Gelezen in The Japan Times van 23 juli 2017:

Gerelateerde afbeelding

Als deelnemer van de denktank Archizorg bezocht ik onlangs Barcelona. Met vijftien vertegenwoordigers uit de hele zorgketen uit Nederland bespraken we vier dagen lang de toekomst van de zorg vanuit het perspectief van de snel ouder wordende bevolking. Iedereen heeft het over de betaalbaarheid van de zorg die onder druk zou komen te staan, anderen geloven dat ‘handen aan het bed’ een groot probleem zal worden, sommigen geloven in ‘e-health’ als oplossing, hoe dan ook zullen ouderen zo lang mogelijk op zichzelf moeten blijven wonen. Mijn bijdrage bestond uit de ambitie om van Nederland een ‘Blue Zone’ te maken: een plek op aarde waar mensen op natuurlijk wijze gezond oud worden. De hele omgeving zal moeten worden ingericht op het voorkomen van ziekte. Kan dat? Het begrip ‘Blue Zone’ is afkomstig van Dan Buettner en gaat over een vijftal plekken op aarde waar mensen een gezonde leefstijl hebben, de juiste voeding tot zich nemen, geen last hebben van stress, niet vereenzamen, veel wandelen en die daardoor zonder al teveel zorg oud tot zeer oud worden. Alle vijf plekken liggen ver buiten stedelijk gebied: Okinawa, Japan, Icaria, Griekenland, Sardinië, Italië, Nikoya, Costa Rica, en Loma Linda, Californië. Kan het stedelijke Nederland een Blue Zone worden? Zo ja, hoe doe je dat?

Als voorbeeld nam ik de stad Toyama in Japan. Toyama telt ruim 420.000 inwoners en ligt op drie uur met de trein vanuit Kyoto. De bevolking is nu al zwaar vergrijsd: 33 procent is ouder dan 60 jaar, 12,5 procent ouder dan 75. In 2045 zal 40 procent van de bevolking ouder zijn dan 60. In 2005 trad een nieuwe burgemeester aan die Toyama levensloopbestendig wilde maken. Het betekende niet minder dan een compleet herontwerp. In de eerste plaats diende de auto een veel minder prominente plek in de stad te krijgen. Oudere mensen gebruiken het openbaar vervoer, dus zette de burgemeester in op bussen en trams en eiste hij dat dicht bij de bus- en tramhaltes veel meer appartementen gebouwd zouden worden. Ook in de openbare ruimte wordt meer nadruk op wandelen gelegd. Afstanden tussen woningen, winkels en voorzieningen worden verkleind. De nadruk ligt op het bouwen in het stadscentrum: in 2021 moet 45 procent van de bevolking boven de winkels wonen. Buiten het centrum komen tuinen waar ouderen bloemen en groenten verbouwen. “In developing a city plan for the elderly, we emphasized a city that would encourage them to get out. A city that contains nothing but unhealthy elderly residents faces high medical and health care costs, creating a sense of burden for younger residents. The point was to create a place where they could walk and have opportunities to meet people rather than just stay at home because they don’t drive.” Door alle maatregelen neemt de CO2-uitstoot van Toyama ook nog eens drastisch af. 

Tagged with:
 

Olympische tuinbazen

On 9 juni 2018, in geschiedenis, by Zef Hemel

 

Gehoord in het Amstelpark te Amsterdam op 7 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor olympische spelen amsterdam

 

Erik de Jong is hoogleraar Cultuur, landschap en natuur (Artis-leerstoel) aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen week sprak hij over de tuinen van Kyoto, Japan, in de Oranjerie van het Amstelpark op een zonovergoten donderdagochtend. Zijn gehoor: de honderdvijftig tuinmannen van Amsterdam, ook wel ‘tuinbazen’ genoemd. Na veertig jaren waren ze herenigd in één afdeling ‘Groen, Flora en Fauna’ van een op te richten dienst ‘Stadswerken’. Ze kwamen bij elkaar om te praten over hun werk in het licht van de toekomst van de stad en de rol daarin van het groen. Ketter & Co, het bureau van kunstenaar Irene Fortuyn, had het dagprogramma samengesteld. In de wandelgangen sprak ik De Jong over Japan, hij vertelde me over de sterke Amerikaanse invloed op de naoorlogse Japanse samenleving, de vreemde mix van westerse en oosterse culturen die dit had opgeleverd, de verspillende wegwerpmaatschappij en de problemen van het plastic afval die hierdoor nergens zo groot zijn als in Japan, de enorme invloed van de kernramp bij Fukushima op de Japanse politieke agenda, en zo kwamen we ook op de Olympische Spelen van 2020 die in hoofdstad Tokio zullen worden gehouden. De historicus De Jong herinnerde aan de geweldige impact die de Spelen in 1964 op de Japanse metropool hebben gehad. Hij hoopte op een soortgelijke impact in 2020, op niet minder dan een ommekeer in het verspillende denken van het snel verouderende Japan. Door de Olympische Spelen, vond De Jong, moest Japan terugkeren naar zijn culturele wortels.

Dit bracht ons bij de impact die de Olympische Spelen van 1928 op Amsterdam moeten hebben gehad. Uiteraard riep De Jong de voltooiing van het plan van H.P. Berlage voor Amsterdam-Zuid in herinnering, maar toen ik het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam van 1934 van Cornelis van Eesteren en Theo van Lohuizen een rechtstreeks uitvloeisel noemde van de Spelen van 1928 keek hij me niet begrijpend aan. De motie van Wibaut waarin om de oprichting van een Stedenbouwkundige Dienst voor Amsterdam was gevraagd, lichtte ik toe, was eind 1927 bij de gemeenteraad ingediend. Al jaren was er door het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw gelobbyd voor zo’n goed geoutilleerde dienst, die in de hoofdstad een uitbreidingsplan moest helpen voorbereiden, maar het was er steeds niet van gekomen. Door het elan en het enorme optimisme als gevolg van de Olympische Spelen echter werd de lokale politiek eindelijk vatbaar voor het idee. Nota bene vanuit de oppositiebanken wist raadslid Wibaut het gemeentebestuur in februari 1928 aan te zetten tot de oprichting van een Afdeling Stadsontwikkeling. Vijf jaar later was het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam gereed: een grandioos toekomstplan voor een uiterst moderne metropool van 960.000 inwoners. Parken en plantsoenen vormden daarvan een belangrijk onderdeel. Al die tuinmannen tot wie De Jong zich daar in het Amstelpark richtte, waren in feite een uitvloeisel van die Spelen van 1928.

Tagged with:
 

Hoe de randen van Tokio krimpen

On 8 juni 2017, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ (2010) van Junichiro Okata en Akito Murayama:

Afbeeldingsresultaat voor declining population tokyo

bron: The Asahi Shimbun, January 9, 2012

Afgelopen maand werkbezoek gebracht aan Tokio. Ditmaal om deel te nemen aan een seminar, georganiseerd door Darko Radovic, hoogleraar Architectuur en Stedenbouwkundig Ontwerpen aan Keio University. Radovic had een boeiend programma samengesteld rond twee bijzondere wereldsteden: Amsterdam+Tokio. Beide – hoewel heel verschillend van formaat en karakter – ondervinden de druk van de globalisering en proberen daar lokale antwoorden op te vinden. Sprekers gingen in op die strategische en tactische responsen. Voor Tokio waren dat onder andere Kengo Kuma, Hiroto Kobayashi, Darko Radovic en Jinnai Hidenobu, voor Amsterdam spraken Pieter Klomp, Paul Chorus, Mirjana Milanovic en ikzelf. Voor het gemak vatte ik in mijn lezing Amsterdam op als de Metropool Nederland, waardoor ik een zeer uiteengelegd stedelijk veld van 17 miljoen inwoners kon vergelijken met een compacte, duurzame megastad van 37 miljoen.

Meest opmerkelijke trend in de Aziatische megastad is dat Centraal Tokio sinds 1996 sterk in inwonertal groeit. Dat is decennialang anders geweest. Toen vluchtten gezinnen de stad uit, net als bij ons, naar buiten. Nu is de trend precies omgekeerd. Ditmaal gaat het vooral om eenpersoonshuishoudens die het grootstedelijke centrum opzoeken. Meer dan de helft van de nieuwe woningen betreft hier studio’s en appartementen in nieuwe, dikwijls zeer grote gebouwencomplexen. Het immer rusteloze Tokio verandert opnieuw snel van karakter: overal ziet men ineens torens en schijven verrijzen, terwijl het ‘oude’ Tokio nog werd gekenmerkt door VINEX-achtige structuren van overwegend laagbouw in uitgestrekte buitenwijken. Veel appartementen in het centrum tellen overigens niet meer dan één kamer, mensen schikken hier in, het gemiddelde vloeroppervlak van woningen in Tokio daalt zienderogen. Deze sterke verdichting roept allerlei nieuwe problemen op. Extra capaciteit van het openbaar vervoer is nodig, maar ook mooiere parken en betere fietsvoorzieningen. Ondertussen verdunnen de randen. Daar is de auto aan de winnende hand, die met een nieuwe rondweg door de Japanse staat op haar wenken wordt bediend. In 2020 is de National Capital Region Central Loop Road gereed. In Nederland gebeurt precies hetzelfde: Amsterdam en omgeving groeien en verdichten, terwijl de rest van Nederland verdunt en krimpt. Tokio juicht deze ontwikkeling toe. Bij een ouder wordende bevolking, stelt de stad, past een compacter stedelijk patroon, kleinere woningen, goed openbaar vervoer en uitstekende voorzieningen. Laat de periferie maar krimpen.

Tagged with:
 

Ark van Noach

On 30 januari 2017, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Shogun’s City at the Twenty-First Century’ (1998) door Roman Cybriwsky:

 

Ook Tokio gaat de hoogte in. De grootste stad op aarde (35 miljoen inwoners) ligt in een delta en is in de twintigste eeuw langs spoorlijnen extreem naar buiten uitgedijd, met overwegend lage bebouwing die inmiddels reikt tot aan de voet van de bergen. Op dit moment kruipt echter alles en iedereen weer naar binnen, naar het centrum toe. Inwoners accepteren de lange reistijden niet langer, ze willen dichter bij hun werk wonen. Dan maar minder vierkante meters en flink gestapeld. In Tokio bezochten we Roppongi Hills, een nieuwe typologie van hoogbouw, ontwikkeld door de Mori Building Company in de buurt van de uitgaanswijk Roppongi. Voor Tokio is hoogbouw een relatief nieuw fenomeen. Minoru Mori, de oprichter van Mori, was een van de eersten die torens in de Japanse hoofdstad bouwde: Mori Biru 1  stamt al uit 1955. De zoon van een rijsthandelaar die op hogere leeftijd een zeer succesvol ontwikkelaar werd, heeft inmiddels 80 Mori Biru’s op zijn naam staan, alle in de buurt van Toranomon, de CBD van Tokio. Zijn nieuwste creatie is Roppongi Hills, een enorme toren met een gemengd programma van wonen en werken dat gereedkwam in 2003 in een armere buurt van houten huizen rond een aantal Amerikaanse kazernes. Het masterplan is van de hand van het Amerikaanse Kohn Pedersen Fox Associates.

We gingen kijken en schoten met een lift naar de veertigste verdieping na eerst het dure winkelcentrum aan de voet van de kolos te hebben doorkruist. Kosten noch moeite zijn hier gespaard. Het Mori museum met de privé kunstcollectie van Minuro Mori sloegen we over. Ik moest denken aan het artikel in The Guardian van 18 mei 2015 waarin de 17 jaar worden beschreven die Mori nodig had om de grond onder de toren te verwerven. Vierhonderd grondeigenaren kregen een appartement in de toren aangeboden, slechts 161 accepteerden het aanbod; de rest moest tegen exorbitante prijzen door de ontwikkelaar worden uitgekocht. Een kwart van het complex bestaat nu uit parkachtige semi-openbare ruimte; op alle daken zijn groentetuinen aangelegd – op één dak ligt zelfs een rijstveld (foto); afval wordt hergebruikt, regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, een eigen, op gas gestookte energiecentrale reduceert de uitstoot van emissies met 27 procent, zonnepanelen genereren elektriciteit voor de verlichting. Het gebouw zou gegarandeerd aardbevingsbestendig zijn. Is dit de toekomst van Tokio? Wonen, werken en recreëren in hoogbouw, alles zeer dicht opeengepakt, in grote hoogbouwcomplexen die bijna zelfvoorzienend zijn, die bestand zijn tegen tsunami’s, branden en aardbevingen – onheil dat in de toekomst zeker komen gaat. Roppongi Hills is ontworpen als een Ark van Noach. Helaas alleen voor de happy few. Al onze Hollandse vooroordelen moeten overboord.

Tagged with:
 

Up with the People

On 20 januari 2017, in bestuur, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Japan Restored’ (2015) van Clyde Prestowitz:

Afbeeldingsresultaat voor japan restored clyde prestowitz

Op de terugvlucht van Tokio naar Amsterdam las ik ‘Japan Restored’ van Clyde Prestowitz. Prestowitz is oprichter van de Economic Strategy Institute in Washington DC en adviseert regeringen, vakbonden en multinationals over concurrentiekracht en globalisering. In ‘Japan Restored’ geeft hij zijn visie op de toekomst van Japan en schetst hij hoe deze derde economie van de wereld uit de hardnekkige crisis kan komen waarin deze nu al meer dan twintig jaar verkeert. Zijn stelling: Abenomics is niet genoeg. Abenomics, een economische politiek die vernoemd is naar de Japanse premier Shinzo Abe, staat voor 1. geldcreatie op grote schaal, 2. fiscale stimulansen en massieve infrastructuur-investeringen, 3. deregulering met name van de Japanse landbouwsector. Door al deze maatregelen zou het inflatiecijfer rond de 2 procent uit moeten komen en de Japanse productie substantieel moeten groeien. Prestowitz betwijfelt echter of dergelijke economische maatregelen voldoende zullen zijn. Helemaal op het eind van zijn boek doet hij uit de doeken wat dan wel nodig is om Japan uit het slop te trekken. Dat hoofdstuk heet: ‘Up with the People, Down with the Bureaucrats’. Het gaat over nieuwe vormen van governance.

Tijdens de snelle modernisatie van Japan in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw heeft Japan voor een Frans besturingsmodel gekozen met een sterke hiërarchische en bureaucratische inslag – een centralistisch staatsmodel dat na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse bezetter nog werd versterkt en waarin vrijwel alle beleid vanuit hoofdstad Tokio werd bepaald. Volgens Prestowitz moet het land daar zo snel mogelijk vanaf. Dat gebeurt inmiddels ook. Een Japanse staatscommissie adviseerde onlangs om de steden meer bevoegdheden te geven en vooral meer fiscale en budgettaire ruimte te bieden. Sterker, het land heeft onlangs een complete decentralisatie doorgevoerd. Prestowitz noemt het voorbeeld van Osaka, dat de decentralisatie als het ware heeft afgedwongen door zich niet langer iets van hoofdstad Tokio aan te trekken en dat al sterk van onderop wordt bestuurd, waar innovatie sterk wordt aangewakkerd, waardoor Osaka een stad is geworden die steeds meer de trekken krijgt van een noordelijk Singapore. Met Osaka als gids, verspreidde het virus van decentralisatie zich over heel Japan. Het resultaat is een ingrijpende staatkundige herziening waarbij de 47 provincies onlangs zijn omgevormd tot 15 kantons met elk een eigen gouverneur, eigen fiscaal regime en eigen wetgeving. De angst dat sommige regio’s hierdoor rijker zullen worden dan andere hield de politiek aanvankelijk tegen, maar, aldus Prestowitz, uiteindelijk werd decentralisatie toch geaccepteerd. Het alternatief is namelijk voortdurende stagnatie. Interessant dus, ook voor ons.

Tagged with:
 

Olympic Tokyo

On 18 januari 2017, in participatie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 1 september 2016:

In 2020 worden de Olympische Spelen voor de tweede keer in Tokio gehouden. De eerste keer – ik weet het nog goed – was in 1964, toen Anton Geesink heel verrassend ‘s nachts de finale judo won en ik besloot judo te gaan leren. Destijds stonden de Japanse steden aan de vooravond van een enorme bloeiperiode. Tien jaar later zou het Westen ruw wakker worden geschud door grote Japanse bedrijven en dolf de Europese industrie definitief het onderspit. Tokio was destijds de eerste stad in Azië die van het IOC de Spelen mocht organiseren. Alles leek toen nog jong en nieuw en onbeproefd. Ditmaal is het anders. De Japanse economie doet het al twintig jaar niet meer goed, China is aan een stevige opmars bezig, alles is daar groter, imposanter, nieuwer; de snel vergrijzende Japanse bevolking worstelt met een minderwaardigheidscomplex, zelfs buurland Zuid-Korea presteert beter. De kernramp bij Fukushima in maart 2011, waarbij een kernreactor de vijfendertig miljoen inwoners van Tokio zelfs in gevaar bracht, betekende een gevoelige klap voor het land waar het, aldus architect Kengo Kuma, nog altijd niet overheen is. Kuma vertelde me dat zijn stadion en de Olympische Spelen in het algemeen deze gevoelige imagoschade moeten herstellen en het Westen moeten doen geloven dat Japan opnieuw op het wereldtoneel kan en wil acteren.

Voor Tokio zelf zijn de OS 2020 van belang omdat de stad zijn positie als financieel centrum van Azië dreigt kwijt te raken. Concurrenten als Shanghai en Singapore azen op haar financiële instellingen; ze maken goede kans om de rol van Tokio op het wereldtoneel over te nemen. Tokio is ook geen fraaie stad en sommigen vinden haar zelfs veel te groot. Kengo Kuma moet met zijn stadionontwerp het ongunstige tij doen keren. Zijn schitterende ontwerp sluit aan bij de Japanse traditie, hij bouwt vooral in hout, het stadion komt op de plek van het oude stadion, verrijst dus midden in de stad, maar dan wel als een tempel in het bos. Is zoiets voldoende? Toen las ik  dat het aardbevingsgevoelige Tokio in 2015 door The Economist tot de veiligste stad ter wereld was uitgeroepen, ook omdat direct na de ramp in Fukushima was opgevallen hoe de Japanse bevolking de getroffen regio spontaan te hulp was geschoten. Christian Dimmer van Urban Studies, verbonden aan Tokyo University, schreef daarover: “There is a long tradition of community organisations, non-profits, local governments and neighbourhood associations closely collaborating in disaster risk management and awareness building. Such strong social networks, in turn, have come to be recognised as key to foster community resilience.” Precies hierin schuilt dus een grote mogelijkheid: Tokio kan straks met de OS 2020 de wereld laten zien hoe een reusachtige stad in staat is zichzelf van onderop te organiseren. In deze tumultueuze tijden is dat een belangrijke boodschap aan de hele wereld.

De kunst van het verdichten

On 16 januari 2017, in vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo. The Changing Profile of an Urban Giant’ (1993) van Roman Cybriwsky:

Tokio is niet alleen de allergrootste, maar ook de meest dynamische, ja zelfs de duurzaamste stad van het hele noordelijke én zuidelijke halfrond. In de Japanse hoofdstad is de gemiddelde levensduur van een gebouw amper 26 jaar. Na een kwart eeuw wordt de constructie gewoon weer afgebroken. Ervoor in de plaats verrijst dikwijls een groter, doorgaans hoger gebouw. Reden? De grond onder de Japanse hoofdstad is extreem duur en zonder opstallen is ze veel meer waard dan met gebouwen erop. Overlijdt de eigenaar, dan verkopen de erfgenamen de grond doorgaans door eerst het bouwwerk af te breken om het daarna op de oververhitte grondmarkt aan te bieden. Personen die men jiageya noemt bemiddelen tussen grondeigenaren en projectontwikkelaars; deels zakelijk, desnoods crimineel zetten ze traditionele grondeigenaren onder druk om hun geliefde bezit ten behoeve van nieuwbouw over te dragen. Wie door de straten van Tokio loopt, ziet elke dag nieuwe bouwactiviteiten, vooral in het centrum en langs de stations van de metro en de spoorlijnen. Kleine kavels – gevolg van datzelfde erfrecht – maken de binnenstedelijke dynamiek nog groter. Tokio verdicht voortdurend, terwijl de randen juist verschrompelen. Steeds meer mensen leven er op een kluitje in en rond het grootstedelijke hart. En alles is daar nieuw. Monumentenzorg speelt er hoegenaamd geen rol.

De Nederlandse praktijk is heel anders. Monumentenzorg is bij ons oppermachtig. Grondwaardestijgingen resulteren hier nauwelijks in grotere dynamiek. Hier blijft de fysieke ruimte bijkans totaal bevroren. Liever bouwen wij nieuwe rijtjeswoningen in de maagdelijke polder, op flinke afstand van de gewilde stedelijke kern. Mensen die een woning zoeken moeten daardoor uitwijken naar elders, waardoor de reisafstanden maar blijven groeien. Desondanks krimpen ook bij ons de randen van de stadsgewesten. Mensen schuiven steeds meer op richting grootstedelijke centrum, ook al zit het centrum zelf op slot. Verdichten is een kunst die wij heel slecht verstaan. Liever zingen wij de loftrompet op polynucleaire structuren. De Amerikaanse geograaf Roman Cybriwsky schreef over Tokio dat de druk in en rond het centrum zo hoog is dat mensen bereid zijn hier in minuscule ruimtes te wonen. Een woning kopen is hier ook extreem duur. Voor de meesten zit er niets anders op dan te huren. Hoogbouw rukt nu in de Japanse hoofdstad op. Parken en plantsoenen maken slechts vijf procent uit van het oppervlak van de megastad, autowegen ontbreken bijkans, alles is volgebouwd. Toch voelt het niet als druk. Dat houdt verband met het meer dan uitstekende openbaar vervoer. Vergeleken met Nederland is Tokio duizend keer duurzamer.

Tagged with:
 

Loopy policy

On 21 augustus 2015, in demografie, by Zef Hemel

Read in The Economist of 25 July 2015:

 

Once people start living in cities, the fertility rate of women (a measure of births per woman) drops. This happens no matter where, no matter who, no matter how. A level of 2.1 is required to keep the population stable. In Seoul the fertility rate is just 1.2. In Singapore it is the same. In Japan it is 1.4. These populations are shrinking. Even Turkey (Istanbul!) and Russia (Moscow!) are no longer delivering enough babies to sustain their populations. For a sustainable planet this is great news, but for governments it is worrysome. Migrants are needed to keep de workforce at a certain level and ensure the economy keeps growing. Cities try to attract migrants, but governments try to keep those people out. They prefer births. In The Economist this summer I read an article on ‘Breaking the baby strike’: how governments try to convince their inhabitants to raise more kids. As birth rates decline, more countries are turning pro-natalist. “And the baby-boosting is becoming fervent, even desperate.” It is a dangerous trend that threatens the whole planet.

Some governments even think this justifies becoming anti-urban again. While big cities are saving the world because they make the fertility rate drop, presidents and prime-ministers turn their backs on cities, trying to harm them, even if this means they are damaging the economic engines. “In many countries, fertility is highest in rural areas, middling in small towns and suburbs, and lowest in the cores of large cities.” The Economist gives the example of Japan. “The Japanese government is convinced that big cities are actually causing infertility, and wants to prevent young people from moving to them.” No wonder the Japanese economy is shrinking. For growth you need big cities. The newspaper calls it a ‘loopy’ policy. Nevertheless, it concludes: “It could be that a combination of urban redevelopment and restrictions on housing supply have created streets that are lovely, wealthy, exciting – and childless.” So yes, better build more houses. Enlarge your cities.

Tagged with:
 

Why Nations Fail

On 3 oktober 2014, in demografie, economie, by Zef Hemel

Gelezen in Neue Zürcher Zeitung van 1 oktober 2014:

Wat moet je doen om een economie te laten groeien als de bevolking krimpt? Voor die vraag staat Japan al jaren. Japan gaat Europa voor in de demografische transitie van groei naar krimp en net als Europa en Rusland staat het land voor de vraag hoe het de nationale economie ondanks de krimp toch nog kan laten groeien. Monetaire of andere economische maatregelen helpen niet meer. Ruimtelijke maatregelen werken beter. Wat je zou moeten doen is de krimpende bevolking ruimtelijk concentreren. Want grote steden zijn machtige economische motoren. Eigenlijk gebeurt dat al want de Japanse jeugd trekt al jaren naar de grote stad. Maar de natiestaat begrijpt dat niet en werkt het bewust tegen. Over dit merkwaardige fenomeen berichtte onlangs de Neue Zürcher Zeitung. In ‘Der Fluch von Tokio’ schetst de Japanse correspondent van de Zwitserse kwaliteitskrant, Patrick Zoll, het beeld van een land dat in 2040 100 miljoen inwoners wil tellen en ook vasthouden. Buiten de grote stad.

Op dit moment telt het eilandenrijk in de Stille Oceaan nog 127 miljoen zielen. Haar wacht dus nog een dramatische krimp. Ondertussen groeit Groot-Tokio onstuimig. Op dit moment staat de teller op meer dan 35 miljoen inwoners. De migranten zijn bijna zonder uitzondering  jonger dan dertig jaar. Gevolg: een vergrijzend en leeglopend platteland. Men schat dat over 25 jaar 896 gemeenten in Japan kunnen worden opgedoekt omdat straks niemand er meer woont. Dus wat doet de Japanse regering? Die start een regionaal-economische politiek om leeglopende steden en dorpen in alle uithoeken economisch te revitaliseren. Het Japanse platteland, heet het, moet weer aantrekkelijk worden voor de jeugd. Men wil de jongeren uit Tokio verleiden om de metropool te verlaten. Hoe dat precies moet, moeten ‘experts’ nu uitzoeken. Voor de heer Abe is het een topprioriteit. Dat wordt een hele kostbare operatie die gedoemd is te mislukken en ook niet gaat werken, nee het wordt een regelrechte ramp. Anti-stedelijke regimes als de Sovjet Unie en Communistisch China hebben het eerder al geprobeerd en daar leidde het niet alleen tot economische teruggang, maar ook tot hun val. En ook de Nederlandse ‘gebundelde deconcentratie’ werkte allerminst gunstig en heeft tot een verharding van economische crisis in de jaren zeventig en tachtig in ons land geleid. Zo’n dwaze ingreep hoort thuis in Barbara Tuchman’s ‘March of Folly’.

Tagged with:
 

Tokio’s erfgoed

On 9 september 2014, in monumentenzorg, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Venetië op 31 juli 2014:

‘In the Real World’, zo luidt de titel van de Japanse bijdrage aan de architectuur biënnale Venetië 2014. Hoezo ‘In the real world’? De Japanse terugblik op honderd jaar Modernisme concentreert zich op de jaren ’70 van de twintigste eeuw, toen een nieuwe generatie Japanse architecten twijfels kreeg over het modernisme in hun eigen land en een kijkje besloot te nemen in ‘the real world’, om zo weer contact te krijgen met de realiteit. De climax vormde de Wereldtentoonstelling Osaka 1970. Die Expo viel overigens samen met ernstige milieuvervuiling, slechte woonomstandigheden voor de gemiddelde Japanner, en werd spoedig gevolgd door twee nare oliecrises. In deze impasse besloot een aantal jonge architecten het land te verlaten, op reis te gaan, oude dorpen te tekenen, primitieve beschavingen te bestuderen, hun geschiedenis te onderzoeken. In de megasteden gingen ze hele kleine woningen bouwen, of dorpsachtige structuren. Een aantal van hen komt in de tentoonstelling aan het woord. Door de curators wordt hun werk nu beschouwd als beslissend voor de verdere ontwikkeling van de Japanse architectuur.

Een van de architecten is Terunobu Fujimori. Hij richtte de Street Observation Society op, evenals de Architectural Detective Agency. Fujimori voelde een diepe afkeer van de wijze waarop hele binnensteden destijds werden platgewalst en veranderd in commerciële consumptieoorden. Hij besloot de geschiedenis van Tokio in de Meiji Periode te bestuderen en verbaasde zich over zijn collega’s die sloop normaal vonden en ook zo achteloos met hun oude ontwerpmateriaal omsprongen. Ze gooiden het gewoon weg. Niemand leek geïnteresseerd in het verleden. Fujimori herontdekte het erfgoed – een doodzonde in het modernisme. Hoe hij over de steden van dit moment denkt? Fujimori: het is niet prettig om tegenwoordig door steden als Tokio te wandelen. "But it is beautiful to speed along the coast at dawn in a car on the way to Haneda. It really is. I find Tokyo more beautiful than other cities on the sea such as New York or Venice. New York stands on bedrock, so there is a gap between the waterline and the skyscrapers. But Tokyo seems to be floating on water, all the lights are on, and the ground too has been neatly laid out." (foto: Alfie Goodrich) Het enige wat hij mist is geschiedenis. Haar verleden heeft Tokio uitgewist.

Tagged with: