My Amsterdam

On 3 juli 2012, in film, by Zef Hemel

Gezien in de Movies op 1 juli 2012:

Afgelopen zondag zag ik in de Movies ‘My Amsterdam’ van Ed van der Elsken uit 1983. Architect Friso Broeksma vertoonde de oude film in het voorprogramma ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Wat de vertoning zo bijzonder maakte was de bewerking die Jan Rothuizen ervan had gemaakt. Rothuizen was er ook. Hij had, zei hij, het hele parcours opnieuw gefilmd vanuit een Fiat 500 en naast de historische beelden van Van der Elsken gezet: Haarlemmerstraat, Nieuwendijk, Dam, Kalverstraat, Vijzelstraat, Weteringcircuit, terug door de Vijzelstraat, Muntplein, Reguliersbree, Rembrandtplein en weer terug. De commentaarstem van Van der Elsken had hij gehandhaafd. Zo zagen we hetzelfde straatbeeld twee keer: in 1983 en achtentwintig jaar later, in 2011. In 1983 woonde ik net een jaar in Amsterdam. De Haarlemmerstraat waar de film mee begint is vlakbij de Droogbak waar ik destijds werkte. Het is ook de straat waar de Movies nog altijd is gevestigd. Een feest van herkenning, pure nostalgie. Tegelijk was het alsof ik die zonnige middag weer de bioscoop uitliep, in de auto stapte en opnieuw de stad inreed. Een wonderlijke ervaring.

Beide films waren ‘s ochtends om 6 uur geschoten. De straten waren leeg. Was er in die achtentwintig jaar veel veranderd? Zo op het oog niet. De openbare ruimte in Amsterdam is veel beter geworden, dat wel, er ligt tegenwoordig minder zwerfvuil op straat, de ‘amsterdammertjes zijn verwijderd, in de Haarlemmerstraat en op de Zeedijk zijn de gaten in de straatwanden opgevuld. Verder is alles nog hetzelfde. Het grote verschil met vroeger zit in het dramatische eindbeeld van de film. In 1983 reed Van der Elsken door de Staalstraat. Op het eind van de smalle straat, in zuidelijke richting, is het beangstigend leeg. Een fel licht schijnt je tegemoet. Ineens rijdt de camera een kale vlakte op, draait naar links en toert over het Waterlooplein of wat daarvan over is. Rond de Mozes en Aaronkerk houdt hij abrupt stil. We vangen nog een glimp op van het toenmalige Maupoleum. Van der Elksen mompelt iets in de trant van “In dit deel van de stad zijn hele verschrikkelijke dingen gebeurd. Ik zal daar verder niet op ingaan. Waarom moet hier nou een stadhuis verrijzen? Ze hadden toch beter dat stadhuis op de Dam in ere kunnen herstellen?” Dat was in 1983. Was hij destijds naar het IJ gereden, dan hadden we nu opgelucht kunnen ademhalen. Maar nee, de woede richtte zich in 1983 op die Stopera. Zijn woorden echoën nog na.

Tagged with:
 

Smalltown USA

On 5 april 2012, in demografie, film, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gezien in Tuschinski Amsterdam op 1 april 2012:

Naast andere thema’s spelen ook bevolkingskrimp en stad en land een belangrijke rol in de nieuwste Muppetfilm. Hoofdpersoon Walter trekt met zijn oudere broer en diens vriendin van Smalltown naar Los Angeles. De Geyhoundbus wordt door het hele dorp vrolijk uitgezwaaid. Tot overmaat van ramp zakken alle inwoners letterlijk door hun knieën nadat de bus is vertrokken. Prompt daalt het inwonertal van Smalltown tot nog geen 99 zielen. Smalltown krimpt. Los Angeles komt nu in beeld. LA is de grote stad met de filmstudio’s, waaronder die van de Muppets, de stad waar alles mogelijk is, maar waar het oude studioterrein niettemin op instorten staat. De tijd van de Muppets lijkt voorgoed voorbij. Een rijke kapitalist, Chris Cooper, is zelfs van plan het voormalige studioterrein op te kopen, zogenaamd om er een Muppetmuseum te bouwen, maar in werkelijkheid blijkt hij alles te willen slopen om er naar olie te boren. Kermit woont teruggetrokken in een villa in Bel Air; zijn hippievrienden zijn afgezwaaid, de meesten aan lager wal geraakt, alleen Miss Piggy maakt furore in Parijs. Wauw, Parijs!!

Walter blijkt een joch uit de provincie, keurig netjes, middenklasse. In het grote Los Angeles ontmoet hij al zijn helden die hij bewondert, maar waar hij niet kan aan tippen. Hij voelt zich erg gewoon. Tenmidden van zijn onaangepaste helden gaat hij op zoek naar zijn verborgen talent. Want daar gaat de stad immers over: talent benutten, carrière maken, jezelf zijn. Tussen al die extraverte stadse types valt dat lang niet mee. Het hilarische slot van de film wordt ingeluid wanneer Walter de laatste twee minuten van de Muppet Show moet vullen; iets wat hij eerst niet denkt te kunnen, maar wat hij ten slotte toch doet door virtuoos op zijn mond te fluiten. Met getuite lippen weet hij het verwende publiek van Los Angeles voor zich te winnen. Onnavolgbaar, hilarisch, amusant. Na zijn act wordt hij tot zijn stomme verbazing opgenomen in de grootstedelijke meute van de Muppets. Hij is nu voldoende vreemd en onaangepast om mee te mogen doen. Heerlijk slot, troostrijk inzicht, onverwachte wending. Los Angeles heeft weer een ziel gewonnen, en Smalltown een ziel verloren. Heerlijke illustratie van het ‘voorstadgevoel’.

Tagged with:
 

In dienst van de dingen

On 31 januari 2012, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 28 december 2011:

We hadden het er laatst nog over. Waarom we toch zoveel spullen hebben en of we ons niet van veel van die spullen moeten ontdoen. Judith de Leeuw is filmmaakster. In ‘Overal spullen’ filmt ze de relatie tussen mensen en hun spullen en stelt ze de vraag waarom we altijd maar meer spullen willen. Huize De Leeuw telt 15.734 spullen; het is de slotsom van een telling die De Leeuw begon in een loods waar ze haar inboedel naartoe transporteerde om de telactie te doen. “Aanvankelijk stapelt ze alles op in haar huis aan het Amsterdamse Singel, tot ze beseft dat ze, als ze alles wil uitstallen, acht keer de oppervlakte van haar huis nodig heeft.” Ze telt ze niet alleen, maar ze stickert en categoriseert ze ook nog. Ze wil haar spullen ‘managen’, “omdat ze het gevoel heeft dat ze als een wild beest op haar afkomen.” Nog zo’n herkenbare observatie: “Dat mijn zoon, toen hij net geboren was, al zoveel spullen had dat ze twintig keer zijn lichaamsoppervlakte in beslag namen.” Spullen, zegt De leeuw, zijn eigenlijk bedoeld om het leven makkelijker te maken. Maar we hebben tegenwoordig zoveel spullen in huis, dat de spullen ons de baas zijn, dat wij in dienst staan van de dingen.

Woningen staan tegenwoordig vol met spullen; zolders, kelders, kasten, schuren, garages, ze zijn er vaak helemaal mee volgestouwd. De woningbouwproductie lijkt ook niet meer van overheidswege aangewakkerd om mensen aan een dak boven hun hoofd te helpen, maar om de consumptie van goederen in en rond de woning verder op te voeren. Zo stimuleren we de economie. In ‘The Great Reset’ (2010) rekent de Amerikaanse econoom Richard Florida onze nieuwe omgang met spullen tot de kern van een nieuwe, meer duurzame leefwijze na de crisis. Zijn creatieve economie wordt gekenmerkt door de overgang van overwegend goederenproductie, ontaardend in ‘conspicious consumption’, naar een dominante dienstverlening. Stort de economie in elkaar als we voortaan minder spullen zouden kopen? Nee, natuurlijk niet. We zullen juist meer diensten gaan kopen. We kopen dan meer onderwijs, kunst, cultuur en beleving. Dat type werk heeft ook meer betekenis voor ons dan de seriematige productie van apparaten. Florida: “We have to move forward from this starting point to make service jobs even more innovative, more productive, and higher paying. We cannot stop until they pay better and afford a better way of life than manufacturing jobs did for a couple of previous generations.” En het mooie is, werken in de dienstverlening is lokaal en lastig uit te besteden. “These kind of jobs are among the most firmly rooted in specific places.” Steden kunnen er dus stevig van profiteren. Het enige wat we moeten doen is ons huishoudgeld anders besteden en de perverse prikkels uit onze economie halen die ons aanzetten tot de aanschaf van altijd maar meer goederen, woningen en auto’s. Judith de Leeuw ging ons al voor. Als we de spullen niet meer kunnen managen, zegt ze, dan is het misschien tijd geworden om te denken: jezus, waarom doen we dit eigenlijk?

Tagged with:
 

Oscar voor een metropool

On 24 februari 2009, in film, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 16 januari 2009:

Afgelopen nacht sleepte de film Slumdog Millionaire liefst acht Oscars in de wacht. Regisseur Danny Boyle was blij. Ik ook. Want de filmprijzen zijn uiteindelijk, dit keer, nou eens niet voor de sterretjes, maar voor een metropool: Mumbai. Niet dat ik dat verzin. Coen van Zwol citeert Boyle ten tijde van het Rotterdamse filmfestival in NRC Handelsblad, wanneer deze zegt dat Mumbai de echte ster van Slumdog Millionaire is. ‘Een stad van extreem geweld, zoals bij de recente aanslagen van moslimterroristen op het Taj Mahal Palace en het Chhatrapati Shivaji-station, waar de romantische scenes werden opgenomen. Maar ook Bollywood, de hoofdstad van de Hindifilm, en een metropool in de greep van onstuimige groei.” Boyle bewondert de metropool. Hij bewondert vooral de ongelooflijke energie. Een groot deel van de film speelt zich af in de sloppenwijken. "De sloppen: je verwacht abjecte armoede en wordt daarin niet teleurgesteld. Schokkend, iedereen schijt gewoon in de goot. Geen toiletten, een paar uur warm water per dag, stroom die overal met bossen kabels wordt gestolen. Maar het is ook een bruisende gemeenschap vol levenslust, iedereen handelt wel in iets. Je verveelt je nooit, al is er niets te doen."

Natuurlijk ziet hij de armoede, maar met een analytische blik, zegt hij, kom je niet ver. "Mumbai is een kapitalistische stad, zakendoen is er even belangrijk als dansen, en dat wil wat zeggen." En, voegt hij daaraan toe, het is een stad van dromen. "Dat zie je alleen als je openstaat voor de realiteit".

Mooie woordspeling.

Tagged with:
 

I’m not there II

On 16 februari 2008, in film, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 januari 2008:

In dezelfde krant, op dezelfde pagina, als waarin Jos van der Burg de nieuwste film van Todd Haynes over Bob Dylan recenseert, schrijft columnist Theodor Holman over een toevallige ontmoeting van hem in New York een jaar geleden met een van de acteurs uit de film, Heath Ledger. Deze Heath Ledger blijkt een dag tevoren, dus op 22 januari 2008, te zijn overleden in zijn New Yorkse appartement, dus kort na de première van de Bob Dylan-film I’m not there. "Ledger werd naakt en omringd door pillen aangetroffen in een bed in de woning van actrice Mary-Kate Olsen." Uit de column van Holman valt te lezen dat het hem achteraf niet verbaast. "Hij straalde geen levenslust uit, eerder een vorm van berustende volwassenheid. Van achteren leek hij zeker vijftig, vijfenvijftig jaar." In werkelijkheid was Ledger op dat moment zevenentwintig jaar oud. Holman en vrienden nodigden de acteur mee uit eten. Hij bedankte. En wat zei Ledger tegen Holman op straat? "Doe de groeten aan Amsterdam van mij." Dat heeft Holman nooit gedaan. Hij vond het een opmerking van niks, schrijft hij achteraf.

Laat ik het dan maar doen. Amsterdam, je krijgt alsnog de groeten van Heath Ledger, je weet wel, een van de acteurs uit Brokeback mountain en I’m not there. De man die nu dood is.

Tagged with:
 

I’m not there

On 4 februari 2008, in film, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 januari 2008:

Regisseur Todd Haynes komt aan het woord in Het Parool. Het gaat over zijn nieuwste film, over Bob Dylan, vertoond tijdens het Rotterdams Filmfestival. Haynes vertelt in het interview over zijn verhuizing in 2000 van New York naar Portland, Oregon. Waarom als regisseur weg uit New York? Persoonlijke redenen en onvrede met New York, antwoordt hij. Al zijn energie had hij in zijn toenmalige filmproject, Velvet goldmine, gestoken. Hij had geen relatie, geen appartement, niets. Hij voelde zich uitgewrongen. "Maar ook speelde mee dat New York niet meer de stad was die ik in 1985 aantrof toen ik er kwam wonen. Burgemeester Giuliani had de stad schoongemaakt, maar ik voelde me er niet meer thuis." Hij werd verliefd op "de kleinschalige schoonheid en integriteit van Portland."

Ziedaar een ontboezeming die weer eens het belang aantoont van stad, plek en sfeer en de grillige match met de persoonlijke gemoedstoestand van de kunstenaar/creatieve geest. Steden trekken talent aan en stoten talent af. I’m not there.

Niet te netjes worden, Amsterdam.

Tagged with: