Etruskische lessen

On 22 december 2011, in cultuur, geschiedenis, by Zef Hemel

Gezien in het Allard Pierson Museum te Amsterdam:

In het Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam ging ik deze week de Etrusken bewonderen. Het betreft het ene deel van de dubbeltentoonstelling ‘Vrouwen met aanzien, mannen met macht.’ Het andere deel is in Leiden te zien. Intrigerend materiaal van een oud volk in het hart van Italië, in Toscane tussen Florence en Rome. Ik zag een grafkamer in een necropolis en het gereconstrueerd dak van een huis, en verder heel veel spullen. Van Etruskische steden echter geen spoor. Wel repte de introductiefilm over steden, of eigenlijk over een vereniging van Etruskische stadstaten. Maar het commentaar luidde dat dit losse verbond van steden, vaak op rotsen gebouwd, te zwak was om echt macht uit te oefenen, alsof macht gelijk staat met grote cultuur. De hoogstaande Etruskische beschaving werd vooral toegeschreven aan de zeevaart en de handel, niet aan de steden zelf. Waarom toch altijd die zeevaart? Waarom die nadruk op handel? Vreemd.

Je hoeft ‘The Economy of Cities’ (1969) van Jane Jacobs er maar op na te slaan om te beseffen dat juist de Etruskische steden de bron waren van alle welvaart en hoogstaande cultuur. “When Rome was still only an in consequential little settlement occupied by herdsmen (who were possibly also raiders) on a hill protected by ravines – the hill that was to become the Palatine – looking across at another hill occupied by the Sabines, the Etruscans had a dozen flourishing cities in Etruria to the north.” De drie oudste steden lagen aan de kust, de jongere – negen stuks – landinwaarts. Deze steden, aldus Jacobs, waren de eerste afzetmarkten van Rome. Hoe waren ze dat geworden? Door importvervanging. Zeker, ze hadden het kostbare metaal eerst moeten invoeren uit steden als Urartu in Klein-Azië, en dat is handel, maar al snel waren ze het metaal zelf gaan maken, met ertsen die ze aantroffen in de buurt van hun steden. “When the Etruscans shifted imports, their cities must have become expanding markets for materials they had previously bought either in much lesser amounts or not at all.” In de tentoonstelling was dit fraai te zien; ergens stond een amfora, maar die bleek Grieks, niet Etruskisch! En inderdaad, eens in de periferie van het Etruskische stedenstelsel groeide stilletjes Rome. Het stadje importeerde nog spullen uit Etrurië. De stad zou uiteindelijk de Etruskische steden gaan overvleugelen. Waarom? Niet vanwege macht of handel. Nee, omdat ook Rome uiteindelijk beter bleek in de kunst van importvervanging.

Tagged with:
 

Met dank aan New York

On 21 december 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 11 januari 2011:

Afgelopen jaar bestond Samsonite precies honderd jaar. Het Amerikaanse bedrijf vierde zijn eeuwfeest met de uitgave van een goudkleurige Cosmopolite-koffer. Ik las een korte bedrijfsgeschiedenis in Het Parool eerder dit jaar en op de website FundingUniverse staat over het bedrijf meer te lezen. Opnieuw een mooi voorbeeld van hoe intens een bedrijf met steden is verweven. Samsonite werd door de 28-jarige Jesse Schwayder opgericht in Denver, Colorado. Zijn eerste koffers waren van hout, zijn bedrijf was niet meer dan een buurtwinkel, een ruimte van 50 bij 150 voet die hij huurde in de binnenstad. Het vak had Schwayder geleerd in New York, waar hij had gewerkt bij de Seward Trunk and Bag Company. Een kwestie van kopiëren dus. Maar Schwayder deed het net even anders dan hij had geleerd in New York: “He realized that he was facing stiff competition from deep-pocketed luggage manufacturers. So, rather than trying to compete with other luggage companies on price, he would differentiate his products by quality and charge as high a price as the market would bear.” Zijn eerste koffer noemde hij ‘Samson’, vernoemd naar de sterke Bijbelse figuur. Zijn afzetmarkt was toen nog lokaal. Acht jaar later veroverde hij de stedelijke markten aan de oostkust van de VS. Voor het eerst stonden zijn koffers te koop in Macy’s, New York. In 1924 opende hij een hypermoderne fabriek in Zuid-Denver. Koffers werden er nu geproduceerd aan de lopende band. Tijdens de Grote Depressie daalde echter de omzet en schakelde de fabriek over op de productie van kentekenplaten, voederbakken voor honden enzovoort. Samsonite werd later, in de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog, zelfs ingeschakeld voor de wapenindustrie. Desondanks bleef Schwayder zijn kofferproducten innoveren. Synthetische materialen deden nu hun intrede. Specialiseren was het motto – het bedrijf maakte bijvoorbeeld koffers voor muziekinstrumenten. Vanaf 1956 ging het zijn producten exporteren naar Europa, Canada en Japan. De eerste Europese fabriek werd in 1966 gevestigd in Oudenaarde, België. In 1965 kreeg het bedrijf zijn naam: Samsonite. Het verkocht en produceerde nu ook LEGO. In de jaren ‘70 ging het naar de beurs, het was een multinational geworden: “it had 1,000 locations around the world, 8,000 different products, more than 65,000 employees.”

Ziedaar hoe Samsonite de wereld veroverde vanuit Denver, Colorado. Met dank aan New York. Jane Jacobs schreef erover in ‘The Economy of Cities’ (1969): “New cities do not arise by spontaneous generation. The spark of city economic life is passed on from older cities to younger.” Zo was het ook met New York zelf. “New York, far from having sprung from the Erie Canal (a mere artifact of New York), is more likely the great-great-great-great-grandcity of Urartu, say, by a descent that traces back through London, Venice, Constantinople, Rome, and Vetulonia or Tarquinii, oldest of the Etruscan cities.” Het jonge Denver, een stad nu even groot als Rotterdam, is dus dank verschuldigd aan New York. En misschien wel aan meer steden in de wereld. Zouden de oude Etruskische steden ook koffers hebben geproduceerd?

Tagged with:
 

Ralph Flanders

On 22 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Terug naar Boston. Nogmaals de vraag: waardoor presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Eerder meldde ik dat Ed Glaeser in zijn magistrale ‘Triumph of the City’ de aanwezigheid, van oudsher, van universiteiten en kennisinstellingen in Boston verklaarde uit de studie van de bijbel door de protestantse kolonisten. Zo ontwikkelde zich aan de kust van Massachusetts een traditie van leren, studeren en investeren in menselijk kapitaal. De afwezigheid van grondstoffen en de gelijkenis van de producten die de stad maakte met die welke het moederland produceerde, hielpen mee in deze langjarige stedelijke oriëntatie. Glaeser stelt vast dat Boston in de twintigste eeuw wegkwijnde toen de industrialisatie niet om kennis bleek te vragen, maar om grondstoffen, transport en goedkope arbeidskrachten. Sinds kennis, talent en innovatie wèl weer bepalend zijn voor economisch succes, kan Boston’s economie vanaf de jaren zeventig weer groeien. Wat heet, Boston doet het op dit moment tien keer beter dan Amsterdam.

Jane Jacobs schrijft de opleving van Boston toe aan de persoon van Ralph Flanders. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ gebruikt de Amerikaanse urbaniste de figuur van Flanders om duidelijk te maken hoe belangrijk het is om voor een stad de juiste diagnose te stellen. Alle diagnoses voor de ziekte van Boston waren destijds verkeerd geweest. Ralph Flanders echter wist het wèl: Boston kwijnde weg omdat de stad te weinig kleine bedrijfjes voortbracht. Er was weliswaar veel talent in de stad, maar de afgestudeerden gingen allemaal werken bij Du Pont en Eastman Kodak. Flanders overtuigde een aantal gefortuneerde stedelingen ervan om een fonds te vormen waaruit kleine bedrijfjes in Boston startkapitaal konden lenen. De eerste venture capitalists deden zo hun intrede. Flanders deed wat elke stad tegenwoordig zou moeten doen: eigen talent vasthouden en met kleine leningen op weg helpen. ”Upon this base, upon its many subsequent ramifications and breakaways, and upon the multiplying suppliers of materials, instruments, tools and services that served the new enterprises and thus were supported by them and by one another, the Boston regional economy was stunningly rejuvenated.” Dus wat Amsterdam zou moeten doen? Afstappen van alle gateway-verhalen, daarentegen investeren in het opkweken van heel veel nieuwe, kleine, lokale bedrijfjes.

Tagged with:
 

Deadly interplay

On 15 september 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 12 september 2011:

De Volkskrant becijferde afgelopen week de totale kosten die de Verenigde Staten maken voor de aanslag op de Twin Towers in New York, nu tien jaar geleden. Het blijkt om ruim drieduizend miljard dollar te gaan. Aan gebouwen en mensenlevens is de USA 55 miljard dollar kwijt, aan de economische gevolgen 123 miljard dollar, aan de oorlogen in Irak en Afghanistan 1649 miljard dollar, aan veteranenzorg nog eens 589 miljard en aan toekomstige oorlogsvoering 277 miljard. Kan een land, ook al is het groot en machtig, zulke gigantische kosten dragen?

Opnieuw moest ik denken aan het werk van de onlangs overleden Jane Jacobs. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) schreef deze wijze Amerikaanse urbaniste over waarom regeringen van landen en hun economen zo weinig van economie begrijpen. Kern van haar betoog is: economen gaan uit van de natie-staat, terwijl de werkelijke economische eenheden de stedelijke regio’s zijn. Een land is niet anders dan een optelsom van steden. Landen hebben zelfs de neiging om hun steden op te eten. Door hun machtspolitiek organiseren zij telkens weer ‘transactions of decline’, dat wil zeggen, zij heffen belastingen op steden die de werkelijke welvaartsmachines zijn, maar investeren dat geld elders: in het platteland, in defensie, in mainports, in subsidies en pensioenen. In de Sovjet Unie heeft dit afromen van steden catastrofaal uitgepakt. Voor Amerika dreigt hetzelfde te gebeuren, evenals in Europa. “The United States, for its part, has been milking its cities and city regions even more prodigiously, a feat possible because, being more numerous, more highly developed and richer, American cities have had more to yield than Soviet cities.” Dat pakt vroeger of later desastreus uit. Volgens Jacobs is dit ook de belangrijkste reden dat landen en imperia uiteindelijk bezwijken. “Unfortunately, given the deadly interplay between nations and their cities, we human beings are doomed to spurts of economic development only – sporadically and relatively brief episodes, now here, now there, followed by stagnation and deterioration.” De drieduizend miljard dollar zijn, kortom, onttrokken aan de Amerikaanse steden. Knap als ze dat weten te overleven.

Tagged with:
 

Buurten omkatten

On 23 juli 2011, in stadsvernieuwing, stedenbouw, wonen, by Zef Hemel

Gezien in Amsterdam-West op 21 juli 2011:

Vandaag begin van de vakantie. Vier weken zonder blog. Dat wordt lastig. Op de valreep maakte ik nog een excursie door Amsterdam Nieuw-West. Wijkaanpak in de praktijk, opbouwwerk en stedenbouw met elkaar verenigd, maar ook: stilgevallen herstructurering. We bezochten wijk 5 in Slotermeer, we bleken in de voetsporen te treden van de wethouder Wonen, die ons nog niet zo lang geleden was voorgegaan. Wat me vooral opviel was de stilte op straat, het gebrek aan stadsleven, de verlaten sfeer. De onder handen genomen Burgemeester Roellstraat leek, geheel ontdaan van zijn hoge populieren, op een Atlantic Wall, de Burgemeester van Leeuwenlaan met zijn elegante winkelplint was uitgestorven, het nieuwe Confusiusplein, op wat voetballertjes na, oogde vernieuwd maar was compleet verlaten. Verrassend mooi oogde het oude laagbouwbuurtje ten zuiden van de Socratesstraat, de ruimtelijke werking van de haakjes rijtjeswoningen was ronduit overrompelend. Deze wederopbouwpanden bleken echter slecht onderhouden, ze schreeuwden om een grondige opknapbeurt. Elders was stevig gesloopt, maar door de stilgevallen productie gaapten hier nu grote gaten. Met bakken aarde waren daar nu wat groentetuintjes gefabriceerd. Ondertussen spraken we met de mensen van de woningcorporatie over self esteem van de bewoners. Hier waarde onmiskenbaar het spook van de stadsvernieuwing. Kun je dit soort buurten, verwikkeld in grootschalige omkatprocessen, met opbouwwerk aan de praat houden? Met groeiende twijfel sloeg ik het gade.

‘s Avonds stuitte ik via Twitter op een filmpje op SustainableCitiesCollective, gedateerd 21 juli 2011. http://bit.ly/npP3AX. Was het toeval? Het filmpje gaat over Neighborhoods, Placemaking & Active Living. Het is gemaakt door de Robert Wood Johnson Foundation. Ik kan het filmpje iedereen aanraden, het is bijzonder instructief. Het bevat een interview met de Amerikaanse urbaniste Jane Jacobs. Op hoge leeftijd legt ze nog één keer uit hoe je levendige stadsbuurten moet maken: geen verkeersstraten maar altijd gemengd verkeer, korte blokken, niet alleen wonen, een stevige dichtheid, veel straathoeken, netwerken van mensen, mensen die gezond bewegen, veel ogen op de straat. Zeg maar, stedenbouw en opbouwwerk met elkaar verenigd.

Tagged with:
 

Derde Gouden Eeuw

On 18 juli 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Steden zijn de motoren van de economie. Nog niet zo lang geleden mocht je dat niet zeggen. Nu mag het eindelijk wel. Dat betekent dat steden met hun achterland de feitelijke economische eenheden zijn van waaruit je economisch zou moeten redeneren. Echter, we rekenen vanuit natie-staten. Dat doen we nu al meer dan tweehonderd jaar. Omdat wisselkoersen krachtige feedback informatie geven over economieën, zou elke stedelijke economie eigenlijk over een eigen munteenheid moeten beschikken. Vroeger, vóór de opkomst van de natie-staat, was dat ook zo. Steeg de netto export van een stad, dan rees de wisselkoers; steeg de netto import, dan werd de stedelijke munt goedkoper. Voor Nederland geldt dat de Europese Unie, met zijn centrale bank in Frankfurt, tegenwoordig de wisselkoers bepaalt. De afstand tot de verschillende stedelijke economieën is daardoor groter dan ooit. Boeiend is hoe Jane Jacobs erover schreef, en hoogst actueel om haar betoog te spiegelen aan de huidige situatie rond de euro. “Because currency feedback information is so potent, and because so often the information is not what governments want to hear, nations commonly go to extravagant lengths to try to block off or resist the information. Furthermore, when the information does come through – as sooner or later it always does, no matter what the evasions – the effects can be inappropriate, to say the least, (…)”  Jacobs trekt de vergelijking met een denkbeeldig organisme dat bestaat uit verschillende mensen die vanuit één hersenpan worden aangestuurd. De een suft, terwijl de ander misschien heel hard werkt. De hersenpan middelt alle informatie en zal hierop met één signaal reageren. Helpt het?

Jane Jacobs sprak erover in het Paleis op de Dam in Amsterdam, in 1984. Hare Majesteit ontving, professor Lambooy was gastheer. Ik kan het me nog goed herinneren. Haar boek was toen net verschenen: “Nations are flawed in this way because they are not discrete economic units, although intellectually we pretend that they are and compile statistics abouth them based on that goofy premise. Nations include, among other things in their economic grab bags, differing city economies that need different corrections at given times, and yet all share a currency that gives all of them the same information at the same time.” Met die ene Europese munt van later werd het allemaal nog veel erger. De kranten staan er op dit moment dagelijks vol mee. De EU probeert met alle macht de ene gemeenschappelijke munt te redden. Ondertussen negeert ze de feedback informatie van de wisselkoers die toch al teveel gemiddeld is. Geen wonder dat Europa moeite heeft haar economische prestaties op peil te houden. Tot schade van veel stedelijke economieën. Het Paleis op de Dam waar Jane Jacobs destijds sprak, is eigenlijk een stadhuis. Toen het werd gebouwd was Amsterdam een krachtige stedelijke economie. Een symbolischer plek voor haar boodschap was destijds nauwelijks denkbaar.

Tagged with:
 

Gelezen in Trouw van 5 juli 2011:

In Trouw verscheen afgelopen week een artikel naar aanleiding van de publicatie van een vierdelige studie naar Nederland in de achttiende eeuw. Auteur Paul Brusse en collega’s van de Universiteit Utrecht schrijven over Zeeland met zijn handelssteden Middelburg en Zierikzee. Wat ontdekten ze? Middelburg was destijds even groot als Utrecht (40.000 inwoners). De atmosfeer in de Zeeuwse hoofdstad was echter gesloten, provinciaals, erg naar binnen gekeerd. Op het Zeeuwse platteland daarentegen waren de boeren open, op de buitenwereld gericht. Ze liepen er modieus bij. Uit die tijd stamt de figuur van ‘Zeeuws meisje’. Dat had alles te maken met de hoge graanprijzen en de bloeiende handel in graan op Engeland. Allerminst een Jan Saliegeest dus. Trouw concludeert: “Dat nuanceert ook het gangbare perspectief op de stad als exclusieve motor van welvaart en moderniteit. Als de ontwikkeling in de steden stokt, kan die op het platteland nog heel wel doorgaan.”

Jammer dat de journalist in kwestie niet verder heeft gekeken dan haar neus lang is. De hoge graanprijzen werden veroorzaakt door de onstuimige verstedelijking in Groot-Brittannië in de loop van de achttiende eeuw. De welvaart en openheid op het Zeeuwse platteland was hiervan rechtstreeks een afgeleide. Sterker, alle landbouwinnovaties in de de achttiende eeuw vonden hun oorsprong in de Engelse industriële steden. Zij waren de motor van economische groei. De Zeeuwse boeren profiteerden ervan. Dat ze daar in Middelburg zaten te pitten en dat ook Amsterdam en Utrecht niet meededen, is wel degelijk een staaltje van Jan Salie. Lees Jane Jacobs’ ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984). Streken als Zeeland in de 18e eeuw noemt ze supply regions. “They are disproportionally shaped by the markets of distant cities.” Ze noemt dergelijke regio’s ‘stunted‘ en ‘stultified‘: kunstmatig en een beetje bespottelijk. Die regio’s konden arm of rijk zijn en zich modern gedragen, gemeenschappelijk hadden ze de eenzijdigheid van hun regionale economie. In het geval van Zeeland leunden ze eenzijdig op graan. Toen de graanprijzen daalden, viel het Zeeuwse land terug in lethargie. Dus hoezo motor van welvaart en moderniteit? Opmerkelijk dat dit artikel in Trouw hardnekkig getuigt van een provinciaalse blik. Beperkt, nationaal, regionaal, een beetje Jan Salie.

Tagged with:
 

‘In de wereld zijn’

On 27 juni 2011, in filosofie, Geen categorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Utopie van de Vrije Markt’ (2010) van Hans Achterhuis:

De Duitse Hannah Ahrend en de Russische Alissa Rosenbaum alias Ayn Rand werden kort na elkaar geboren: de eerste in 1906, de tweede in 1905. Beide vrouwen hadden een joodse achtergrond, beiden vluchtten naar New York, de eerste in 1933 via Frankrijk, de tweede in 1926 via Chicago en Los Angeles. Vluchtte de eerste vanwege de opkomst van de nazi’s, de tweede verliet haar vaderland vanwege het communistische regime. Beiden vrouwen schreven vervolgens over vrijheid van het individu en gebruikten hun geliefde New York als inspiratiebron. Hannah Ahrend stierf in 1975, Ayn Rand in 1982.

Een derde vrouw die in diezelfde tijd New York gebruikte als achtergrond van haar boeken, was Jane Jacobs. Geboren in 1916 in Scranton, Pennsylvania, vluchtte ook zij begin jaren dertig naar New York. Vrijwel tegelijk met Rand en Ahrend kwam ze daar aan. Geen communisten of nazi’s die haar achtervolgden – ze had ook geen joodse achtergrond – maar armoede en werkloosheid. Ook zij schreef daarna boeken over de vrijheid van mensen. Drie filosofisch geschoolde vrouwen, drie tijdgenoten, drie New Yorkers, drie migranten. In het objectivisme van Rand is het volgen van hun eigenbelang de meest redelijke optie voor mensen en gaat de vrije samenleving ten onder wanneer het individu de behoeften van anderen een rol laat spelen. In het pragmatisme van Jacobs staat de menselijke ervaring voorop en schuilt in kleine, alledaagse verrichtingen de sleutel tot het menselijke kenvermogen. Bij Ahrend is de wereld een ruimte waarin de veelvormigheid van het bestaan tot uitdrukking komt; door bij te dragen aan de veelheid van stemmen kunnen mensen hun hoogste bestemming bereiken. Jacobs en Ahrend geloofden in een radicale vorm van democratie, Ayn Rand volstrekt niet. In de utopische wereld van Rand wordt de wereld gedragen door vrije, hard werkende individuen die elkaar op leven en dood bevechten, voor geld. Je zou er een fraai toneelstuk over kunnen maken: een socratisch gesprek tussen drie vrijheidslievende vrouwen.

Tagged with:
 

Commerciële kunst òf ruimhartig burgerdom

On 19 juni 2011, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Systems of Survival’ (1994) van Jane Jacobs:

Voor morgen uitgenodigd door de Vaste Commissie voor Cultuur van de Tweede Kamer om te komen praten over de voorgenomen bezuinigingen op de kunsten door de regering. Er wordt een statement van mij verwacht. Ter voorbereiding lees ik Systems of Survival van Jane Jacobs. Daarin worden de twee overlevingssystemen van de mensheid aan elkaar gespiegeld: het private en het publieke (commercial syndrome resp. guardian syndrome). De waarden van het private syndroom, aldus Jacobs, verschillen geheel van die van het publieke, het verschil komt neer op: geen macht uitoefenen versus geen handel drijven of winst maken, eerlijk zijn versus gehoorzaam zijn, concurreren versus loyaal zijn, optimistisch zijn versus fatalistisch zijn, innovatief zijn versus zich schikken in de traditie, contracten respecteren versus wraak nemen, enzovoort. Het private systeem heeft natuurlijk de voorkeur van de Amerikaanse activiste, maar in de loop van haar onderzoek komt ze tot de ontdekking dat het publieke minstens zo belangrijk is. Beide heb je nodig. Domineert het publieke teveel, dan krijg je staatssocialisme, domineert het private, dan krijg je maffiose praktijken. De twee systemen moeten elkaar in evenwicht houden.

Kunst en cultuur, net als sport en vermaak, schaart Jacobs onder het waardensysteem van het publieke. De waarde waar het om gaat duidt ze aan als “make rich use of leisure”. Terwijl ondernemers hard werken voorop stellen (‘de hard werkende Nederlander’) en de kunsten zien als nutteloos en overbodig, viert de overheid juist het vermaak en vertier, het spel en de cultuur. Denk aan de riddertijd met haar poëzie, zang en dans, en de aristocratische traditie waarin burgers zich als amateurs trachten te bekwamen in sport, muziek en spel, zonder winstbejag. “Think about royal and aristocratic patronage of artists, musicians, writers, opera, and theater, continued by many democratic governments today.” Al deze voorbeelden laten zien dat de overheid de kunsten altijd actief heeft beschermd en kunstenaars heeft vrijgesteld om juist niet hard te hoeven werken. Hierdoor begrijp je ook, aldus Jacobs, dat commerciële kunst met de nek wordt aangekeken en dat de sympathie uitgaat naar de amateursport, niet naar commerciële sport. Hoe kan het dan dat we de laatste tijd vaak horen dat kunst en cultuur economische activiteiten zijn die zich zonder subsidie moeten zien te bedruipen en zelfs geld moeten genereren, en dat zelfs kunstenaars keer op keer beklemtonen dat ze wel degelijk heel hard werken? “The sour doctrine that idleness is a playground for the devil belongs to the commerical syndrome with its esteem for industriousness.” Wie het publieke met het commerciële verwart, dreigt een grote fout te maken. Was het niet de Duitse filosoof Peter Sloterdijk die onlangs in de Vrijstaat Amsterdam voor ‘ruimhartig burgerdom’ pleitte? “De theorie van de stad, zowel de historische als de toekomstige, – en eo ipso de theorie van de democratie – kan alleen worden gebaseerd op het bewijs van de mogelijkheid van ‘liberaal’, dat wil zeggen vrijmoedig en ruimhartig gedrag.” Ruimhartigheid, dat is wat je van de politiek toch zou mogen verwachten.

Tagged with:
 

Hardnekkig misverstand

On 17 juni 2011, in economie, geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 maart 2011:

Genetici en antropologen van Stanford University en van San Francisco hebben onlangs uit DNA van 425 mensen, verspreid levend over Europa, achterhaald waar hun oermoeder moet hebben geleefd en hoe groot de populatie was waarin deze leefde. Opzienbarend onderzoek, maar niet opzienbarend in de uitkomsten. Ze publiceerden het afgelopen maart. In NRC stond een kort toelichtend artikel. Daarin lees ik dat het onderzoek eerdere hypothesen bevestigt die stellen dat er drie brongebieden waren vanwaaruit de landbouw zich over de wereld verspreidde: het Nabije Oosten, China en Midden-Amerika. “Tot zo’n 12.000 jaar geleden leefde iedereen van jagen en voedsel verzamelen. Na die tijd begint de mens op verschillende plaatsen tegelijkertijd met de teelt van gewassen en vee.” Dit ontketende de eerste grote bevolkingsexpansie. Boven het artikel staat de kop ‘Met de boer begon de expansie’. Op zichzelf is dat juist, al had de kop beter kunnen luiden: ‘Met de stad begon de expansie’. De boer is namelijk een uitvinding van de stad. Want waren het wel jagers en vissers die de grote innovatie van de sedentaire landbouw uitvonden? Het artikel doet voorkomen van wel: “Namen jagers-verzamelaars landbouwinnovaties, zoals veeteelt, het wonen in dorpen en het gebruik van aardewerk en geslepen bijlen over? Of werden zij overspoeld door succesvolle landbouwers?” Er zijn aanwijzingen dat het veeleer steden waren die zorgden voor verspreiding. De drie brongebieden zijn namelijk alle drie gebieden waar de sporen van de oudste steden ter wereld zijn aangetroffen.

Het is een hardnekkig misverstand. Iedereen denkt dat steden zich pas vormden na de uitvinding van de landbouw. Het is andersom. Ver voordat de landbouw werd uitgevonden, schreef Jane Jacobs reeds in 1969, leefden mensen al in dorpen bijeen. Ook werd er al handel gedreven tussen deze dorpen van jagers-verzamelaars, dikwijls ook over grote afstanden. Dus hoe kon landbouw ontstaan als al deze zaken allang aanwezig waren? Dat kon eigenlijk alleen maar doordat er zich steden vormden die landbouwtechnieken ontwikkelden. Met die nieuwe technieken konden ze hun ommeland bewerken, de voedselproductie opvoeren, meer handel drijven en zelf verder groeien. Jacobs in The Economy of Cities (1969): “The idea that agriculture itself may have originated in cities, the thought to which I have been leading, may seem radical and disturbing. And yet even in our own time, agricultural practices do emerge from cities.” Waarna Jacobs concludeert: “Rural production is literally the creation of city consumption. That is to say, city economies invent the things that are to become city imports from the rural world, and then they reinvent the rural world so it can supply those imports. This, as far as I can see, is the only way in which rural economies develop at all, the dogma of agricultural primacy notwithstanding.” Daarmee is ook de puzzel van de verspreiding van de vroegste landbouwinnovaties opgelost: niet succesvolle landbouwers of jagers-verzamelaars waren daarvoor verantwoordelijk, maar succesvolle steden.

Tagged with: