 1998 door president Kim geïntroduceerd. Ronald wees op de immense woningproductie in het land. Elk jaar worden 80.000 nieuwe woningen opgeleverd in Seoul, in Zuid-Korea als geheel gaat het om een productie van 500.000 woningen jaarlijks. Inmiddels is 12 procent van alle woningen min of meer sociaal. Dat is veel voor een land dat dertig jaar geleden nog vrijwel geen sociale woningbouw kende. Koreanen blijken overigens te sparen in plaats van te huren. Dat systeem heet Chonsei. Voor jongeren wordt Chonsei echter onbereikbaar. Zij kiezen voor Chon-wolse, dat is een nieuwe hybride vorm van huren. Zonder immigratie, besloot Ronald zijn overzicht, zal Korea snel krimpen. Woningen, zou je zeggen, zijn er over een tijdje meer dan genoeg. Of dat ook voor Seoul zal gelden is nog maar de vraag. Ronald houdt zijn intreerede op 6 april 2018.

Tagged with: